Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0 - 2.6 Een eigen kerk!

Hits: 32383

Artikelindex

 

 

 

 

 

 

 


2.6 Een eigen kerk!

 

 

 


Realisering na jaren strijd

x


In de PDAC van 11 maart 1871 staat de advertentie: “AANBESTEDING, door KERKVOOGDEN der Hervormde Gemeente te Pesse op Zaturdag den 25sten Maart, e.k. des namiddags om 1 uur, ten huize van B. OLDENIJENS te Pesse, van: Het bouwen eener nieuwe kerk en pastorie aldaar, met levering der materialen. BESTEK en VOORWAARDEN liggen van af maandag 13 dezer ter lezing: te Pesse bij B. OLDENIJENS, waar ook de teekening ter inzage zal liggen, en verder te Pesse bij M. KNIPPELS, Hoogeveen bij FLOTHUIS, Meppel bij VOORTHUIS en Assen bij KUIPERS en zijn op franco aanvraag tegen betaling van 50 cents verkrijgbaar bij den boekdrukker PET te Hoogeveen. Nadere informatiën te bekomen bij de Kerkvoogden te Pesse. Pesse, 7 Maart 1871, namens kerkvoogden R.K. REINDERS, voorzitter en B. OLDENIJENSs, Secretaris.”
Het Uitgavenboek in het archief meldt: “Julij 11: Aan den Heer C. Pet te Hoogeveen voor het drukken van bestekken enz. Somma fl. 30,70”.
Op 25 maart 1871, ’s middags om een uur vond dus de aanbesteding van de bouw van de kerk met een pastorie inderdaad plaats ‘ten huize van B. Oldenijens te Pesse’. Twee weken hadden de bestekvoorwaarden en de tekening ter inzage gelegen, o.a. in hotels in de wijde omgeving. Belangstellende aannemers konden inschrijven voor de bouw van de kerk. Commissievoorzitter R.K. Reinders, een van de stuwende krachten achter de realisering van de kerk, opende de ingediende biljetten. Van dit voor de Hervormde kerk zo belangrijke moment is in de notulen gedetailleerd verslag gedaan:
“Daarna wordt ten 12 uur de vergadering in eene gecombineerde vergadering met notabelen. Ten 1 uur gaat de president over tot de opening en het overluid voorlezen der namen en sommen van al de 12 voor den bouw ingeleverde inschrijvingsbilletten die door de secretaris zijn opgeteekend. Als volgt:
De bieders
R. Oets te Hoogeveen: f. 12.900
H. Wessels, Assen: f. 11.949
H. Winters, Assen: f. 11.786
R. Hunze, Assen: f. 11.657
O. ter Steege Rzn., Hoogeveen: f. 11.500
H. Oets, Hoogeveen: f. 11.431
R. Postma Assen f. 11.199
J. Otten Gzn., Meppel: f. 11.194
J.W. Rengelink, Meppel: f. 10.695
W. Heidema, Meppel: f. 10.375
H. Timmer, Meppel: f. 10.310
S. H. van der Veen, Meppel: f. 9.673
Naar gehouden deliberatiën over den laagsten inschrijver den heer Sjoert Hanses van der Veen wel geene overwegende bezwaren bestonden zo heeft men toch staande de vergadering niet tot het opmaken en teekenen van het proces verbaal kunnen overgaan om reden dat de borgen niet tegenwoordig waren. Zo is de bijeenkomst bepaald op den 28 Maart.”


x

 


Dat er niet meteen ter vergadering besloten kon worden had dus te maken met ‘de borgen’. Deel van de financiering was namelijk een lening, en daarvoor moesten de borgstaanders aanwezig zijn om te bevestigen dat zij deze lening feitelijk wilden verstrekken.
De hoogste inschrijver was dus was aannemer R. Oets uit Hoogeveen met fl.12.900. De laagste inschrijver van de twaalf was aannemer S.H. van der Veen uit Meppel. Voor 9673 gulden kon deze aannemer het gebouw realiseren. Hij moet naast zich een onafhankelijke opzichter dulden, de heer Ter Steege, die overigens mee had geboden:
“Vervolgens overgegaan zijnde tot de onderhandelingen met Otto ter Steege betrekkelijk het toezicht over de bouw wordt hem het gehele opzicht zoo mede de keuring der materialen en verder alles wat tot het houden van een goed opzigt vereischt wordt, opgedragen, hetwelk door hem wordt aangenomen tegen vergoeding van f. 35 per maand te voldoen met het einde van iedere maand. (…) Gedaan ter vergadering van kerkvoogden den 25 en 28 Maart 1871.”
Het gebouw werd een eenvoudige zaalkerk, maar het werd de trots van de boerschap. Begin april ging de spade de grond in en in nog geen acht maanden tijd stond de kerk er. Dat het zo vlot ging, was mede te danken aan diverse Pessenaren, die met paarden en wagens kosteloos de bouwmaterialen aanvoerden.


Inwijding

 


Eind november 1871 werd het gebouw ingewijd. Die inwijding verliep overigens niet vlekkeloos want ze werd twee keer uitgesteld. Gemiste kans vonden sommigen het, dat er geen herdenkingssteen ingemetseld was met de namen van de bouwcommissieleden. Dat hadden ze toch wel verdiend.
Maar op 26 november was het dan zo ver. Consulent dominee Damsté van Ruinen preekte in zijn inwijdingspreek over Haggai 2: 10: “De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de Here der heerscharen. Op deze plaats zal ik heil geven, luidt het woord van de Here der heerscharen.” De profeet Haggaï hield zijn preek in het jaar 520 voor Christus, in Jeruzalem, waar de ballingen uit Babylonië terugkwamen en de tempel in puin vonden. Haggaï sprak toen over de wederopbouw van de tempel.
Het is niet bekend of ds. Damsté zijn tekst ook gekozen had met het oog op het feit dat dit kerkgebouw inderdaad de tweede kerk van Pesse was. Ruim vierhonderd jaar eerder had het dorp immers ook een eigen kerk(je) gehad.
Het heil, de vrede waarover ds. Damsté sprak, bleek voorlopig een vrome wens. Luning besluit zijn artikel over de wordingsgeschiedenis sarcastisch: “De Pessenaren gingen rustig door met ruzie maken over de beroeping van een predikant en het vergroten van de pastorie, waarvoor de eerste predikant het geld fourneerde!” Daarover verderop meer.
In de PDAC van 29 november 1871 staat een kort verslag van de opening van de kerk:

x

Uit de Prov. Drentsche en Asser Courant, 28 nov. 1871


“Het nieuwe kerkgebouw te Pesse is Zondag ingewijd, daarmede is in eene lang gevoelde behoefte voorzien. Bij die gelegenheid sprak de consulent ds. J. J. Damsté van Ruinen, naar aanleiding van Haggai 2 vers 10, (en in deze plaats zal ik vrede geven, spreekt de Heer der Heerscharen) een woord ter inwijding, waarbij hij gewaagde van al wat gedurende ruim elf jaren gedaan was ter verkrijging van eene zelfstandige gemeente, daarna toespraken hield tot allen die daartoe hadden meegewerkt, tot den aannemer en tot allen die aan kerk en pastorij hadden gearbeid en eindelijk een opwekking deed horen aan de gemeente, om van dit kerkgebouw een goed gebruik te maken.”
Vervolgens sprak op verzoek van notabelen en kerkvoogden ds. A.W. Kamp van Meppel, die ds. Damsté bedankte voor al zijn werk. “Beide redevoeringen werden met groote aandacht aangehoord.”

 

In de notulen 8 oktober 1871 van de Ruiner kerkenraad lezen we: “Art. 2: De op 27 Aug. j.l. gekozen vier Ouderlingen en vier Diakenen zijn heden morgen in hunne bedieningen bevestigd, als Kerkeraadsleden voor Pesse. De eervol ontslagene leden dragen aan de nieuwe leden van Pesse alle gelden en bescheiden over en worden gedécharcheerd.”
Meteen wordt op de volgende bladzijde de conclusie getrokken over de collecten in de Ruiner kerk voor de Pesser diaconie, die tot wederzijdse ergernis hadden geleid: “Art. 4: Nu de nieuwe kerkeraadsleden van Pesse optreden, wordt van af heden de Kerkelijke Gemeente Pesse als afzonderlijke Gemeente erkend en is nu finaal van Ruinen gescheiden, zoodat van heden af ook geen collecte voor de Diakonie te Pesse langer zal plaats hebben in de kerk te Ruinen.” Dit stukje tekst was de facto eindelijk de erkenning vanuit Ruinen waarnaar de Hervormden van Pesse zo lang hadden verlangd. Merkwaardig is dan wel dat op dezelfde bladzijde (in art. 5 en 6) iets staat waaruit blijkt dat de Ruiner kerkenraad maar moeilijk kon accepteren dat Pesse nu op zichzelf stond, namelijk dat -nog in oktober 1871 dus!- de Ruiner kerkenraad beslist wanneer er in Pesse wordt gedoopt en avondmaal wordt gehouden. En dat, terwijl toch officieel de tijdelijke, zogenaamde ‘combinatie’ van Pesse met Ruinen had opgehouden te bestaan per 8 okt. 1871. Vier van de acht avondmaalsvieringen worden nog in Ruinen gehouden. Terwijl in Pesse een nieuw kerkgebouw staat! 

 

x   x

 

‘Handelingen van den kerkeraad van Ruinen’; en re: een detail daaruit;  Drents Archief Assen  

x

Let op artikel 4 en 5...


Recht op zelfstandigheid


De bekende Drentse taalkundige en historicus Jan Naarding schrijft in zijn ‘Uit Ruinen’s verleden’ in 1962: “Een school had Pesse –zo is ons gebleken- reeds in 1611. Toen 260 jaar later de kerk volgde, was het dorp eindelijk waar het wilde zijn: het was geheel onafhankelijk van Ruinen, dat het te lang naar zijn zin onder voogdij had gehouden. Het werd ook tijd: een bestaan van 730 jaren geeft wel recht op zelfstandigheid.”
Concluderend kunnen we opmerken dat de Pessenaren de strijd niet schuwden; niet de strijd met de hogere instanties, niet die met het ‘moederdorp’ Ruinen, en helaas ook niet de strijd onderling. Maar tegelijk hadden hun koppigheid en doorzettingsvermogen hen wel gebracht waar ze wilden zijn: een dorpsgemeenschap met een eigen, onafhankelijke kerk.


-0-0-0-0-0-

 

     

 

 

naar boven