Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0 - 1.1 De eerste kerk van Pesse: een kapel

Hits: 32377

Artikelindex

 1 De ontwikkeling tot omstreeks 1870

 

 

 

 

 

 

 

 

 


1.1 De eerste kerk van Pesse: een kapel


Pesse, een heel oud dorp


Pesse is een heel oud dorp, een van de oudste van Drenthe. Al in de twaalfde eeuw, in 1141 om precies te zijn, was er sprake van een gehucht dat Petthe genoemd werd. Peth was en is een soort moeras, veengrond. In ‘petgaten’ en in de Peel zit deze woordvorm nog. De naam herinnert aan de pingo-ruïnes of meertjes die hier nog steeds het landschap sieren. Het gaat om veenmoerasjes gevuld met donker, stilstaand water, met grillig gevormde oevers en turfgaten en omzoomd door een verscheidenheid aan momenteel steeds zeldzamer wordende hoogveenplanten. De Drentse én de Nederlandse bevolking heeft zich vele eeuwen achtereen kunnen warmen aan het vuur, dat van de turf gestookt werd, afkomstig uit deze veenplassen. De Drentse benaming 'Veenties' voor deze moerasjes is daarom ook zo goed gekozen. Het Zwarte Water bij Pesse zou best eens zo’n pingo-ruïne kunnen zijn.
Pesse is een zanddorp: het ligt op een hoge zandrug, vroeger te midden van moerasachtige lagere streken, en net ten noorden van het uitgestrekte veenmoeras dat afgegraven en ontgonnen werd door o.a. Roelof van Echten, waar later Hoogeveen ontstond. De oudste vorm van de naam Pesse is volgens de Drentse taalkundige Jan Naarding waarschijnlijk Pethitha geweest. Deze naam heeft op de pastorie gestaan toen ds. Stap predikant was in Pesse. In navolgende eeuwen evolueerde de naam via Petthe in Pesse. Op oude kaarten is trouwens ook wel sprake van Pessen.
Boomkano
Bewoning was er in dit gebied al heel vroeg. In 1955 werd er een nieuwe verkeersweg langs Pesse aangelegd. De dragline die een vier meter dikke veenlaag weggroef, stuitte op een archeologische vondst die Pesse op de kaart zette. Aanvankelijk leek het een ‘gewoon’ stuk kienhout dat loskwam uit het zuigende veen, maar later bleek dat dit stuk hout van drie meter bij nog geen halve meter een uitgeholde boomstam was, die dienst moet hebben gedaan als kano. Met een ouderdom van plm. 8000 jaar was dit de oudste boot ter wereld. En tevens het bewijs dat er toen al mensen leefden in dit gebied. Op de brink van Pesse staat een beeld op schaal van deze ‘boomkano’. Het origineel is te zien in het Drents Museum in Assen.
Volgens het ‘Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden bijeengebragt door A.J. van der Aa, negende deel’ (1847) was in het midden van de 19e eeuw ‘Pesse een gehucht in het Dieverderdingspil, met 78 huizen en 580 inwoners. “De marke van Pesse wordt verdeelt in 5 hoofddeelen, als Pesse, Eursinge en Bultinge, Oostering, Stuifzand en Zwarte Schaap, en Kalenberg en Fluitenberg”. Op deze onderscheiden delen komen we verderop terug.
(Terzijde: in citaten neem ik de originele schrijfwijze over, inclusief fouten!)
In 1973 ontdekte men, ook door graafwerkzaamheden, een vroegmiddeleeuwse nederzetting van een boerderij met bijgebouwen. Het oppervlak van de grootste boerderij mat maar liefst 20 bij 5 meter.
Hieronder een afbeelding van een topografische kaart van rond 1820, een halve eeuw vóór de stichting van de kerk, waarop de ligging van Pesse (iets boven het middelpunt van de kaart) ten opzichte van Ruinen en Hoogeveen goed te zien is. De gehuchten waren alleen over zandwegen en karrensporen te bereiken.



x


Kiem van de drang naar zelfstandigheid


Heer Otto van Ruinen schonk al in 1141 een hoeve met onderhorige boeren in Petthe aan het klooster in zijn dorp. Zo ging dat toen. In Ruinen was in die tijd een Benedictijnenklooster; namen als ‘Kloosterstraat’ en ‘Munnekenweg’ verwijzen daar nog naar. Dat klooster moet al in het jaar 1036 bestaan hebben. De monniken uit het klooster in Ruinen trokken in 1325 naar het veiligere Dickninge aan het riviertje de Reest. Ruinen, aan de weg van Zwolle via Meppel naar Groningen, zou hun te druk geweest zijn.
Al in 1381 moet hier een deel van de gemeenschappelijke markegronden verdeeld zijn geweest: de zogenaamde Wanninge Blicmaet. (Elders gebeurde de ‘privatisering’ van de gemeenschappelijke gronden vaak pas in de 19e eeuw). Er was sprake van een viertal hoeven, in bezit van machtige boeren. Een ervan behoorde aan het geslacht Waninge, een nog steeds bekende naam in de omgeving. Roelof Waninge was in 1410 schulte in Ruinen en had ook bezittingen in Mantinge. Een schulte was een rechterlijke functionaris op lokaal niveau. De heren Van Coevorden hadden bezittingen in Pesse, ze noemden zich ook wel ‘van Pesse’, en hadden vaak onenigheid met de Van Ruinens. De eerstgenoemden wilden zich dus graag losmaken van het hoofddorp Ruinen. Misschien ligt hier een kiem van de drang naar zelfstandigheid die uiteindelijk leidde tot het stichten van een eigen kerk in Pesse. Pesse groeide in de loop der tijd uit tot een vestiging van enige betekenis, relatief gezien. In 1675 was Pesse een van de grotere gehuchten in het kerspel Ruinen; het telde toen 36 huizen. Tegenwoordig zijn er ongeveer 1800 inwoners.


Papenmaat


Over het kerkelijk leven in Pesse in vroegere eeuwen is niet veel met zekerheid bekend. Wel weten we dat het dorp Pesse al vroeg een eigen kapel met een eigen priester gehad heeft. Het klooster bij Dickninge bij De Wijk heeft dat trachten te verhinderen maar de drang naar zelfstandigheid bij de Pessenaren won. De kapel had eigen inkomsten, onder andere van het hooiland, de zgn. Papenmaat, (pape is priester, LM). De opbrengst ervan kwam ten goede aan de voorganger voor zijn levensonderhoud.
Die Papenmaat is later inzet van veel touwtrekken geweest. Na de Reformatie ging de kerkelijke bestemming van veel goederen verloren. Veel Rooms-Katholieke eigendommen raakten in die tijd in handen van particulieren die er wel weg mee wisten. Men ging met de goederen om “als de katte met de muys”. Bijna een eeuw na de Reformatie klaagde een predikant van Ruinen dat de boerschap van Pesse de pacht van de Papenmaat inde, terwijl die volgens hem aan de pastorie in Ruinen toekwam. Ook schoolmeesters deden in de 17e eeuw na de Reformatie wel moeite om zich de pacht toe te eigenen.

x

Dit is een prent van de in 1821 afgebroken havezate Oldenhof in de ‘heerlijkheid’ Ruinen. De buurtnaam Oldenhave herinnert nu nog aan dit gebouw, de residentie van de Heren van Ruinen. Uit dit geslacht ontwikkelden zich de Drentse dienstmannen (ridders), die ook de rechtspraak deden. Aangenomen wordt dat de Van Runens van Frankische oorsprong zijn en dat hun afkomst teruggaat tot de tijd van Karel de Grote. Volgens dr. A. Sassen die promoveerde op “Het Drents van Ruinen” (Assen 1953) zou de bijzondere taal van dit dorp uit deze Frankische oorsprong te verklaren zijn. Toen de Frankische immigranten kwamen, zouden de oorspronkelijke bewoners van Ruinen naar de randen van de marke verdreven zijn, onder andere naar Pesse. Dr. Jan Naarding verklaart mede hierdoor de eeuwenoude tegenstelling tussen de mensen in Ruinen en die in Pesse.
De Heer van Ruinen bemoeide zich graag met de kerk, ook na de Reformatie. Aan de eigen rechtspraak herinnert overigens nog de naam Galgenberg, aan de weg van Anholt naar Ruinen. Daar werden de misdadigers geëxecuteerd en in ongewijde aarde begraven. De galg moet in de achttiende
eeuw zeker zichtbaar zijn geweest vanuit de postkoets op de route van Ruinen via Anholt over
het Dwingelderveld naar Spier. Overigens is de Galgenberg van oorsprong een restant van een prehistorische grafheuvel, gevestigd op een smeltwaterheuvel uit de ijstijd. In 1932 en 1951 zijn er grafvondsten gedaan.

Een eigen kapel in Bultinge


De eenvoudige houten kapel werd in 1335 in de intussen vrijwel verdwenen buurtschap Bultinge, ten zuidwesten van het huidige Eursinge, in gebruik genomen en gewijd aan het Heilig Hart. Heel het gebied ten noorden van de huidige Willemskade te Hoogeveen viel onder Pesse. Alle mensen die er woonden waren voor hun godsdienstige samenkomsten aangewezen op deze kapel. De naam Bultinge suggereert ‘bulten’, verhogingen in het landschap. Het is mogelijk dat hier vroeger grafheuvels waren, van ouds als heilig beschouwde plaatsen. In vroegere eeuwen bouwde men een kapel of kerk bij voorkeur op of bij zo’n plaats. De kapel werd gezien als een dependance van de Mariakerk van Ruinen, maar ook wel wordt beweerd dat Pesse een min of meer zelfstandig kerspel geweest zou zijn. Kerspel is een oude benaming voor kerkelijke gemeente, kerkdorp.
De pest
Over de verhoudingen tussen deze kapel en de kerk in Ruinen is weinig met zekerheid bekend. We kennen echter wel enkele namen van de bedienaars van de Pesser kapel. Zo was er eind 14e eeuw Hermannes Ahuus, afkomstig uit Duitsland. Omstreeks 1540 werd de kapel bediend door de in 1518 in Zuidwolde geboren Frederik ten Heuvel. Hij werd later pastoor van de A-kerk in Groningen. In omstreeks 1550 werd het kerspel geleid door Arnoldus ten Bulte, waarschijnlijk een broer van de Pesser landbouwer Roelof ten Bulte. Ten slotte kennen we nog pastoor Evert. Deze stierf rond 1581 aan de pest. Dag en nacht was pastoor Evert in de weer met het sacrament voor de stervenden. Maar liefst negentien inwoners van Pesse stierven aan deze besmettelijke ziekte, onder wie vijf leden van het gezin Oostering. De slachtoffers werden begraven op een noodkerkhof, het zgn. pestkerkhof. Pastoor Evert zal misschien de besmetting van een van zijn patiënten hebben opgelopen.
Hij staat in de dodenlijsten van Ruinen met de titel: ‘pastoor’. Dat wijst erop dat de kapel een zekere zelfstandigheid bezat. Waarschijnlijk had de kapel eigen bezittingen en eigen rectoren, maar of er sprake was van een zelfstandig kerspel Pesse, is niet duidelijk. Een rector was een hoofd van een niet-parochiale kerk of kapel. Wel is duidelijk dat de geestelijke van de kapel in Bultinge binnen het kerspel Ruinen een bijzondere plaats innam. Een aantekening op een brief van de deken van Drenthe uit 1580 maakt namelijk melding van een achterstallige schuld van de pastoor van Ruinen, de vicarissen en heer ‘Everardus toe Pesse’, die met name wordt genoemd.
Voettocht

 

 

Hoe de kapel er uit heeft gezien, kunnen we enigszins benaderen. In 1732 maakten namelijk de Amsterdamse oudheidkundige Andries Schoenmaker en de jongere ‘teekenmeester’ Cornelis Pronk een voettocht door Drenthe. Pronk tekende toen een aantal kerken, waaronder de hierbij afgebeelde kerk in Koekange. Deze kerk werd gebouwd in 1331 en afgebroken in 1834. De kerk werd dus slechts vier jaar voor de kapel van Pesse gebouwd en dus zouden we mogen aannemen dat de kapel er enigszins vergelijkbaar uitgezien zal hebben. De afgebeelde klokkenstoel naast de kerk is in ieder geval vergelijkbaar.
Op de website hollandscheveld.nl vinden we een reconstructie van een middeleeuwse kapel zoals ze overal in Noord-Europa werden gebouwd, met of zonder uitbouw. Ze komt aardig overeen met de schets van de genoemde wandelaars.

 

x

 

x


Hoog spel


Toen men eenmaal een eigen kapel had, vond de boerschap van Pesse dat daar geen kerkelijke lasten aan de kerk van Ruinen meer bij pasten. Dit speelde grofweg in de tijd dat Maarten Luther met zijn 95 stellingen het begin markeerde van de Reformatie. Pastoor Govert Mulert van Ruinen, monnik uit het klooster in Dickninge, wilde wel eens uittesten hoe de verhouding Ruinen-Pesse nu echt lag. Mulert was een doortastende man: bij zijn benoeming had hij zijn inkomsten zwart op wit laten zetten. Dat was kennelijk in die tijd een blijk van grote assertiviteit. Hij bracht de zaak voor de deken van Drenthe, maar die wilde er zijn vingers niet aan branden. Pastoor Govert trok daarop naar de bisschop van Utrecht, maar de boerschap van Pesse speelde hoog spel door zich meteen maar tot de hoogste autoriteit te wenden: de paus in Rome, Leo X. Ze hadden geluk in het spel: de paus bevestigde in een bul, een soort pauselijke brief met een loden zegel, de rechten van de Pessenaren. De Etstoel, het hoogste rechtsorgaan van Drenthe, voelde zich – uiteraard - volledig gepasseerd “want sulx was nye gehoert”, zoiets was nooit gehoord; dat was nog niet eerder vertoond, zouden wij zeggen. Toch koos de Etstoel de kant van de Pessenaren, misschien ook wel uit ontzag voor de bul van de paus die de boeren van Pesse zich dan toch maar hadden verschaft! Het was dan wel onwettig wat de Pessenaren hadden ondernomen, maar in hun situatie begrijpelijk, was het oordeel. Immers, pastoor Govert was begonnen met het kleuren buiten de hiërarchieke lijntjes.
Pastoor Govert maakte ook de reis naar Rome om toch zijn gelijk te halen, helaas voor hem zonder succes. Hij klaagde dat de reis hem tegen de honderd gulden had gekost, een kapitale som in die tijd. Pesse had dus ‘gewonnen’. Maar de verhoudingen met het oude moederdorp Ruinen waren er niet beter op geworden. Wellicht verklaart deze gebeurtenis wel enigszins, dat Pesse later een zelfstandig armbestuur (diaconie) had. Het preludeert ook op de koppigheid en het doorzettingsvermogen van de Pessenaren die uiteindelijk zouden leiden tot het stichten van een eigen kerk.


Bommen Berend


Naast de kapel bij Bultinge werd, zoals bij veel toen gebouwde kerkjes, een klokkenstoel gebouwd. De zware klok werd volgens overleveringen in het ‘rampjaar’ 1672 geroofd door de bisschop van Munster, Bernard van Galen, ook bekend onder de weinig vleiende naam Bommen Berend. Dr. Jan Naarding acht dat waarschijnlijk: deze heren hebben namelijk vanuit het huis te Ruinen meer geplunderd in de omgeving.
De kapel werd zwaar beschadigd door de plunderende bisschoppelijke troepen en mocht van de Drentse synode niet meer gebruikt worden. De kerkgangers moesten dus voortaan naar Ruinen. Wegens de afstand en de slechte wegen kwam daar niet veel van terecht. Van de kapel is nooit een spoor terug gevonden. Misschien worden er door archeologen ooit nog resten gevonden iets ten westen van het benzinestation aan de A-28 maar waarschijnlijk is dat niet.
Aan eeuwen zelfstandige kerk in Pesse was voorlopig een einde gekomen.


Heer van Ruinen


De Heer van Ruinen had veel te zeggen in zijn ‘heerlijkheid’, en ook in Pesse. Verschillende boeren waren schatplichtig aan hem. Zo moest de bewoner van Paddings Erve elk jaar één duit betalen. Dat moest per se gebeuren op eerste kerstdag onder de eerste predicatie in de kerk aan de heer zelf of aan diens stoel. Zou hij dit verzuimen dan zou zijn boerderij geheel vervallen aan de heer van Ruinen. Zoals deze Paddings voelden vele boeren de harde, dwingende hand van de landheer.


Moordenaar in Pesse terechtgesteld


In de woelige jaren van de Tachtigjarige Oorlog leed ook Pesse onder het geweld. In de 16e eeuw belandde een troepje van vier soldaten op het erf van Koert Bleerkinge. Ze wilden daar hun bivak maken voor de nacht. De boer liet het toe, wat moest hij anders. Misschien hebben de soldaten zich toen vergrepen aan zijn vee of aan zijn vrouw, in ieder geval sommeerde de boer de soldaten zijn erf te verlaten. Een heftige woordenwisseling was het gevolg. Toen het nog hoger opliep, laadde een van de soldaten, ene Lichthart uit Zuidhorn, zijn wapen en schoot de boer dood op zijn eigen mesthoop. De buren die op het lawaai afkwamen, grepen drie vagebonden, onder wie Lichthart. Hij werd in Assen veroordeeld om volgens oud Drents landrecht ter dood te worden gebracht op de plaats van het misdrijf. De boef ging dus zwaar geketend terug naar Pesse in gezelschap van de beul, de landsschrijver, twee panders en enkele dienaren. (Een pander was een soort deurwaarder en assistent van de schulte, die een rechterlijk functionaris was op lokaal niveau tot 1811; een landschrijver was griffier van de etstoel en bekleedde daarmee het oudste ambt in Drenthe; de etstoel was tot 1791 het hoogste rechtscollege in de provincie Drenthe; LM.) Onderweg overnachtte men in het schultehuis of in een pastorie. Het laatste logiesadres was het huis van de pastoor van Pesse. Die kreeg daarvoor 14 stuivers kostgeld. Hij moest Lichthart bijstaan in zijn laatste uren. Slechts acht dagen na het misdrijf was de moordenaar terug op het erf van Koert Bleerkinge. Groot was de belangstelling, niet alleen uit Pesse, maar ook uit andere kerspels in het Dieverder dingspil, toen de beul hem met zijn zwaard onthoofdde. Het ontzielde lichaam werd gekraakt op een rad en het hoofd werd als afschrikkingsmiddel op een staak geplaatst.


Ongestudeerde vrome


Van het kerkelijk leven van de volgende paar honderd jaar is niet veel met zekerheid bekend. Tussen de inwoners van Pesse en het moederdorp was de toestand niet beter dan wat men een gewapende vrede zou kunnen noemen. Zo was er in 1611 nog een forse aanvaring.
De heer van Ruinen, Hendrik van Munster, stond zeer vijandig tegenover de Reformatie, de Hervorming. Met deze term bedoelen we het streven naar vernieuwing van de destijds heersende Katholieke kerk, die traditioneel begint met het aan de deur van de slotkapel in Wittenberg nagelen door Maarten Luther van diens ‘95 stellingen’, op 31 oktober 1517. Van Munster bestreed deze beweging waar hij kon. De onafhankelijke Pessenaren, die zich niet graag de wet lieten voorschrijven, deden dit ook nu niet. Ze gingen en bloc over naar de nieuwe leer en benoemden de bejaarde Martinus Hendrici tot hun predikant. Ze deden dat echter zonder de Drentse synode erin te kennen.
Ds. Van Asschenberg van Diever klaagde namens de classis Meppel, dat een zekere Martinus Hendriks (Martinus Henrici of Hendrici) in Pesse als predikant fungeerde, in strijd met de kerkorde. Hendriks was ondanks zijn ‘geleerde’ gelatiniseerde naam Henrici een ongestudeerde vrome die zichzelf tot predikant had gepromoveerd, echter tot tevredenheid van de boerschap. De drost en de gedeputeerden gelastten Hendriks op te houden met zijn optreden als predikant. Hij moest eerst maar toelating verzoeken bij de classis.


Typisch Drents


De boerschap van Pesse reageerde als door een wesp gestoken. In een ‘request’ aan de classicale Drentse kerkvergadering, gehouden in Assen in 1611, verzochten ze dringend Hendriks toe te staan in hun ‘capelle’ als hulpprediker te mogen blijven fungeren. De prediker en twee afgevaardigden uit Pesse lichtten de zaak ter plaatse toe. Hendriks bleek al twintig jaar lidmaat van de kerk. Daar kon niet elke aanwezige predikant tegenop en een reden tot ontslag was er eigenlijk niet. Er werd een compromis bereikt, dat dr. Jan Naarding als typisch Drents typeerde. “Om zinen extremen olderdom” kreeg Hendriks verlof tot schoolhouden in Pesse en tot het onderwijzen van kinderen in de kerkleer, maar het preken en alle kerkelijke bedieningen zoals de doop moest hij achterwege laten. Men verwachtte kennelijk dat Hendriks het niet heel lang meer zou maken en dan was het probleem wellicht vanzelf opgelost.


Smoesjes


De kerkvergadering deed nog een stap in de richting van de Pessenaren. ’s Winters, als de kerk van Ruinen door de gesteldheid van de wegen praktisch onbereikbaar werd voor de ingezetenen van Pesse, mocht Hendriks de gemeente het evangelie voorlezen uit een ‘postille’, een soort Bijbelverklaring. Die postille werd, zo beloofde men, eerstdaags op kosten van ‘die van Pesse’ door de classis Meppel toegestuurd, maar de gemeente, de boerschap, moest daaruit niet concluderen dat dit een ‘pretext’ (een smoesje) zou mogen zijn om bij goed weer als de “stegen ende wegen” goed begaanbaar waren, “tho huis te bliven ende van de kercke tho Ruinen te absenteeren”. Daarmee kon Pesse vooruit, want of de wegen onbegaanbaar zijn of niet, dat is een nogal subjectief criterium. Tegenwoordig zouden we de situatie kunnen omschrijven als ‘gedogen’: het mag eigenlijk niet maar we zien het door de vingers.
Niet duidelijk is, of Hendriks in de oude houten kapel voorging. Het kan zijn, dat de kapel de oorlogsomstandigheden niet doorstaan heeft. Er is geen enkel bewijs dat de kapel na de Reformatie nog gebruikt is. Waarschijnlijker is daarom dat Henrici is voorgegaan in de school. Daar was hij toch al werkzaam als onderwijzer. Na de dood van Hendriks kwam er –voorlopig- geen nieuwe predikant in Pesse.
De Pessenaren die wilden, gingen dus naar de kerk van Ruinen. Rond 1860 kon dat zelfs over een nieuwe straatweg. Maar de kerkgangers moesten daarvoor wel tol betalen. Dat kwam het kerkbezoek niet ten goede. Toch zou het nog een tijd duren voor Pesse over een eigen kerk beschikte, maar er werd nog wel regelmatig gepreekt in Pesse.
Albert Metselaar en Marga Zwiggelaar vertellen op www.hollandscheveld.nl een aardig verhaal over een kerkvisitatie in Pesse. “Kerkvisitatie is controle door hogere kerkelijke overheden van de plaatselijke gemeente. In 1635 kwam daarbij naar voren dat men daar een door de Drentse kerk niet gewenste gewoonte in stand hield. Op Pinksteren werden boter, wol en andere zaken verzameld en aan de hoogstbiedende bij opbod verkocht. Voor het geld werd bier gekocht. Het bier werd de andere dag opgedronken, onder de preek. Ook in 1636 werden daar nog Pinksterbieren gedronken. Dat moest afgelopen zijn, vond de Drentse kerkelijke overheid.”


-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-

naar boven