Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0 - 1.2 Roggepacht of St. Maartenspacht

Hits: 32378

Artikelindex

 

 

 

 

 

 

 

 


1.2 Roggepacht of St. Maartenspacht


Sinds eeuwen moest elke boerderij in Pesse een hoeveelheid rogge in natura voldoen aan de kerk, als aanvulling op het traktement van de pastoor in de middeleeuwen, en van de predikant na de Hervorming.
Al ruim voor de stichting van de kerk van Pesse was die pacht overgenomen van de kerk van Ruinen. In een gezamenlijke vergadering van kerkvoogden en notabelen te Ruinen op 11 april 1864 werd de roggepacht, die tot dan toe toekwam aan de predikant van Ruinen, afgestaan aan de “nieuw te stichten Nederduytsch Hervormde Kerk te Pesse” ingaande het tijdstip dat de gemeente effectief bestond en “onder bepaling dat dezelve afstand doe van alle verdere aanspraken op Kerkelijke eigendommen en inkomsten behoorende tot de Kerk van Ruinen.”
De pacht werd naast de roggepacht ook wel de St. Maartenspacht genoemd, omdat de pacht diende te worden betaald op de naamdag van de heilige Sint Maarten: 11 november was de dag dat de pachter betalen moest. Overigens mocht de pacht, in ieder geval in latere tijd, ook betaald worden in contanten. In de notulen van de kerk van 27 oktober 1890 staat dat de kerkvoogden de ‘pacht der rogge’ bepaalden ‘op fl. 5,25 per mudde’. Een mud of mudde was een oude inhoudsmaat (denk aan het ons nog bekende ‘mudvol’); de inhoud van een mud verschilde per plaats, per tijd en per soort koopwaar. Op veel plaatsen stond het mud gelijk aan 4 schepel en een schepel was dan ruim 40 liter. Nog in de jaren vijftig werden in deze streken de gerooide aardappels gemeten in schepels(manden).

 x



 

Roggepacht als deel van het traktement


Men moet niet gering denken over het belang van de roggepacht. Voor de predikant was destijds de opbrengst van deze kerkelijke belasting een essentieel onderdeel van zijn inkomen. Ook in de eerste tientallen jaren van het bestaan van de Hervormde kerk in Pesse was de roggepacht een belangrijke financiële bron voor de kerkvoogden en daarmee voor de achtereenvolgende predikanten. In het kerkarchief bevindt zich een soort boekhouding: het ‘uitgavenboek’, dat loopt vanaf het begin in 1871 t/m 1906. Hierin lezen we o.a. het volgende:
In december 1871 en januari 1872 betaalt men diverse bedragen aan de eerste Pesser predikant, ds. H.J. Bergsma. Bijvoorbeeld “wegens 149 dagen Roggepacht vanaf den 16 Junij tot den 11 November: fl. 44,90’ en een maand later ‘wegens 199 dagen van af den 16 Junij tot 31 December Tractement uit de Kerkvoogdijkas: fl. 38,16.”

x


In december 1873 krijgt ds. Bergsma zijn ‘tractement’ dat bestaat uit “een jaar Roggepacht verschenen op 12 November 1873”, voor een bedrag van fl. 110 en “de toelage der gemeente verscheenen op 1 Januarij 1874” voor een bedrag van fl. 70. (zie de foto) 
Uit deze bedragen blijkt dat de roggepacht een groter deel van het predikantsinkomen uitmaakte dan de bijdragen vanuit de kerkvoogdijkas. Wat ‘verdiende’ de eerste predikant van Pesse in totaal dan wel?


Het inkomen van de eerste predikant


Het totale jaarinkomen van ds. Bergsma in 1873 bedroeg fl. 800. De helft ervan was ‘rijkstraktement’, uitgekeerd door het ministerie van financiën, afdeling ‘Eredienst’. Fl. 120 kwam uit interest van een bedrag dat de kerkvoogdij had geïnvesteerd in het ‘Grootboek der Nederlandse Kerk Schuld’; fl. 100 kwam uit een landelijk fonds voor noodlijdende kerken; fl. 110 aan opbrengst uit roggepachten; en ten slotte fl. 70 bijdrage uit de kerkvoogdijkas. Daarnaast had de dominee huurvrij gebruik van de pastorie en de grond en een vrije bank in de kerk.
Daarmee vergeleken: een arbeider in het westen van het land verdiende in die tijd ongeveer zes á zeven gulden per week, waarbij is inbegrepen het geld dat zijn vrouw en kinderen inbrachten. Dat geld ging elke week volledig op aan huur en voedsel. Je mag aannemen dat een landarbeider in Pesse minder verdiende. Verderop zien we dat een arbeider die de tuin van de dominee spitte, 70 cent per dag verdiende. Volgens het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis heeft fl. 1.00 in het jaar 1873 een "koopkracht" van fl. 22.44 (€ 10.19) in het jaar 2015. De predikant verdiende dan “omgerekend” naar 2015 fl. 17 955.87 (€ 8 148.02) en de arbeider fl. 364 per jaar en dat is in 2015 fl. 8 169.92 (€ 3 707.35). Zo ongeveer lagen de verhoudingen in inkomens.


Afkoop van de roggepacht


Boeren wilden vaak wel graag van het contract af. In het archief bevinden zich enkele contracten die de afkoop van de roggepacht regelden.
In januari 1930 kocht landbouwer Gerrit Strijker de St. Maartenspacht af: “De contractanten ter eenre ontheffen den contractant ter andere zijde, die verklaart zulks aan te nemen, te rekenen van den 11 November ’29 van de voldoening eener jaarlijksche pacht, bekend onder den naam van roggepacht (St. Maartenspacht), groot 48 ¾ liter, uitmakende een gedeelte van de Predikantsinkomsten van voornoemde gemeente, door hem jaarlijks op 11 Nov. verschuldigd, als eigenaar van huis en erf bij het kadaster te Ruinen bekend onder sectie E nummers 2724 te zamen groot 37 A 80 cA waarop die pacht rust, tegen betaling in eens van eene som groot fl. 73,121/2 welke is berekend naar den grondslag van zes gulden de hectoliter en voorts het bedrag dezer som vijf en twintig malen genomen.”
Was getekend door o.a. de predikant ds. L. Seinhorst, landbouwer G. Strijker en een vijftal kerkvoogden, w.o. de president W. Pol. Onderaan het contract staat de opmerking dat het is “goedgekeurd door het Provinciaal College van Toezicht in Drenthe”(…). De goedkeuringsbrief bevindt zich ook in het archief van de Hervormde Gemeente.
Op 18 november 1931 kocht Hendrikus Dekker de pacht af voor een bedrag van fl. 120,56. Dat was “omgerekend” naar 2015: fl. 2 241.53 (€ 1 017.16). Toch best een fors bedrag voor die tijd.
In de loop der jaren werd de roggepacht minder belangrijk. Uit de ‘Rekening der inkomsten en uitgaven van de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Pesse’ van 1943 blijkt dat de inkomsten van roggepachten nog maar begroot werden op fl. 3,22 en de afkoop op fl. 2,89.

x   x

 

Alles bij het oude


In 1973 hadden de meeste boeren dus die pacht allang afgekocht, eigenlijk een beetje tegen de zin van de kerkvoogdij, die er niet over dacht de pacht af te schaffen. Van de akker van A. Bosman in de Molenhoek (pachter A. Schonewille) moest toen ieder jaar vijf één zesde kop rogge aan de kerk worden geleverd, evenals van een perceel van G. Posthoorn in de Molenhoek. Dat was dus ruim 5 liter rogge; daar werd de honger van een predikant slechts kort mee gestild.
Oud administrateur Klaster herinnert zich nog dat hij de pacht ging innen bij Bosman, die weigerde af te kopen. Dat was een oude traditie die je in stand moest houden, vond Bosman. Over de jaren 1974 tot en met 1977, vier jaar dus, was Bosman dus vijf een zesde kop per jaar verschuldigd, dat is ongeveer 3,5 kg, en Klaster inde voor de vier jaar vier keer f1,50 dus zes hele guldens. Kerkvoogdijsecretaris L. Jalving sprak destijds in de Hoogeveensche Courant desondanks zijn tevredenheid uit over het feit dat één veehouder de pacht niet wilde afkopen maar “alles bij het oude wilde laten”. Op de foto het briefje van dhr. Klaster dat diende als kwitantie.
In 1973 werd de rijksweg A28 verdubbeld. De ambtenaren van Provinciale Waterstaat in Drenthe kregen toen onverwacht te maken met de Hervormde Gemeente van Pesse. Om de weg te kunnen aanleggen, had men de boerderij van de familie Lübeck gekocht, met het doel die af te breken. Die verkoop ging ‘met de lusten en de lasten’. Een van die lasten was een pacht van dertig koppen rogge, jaarlijks te betalen aan de Hervormde Kerk. Prov. Waterstaat kwam voor de gekochte boerderij tot een akkoord met de kerkvoogden over de tegenwaarde in geld van dertig koppen rogge over een lange reeks jaren. De tegenwaarde van de pacht was in 1973 ongeveer fl. 10,-- per jaar. Hoeveel Waterstaat precies betaald heeft voor de afkoop, is mij niet precies bekend, maar Klaster denkt dat het een paar honderd gulden geweest zal zijn.

x     x


-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-

naar boven