Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0 - 2.2 Financiering

Hits: 32380

Artikelindex


2.2 Financiering


Goochelen met getallen


In de PDAC van 28 maart 1865 lezen we, naast een lofzang op Pesse als “een der schoonste plekjes in Drenthe”, dat de redacteur zijn verbazing uitsprak over het feit dat er in dit plekje op een kruispunt van belangrijke straatwegen van Assen, Meppel en Hoogeveen nog geen kerk en pastorie bestond. Hij roemde de inspanningen van de voorbereidingscommissie “die ijverig hare pogingen aanwendt om in ’t ontbrekende te voorzien.” Nu de ingezetenen van Pesse hebben getoond dat zij “voor hunne geestelijke belangen wat over hebben”, ondersteunde de krant de oproep van de commissie aan de kerkenraden van alle Hervormde gemeenten in Drenthe “om ten haren behoeve eene collecte langs de huizen te willen doen (…) ten einde alzoo te verkrijgen wat nog aan het fonds voor het predikantstractement ontbreekt”. Als er op deze manier een fonds kon worden gevormd waaruit jaarlijks fl. 400 kon worden getrokken voor de predikantsbeloning, dan zou ’s rijks kas namelijk een gelijk bedrag bijdragen. Overal in Drenthe werd gecollecteerd voor de te stichten kerk in Pesse, veelal ‘langs de huizen’.


Crowdfunding


Op 20 april 1865 verscheen er in de Opregte Haarlemsche Courant een bedelbrief, of in tegenwoordige taal: een oproep tot crowdfunding. Tot de ondertekenaars behoorden R.A. van Echten van Holthe, lid van Gedeputeerde Staten der provincie Drenthe, H. G. van Holthe tot Echten, kantonrechter van het kanton Hoogeveen, ‘beiden op den huize Echten bij Meppel’ en verder de burgemeester en een wethouder van Ruinen, de Rijks-ontvanger en de Hoofd-onderwijzer en J.J. Damsté, predikant te Ruinen. Zij schetsten eerst de situatie: dat Ruinen behalve uit de kom, ook bestond uit ‘dorpen en gehuchten die een à twee uren en meer van de kerk verwijderd liggen’. Gesteld werd dat door de provincie fl. 2000 beschikbaar was gesteld, door de ingezetenen van Pesse fl. 2125 en dat men hoopte te kunnen rekenen op hulp van het fonds voor noodlijdende kerken van de synode. De minister stond voor fl. 400 garant als de bevolking ook zoveel zou kunnen bijdragen, als “tractement voor den leeraar”, voor het onderhoud van de gebouwen, “het tractement voor den voorzanger en koster en hetgeen er verder gevorderd wordt”. Maar, zo stelden de ondertekenaars, “de krachten van de nijvere, doch in het algemeen mingegoede ingezetenen schieten te kort. De ondergetekenden, overtuigd dat er te Pesse groote behoefte bestaat aan een eigen leeraar en een eigen kerk, wagen het, daartoe de hulp en medewerking in te roepen van allen, die tot dat doel zullen willen medewerken. Alles wat er zo aan geldmiddelen zal worden verzameld, zal onmiddellijk aan de commissie worden ter hand gesteld en in deze courant worden vermeld.”


Verantwoording


In de PDAC van 17 januari 1871 legde de commissie verantwoording af van de ontvangen gelden. “Den 7den Januarij 1871 heeft de commissie voor de stichting van een kerk en pastorie alhier hare voorbereidende werkzaamheden geëindigd en de zaak verder aan de kerkvoogden van Pesse overgedragen. Zij acht zich verpligt, de ontvangen giften, door collecten in de provincie of op andere wijze, ter algemeene kennis te brengen. Zij zijn deze:” en dan volgt een opsomming van de plaatsen en de bedragen. Het is een hele reeks. In Ruinen is maar liefst fl. 610,23 bijeengebracht, in Dwingeloo ruim fl. 140, maar bijvoorbeeld in Frederiksoord slechts fl.5. In Veenhuizen maar liefst fl. 1851. Daar steekt Hoogeveen met z’n fl. 105,771/2 wat schril tegen af. Van buiten de provincie is er nog een tientje uit Nieuwerkerk en fl.1,60 uit Lutjegast. “Uit handen van jhr. R.D. van Holthe van Echten fl.151,80 en uit handen van ds. Damsté van Ruinen een Oostenrijksche coupon no. 6730 groot fl. 30,90, benevens een spaarbankboekje van fl. 50 inleg, zijnde de opbrengst der afscheidsrede van ds. J.J. Damsté te Ruinen.”


Eenvoudig en oppervlakkig

ds. J.J. Damsté 


Die afscheidsrede van ds. Damsté werd overigens nogal afgebrand in een kritiek in ‘Godgeleerde Bijdragen’, deel 38, eerste stuk, uit 1864. De titel van de rede was: ‘Afscheidsrede over Hand. XX:32, gehouden den 28 Junij 1863, te Koekange door J.J. Damsté. Uitgegeven ten voordeele van de stichting eener kerk en pastorie te Pesse.’ (Prijs fl. 0,25). Ten eerste klopt de titel niet, vond de onbekende criticus want de rede is óók gebaseerd op Rom. XIV:19, de tekst waarmee Damsté 14 jaar eerder in Koekange begon. En “de rede zelve is zeer eenvoudig en oppervlakkig. Eene zeer ernstige ongesteldheid van zijn jongste kind, sedert de vier laatste dagen voor zijn afscheid, maakte hem de voorbereiding zeer moeijelijk. Dat hij echter tot de uitgave besloot vindt zijne oorzaak in het doel op den titel vermeld. En zoo moge dan de vlag de lading dekken, al is zij wat ligt (licht).” M.a.w. ds. Damsté riskeerde een slechte kritiek om de kerkstichting van Pesse financieel te bevorderen. Toch sympathiek.
De inbreng van Ruinen, zowel van de bevolking als van de dominee en de jonkheer, geeft aan dat ‘die van Ruinen’ als puntje bij paaltje kwam toch wel positief stonden tegenover het streven naar onafhankelijkheid van ‘die van Pesse’, al krijgen we vaak een andere indruk uit de documenten.
Kennelijk was Pesse door de acties op de kaart gezet, want in het Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad, een advertentieblad, van 2 april 1866, staat een ‘brief uit het noorden’, waarin Hoogeveen met zijn ruim 10.000 zielen de ‘bakermat van de herboren orthodoxie’ wordt genoemd, met “eene kerk voor afgescheidenen, die, wat grootte betreft, haars gelijken in Nederland niet heeft.” En dan komt het: “De entrée van Hoogeveen van de zijde van het in weinige maanden wijd vermaard geworden Pesse, is riant noch modern (…)”. (onderstreping is van mij, LM). Wijd en zijd beroemd tot in Utrecht aan toe, het eenvoudige Pesse, wie had dat gedacht.
Maar het kan verkeren. In een ingezonden stuk in de PDAC van 23 mei 1867 merkt iemand op dat het ‘bedroefd’ is “dat er jaren verloopen moeten, eer dat er hier of daar een nieuwe Hervormde gemeente tot stand kan komen. Adres Pesse, waar reeds in 1864 voor gecollecteerd werd, maar van welks kerkbouw c.a. men thans tittel noch jota meer hoort.” En hij of zij voegt eraan toe: “Onze Protestantsche geloofsgenooten mochten in ijveren voor zulke zaken wel bij onze Roomschgezinde broeders ter school gaan.”
In geen krant heb ik een bericht gevonden of en zo ja hoeveel de bedelactie in de Opregte Haarlemsche Courant heeft opgebracht. Te vrezen is dus: weinig of niets.
In de jaren na de stichting kreeg de Hervormde Gemeente bijna elk jaar een bedrag uit het ‘fonds tot verbetering der schraalste predikantstractementen’, meestal een bedrag van fl. 100. Telkens dient de kerkvoogdij een verzoek in en meestal wordt het verzoek ingewilligd.


Hoofdelijke omslag en de bode


Een andere manier van inkomstenverwerving was de hoofdelijke omslag. Leden van de kerk betaalden vroeger geen vrijwillige maar een opgelegde bijdrage. Overigens bestond in de seculiere maatschappij ook een systeem van hoofdelijke omslag; de overheid bepaalde hoeveel je diende te betalen. Dat was een voorloper van de huidige inkomsten- en vermogensbelasting. De hoogte van de bijdrage werd bepaald o.a. op grond van inkomen en gezinssamenstelling.
De overheid, i.c. de belastinginspecteur, bepaalde ook de hoogte van de kerkelijke bijdrage van de Hervormden. De Hervormde kerk was min of meer een staatskerk, in die zin dat zoals al opgemerkt is, de predikantstraktementen deels werden betaald door het ministerie van financiën, afdeling eredienst. Op de foto een deel van het document (1872) dat het landstraktement toekent aan Pesse.

x

De kerk moest zelf zorgen dat het geld van de burger binnenkwam. Daarvoor waren er boden in dienst. Van december 1874 dateert de “Aanstelling en Instructie voor eene bode voor de Gemeente Pesse”, gevonden in het Drents Archief te Assen. Dit is de inhoud:


Overeenkomstig art. 4 van het Plaatselijk Reglement op den Hoofdelijken omslag stellen Kerkvoogden der Hervormde Gemeente te Pesse een bode aan welke aanstelling en Instructie hieronder volgt.
Tot bode voor de Kerkgemeente Pesse wordt bij en mits dezen aangesteld de persoon van Berend Hendrik Bruins op een jaarlijks Salaris van vijf gulden ingaande den 1 Januarij 1875 en alsdan tot wederopzegging, wordende de daarvoor te verrichten werkzaamheden hieronder bij wijze van Instructie omschreven. (Fl 5.00 in het jaar 1874 heeft een "koopkracht" van fl. 113.87 (€ 51.67) in het jaar 2015. LM).
Art. 1. De bode is verpligt op kennisgeving aan hem gedaan, voor het houden van vergaderingen van Kerkvoogden of van Kerkvoogden en Notabelen de aanzegging aan de leden te doen, minstens twee maal vierentwintig uren te voren.” De bode was dus ook een soort postbode voor de kerk.
“Art. 2. Bij den Hoofdelijken omslag of wel bij de uitschrijving van dezelve brengt hij de aanslagbiljetten aan de ingezeten uit.
Art. 3. Hij is verpligt bij niet betaling der termijnen van den Hoofdelijken omslag en huur van de zitplaatsen de nodige aanmaningen en waarschuwingen aan de nietbetalenden uittereiken, die hem door den Kerkelijken Ontvanger zullen worden verstrekt.
Pesse, den 19 December 1874”(w.g. namens de kerkvoogden).
De kerk betaalde in 1906 boden in totaal f 8 per jaar om de kerkelijke bijdrage op te halen bij de kerkleden. Oud administrateur Henk Klaster kan zich nog herinneren dat er ook zittingen gehouden werden tijdens welke de kerkleden hun bijdrage contant konden brengen. Je was dus verplicht te betalen en als je in gebreke bleef, kwam de deurwaarder het bij je halen. Een nu niet meer voor te stellen situatie.

 

‘Reklameren’


In het voorjaar van 1873 maakten enkele gemeenteleden bezwaar (‘reklameren’ heette dat) tegen de hun door de kerk opgelegde hoofdelijke omslag. Ze werden in het ongelijk gesteld door de kerkenraad. Een kerklid met bezwaar liet het zelfs voor de burgerlijke rechter komen. In de PDAC van 4-10-1873 staat zeer uitgebreid het vonnis, waarin de landbouwer L. A. Steenbergen door het kantongerecht van Hoogeveen werd veroordeeld tot het betalen van fl. 12 hoofdelijke omslag. Steenbergen had te zijner verdediging o.a. in twijfel getrokken of de kerk van Pesse wel een zelfstandige Hervormde gemeente was en dus wel het recht had hem aan te slaan. Ja, vond de rechter.
In latere jaren is de hoofdelijke omslag afgeschaft. De overgang van verplichte naar vrijwillige bijdrage door de kerkleden was natuurlijk voor de kerkvoogdij een spannende exercitie. Van zekerheid naar onzekerheid, zo ervoer men dat. Oud-administrateur Klaster kan het zich nog goed herinneren. Gelukkig is het goed gekomen, maar dat neemt niet weg dat de kerk van Pesse, afgezien van de diaconie dus, financieel gezien niet bepaald een rijke kerk is geweest. De kerkvoogden vonden het met het oog daarop geen probleem dat er na het vertrek van ds. Stap in 1986 twee jaar een vacature bestond: dan kon er weer een beetje gespaard worden om wat vet op de botten te krijgen.

naar boven