Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0 - 3.2 De eerste predikantsbenoemingen

Hits: 32388

Artikelindex

 

 

 

 

 

 


3.2 De eerste predikantsbenoemingen

 

 


Na de inwijding van de kerk in november 1871 was een zekere kandidaat Beekhuis tegen de zin van velen benoemd in de nieuwe gemeente. Men ruziede erover wie het recht had de predikant, of kandidaat in dit geval, te benoemen en waar de kandidaat moest proefpreken: in Ruinen of in Pesse? Nadat Beekhuis eerst in Ruinen, en daarna ook in Pesse had gepreekt, kreeg hij de meerderheid bij een stemming, maar, waarschijnlijk zat van het gedoe dat hij al ervaren had, bedankte de kandidaat alsnog voor het beroep.
Men stond dus voor de taak een nieuwe predikant te benoemen, maar de samenwerking was, volgens de brochure ‘Spreken of Zwijgen’ (waarover verderop meer), ver te zoeken; het onderlinge vertrouwen was weg en vergaderingen werden niet meer gehouden. Ds. Damsté uit Ruinen bleef consulent. De kerkvoogden weigerden extra geld te geven voor het beroepingswerk. Ds. Damsté probeerde de kerkvoogden via het Provinciaal College van Toezigt te dwingen geld op de begroting te zetten, maar kreeg uit die hoek weinig medewerking.
In maart 1872 beriepen de lidmaten kandidaat Bergsma uit Sebaldeburen. Ook daarbij ging het volgens sommigen niet volgens de regels met het gevolg dat enkele leden van het kiescollege bedankten. Volgens de brochure ging het zo: op de vergadering waar de keuze voor een predikant zou moeten worden gemaakt, brachten zij die de dominee niet in Ruinen wilden horen proefpreken hun stem uit op R. van Syll, alle andere stemmen, en dat waren er meer, gingen naar ds. Bergsma. De laatste werd het daarom. De Pessenaren voelden het zo, dat Ruinen hun nog steeds de wet wilde voorschrijven. Het is natuurlijk ook een beetje vreemd: een nieuwe dominee voor Pesse laten proefpreken in Ruinen.
Veertien dagen later nam ds. Bergsma het beroep aan, maar het moet voor de predikant geen gemakkelijke baan geweest zijn. Allereerst al het rumoer dat zijn beroeping en entree begeleidde. In dezelfde maand van zijn aankomst verschenen er namelijk in de PDAC anonieme stukken over de kosten van de vertimmering van de pastorie en over zijn veronderstelde ‘weelderige huishouding’.


Pastorale staatsiehuishouding


De PDAC van 5 augustus 1872: “Correspondentie. Van de nieuwe kerkelijke gemeente Pesse kan men niet zeggen: er wordt geen hamerslag van twist gehoord. Wij ontvangen dienaangaande een brief die weer blijk geeft van misnoegen over kosten van vertimmering van de pastorie en die spreekt van een pastorale staatsiehuishouding.” Bovendien meldt de krant dat er een incident was geweest over de doop van een kind die niet goed zou zijn gegaan. “Is alles waar, dan is het treurig”, eindigt de krant.
Met staatsiehuishouding werd bedoeld: een huishouding met uiterlijke pracht en praal. Het was een woord dat in Drenthe, omgeving Hoogeveen, volgens het Woordenboek van de Drentse Dialecten werd gebruikt in een context als: ‘Zij hölden der altied een hele stoatsie op noa.’ = Ze leefden nogal weelderig.


Repliek


Kennelijk heeft deze publicatie nogal wat stof doen opwaaien. Ds. J. J. Damsté van Ruinen, de intussen voormalige consulent van Pesse, voelde zich geroepen publiekelijk afstand te nemen van de geruchten en van wat hij kwaadsprekerij vond. In de rubriek ‘Ingezonden stukken’ in de PDAC van 16 augustus 1872 staat zijn niet mis te verstane stuk.


“Mijnheer de redacteur!
Met droefheid las ik in de Drentsche Courant van 5 Aug. weer een berigt over de kerkelijke gemeente Pesse, dat niet in staat is te stichten, maar wel te verdeelen.
Toen er voor een paar maanden een ongetekend schrijven over den rijkdom van den predikant, over het vertimmeren van de pastorie, enz. geplaatst werd, smarte mij zulks. Edoch ik zweeg. Maar nu alweer de zaak van Pesse ter sprake gebragt werd, reken ik mij als vroeger predikant en als consulent van Pesse verpligt het publiek beter in te lichten.
1e. Het is onwaarheid, dat er verkeerde praktijken bij het stemmen van een predikant hebben plaats gehad. Toen de candidaat Beekhuis bedankt had, en de andere candidaten, die men had uitgenodigd, verzocht hadden om niet in aanmerking te komen, besloot men een predikant te beroepen. Met grote meerderheid van stemmen werd de tegenwoordige predikant Bergsma beroepen door 4 ouderlingen, 4 diakenen en 18 leden van ’t kiescollege. Als consulent heb ik zelf de vergaderingen geleid. Niemand van die 26 leden heeft toen aanmerking gemaakt. De heer B. nam de beroeping aan, is driemaal aan de gemeente voorgesteld, zonder dat iemand iets heeft ingebragt, waarom de beroeping dan ook goedgekeurd werd.
Als men nu in de courant herhaaldelijk schrijft, dat er verkeerde praktijken bij het stemmen van een predikant hebben plaats gehad, dient men dunkt mij toch op te geven, welke verkeerde praktijken hebben plaats gehad. Nu wordt eene beschuldiging ingebragt, zonder eenig bewijs.
2e . Wat het vertimmeren der pastorie aangaat, de ongenoemde schrijver kende zeker de pastorie zooals die was vóór den aanbouw der beide nieuwe kamers, weet dus dat het gezin van den heer B. niet in dat huisje kon gehuisvest worden. Nu deed de heer B. een voor de gemeente zeer aannemelijk voorstel, hetwelk door hh. kerkvoogden en notabelen geaccepteerd werd. Men was blijde, dat de zaak zo goed aan een einde kwam en dat tevens de eene kamer tot katechisatiekamer zou worden ingerigt.
3e. Wat de pastorale staatsiehuishouding van den heer Bergsma aangaat, is het wel kiesch iemands huishouding in de courant ter sprake te brengen? Moet de B. niet weten op welken voet hij leven wil! Die vrijheid bezit een ander immers ook?
4e. Wat die doopkwestie aangaat, het zou toch eene dwaasheid zijn, om alle eischen in te willigen; de gemeente verlangt het ook niet.
5e. Het is treurig, dat zulke ongemotiveerde stukken in de courant geplaatst worden.
Volgens mijne overtuiging kan ik verklaren, dat de gemeente zeer ingenomen is met haar predikant, dat de kerk boven verwachting goed bezocht wordt, en dat de arbeid van den heer Bergsma door de gemeente zeer op prijs gesteld wordt.
Ik heb het van mijn pligt geacht bovenstaande meê te deelen, daar de welstand der nieuwe gemeente Pesse mij zeer ter harte gaat.
Verder ben ik niet van plan om op ongemotiveerde beschuldigingen in de courant te antwoorden. Geloof mij met achting,
Uw dr. J.J. Damsté
Ruinen, 13 Augustus 1872. “

x


Onderhandelen over ‘timmeratie’


Wat was er precies aan de hand? De kerkvoogdij keek tegen hoge kosten aan in het eerste jaar na de bouw van de kerk. De predikant die men wilde benoemen, ds. H.J.Bergsma te Sebaldeburen prov. Groningen, was een bemiddeld man die geen genoegen nam met de pastorie zoals die was. De kerkvoogden zochten daarvoor een oplossing. In de notulen van 14 maart 1872 lezen we om welke ‘vertimmering’ het ging:
“1. De vergroting der Pastorij met twee voorkamers ter lengte of diepte van zes ellen in dezelfde breedte als de bestaande, dwars voor de Pastorij gebouwd onder afzonderlijken kap;
2. In het studeervertrek een bedstede, en ijzeren deuren in de bestaande schoorsteenen benevens het maken in twee bestaande kamers van elk een glaskozijn.”
De kerkvoogden en ds. Bergsma komen tot de volgende oplossing:
“Deze timmeratie neemt den beroepen Predikant aan, wat de kosten betreft, die geheel uit zijne beurs te bestrijden, met verpligting om eene der nieuwe kamers tot catechisatiekamer in te ruimen en die bij de catechisatiën van het nodige licht en vuur te voorzien, doch tevens dat bij zijn vertrek, overlijden of neerleggen zijner predikdienst de helft der dan nog onafgeloste gelden van de vertimmering dan geheel voor zijne rekening blijft.”
De kosten van deze verbouwing moet de aannemer Van der Veen berekenen. Hij komt op ‘twaalf á veertienhonderd gulden”. “De kosten der beroeping en overkomst is 60 Guld. Voor de gemeente zonder meer.”, voegen de notulen eraan toe, dat wil zeggen: dat is een vaststaande kostenpost.
De discussie in de kerkvoogdij is daarmee nog niet klaar. ‘De predikant’, (hiermee is de consulent ds. Damsté bedoeld, LM), wijst de vergadering op het risico om de helft van een schuld op het nageslacht te vestigen, een schuld waarvan de grootte niet bekend is op het moment dat hij wordt aangegaan. Er bestaat immers nu al een schuld van fl. 2600, zijnde de lening die men aanging voor de bouw van de kerk. Die is op z’n vroegst in 1877 afgelost. Daarom komt er een nieuw voorstel:


“De Predikant (hier is ds. Bergsma bedoeld, LM) neemt de kosten der vertimmering voor zijne rekening, doch kerkvoogden van Pesse verleenen hem jaarlijksch 25 gulden of mogt dit volstrekt gevorderd worden, dan 30 gulden toelage gedurende zijne predikdienst in deze gemeente, die hij kan gebruiken naar goedvinden. Kerkvoogden zullen die post brengen op de jaarlijksche begroting onder de rubriek kosten voor ligt en vuur in den Catechesatiekamer ten behoeve van den Predikant.
Het gebouw is en blijft zonder eenig later bezwaar of terugbetaling het eigendom der gemeente.
Kerkvoogden zullen, wanneer zulks wordt aangenomen dadelijk de beslissing der Notabelen inroepen. De kosten die zijne beroeping medebrengen aan te nemen voor f. 60 Guld, zonder eenige bijbetaling van welken aard ook. De bepaling van timmering ten opzigte van der fondamenten, bewerking, leverantiën enz. gelden de bepalingen in het bestek vervat waarnaar kerk en Pastorij zijn gebouwd. Dit voorstel aangenomen met algemeene stemmen. (…) Op den 26 Februarij 1872.”

 

Een foto van de inmiddels verbouwde (oude) pastorie. 


Nieuw bod, nieuw besluit


Zo neemt de nieuwe dominee dus de gehele verbouwing voor zijn eigen rekening en krijgt daarvoor ter vergoeding fl. 25 of ‘desnoods’ fl. 30 per jaar aan compensatie. Dat zetten ze dan op de begroting als vergoeding van kosten voor vuur en licht in de catechisatiekamer. De verbouwing wordt bij vertrek van de dominee eigendom van de kerk zonder enige terugbetaling aan de predikant.
Merkwaardig genoeg is de kwestie hiermee nog niet ten einde, hoewel het voorstel met algemene stemmen was aanvaard. Ds. Bergsma doet een nieuw bod: hij wil een derde van de vertimmeringskosten terug. Daarop breekt bij twee kerkvoogden de klomp: uit onvrede over de gang van zaken nemen zij ontslag. De overblijvende kerkvoogden verlaten hun reeds genomen beslissing en accepteren het tweede bod van Bergsma. In de brochure ‘Zwijgen of spreken’ doen de schrijvers deze hele gang van zaken nog eens uit de doeken om aan te geven hoe slecht de besluitvorming liep en om de omstreden rol van ds. Damsté te benadrukken. Hij was immers -naar eigen zeggen in het ingezonden stuk!- voorzitter van de vergaderingen. Op de brochure ‘Zwijgen of spreken’ komen we verderop terug.

 

Mest graag, en snel!


Ds. Bergsma is niet bang om te vragen. In april stuurt hij volgens de notulen de kerkvoogden een “Brief van de predikant dat er benodigde mest op de tuin aanwezig moet zijn. Brief aan de gemeenteleden /lijst ter intekening om onvermengde koemest aan te bieden voor de tuin van de predikant.” Wilden de gemeenteleden maar even voor mest voor dominees tuin zorgen? De goedwillende kerkvoogden stellen een intekenlijst op van burgers die hun goede voorbeeld willen volgen om de dominee een voer (karrevracht) mest te brengen. De lijst vond ik in het Drents Archief. Dit was de aanhef:
“Kerkvoogden van Pesse hebben een berigt ontvangen van Ds. Bergsma dat Z.W. Eerwaarde voornemens is aanstaande woensdag zijn tuinman te zenden, om den tuin in orde te brengen. Hij wenscht, dat dan de benoodigde mest achter de pastorij aanwezig is. Door de kortheid der tijd hebben Kerkvoogden en Notabelen besloten elk een voer onvermengde koemest te brengen, en verzoeken mitsdien ingezetenen van Pesse, Stuifzand en Fluitenberg hun voorbeeld te willen volgen en zulks door hunnen naamteekening te doen blijken.”
Het document is ondertekend door maar liefst 33 bereidwillige leveranciers van mest. We zullen hem leren om op zo korte termijn om mest te vragen, zullen sommige kerkvoogden stilletjes bij zichzelf gedacht hebben. Ik neem aan dat de dominee toen wel genoeg mest had ontvangen.

 

 

x


En in oktober is het weer raak: “Op 1 okt. 1872 is er een aanvraag van de predikant Bergsma om een stuk veldgrond aan de noordzijde van de pastorie te laten omwerken en van een plantsoen te laten voorzien.” Ook dat wordt toegestaan. De kosten komen op de begroting voor het jaar 1873.


Zwijgen of spreken

In de PDAC van 17 maart 1873 staat een advertentie voor een brochure “Zwijgen of spreken?"         

"De gevestigde kerkgemeente Pesse, met een antwoord aan den Heer J.J. Damsté, predikant te Ruinen. Prijs 25 cents. Bovenstaande brochure is verkrijgbaar bij alle Boekhandelaren en wordt na franco toezending van het bedrag in postzegels franco gezonden door den Drukker C. Pet te Hoogeveen.”

 

x

 


Deze brochure ‘Zwijgen of spreken’ van 1873, in een fel blauw omslag, is nog aanwezig en ter inzage in het Lammert Huizing-archief in het Kringhuus in Hoogeveen. In het kerkarchief en het Drents Archief vond ik het geschrift merkwaardig genoeg niet. In het boekje van maar liefst 24 pagina’s doen de kerkvoogden Reinder K. Reinders en Hendrik J. Denekamp een boekje open over de in hun ogen niet zo fraaie methoden waarvan de tegenstanders van een eigen kerk voor Pesse zich hadden bediend, en over de gang van zaken bij het kiezen van ambtsdragers en de benoeming van de eerste predikant. Alle frustratie van jaren her wordt hier aan het papier toevertrouwd. Hoewel het schotschrift ondertekend is met ‘Den Schrijver’, bevat de brochure een voorwoord van Reinders en Denekamp, dus we mogen aannemen dat beide heren achter de inhoud staan, als een van hen of zij samen al niet de schrijvers zijn. Zij schrijven in het voorwoord dat ze in plaats van voor zwijgen voor ‘spreken’ hebben gekozen, met tegenzin, naar aanleiding van de open brief van ds. Damsté in de PDAC van 16 aug. 1872. (De titelpagina van het boekje vermeldt ‘16 Oct.’ maar dat is onjuist, LM). Ze reageren ook op deze manier omdat de krant hun weerwoord niet wilde opnemen. De krant had waarschijnlijk allang spijt van het opnemen van de brief van ds. Damsté, omdat hierdoor de vuile was van Pesse nogal prominent in de openbaarheid kwam. Anderzijds weigerde een krant in die tijd niet snel een ingezonden stuk van een prominente burger als ds. Damsté. Dan kon je een paar kerkvoogden gemakkelijker weigeren.
De inhoud van de brochure is een ingewikkeld, nogal bureaucratisch-technisch betoog over de gang van zaken zoals die zich volgens de schrijver(s) had voorgedaan. Het gaat voornamelijk over tegenwerking zoals men die had ervaren. Volgens de commissie had zij ondervonden “dat het den tegenstanders te doen was, om haar te bemoeijelijken, en zoo het mogelijk ware, haar te verguizen.” Dat begon al met “het verdeelen in Modernen en Orthodoxen, bij welke laatsten de commissie gevoegd werd.” De kerkenraad van Ruinen werd verweten dat ze “nooit enig middel heeft aangewend om in de geestelijke behoeften te voorzien van Stuifzand en Fluitenberg, waar de meeste leden wonen.”

 

x

 

 


De ‘combinatie’


De brochure heeft veel kritiek op de zogenaamde ‘combinatie’, d.w.z. dat de nieuwe kerk van Pesse bestuurlijk eigenlijk toch nog deel zou (blijven) uitmaken van de kerk van Ruinen, “om op een geschikt tijdstip te worden gescheiden.” Ook was men bang dat ‘de achterbuurten’ Stuifzand en Fluitenberg buiten de boot zouden vallen. Het woord ‘achterbuurten’ had, het zij voor de goede orde toch even opgemerkt, destijds niet de negatieve connotatie die het woord tegenwoordig draagt. Men bedoelde ermee: de meer afgelegen dorpen en gehuchten. “De commissie brengt hiermede in verband, dat ten vorigen jare, bij leden der commissie pogingen zijn aangewend, om hen te bewegen twee kerken te doen bouwen, een te Pesse (natuurlijk eerst en voor het beschikbare geld) en een te Stuifzand, zodra een geschikt tijdstip gekomen is.” (p.10). Op een eigen kerk voor Stuifzand komen we verderop nog terug. Dat is namelijk later nog een keer ter sprake geweest.
De samenstellers nemen het hele ingezonden stuk van ds. Damsté in de PDAC integraal op, om er vervolgens punt voor punt commentaar op te leveren. Men vecht bijvoorbeeld de stelling aan ‘dat men besloot een predikant te beroepen’. “Er waren leden van het kiescollegie die daar niets van wisten, noch dat zij daartoe tot een stemming opgeroepen zijn.” Wanneer is dat benoemen van een predikant dan besloten en waar en met hoeveel stemmen?, vraagt de brochure retorisch.
Uitgebreid wordt ingegaan op het punt dat ds. Damsté opmerkt dat hij zelf de vergaderingen leidde. Het stuk uit de notulen, dat gaat over de vertimmering van de pastorie ten behoeve van ds. Bergsma, wordt in de brochure integraal geciteerd. Duidelijk wordt, dat de beide voortrekkers Reinders en Denekamp zich distantiëren van het uiteindelijke besluit, maar vooral van de manier waarop het besluit tot stand kwam. Het marchanderen, besluiten, terugkomen op een besluit na een voorstel van de komende predikant en dan opnieuw besluiten; het verdient inderdaad geen schoonheidsprijs. Wellicht is een en ander voor een deel terug te voeren op de schimmige bestuurlijke situatie in de beginfase, waar nog heel onduidelijk was waar de diverse eindverantwoordelijkheden lagen. Voor een ander deel op de relatieve onervarenheid van de bestuurders en ook wel deels op de zorgelijke financiële situatie waar enerzijds het geld de kas bij wijze van spreken uitstroomde en er anderzijds maar moeizaam fondsen werden aangeboord om die kas weer enigszins te spekken.
De zaak werd in de brochure ook persoonlijk gemaakt hoewel er geen namen werden genoemd. “De oude slang bleef evenwel in het verborgen sissen en liet door sommige notabelen de bespottelijkste dingen uitstrooijen omtrent den geschonken grond.” Ook werd herinnerd aan de prediking van evangelisten van de ‘Vrienden der Waarheid’. Het bleek, althans volgens de brochure, “dat de verraders het naast aan de preekstoel zaten.” Wie de verraders waren, blijft in het midden.
De brochure eindigt met de woorden: “Dat dit werk veel gebrekkigs bevat, voor geoefende beoordeelaars, zal den schrijver niet bevreemden; maar één wensch blijft hem bezielen, dat, wie dit werk ook moge lezen, de kerkelijke kwestie in Pesse kan worden beoordeeld in haren oorsprong en voortgang tot op dezen tijd. Dit is de wensch van
DEN SCHRIJVER.”

 

x
Ds. Bergsma vertrekt


In 1874 verliet ds. Bergsma de gemeente alweer en hij werd opgevolgd door ds. Rutgers. Ook in de jaren die volgden was er sprake van tegenstellingen en onenigheid, maar daarin stond de jonge kerk in Pesse niet alleen. Het was een roerige tijd voor de kerk in heel Nederland.
De eerste koster-voorzanger was meester Jacob Eilders. Hij werd aangesteld op een vergoeding van 30 gulden per jaar. In december 1873 schreef hij een brief aan de kerkvoogdij, waarin hij voor zijn functie bedankte als de vergoeding niet met tien gulden per jaar zou worden verhoogd. “Het werk als koster-voorzanger vraagt meer van mij, dan ik had verwacht”, schreef hij. Kort na het vertrek van ds. Bergsma ging ook Eilders weg uit Pesse. Hij werd opgevolgd door de nieuwe onderwijzer, meester Geert Raak.

 


-0-0-0-0-0-

naar boven