Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0 - 3 De kerk na 1871; 3.1 De eindjes aan elkaar knopen

Hits: 32385

Artikelindex


3 De kerk na 1871


3.1 De eindjes aan elkaar knopen


De eerste kerkvoogden


In de school in Pesse, waar vanaf 1861 meester Jacob Eilders als enige leerkracht de scepter zwaaide, waren op 27 augustus 1871 de eerste kerkvoogden en notabelen gekozen. De eerste kerkvoogden waren R.K. Reinders, R. Oldenijens, E. Smit, A.P. Tissingh en J. Zwols. Onder hun leiding vond kort na de inwijding van de kerk op 26 november 1871 de verhuring van zitplaatsen voor het eerst plaats. Deze bracht de voor die tijd aanzienlijke som op van fl. 99,50.

 

x

x  


Maar er waren ook veel kosten. Iedereen die wel eens een huis heeft laten bouwen, weet dat je oorspronkelijke budget heel gemakkelijk wordt overschreden. Er is zo veel waar je van tevoren geen rekening mee hield. Dat was bij de bouw van de kerk niet anders. Wat dat betreft is het Uitgavenboek 1871 t/m 1906 dat zich in het archief van de kerk bevindt, interessant.
Zo is er de consulent van Ruinen, ds. Damsté, die veel werk voor Pesse deed. Maar niets voor niets. “1871 Februarij 25: Aan de Heeren A.W. Kamp en J.J. Damsté voor klassikale kosten, weggeld, en voor vacatie (blijkens kwitantie no 1) Somma f 20,50”. En de voorbereidingscommissie dient ook een declaratie in: “Februarij 28; aan den gewezen Commissie voor Stichting van Kerk en Pastorij Pesse voorkomende op de 4e bijlage (etc.) Somma f. 211,25”.
Zo waren er allerlei kosten voor het bouwrijp maken van het terrein en het inrichten van de tuin bij de pastorie.


70 cent per dag


Het Uitgavenboek noemt een aantal posten van werklieden die voor de kerk werk verrichtten, bijvoorbeeld “aan E.H. Bork voor het ophoogen der grond onder de kerk, aan Berend Bruins voor twaalf dagen werken, 70 cent per dag, aan Lukas Bosman voor het omspitten der Tuin grond bij de Pastorij; aan Jan Bork voor het aanvoeren van bouwmaterialen bij de kerk; aan Jan Jansen voor het aanhoogen der grond bij de kerk; aan Jan Bruins voor zandwerken bij de kerk; aan Reinder Reinders voor de voorschotten voor een kloktouw en zandwerk; en aan Jan H. Oosterhuis voor vertering van Kerkenraad en Kiescollegie.”
Zo ging het maar door en de bedragen liepen bij elkaar nogal op. Een werkman werkte weliswaar voor 70 cent per dag (!) maar Lukas Bosman staat toch voor maar liefst fl. 36 in het boek voor het omspitten van de tuingrond. Zo kregen critici die de gekozen plaats midden in het heideland maar slecht vonden en vreesden voor hoge kosten om wat van de tuin te maken, achteraf wel gelijk.
De koster en voorzanger (en onderwijzer) J. Eilders ontvangt voor ‘Tractement’ fl.35. In 1874 wordt zijn salaris verhoogd tot fl. 40 per jaar. Omdat er geen orgel was, was een voorzanger onmisbaar.


Hulp uit den lande


Gelukkig komt er ook financiële hulp van de landelijke kerk. Over de vraag waarvan in de eerste notulen hierboven sprake was, namelijk om landelijke financiële steun, werd gunstig beschikt in de synode. In de ‘Handelingen der Buitengewone Vergadering van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk gehouden te ’s Gravenhage, den 23 Januari 1872’ lezen we dat Pesse fl. 1700 ontvangt uit een fonds “aan nieuwe hulpbehoevende gemeenten tot opbouw en noodzakelijke herstelling van kerken en pastorijen”. Bovendien is er voor de Pesser gemeente een ‘vaste jaarlijksche toelage’ van fl. 100. Deze is bestemd voor bijdrage aan het predikantstraktement. Het ‘Collegie van Kerkvoogden’ had verzocht “dat de genoemde toelage den 15 October, zijnde de dag der kerkinwijding mogt ingaan.” De synode schrijft: “Wij vonden alle vrijheid om dit verzoek toe te staan, dewijl te Pesse spoedig tot de beroeping van een predikant zou worden overgegaan (…)”. Tot zolang kon het geld gebruikt worden voor de betaling van Ringpredikanten die de prediking zolang zouden waarnemen. Pesse had ook gevraagd om een verhoging van het bedrag, omdat het “tractement thans slechts f 800 bedraagt” wat “op verre na niet voldoende is om in de noodzakelijkste levensbehoeften van een predikant en zijn gezin te voorzien.” Helaas zit volgens de synode-handelingen het fonds ‘tot verbetering der schraalste predikantstractementen’ zonder geld en moet dat verzoek dus worden afgewezen.


Rente en aflossing


En elke maand staat er tijdens de bouw een post in het boek van fl. 35 voor opzichter Ter Stege. En dan moet natuurlijk de aannemer S.H. van der Veen betaald worden. Dat mag volgens het bestek in termijnen, maar dan nog. Op 17 juni wordt de eerste termijn van fl. 2418,25 betaald; het betalen van de tweede termijn levert problemen op. Er wordt fl. 1718,25 betaald en de rest, fl. 700, later, weliswaar met 6 % rente. In november betaalt men aan aannemer Van der Veen weer ‘een gedeelte van den aannemingssom’ namelijk fl. 2000. Op “28 Januarij 1872: Aan den Heer S. H. van der Veen de finale afrekening en bijrekening en verschuldigde rente Somma fl. 3700,431/2 “. Daar was men gelukkig af, al had men zich niet helemaal aan de eigen betalingsvoorwaarden uit het bestek kunnen houden.

 

 


Het was geen wonder dat de kerkvoogden scherp op de centen letten. Bij het benoemen van de eerste predikant liep dat toch wat uit de hand. Daarover verderop meer. En soms vielen de kosten mee: “Aan A. Reinders de voorschotten voor een stoffer en zandblik en Engelsche schrobber: somma 21/2 cent.”
Later gaat men in de boekhouding over tot het opnemen van de kosten per rubriek. Zo is er een post voor de tuin, waarvoor diverse vruchtbomen en jonge eiken geleverd en betaald worden, een post reiskosten, idem brandkast, een voor klassikale kosten, voor aflossing van schulden, en voor beroepingskosten, enz. In de laatste categorie wordt in totaal fl. 86 betaald aan ds. Damsté “voor vergadering en bevestiging kosten van den Predikant H.J. Bergsma’ en voor ‘beroepingskosten’ maar liefst fl. 74. Aan den heer J. Thomas is betaald “voor een geleverd rijtuig tot overbrengen van Bergsma en zijn gezin”: fl. 1,75.
Voor de tuin wordt ook nogal wat uitgegeven: in totaal in het voorjaar van 1873 voor fl. 62,50. Veel voor arbeidsloon (spitten) maar ook voor een partij fijne dennen.
Ook wordt er in dat jaar een put gegraven. Er worden 828 putstenen geleverd en betaald. Er is ook een Uitgavenboek uit 1916, preciezer: ‘Rekening en verantwoording Inkomsten en uitgaven der Herv. Gem. te Pesse over den dienst van 1916.’ Ik noem wat posten daaruit, omdat ze een aardig inkijkje geven in het reilen en zeilen van de jonge kerk. “Tractement van den predikant: 300 gulden; tractement van den organist: 50 gulden en van den orgelblaasbalgtrapper: 15 gulden begroot, werkelijk f. 14,50.”

Voor onderhoud kerkgebouw, pastorij, kosterij en verdere eigendommen: begroot: fl. 75, werkelijk: fl. 30,431/2. Verder zijn er posten voor: wijn en brood H.A. fl. 8 begroot, werkelijk fl. 2; voor licht, vuur, schrijfbehoeften en druklonen: resp. fl. 60 en fl. 71,56; kosten voor het huren van ‘localen’ voor het houden van vergaderingen: resp. fl. 20 en fl. 11,12; contributie wegens het ‘waarborgen der gebouwen en meubelen’ tegen brandschade: resp. fl. 25 en fl. 19,30.

 

 

 

x


Grasduinen in het kerkarchief


In het archief vond ik een ‘Inventaris van de kerken pastorie goederen, fondsen, (etc. )naar den toestand op 1 Januari 1915; opgemaakt den 28 Mei 1915.’ Hierop staan de kerk ( 2,2 are), de grond (18,4 are), en het ‘bijstaand locaal van 1908’.
De pastorie (2,5 are); de daarbij behorende grond (13 are); een perceel moes- en bloemtuin (24,8 are) en nog een perceel bouwgrond (23,7 are). In de marge is opgemerkt dat de sloot langs de percelen is afgestaan aan de gemeente t.b.v. de verharde weg; de dammen zijn niet afgestaan.
Ook hier staat de roggepacht als inkomst genoemd. Nog zes boeren staan hiervoor vermeld voor hoeveelheden variërend van ruim 5 kop tot ruim 50 kop. Drie boeren hebben in 1930 en 1932 de pacht afgekocht.
Verdere opvallende zaken die aanwezig zijn: “Avondmaalsgoed, bestaande uit: tinnen schenkkan, 2 dito bekers, 1 groote tinnen schaal en 2 dito kleine schalen.”
Verder nog: “Een bijbel op preekstoel, een tinnen doopschaal, een brandkast.”
Op 14 januari 1947 komt er een factuur van fa. Jan de Boer voor de levering van een kachel (fl. 65) en 10 meter pijp (fl. 39,50) d.d. 11-10-1946 en een factuur van timmerman Joh. Knol voor geleverde tegels, specie, gresbuizen en meer ‘gerei voor de Pastorie’.
Inkomsten werden ook verkregen door het verhuren van zitplaatsen in de kerk. Bijvoorbeeld de ‘Verhuring van kerkbanken of zitplaatsen’ op 28 dec. 1931. Deze verhuur bracht fl. 16,50 op.
5600 turven
Nota van W. Waninge Wzn. 19 0ct. 1946: “2 ritten turf van Hoogeveen naar Pesse, in totaal 5600 stuks f. 14,--“ Een andere nota voor dezelfde hoeveelheid turf van K. Knippels bedraagt maar liefst fl. 93,80. De laatste nota is niet gedateerd met jaar. Maar duur of niet: de kachel in de kerk werd gestookt met turf dus… Zonder verwarming was het een koude kerk.

x  x

x

Twee keer een nota voor 5600 stuks turven voor de kachel en een kwitantie voor ontvangen traktement van ds. Seinhorst en van zijn zoon voor het bespelen van het orgel.   

Twee kwitanties ondertekend door ds. L. Seinhorst voor het ontvangen van traktementen voor het tweede kwartaal 1946: fl. 337,50;  en een kwitantie voor het bespelen van het orgel in 1947 zegge fl 100, ondertekend door M. Seinhorst, de zoon van de predikant.     


Nog enkele nota’s:

• “voor 5600 persturven, 2e soort voor fl. 93,80 voor H. Knippels 19 octob” (zonder jaartal)
• uit 1947 “voor vijf avondmaalsbroden voor fl. 4,--“
• kwitantie van L. Seinhorst voor fl. 500 traktement (met 10% toeslag) voor 4e kwartaal 1946.    x

Achttons schuit mest


In het archief is ook een document aanwezig over de bezittingen der diaconie in de beginjaren. ‘Register of ligger van alle bezittingen der Diaconie van de Hervormde Gemeente te Pesse, Classis Meppel, opgemaakt door de diakenen dezer gemeente op 23 Februari 1883’. Daarin staan de onroerende goederen vermeld, compleet met de maten en ook wat de huur op dat moment opbrengt. Het eerst beschreven object is een huis met erf, en daarbij nog veel weiland, bouwland, veld (= onontgonnen grond), en ‘hakbosch’ (dat was bos voor verbruikshout, bijvoorbeeld voor afrasteringen); dat alles levert aan de diaconie jaarlijks aan huur fl. 45 op én ‘een achttons schuit mest’. Daarvan kon de tuin van de predikant dan weer bemest worden, denk ik. Hoefde men de kerkleden niet lastig te vallen met verzoeken om mest te doneren.

Ruimte

Ruimte is en blijft een probleem. In 1890 vraagt de dominee om een plekje om catechisatie te kunnen houden. De notulen: “Ten 3. Gelezen een schrijven van Ds. Damsté, Consulent voor Pesse, verzoekende aan kerkv(oogden) een lokaal, vuur en licht beschikbaar te stellen ten dienste van de aanstaande winter Catechisatie. Is besloten die kamer dewelke de voorgaande winter ertoe is gebruikt (ook dit jaar weer te gebruiken), met bepaling om de gang tot aan de ingang van de Catechisatie kamer met enige planken te beschoyen tot bewaring van de overige vertrekken.
Gedaan in vergadering van kerkv(oogden), d.d. 27 Oct. 1890, B. R. Oldenijens, Pres. G. R. Nijsingh, secr.” De catechisatie wordt dus net als vorig jaar gehouden in een van de kamers van de pastorie, die daartoe met een paar planken wordt afgeschoten van de andere kamers.


Een borrel hoort erbij


In 1890 zoekt de kerkenraad een plek om te vergaderen. Ze houdt een soort inschrijving onder de gemeenteleden over het beschikbaar stellen van een vergaderplaats “voor de vergadering van de kerkvoogden en notabelen voor kerkeraad en kiesColegie”. De ‘inschrijvingsbilletten’ hebben 8 dagen ter inzage gelegen en nu zijn er twee gegadigden. De notulen vermelden hoe het vervolgens ging:
“S.J. Nijenbrink, meldende dat hij genegen is een plaas ter beschikking (te houden) voor vergadering van kerkeraad en kiescollegie maar dat voor vertering zou gevorderd worden voor koffij met suiker per hoofd 7 cents, de vles bier vijf cents en voor de borrel vijf cents.
Ten 2. Het billet van A. ten Oever hield in een kamer te zijner woonstede ter vrije beschikking tot het houden van vergaderingen van bedoelden Collegies zonder vergoeding voor dezelfden. Mogte er het een of ander worden gebruikt, neemt ten Oever de bediening op hem volgens de instructie, voor koffij met suiker per man f.005, sterke drank per glaasje gewoon f. 005, bier per vles eerste soort f. 005. Daar het billet van Nijenhuis hoger is dan die van ten Oever is besloten dat de vergaderkamer is toegewezen aan A. ten Oever voor kerkeraad en kiescollegie van stonden aan en voor kerkv(oogden) en Notabelen ingaande den 1 Januarij 1891 en eindigende den laatsten December 1891.”
Kennelijk werd er naast koffie bij al dat zware vergaderen ook wel eens een biertje en een borrel gedronken. Ik kan me, als ik sommige verslagen lees, levendig voorstellen dat de kerkenraadsleden soms aan het eind van zo’n uitputtende vergadering hard aan een borrel toe waren.


“Foutje” van de kerkvoogden


Kerkvoogden zijn soms geplaagde mensen. Ze bedoelen het zo goed, werken zich belangeloos vaak uit de naad, maar je kunt het kennelijk ook nooit helemaal goed doen. Het volgende document getuigt daarvan.
Het stuk heeft geen aanhef, titel of ondertekening. Misschien is het ook nooit verzonden. Ik vond het document in het Drents Archief in Assen en het is te bijzonder om het hier onvermeld te laten. Het geeft namelijk in zijn bijna kruiperige beleefdheid een inkijkje in de toenmalige, nog sterk hiërarchische verhoudingen. Ongetwijfeld had de overdreven beleefdheid die bijna van het papier druipt, te maken met de erin genoemde opmerking van de heer Westra van Holthe. Met die naam zal bedoeld zijn Johannes Govert Westra van Holthe (Assen, 29 januari 1867), bewoner van de door zijn overgrootvader in Dwingeloo gekochte havezate Oldengaerde, en advocaat en procureur bij de rechtbank van Assen, later burgemeester van Dwingeloo. Westra van Holthe had als ‘secretaris van het college’, (bedoeld is het ‘Provinciaal College van Toezicht in Drenthe op het beheer der Kerkelijke Goederen en Fondsen der Hervormde Gemeenten in Drenthe’, LM), de kerkvoogden gewezen op een procedurefoutje. De goedbedoelende kerkvoogden zijn zich kennelijk een hoedje geschrokken en schrijven het volgende, bijna aandoenlijk stuk ter verdediging van hun handelen. Het gaat om… een partijtje bomen bij de Pesser kerk en pastorie.


“Pesse den (…) 2 Februarij 1901
Kerkvoogden der Herv. Gem. te Pesse geven aan Edel Achtbaar Colege te kennen; dat in den vergadering van Kerkvoogden en Notabelen den 2 Februarij 1901 besloten is om een partij dennen om en bij de pastorie en bij langs de Tuin en bij de kerk te Pesse te laten kappen en publiekelijk te doen verkoopen, om uit de opbrengst daarvan de kosten te kunnen dekken welke ontstaan door het schilder en timmerwerk in de Pastorie verricht, het geen onvermijdelijk was, om de Pastorie in een behoorlijk bewoonbaren staat te doen krijgen. Verder delen wij u mede dat dit besluit van dennenverkoop ook is uitgevoerd en dat wij kerkvoogden bekennen dat wij verzuimd hebben uw Colege daarvan tijdig kennis te geven en daarvoor de noodige vergunning te vragen, om reden dat wij het Reglement ingezien hebbende, daarin niet hebben gevonden wat ons inziens tot de boomen verkooping en tot de aanvrage om vergunning daartoe betrekking had, maar dat wij later door de secretaris van uw College den heer Westra van Holthe zijn ingelicht die ons op dat verzuim gewezen heeft en ons gezegd heeft dat boomen onder vaste goederen zijn begrepen; redenen waarom wij uw Edel Achtbaar College eerbiedig verzoeken om het ons niet kwalijk te nemen, maar alsnog uwe goedkeuring over genoemde verkoop te mogen inwinnen, of de verzekering dat wij niet door dat verzuim in moeilijkheden geraken. Tot toelichting over de verkochte dennen deelen wij u nog mede dat wij in overleg met de tegenwoordige Predikant (te weten ds. Elie Saraber, LM) zulke dennen en boomen hebben opgeruimd die geheel en gedeeltelijk dood waren en anderen die wegens te dichten stand en hoogte voor de Pastorie en de Kerk nadeelig waren geworden omdat zonneschijn en wind daardoor verhinderd werden om hun drogende invloed daarop uit te oefenen en nog anderen als beschutting of haag om de tuin zoo ondoelmatig waren geworden, dat er in de tuin vanwege de lange dennenwortels bijna niets meer groeijen wilde; voor de laatsten is echter weder een haagdoorn voor in de plaats gezet en een nieuwe omheining om de tuin is weder aangebracht om dat de oude wegens slechte en door den tijd versleten palen bijna was vervallen; ook om dit een en ander te herstellen zijn van de gekapte dennen zoo veel palen en benoodigdheden genomen als men noodig had.
Kerkvoogden hopen hierop een gunstig advies te mogen ontvangen tot hunne vrijwaring daar bovenvermelde met een goed doel en tot wezenlijke verbetering is geschied.”


Eerste Plaatselijk Reglement

 

x

x


In hetzelfde jaar 1871 ontwerpt men een Plaatselijk Reglement. Het zit nog in het kerkarchief. ‘Plaatselijk Reglement van Pesse v 1871’. ‘Plaatselijk Reglement voor de Hervormde Gemeente Pesse ter uitvoering van het Synodaal Reglement op de benoeming van Ouderlingen en Diakenen en de beroeping van Predikanten.’ (Er volgen maar liefst 26 artikelen over deze onderwerpen.)
“Aldus opgemaakt door den Kerkeraad der Hervormde Gemeente van Pesse in zijne Vergadering gehouden 8 october 1871.” Was ondertekend door drie ouderlingen en drie diakenen en de consulent ds. J. J. Damsté te Ruinen.

x  x

 

 


-0-0-0-0-0-0-

 

naar boven