Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0 - 1.3 Eigen diaconie

Hits: 32379

Artikelindex

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.3 Eigen diaconie


Zoals we al even aanstipten had Pesse een eigen diaconie, onder andere als gevolg van vroegere bezittingen en misschien ook wel door zijn doortastende optreden in kerkkwesties. Echter: deze diaconie viel officieel onder de kerkenraad in Ruinen. In: ‘De Aardbol, Magazijn van hedendaagsche Land- en Volkenkunde, derde deel: De Nederlanden met platen en kaarten’ (1841) lezen we: “Het dorp Ruinen telt met de daaronder behoorende buurtschappen Pesse, Echten en Ansen 1800 inwoners. Deze drie gehuchten maakten vroeger een afzonderlijk kerspel uit, hetwelk nimmer tot de heerlijkheid Ruinen heeft behoord en nog heden deszelfs nooddruftigen uit een eigen armenfonds hulp verleent.” Onder andere hieruit blijkt dat ook Pesse dus midden 19e eeuw een eigen armenfonds of diaconie had.
In het archief van de kerk bevindt zich een erfpachtcontract van de diaconie van 19 maart 1838 betreffende “een huisje met voor en achter gelegen groenland, zaailand en heideland, te zamen groot ruim vijf bunders nabij het gehucht Zwarte Schaap”. Ook is er een document over de verkoop van grond ten noorden van de Pesserdijk aan ‘de Hervormden van Pesse’ van 11 juni 1861. De diaconie was niet onbemiddeld: in het ‘Register () van alle bezittingen der Diaconie van de Hervormde Gemeente te Pesse, classis Meppel, opgemaakt door de Diakenen dezer gemeente op 23 Februari 1883’ lezen we dat de diaconie minstens negen stuks onroerend goed bezat, waarvan de diaconie pacht inde.

 

 

x
x

 


In het kerkarchief ligt nog een vergeeld ‘Plan wegens de bouw van een kleine Landbouwerswoning voor de Diaconie der Nederl. Herv. Gemeente te Pesse’. De diaconie bouwde dus zelf ook. Later zijn de boerderijtjes, die meest rond Stuifzand gelegen waren, te gelde gemaakt. De Pesser diaconie zal daarom niet armlastig (geweest) zijn. De besteding van het geld is echter aan strenge regels gebonden. Zo mag de kerk het geld niet gebruiken voor onderhoud van het gebouw of nieuwbouw.

x  x

x

x


Diaconale armenzorg te Ruinen en Pesse


De diaconie moest ook wel bezit hebben, want in de maatschappij van de negentiende eeuw bestonden er geen sociale wetten van rijkswege als werkloosheidswet, bijstand en AOW, die de kwetsbare burger konden ondersteunen. Wel was er sinds 1854 een ‘Eerste Armenwet’ die bijstand regelde voor mensen die niet tot een kerkelijke gezindte hoorden. De voornaamste ondersteuningstaak kwam toe aan de diaconieën van de kerken, want de meeste mensen hoorden (toen nog wel) tot een kerkelijke gezindte. In het kerkarchief bevindt zich een oud en beschadigd document van ver voor de stichting van de kerk, namelijk uit 1854. Het is interessant om te lezen hoe men toen over sociale voorzieningen dacht en hoe men die toepaste. Hieronder de voornaamste inhoud van het document.

 x  x


x

Hieronder de uitgetikte inhoud:   


‘Huishoudelijk Reglement op het Diakonaal arm wezen te Ruinen en Pesse’ uit 1854


“artikel 1
Slechts eenmaal in de week zal er door de gezamenlijke diakenen in hun ressort uitdeeling der armgelden geschieden op zo danigen tijd en plaats, als zij daartoe goed vinden te bestemmen.
artikel 2
Voor bedeeling zullen alleen in aanmerking komen zij vooreerst, die wegens ouderdom buiten staat zijn in hun levensbehoefte te voorzien, gebrekkigen, Zieken, weduwen en wezen; in de tweede plaats die door bijzondere omstandigheden hulpbehoeftig zijn en alsdan slechts zoo lang die omstandigheden duren.”
In artikel 3 worden voorwaarden opgesomd. Zo wordt er als een soort tegenprestatie wel verwacht dat de bedeelde de godsdienstoefening bijwoont, tenzij die dat door ouderdom, ziekte of gebrek niet kan. En: “Dat zij hunne kinderen die in de Schooltermen vallen, geregeld en op tijd naar de school en de Catechisatie zenden.” De diakenen zullen zich met de onderwijzers verstaan om zekerheid te verkrijgen dat er “stiptelijk aan deze bepaling wordt voldaan.” Het verschijnsel tegenprestatie zien we tegenwoordig overigens weer terugkomen.
Verder zorgen de ouders “dat zij hunne kinderen van den omgang met erkende slechte speelmakkers zo veel mogelijk afhouden”en voorkomen dat ze zich aan “baldadigheden en straatschenderijen” schuldig maken en ze bij overtreding “met nadruk onderhouden en ernstig bestraffen.” Voorts “dat zij hunnen kinderen niet later dan één uur na zonsondergang op den publieken weg laten loopen; plaats vindende afwijkingen zullen aan de beoordeling der diakenen onderworpen worden.” Voorts mogen ze hun kinderen niet langs de huizen sturen ten einde om liefdegaven te bedelen.
In artikel 4 staat dat, als de bedeelde burger zich niet aan de eerder genoemde voorwaarden houdt, hij daarover nadrukkelijk onderhouden zal worden en voor de eerste keer slechts de helft van “hunne wekelijkse bedeeling genieten en bij voortdurende nalatigheid van de bedeeling geheel verstoken zullen blijven tot zo lang zij gehoorzaam de boven gestelde voorwaarden naar (=na, LM) komen.”
Dat waren dus geen halve maatregelen, niets van ‘drie keer is scheepsrecht’. Geen wonder dat veel behoeftigen het als een schande ervoeren om een beroep te moeten doen op de diaconie.


In den dringendsten nood


De diakenen bepalen de grootte of het bedrag van de wekelijkse bedeling. Ze letten daarbij op de leeftijd, in hoeverre mensen onmachtig zijn om in hun behoefte te voorzien; op de “talrijkheid van het gezin” en of sommige gezinsleden misschien iets kunnen verdienen om het gezin te steunen; en verder spelen vlijt en spaarzaamheid van de kwetsbare burger ook nog een rol in de mate van gulheid van de diakenen. In artikel 8 wordt gesteld dat “Geene nieuwe behoeftigen worden als armlastig opgenomen door diakenen, dan na daar toe door de Kerkenraad gemagtigd te zijn, behalve in den dringendsten nood” en ook dan moet de kerkenraad wel in de eerstvolgende vergadering haar fiat geven. In artikel 9 ten slotte wordt de bekendmaking van deze nieuwe regeling geregeld en ten overvloede nog eens gesteld dat als de ‘gealimenteerden’ zich niet voegen naar de bepalingen “hen geen bedeeling zal geschieden”.
“Aldus opgemaakt en gearresteerd (=vastgesteld, LM) in onze Kerkeraadsvergadering gehouden den 29 Januarij 1854.”
Was getekend o.a. door B. Ansingh, Van Echten van Holthe en voorts een aantal notabelen.


Vaderlijke tederheid


De Ruiner notulen “van het verhandelde in de gewoone maandvergadering der bestuurders van het armhuis te Ruinen op 7 dec. 1859” geven enigszins inzicht in hoe men deze regels toepaste.
“6e. Wordt door den voorzitter de gealimenteerde R. Wijnhand gehoord en hem onderhouden over wangedrag en brutaliteit. De voorzitter gaf hem met ernst te kennen dat hij zich aan de billijke voorwaarden van het huis moest onderwerpen en stelde het hem met nadruk voor, als hij er verder tegen aan kante (als hij zich zou blijven verzetten, LM) , hij de onaangename gevolgen zich zelve had te wijten.
7e. Wordt door den voorzitter noch (= ook) gehoord de jeugdige Jan Wubben die zich inschelijks (=ook) aan wangedrag had schuldig gemaakt. De voorzitter stelde hem het nadelige van zulk een bestaan voor ogen, gaf hem toen eenige wijze leefregelen op en prees hem dezelve met vaderlijke tederheid ter behartiging aan.”


Armwerkhuis te Ruinen


In april 1860, toen de voorbereidingscommissie voor de bouw van een nieuwe eigen kerk in Pesse net van start ging, was er onenigheid over de goedgevulde diaconiekas van Pesse. In Ruinen wilde men een nieuw armenhuis bouwen. Een armwerkhuis, ook wel armhuis, was een woon-werkvoorziening waar bejaarden, wezen en andere sociaal zwakkeren tegen betaling door arbeid kost en inwoning konden genieten, en intussen, zo was het ideaal, ook nog onder toezicht konden worden opgevoed tot deugdzame en vlijtige burgers. De Ruiners wilden voor de bouw van het huis de beide armenkassen samenvoegen, maar de Pessenaren verzetten zich heftig en de gemoederen liepen hoog op. Bemiddeling door de burgemeester hielp niet. Ruinen zette door. Pesse ook. In Ruinen bouwde men een nieuw armenwerkhuis, Pesse hield zich afzijdig. Men besloot zelfs dat, als het armenhuis op de agenda stond, de Pessenaren de kerkenraadsvergadering mochten verlaten. Zo ging dat. Op een gegeven moment vergaderden beide raden helemaal apart. Zo had Pesse wel een -soort van- kerkenraad -maar geen kerk. En samenwerking was er nauwelijks. In de Ruiner notulen der vergadering van bestuurders van het armwerkhuis te Ruinen van 4 april 1860 lezen we: “Daar er eene aanvraag is gedaan door het Diaconie Bestuur van Pesse om Lambert Middelveld in het gesticht (= het armwerkhuis, LM) op te nemen wordt door den voorzitter de vraag voorgesteld of het wenschelijk is genoemde L. Middelveld en gezin in het gesticht op te nemen? Met algemene stemmen afgewezen.” Als je niet mee betaalt, moet je je eigen boontjes ook maar doppen, scheen men te willen suggereren. Het was natuurlijk ook wel tamelijk assertief van de Pessenaren om te vragen of een lid van jouw gemeente in het armwerkhuis mag worden opgenomen, waaraan je als diaconie geen cent wilde mee betalen…

Matterij


In april 1864 wil de Ruiner kerkenraad het armwerkhuis in Ruinen uitbreiden. Men doet een poging “tot de oprigting eener werkverschaffing te Ruinen, en wel meer bepaald van eener matterij, zonder daarom andere werkzaamheden, als heideplukken, touwpluizen of andere buiten te sluiten”. Zij zal daartoe een deskundige engagéren die de arbeiders in deze zomer het russen snijden en bereiden en in den aanstaanden winter het matten zal leeren”. Aldus de Ruiner notulen. Deze matterij behelst een voorziening om stoelen te matten. ’s Winters is er te weinig werk voor de vele werklozen en deze uitbreiding zou daar verandering in kunnen brengen, “ter vóórkoming van armoede, ter wering van bedelarij en ter bevordering der zedelijkheid”. Er is geld voor nodig. De commissie heeft vijfhonderd gulden nodig en geeft aandelen uit van fl. 25 per stuk. De lijst van intekenaren telt acht personen die precies de fl. 500 opbrengen. De leden uit Pesse willen er niets mee te maken hebben. Op 12 juli 1864 vergadert de Ruiner kerkenraad, waarin dus ook leden uit Pesse zaten, weer en wel in Meppel. Ook al een strijdpunt overigens, dat er in Meppel vergaderd moest worden. De Ruiner notulen melden: “Art. 5: Als de Ruiner leden zich hebben verwijderd wordt de Verg. met de Pesser broeders voortgezet. Dan worden dezen door de gecommitteerden gevraagd of zij zich met de zaken der Ruiner diakonie willen belasten, hetgeen zij van de hand wijzen, omdat het hun niet aangaat omdat zij veel te ver verwijderd zijn en omdat zij met hunne eigene diakoniezaken genoeg te doen hebben.”

 

 

Drenthe was vroeger een arme provincie; vooral in de veengebieden heerste vaak schrijnende armoede. Mensen leefden er in kommervolle omstandigheden. Op de foto een plaggenhut. De laatste plaggenhutten werden pas in de loop van de 20e eeuw afgebroken.          

 


Eigen collecteschaal


Op de Ruiner kerkenraadsvergadering van 11 sept. 1870 “komt ter sprake het verschil tusschen de Ruiner en Pesser Diakenen aangaande de bedeeling van Jan Middelveld en de weduwe Roelfje de Jonge. Wordt besloten dat Jan Middelveld als zijnde te Pesse geboren en woonachtig ook door de Diakenen van Pesse alleen zal bedeeld worden, terwijl de Ruiner Diakonie de Wed.e R.de Jonge als wonende te Ruinen zal verzorgen.” In het volgende artikel wordt meteen geregeld dat voortaan de verblijfplaats van de behoeftige bepaalt door welke diaconie hij of zij geholpen wordt. In een contract van 1855 met de Pesser diaconie was afgesproken dat de geboorteplaats leidend zou zijn, maar dat contract wordt nu vervallen verklaard, overigens omdat de Armenwet dit zo eiste. Nu werd dus de woonplaats bepalend; dat is ook de huidige praktijk voor toepassing van sociale wetten.
In Ruinen eisten de Pessenaren een kwart van alle ingezamelde armpenningen op, wat de Ruiner diakenen alleen wilden toestaan als zij ook mochten delen in de opbrengsten van de Pesser diaconie. Een redelijk verlangen zou je zeggen. In de ontstane strijd moesten Drost en Gedeputeerden tussen beide komen en hun oordeel was dat Pesse voortaan een eigen collecteschaal in de kerk van Ruinen mocht hebben om zelf armpenningen te verzamelen. Na de inwijding van de Pesser kerk was een van de eerste besluiten die de Ruiner kerkenraad nam: deze collecteschaal afschaffen. De verhoudingen tussen beide deelkerkenraden waren door deze gebeurtenissen danig verstoord. Het was in deze sfeer dat de voorbereidende werkzaamheden voor een eigen kerk in Pesse begonnen.


-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-00-0-0-00-

 

     

   

 

naar boven