Een geschiedenis van de Hervormde kerk van Pesse, versie 2.0

Hits: 32397

Artikelindex

De Hervormde kerk van Pesse
Toen de leden van de boerschap Pesse na de inwijdingsdienst in 1871 hun kersverse kerkgebouw verlieten, hadden ze een heel ander uitzicht dan wat de bezoekers van de laatste dienst in 2016 in hetzelfde gebouw zagen toen zij voor het laatst over dezelfde drempel stapten. Nu achter de auto’s op de parkeerplaats een groene wei met een autoweg op de achtergrond, toen aan de overkant van de brede zandweg nog bruin-paars nagloeiende heidevelden, waar doordeweeks scheper Okken de schapen van de boerschap hoedde. Het was ongetwijfeld een gure herfstdag, die 26e november 1871. Het napraten over de eerste dienst moest desondanks in de openlucht gebeuren, want een bijgebouw had de kerk toen nog niet. De gesprekken zullen zijn overheerst door gevoelens van voldoening en ook wel van enige trots. Er was immers lang gestreden voor dit eigen kerkgebouw. Helaas ook intern. En nu het er stond, was het een stenen monument voor de onafhankelijkheid en vasthoudendheid van hun gemeenschap. 


De eerste versie van deze geschiedenis telde 3550 bezoekers toen ik die verving door deze uitgebreide, herziene versie. (13 sept. 2017)

Dit artikel is gebaseerd op mijn boek 145 jaar Hervormde kerk van Pesse en de voorgeschiedenis, een klein monument ter herinnering     Pesse, 2017 

Sinds sept. 2022 betreft het hier wel een aangepaste versie waarin de meeste foto's van de besproken documenten niet meer zijn opgenomen. (uit bezuinigingsoverwegingen). 

Voor verkrijging van dit boek: Neem contact op met een van de kerkvoogden. Zie de website van PKNPesse.nl De opbrengst gaat naar de kerkrentmeesters/ kerkvoogdij van PKN Pesse! 

 



N.B.! In deze digitale versie zijn vanaf sept. 2022 veel foto's niet meer te zien. Het betreft vooral foto's van documenten maar ook van personen en predikanten. Overal waar een x staat, heeft een foto gestaan. 

Wenst u de originele, volledige versie  dan kunt u contact opnemen met de kerkrentmeesters voor het aanschaffen van het boek (www.pknpesse.nl) of met de auteur/ webmaster voor een digitale versie in pdf-formaat. Daarvoor vraag ik wel een onkostenvergoeding. 



 

Een rustiek beeld van voor de Tweede Wereldoorlog:



Een foto van een oude ansichtkaart van (de kerk van) Pesse.  Op de achtergrond de Hervormde kerk van Pesse, met voor de kijkers rechts "het lokaal" en links de oude pastorie, met op de voorgrond het heideveld met schaapskudde met scheper Okken. Rechts van het lokaal staat een boerderij; later is op die plek de nieuwe pastorie gebouwd.

 

 



 

  

de kerk in 2016, het jaar van de verkoop



Inleiding

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


In 2016 werd de Hervormde kerk van Pesse verkocht. Overbodig geworden door de fusie van de Hervormde Gemeente met de Gereformeerde Kerk tot de Protestantse Gemeente te Pesse, onderdeel van de PKN. De nieuwe gemeente gaat door in de Kruispuntkerk, die toekomstbestendig zal worden gemaakt met onder andere het geld dat vrijkwam met de verkoop van de Hervormde kerk.


Het afscheid van het gebouw viel - en valt nog steeds - velen zwaar. Bijna 145 jaar lang was hier gebeden, gevierd, gerouwd, gepreekt en geloofd. Het kerkgebouw was met veel doorzettingsvermogen tot stand gekomen en met veel liefde, toewijding en opoffering onderhouden. Hoewel het bouwwerk gebreken vertoonde, had het - na een noodzakelijke flinke opknapbeurt - misschien nog jaren meegekund, maar op grond van een uitgebreide analyse werd gekozen voor het andere gebouw. Hoe is het gebouw er gekomen en wat was er daarvóór?


In dit boek leest u over de vroege kerkelijke situatie in Pesse, vanaf de middeleeuwen, toen Pesse al een eigen kapel kreeg. Daarna was het dorp heel lang zonder eigen kerk. Interessant is dat Pesse wel een eigen diaconie had, die weliswaar officieel onder de kerk van Ruinen hoorde, maar die heel zelfstandig opereerde. Overigens: veel van de geschiedenis van de Pesser Hervormde Kerk staat in het teken van de oude tegenstelling tussen Pesse en het ‘moederdorp’ Ruinen. Ik ga ook in op de armenzorg destijds, die voornamelijk in handen van de diaconieën was. U kunt lezen over de in onze moderne ogen misschien schokkende behandeling van de ‘bedeelden’, over de roggepacht die de boeren opbrachten en waarvan de dominee zijn toch wel wat karige traktement aanvulde.


Het tweede hoofdstuk schetst de aanloop tot de bouw van de kerk en pastorie en de bouw zelf. Op diverse plaatsen wordt ook op de financiële kant van de zaken ingegaan. Pesse is een arme gemeente geweest die zijn predikanten soms maar moeizaam kon betalen. Ik ga leuke dingen niet uit de weg, bijvoorbeeld dat ds. Bergsma, de eerste dominee in Pesse, de kerkvoogden nogal dringend vroeg om mest voor zijn tuin en toen drieëndertig vrachten koemest bij de pastorie gestort kreeg.


Het derde hoofdstuk verhaalt in grote lijnen hoe het na 1871 ging. U leest over de nieuwe bijgebouwen, de nieuwe pastorie en er is een stuk over de orgels. Natuurlijk is er een kleine geschiedenis van de snuffelmarkten. En ik kon natuurlijk niet om de 21 predikanten heen. Vermeld wordt wat ik over hen vond. En nog meer wetenswaardigs rond dat oude gebouw aan de Hoogeveenseweg.


Het boekje sluit af met een paar bijlagen met foto’s van de kerk en van activiteiten er omheen. Het werd me duidelijk dat een boek als dit nooit echt af is. Telkens ontdekte ik weer iets nieuws. Dit is ook niet het hele verhaal; over verschillende aspecten valt veel meer te zeggen. Alleen al over geschiedenis van de Pesser diaconie zou een apart boekje te schrijven zijn. Een alomvattende geschiedenis was echter ook niet de opzet van dit boek. Ik hoop wel, dat ik dit met boek een klein monument opgericht heb voor het gebouw waarin ‘de Hervormden van Pesse’ zoveel jaren en generaties hun geloof hebben vormgegeven. En ik hoop dat de lezer evenveel plezier zal ervaren tijdens het lezen en bekijken, als ik heb gehad bij het schrijven en samenstellen ervan.


Pesse, februari 2017
© Lammert Metselaar                          

 

Omslag van mijn boek 145 jaar Hervormde kerk van Pesse en de voorgeschiedenis, een klein monument ter herinnering     Pesse, 2017

Het boek is verkrijgbaar zo lang de voorraad strekt bij de kerkrentmeesters van de PKN Pesse. 

 


 1 De ontwikkeling tot omstreeks 1870

 

 

 

 

 

 

 

 

 


1.1 De eerste kerk van Pesse: een kapel


Pesse, een heel oud dorp


Pesse is een heel oud dorp, een van de oudste van Drenthe. Al in de twaalfde eeuw, in 1141 om precies te zijn, was er sprake van een gehucht dat Petthe genoemd werd. Peth was en is een soort moeras, veengrond. In ‘petgaten’ en in de Peel zit deze woordvorm nog. De naam herinnert aan de pingo-ruïnes of meertjes die hier nog steeds het landschap sieren. Het gaat om veenmoerasjes gevuld met donker, stilstaand water, met grillig gevormde oevers en turfgaten en omzoomd door een verscheidenheid aan momenteel steeds zeldzamer wordende hoogveenplanten. De Drentse én de Nederlandse bevolking heeft zich vele eeuwen achtereen kunnen warmen aan het vuur, dat van de turf gestookt werd, afkomstig uit deze veenplassen. De Drentse benaming 'Veenties' voor deze moerasjes is daarom ook zo goed gekozen. Het Zwarte Water bij Pesse zou best eens zo’n pingo-ruïne kunnen zijn.
Pesse is een zanddorp: het ligt op een hoge zandrug, vroeger te midden van moerasachtige lagere streken, en net ten noorden van het uitgestrekte veenmoeras dat afgegraven en ontgonnen werd door o.a. Roelof van Echten, waar later Hoogeveen ontstond. De oudste vorm van de naam Pesse is volgens de Drentse taalkundige Jan Naarding waarschijnlijk Pethitha geweest. Deze naam heeft op de pastorie gestaan toen ds. Stap predikant was in Pesse. In navolgende eeuwen evolueerde de naam via Petthe in Pesse. Op oude kaarten is trouwens ook wel sprake van Pessen.
Boomkano
Bewoning was er in dit gebied al heel vroeg. In 1955 werd er een nieuwe verkeersweg langs Pesse aangelegd. De dragline die een vier meter dikke veenlaag weggroef, stuitte op een archeologische vondst die Pesse op de kaart zette. Aanvankelijk leek het een ‘gewoon’ stuk kienhout dat loskwam uit het zuigende veen, maar later bleek dat dit stuk hout van drie meter bij nog geen halve meter een uitgeholde boomstam was, die dienst moet hebben gedaan als kano. Met een ouderdom van plm. 8000 jaar was dit de oudste boot ter wereld. En tevens het bewijs dat er toen al mensen leefden in dit gebied. Op de brink van Pesse staat een beeld op schaal van deze ‘boomkano’. Het origineel is te zien in het Drents Museum in Assen.
Volgens het ‘Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden bijeengebragt door A.J. van der Aa, negende deel’ (1847) was in het midden van de 19e eeuw ‘Pesse een gehucht in het Dieverderdingspil, met 78 huizen en 580 inwoners. “De marke van Pesse wordt verdeelt in 5 hoofddeelen, als Pesse, Eursinge en Bultinge, Oostering, Stuifzand en Zwarte Schaap, en Kalenberg en Fluitenberg”. Op deze onderscheiden delen komen we verderop terug.
(Terzijde: in citaten neem ik de originele schrijfwijze over, inclusief fouten!)
In 1973 ontdekte men, ook door graafwerkzaamheden, een vroegmiddeleeuwse nederzetting van een boerderij met bijgebouwen. Het oppervlak van de grootste boerderij mat maar liefst 20 bij 5 meter.
Hieronder een afbeelding van een topografische kaart van rond 1820, een halve eeuw vóór de stichting van de kerk, waarop de ligging van Pesse (iets boven het middelpunt van de kaart) ten opzichte van Ruinen en Hoogeveen goed te zien is. De gehuchten waren alleen over zandwegen en karrensporen te bereiken.



x


Kiem van de drang naar zelfstandigheid


Heer Otto van Ruinen schonk al in 1141 een hoeve met onderhorige boeren in Petthe aan het klooster in zijn dorp. Zo ging dat toen. In Ruinen was in die tijd een Benedictijnenklooster; namen als ‘Kloosterstraat’ en ‘Munnekenweg’ verwijzen daar nog naar. Dat klooster moet al in het jaar 1036 bestaan hebben. De monniken uit het klooster in Ruinen trokken in 1325 naar het veiligere Dickninge aan het riviertje de Reest. Ruinen, aan de weg van Zwolle via Meppel naar Groningen, zou hun te druk geweest zijn.
Al in 1381 moet hier een deel van de gemeenschappelijke markegronden verdeeld zijn geweest: de zogenaamde Wanninge Blicmaet. (Elders gebeurde de ‘privatisering’ van de gemeenschappelijke gronden vaak pas in de 19e eeuw). Er was sprake van een viertal hoeven, in bezit van machtige boeren. Een ervan behoorde aan het geslacht Waninge, een nog steeds bekende naam in de omgeving. Roelof Waninge was in 1410 schulte in Ruinen en had ook bezittingen in Mantinge. Een schulte was een rechterlijke functionaris op lokaal niveau. De heren Van Coevorden hadden bezittingen in Pesse, ze noemden zich ook wel ‘van Pesse’, en hadden vaak onenigheid met de Van Ruinens. De eerstgenoemden wilden zich dus graag losmaken van het hoofddorp Ruinen. Misschien ligt hier een kiem van de drang naar zelfstandigheid die uiteindelijk leidde tot het stichten van een eigen kerk in Pesse. Pesse groeide in de loop der tijd uit tot een vestiging van enige betekenis, relatief gezien. In 1675 was Pesse een van de grotere gehuchten in het kerspel Ruinen; het telde toen 36 huizen. Tegenwoordig zijn er ongeveer 1800 inwoners.


Papenmaat


Over het kerkelijk leven in Pesse in vroegere eeuwen is niet veel met zekerheid bekend. Wel weten we dat het dorp Pesse al vroeg een eigen kapel met een eigen priester gehad heeft. Het klooster bij Dickninge bij De Wijk heeft dat trachten te verhinderen maar de drang naar zelfstandigheid bij de Pessenaren won. De kapel had eigen inkomsten, onder andere van het hooiland, de zgn. Papenmaat, (pape is priester, LM). De opbrengst ervan kwam ten goede aan de voorganger voor zijn levensonderhoud.
Die Papenmaat is later inzet van veel touwtrekken geweest. Na de Reformatie ging de kerkelijke bestemming van veel goederen verloren. Veel Rooms-Katholieke eigendommen raakten in die tijd in handen van particulieren die er wel weg mee wisten. Men ging met de goederen om “als de katte met de muys”. Bijna een eeuw na de Reformatie klaagde een predikant van Ruinen dat de boerschap van Pesse de pacht van de Papenmaat inde, terwijl die volgens hem aan de pastorie in Ruinen toekwam. Ook schoolmeesters deden in de 17e eeuw na de Reformatie wel moeite om zich de pacht toe te eigenen.

x

Dit is een prent van de in 1821 afgebroken havezate Oldenhof in de ‘heerlijkheid’ Ruinen. De buurtnaam Oldenhave herinnert nu nog aan dit gebouw, de residentie van de Heren van Ruinen. Uit dit geslacht ontwikkelden zich de Drentse dienstmannen (ridders), die ook de rechtspraak deden. Aangenomen wordt dat de Van Runens van Frankische oorsprong zijn en dat hun afkomst teruggaat tot de tijd van Karel de Grote. Volgens dr. A. Sassen die promoveerde op “Het Drents van Ruinen” (Assen 1953) zou de bijzondere taal van dit dorp uit deze Frankische oorsprong te verklaren zijn. Toen de Frankische immigranten kwamen, zouden de oorspronkelijke bewoners van Ruinen naar de randen van de marke verdreven zijn, onder andere naar Pesse. Dr. Jan Naarding verklaart mede hierdoor de eeuwenoude tegenstelling tussen de mensen in Ruinen en die in Pesse.
De Heer van Ruinen bemoeide zich graag met de kerk, ook na de Reformatie. Aan de eigen rechtspraak herinnert overigens nog de naam Galgenberg, aan de weg van Anholt naar Ruinen. Daar werden de misdadigers geëxecuteerd en in ongewijde aarde begraven. De galg moet in de achttiende
eeuw zeker zichtbaar zijn geweest vanuit de postkoets op de route van Ruinen via Anholt over
het Dwingelderveld naar Spier. Overigens is de Galgenberg van oorsprong een restant van een prehistorische grafheuvel, gevestigd op een smeltwaterheuvel uit de ijstijd. In 1932 en 1951 zijn er grafvondsten gedaan.

Een eigen kapel in Bultinge


De eenvoudige houten kapel werd in 1335 in de intussen vrijwel verdwenen buurtschap Bultinge, ten zuidwesten van het huidige Eursinge, in gebruik genomen en gewijd aan het Heilig Hart. Heel het gebied ten noorden van de huidige Willemskade te Hoogeveen viel onder Pesse. Alle mensen die er woonden waren voor hun godsdienstige samenkomsten aangewezen op deze kapel. De naam Bultinge suggereert ‘bulten’, verhogingen in het landschap. Het is mogelijk dat hier vroeger grafheuvels waren, van ouds als heilig beschouwde plaatsen. In vroegere eeuwen bouwde men een kapel of kerk bij voorkeur op of bij zo’n plaats. De kapel werd gezien als een dependance van de Mariakerk van Ruinen, maar ook wel wordt beweerd dat Pesse een min of meer zelfstandig kerspel geweest zou zijn. Kerspel is een oude benaming voor kerkelijke gemeente, kerkdorp.
De pest
Over de verhoudingen tussen deze kapel en de kerk in Ruinen is weinig met zekerheid bekend. We kennen echter wel enkele namen van de bedienaars van de Pesser kapel. Zo was er eind 14e eeuw Hermannes Ahuus, afkomstig uit Duitsland. Omstreeks 1540 werd de kapel bediend door de in 1518 in Zuidwolde geboren Frederik ten Heuvel. Hij werd later pastoor van de A-kerk in Groningen. In omstreeks 1550 werd het kerspel geleid door Arnoldus ten Bulte, waarschijnlijk een broer van de Pesser landbouwer Roelof ten Bulte. Ten slotte kennen we nog pastoor Evert. Deze stierf rond 1581 aan de pest. Dag en nacht was pastoor Evert in de weer met het sacrament voor de stervenden. Maar liefst negentien inwoners van Pesse stierven aan deze besmettelijke ziekte, onder wie vijf leden van het gezin Oostering. De slachtoffers werden begraven op een noodkerkhof, het zgn. pestkerkhof. Pastoor Evert zal misschien de besmetting van een van zijn patiënten hebben opgelopen.
Hij staat in de dodenlijsten van Ruinen met de titel: ‘pastoor’. Dat wijst erop dat de kapel een zekere zelfstandigheid bezat. Waarschijnlijk had de kapel eigen bezittingen en eigen rectoren, maar of er sprake was van een zelfstandig kerspel Pesse, is niet duidelijk. Een rector was een hoofd van een niet-parochiale kerk of kapel. Wel is duidelijk dat de geestelijke van de kapel in Bultinge binnen het kerspel Ruinen een bijzondere plaats innam. Een aantekening op een brief van de deken van Drenthe uit 1580 maakt namelijk melding van een achterstallige schuld van de pastoor van Ruinen, de vicarissen en heer ‘Everardus toe Pesse’, die met name wordt genoemd.
Voettocht

 

 

Hoe de kapel er uit heeft gezien, kunnen we enigszins benaderen. In 1732 maakten namelijk de Amsterdamse oudheidkundige Andries Schoenmaker en de jongere ‘teekenmeester’ Cornelis Pronk een voettocht door Drenthe. Pronk tekende toen een aantal kerken, waaronder de hierbij afgebeelde kerk in Koekange. Deze kerk werd gebouwd in 1331 en afgebroken in 1834. De kerk werd dus slechts vier jaar voor de kapel van Pesse gebouwd en dus zouden we mogen aannemen dat de kapel er enigszins vergelijkbaar uitgezien zal hebben. De afgebeelde klokkenstoel naast de kerk is in ieder geval vergelijkbaar.
Op de website hollandscheveld.nl vinden we een reconstructie van een middeleeuwse kapel zoals ze overal in Noord-Europa werden gebouwd, met of zonder uitbouw. Ze komt aardig overeen met de schets van de genoemde wandelaars.

 

x

 

x


Hoog spel


Toen men eenmaal een eigen kapel had, vond de boerschap van Pesse dat daar geen kerkelijke lasten aan de kerk van Ruinen meer bij pasten. Dit speelde grofweg in de tijd dat Maarten Luther met zijn 95 stellingen het begin markeerde van de Reformatie. Pastoor Govert Mulert van Ruinen, monnik uit het klooster in Dickninge, wilde wel eens uittesten hoe de verhouding Ruinen-Pesse nu echt lag. Mulert was een doortastende man: bij zijn benoeming had hij zijn inkomsten zwart op wit laten zetten. Dat was kennelijk in die tijd een blijk van grote assertiviteit. Hij bracht de zaak voor de deken van Drenthe, maar die wilde er zijn vingers niet aan branden. Pastoor Govert trok daarop naar de bisschop van Utrecht, maar de boerschap van Pesse speelde hoog spel door zich meteen maar tot de hoogste autoriteit te wenden: de paus in Rome, Leo X. Ze hadden geluk in het spel: de paus bevestigde in een bul, een soort pauselijke brief met een loden zegel, de rechten van de Pessenaren. De Etstoel, het hoogste rechtsorgaan van Drenthe, voelde zich – uiteraard - volledig gepasseerd “want sulx was nye gehoert”, zoiets was nooit gehoord; dat was nog niet eerder vertoond, zouden wij zeggen. Toch koos de Etstoel de kant van de Pessenaren, misschien ook wel uit ontzag voor de bul van de paus die de boeren van Pesse zich dan toch maar hadden verschaft! Het was dan wel onwettig wat de Pessenaren hadden ondernomen, maar in hun situatie begrijpelijk, was het oordeel. Immers, pastoor Govert was begonnen met het kleuren buiten de hiërarchieke lijntjes.
Pastoor Govert maakte ook de reis naar Rome om toch zijn gelijk te halen, helaas voor hem zonder succes. Hij klaagde dat de reis hem tegen de honderd gulden had gekost, een kapitale som in die tijd. Pesse had dus ‘gewonnen’. Maar de verhoudingen met het oude moederdorp Ruinen waren er niet beter op geworden. Wellicht verklaart deze gebeurtenis wel enigszins, dat Pesse later een zelfstandig armbestuur (diaconie) had. Het preludeert ook op de koppigheid en het doorzettingsvermogen van de Pessenaren die uiteindelijk zouden leiden tot het stichten van een eigen kerk.


Bommen Berend


Naast de kapel bij Bultinge werd, zoals bij veel toen gebouwde kerkjes, een klokkenstoel gebouwd. De zware klok werd volgens overleveringen in het ‘rampjaar’ 1672 geroofd door de bisschop van Munster, Bernard van Galen, ook bekend onder de weinig vleiende naam Bommen Berend. Dr. Jan Naarding acht dat waarschijnlijk: deze heren hebben namelijk vanuit het huis te Ruinen meer geplunderd in de omgeving.
De kapel werd zwaar beschadigd door de plunderende bisschoppelijke troepen en mocht van de Drentse synode niet meer gebruikt worden. De kerkgangers moesten dus voortaan naar Ruinen. Wegens de afstand en de slechte wegen kwam daar niet veel van terecht. Van de kapel is nooit een spoor terug gevonden. Misschien worden er door archeologen ooit nog resten gevonden iets ten westen van het benzinestation aan de A-28 maar waarschijnlijk is dat niet.
Aan eeuwen zelfstandige kerk in Pesse was voorlopig een einde gekomen.


Heer van Ruinen


De Heer van Ruinen had veel te zeggen in zijn ‘heerlijkheid’, en ook in Pesse. Verschillende boeren waren schatplichtig aan hem. Zo moest de bewoner van Paddings Erve elk jaar één duit betalen. Dat moest per se gebeuren op eerste kerstdag onder de eerste predicatie in de kerk aan de heer zelf of aan diens stoel. Zou hij dit verzuimen dan zou zijn boerderij geheel vervallen aan de heer van Ruinen. Zoals deze Paddings voelden vele boeren de harde, dwingende hand van de landheer.


Moordenaar in Pesse terechtgesteld


In de woelige jaren van de Tachtigjarige Oorlog leed ook Pesse onder het geweld. In de 16e eeuw belandde een troepje van vier soldaten op het erf van Koert Bleerkinge. Ze wilden daar hun bivak maken voor de nacht. De boer liet het toe, wat moest hij anders. Misschien hebben de soldaten zich toen vergrepen aan zijn vee of aan zijn vrouw, in ieder geval sommeerde de boer de soldaten zijn erf te verlaten. Een heftige woordenwisseling was het gevolg. Toen het nog hoger opliep, laadde een van de soldaten, ene Lichthart uit Zuidhorn, zijn wapen en schoot de boer dood op zijn eigen mesthoop. De buren die op het lawaai afkwamen, grepen drie vagebonden, onder wie Lichthart. Hij werd in Assen veroordeeld om volgens oud Drents landrecht ter dood te worden gebracht op de plaats van het misdrijf. De boef ging dus zwaar geketend terug naar Pesse in gezelschap van de beul, de landsschrijver, twee panders en enkele dienaren. (Een pander was een soort deurwaarder en assistent van de schulte, die een rechterlijk functionaris was op lokaal niveau tot 1811; een landschrijver was griffier van de etstoel en bekleedde daarmee het oudste ambt in Drenthe; de etstoel was tot 1791 het hoogste rechtscollege in de provincie Drenthe; LM.) Onderweg overnachtte men in het schultehuis of in een pastorie. Het laatste logiesadres was het huis van de pastoor van Pesse. Die kreeg daarvoor 14 stuivers kostgeld. Hij moest Lichthart bijstaan in zijn laatste uren. Slechts acht dagen na het misdrijf was de moordenaar terug op het erf van Koert Bleerkinge. Groot was de belangstelling, niet alleen uit Pesse, maar ook uit andere kerspels in het Dieverder dingspil, toen de beul hem met zijn zwaard onthoofdde. Het ontzielde lichaam werd gekraakt op een rad en het hoofd werd als afschrikkingsmiddel op een staak geplaatst.


Ongestudeerde vrome


Van het kerkelijk leven van de volgende paar honderd jaar is niet veel met zekerheid bekend. Tussen de inwoners van Pesse en het moederdorp was de toestand niet beter dan wat men een gewapende vrede zou kunnen noemen. Zo was er in 1611 nog een forse aanvaring.
De heer van Ruinen, Hendrik van Munster, stond zeer vijandig tegenover de Reformatie, de Hervorming. Met deze term bedoelen we het streven naar vernieuwing van de destijds heersende Katholieke kerk, die traditioneel begint met het aan de deur van de slotkapel in Wittenberg nagelen door Maarten Luther van diens ‘95 stellingen’, op 31 oktober 1517. Van Munster bestreed deze beweging waar hij kon. De onafhankelijke Pessenaren, die zich niet graag de wet lieten voorschrijven, deden dit ook nu niet. Ze gingen en bloc over naar de nieuwe leer en benoemden de bejaarde Martinus Hendrici tot hun predikant. Ze deden dat echter zonder de Drentse synode erin te kennen.
Ds. Van Asschenberg van Diever klaagde namens de classis Meppel, dat een zekere Martinus Hendriks (Martinus Henrici of Hendrici) in Pesse als predikant fungeerde, in strijd met de kerkorde. Hendriks was ondanks zijn ‘geleerde’ gelatiniseerde naam Henrici een ongestudeerde vrome die zichzelf tot predikant had gepromoveerd, echter tot tevredenheid van de boerschap. De drost en de gedeputeerden gelastten Hendriks op te houden met zijn optreden als predikant. Hij moest eerst maar toelating verzoeken bij de classis.


Typisch Drents


De boerschap van Pesse reageerde als door een wesp gestoken. In een ‘request’ aan de classicale Drentse kerkvergadering, gehouden in Assen in 1611, verzochten ze dringend Hendriks toe te staan in hun ‘capelle’ als hulpprediker te mogen blijven fungeren. De prediker en twee afgevaardigden uit Pesse lichtten de zaak ter plaatse toe. Hendriks bleek al twintig jaar lidmaat van de kerk. Daar kon niet elke aanwezige predikant tegenop en een reden tot ontslag was er eigenlijk niet. Er werd een compromis bereikt, dat dr. Jan Naarding als typisch Drents typeerde. “Om zinen extremen olderdom” kreeg Hendriks verlof tot schoolhouden in Pesse en tot het onderwijzen van kinderen in de kerkleer, maar het preken en alle kerkelijke bedieningen zoals de doop moest hij achterwege laten. Men verwachtte kennelijk dat Hendriks het niet heel lang meer zou maken en dan was het probleem wellicht vanzelf opgelost.


Smoesjes


De kerkvergadering deed nog een stap in de richting van de Pessenaren. ’s Winters, als de kerk van Ruinen door de gesteldheid van de wegen praktisch onbereikbaar werd voor de ingezetenen van Pesse, mocht Hendriks de gemeente het evangelie voorlezen uit een ‘postille’, een soort Bijbelverklaring. Die postille werd, zo beloofde men, eerstdaags op kosten van ‘die van Pesse’ door de classis Meppel toegestuurd, maar de gemeente, de boerschap, moest daaruit niet concluderen dat dit een ‘pretext’ (een smoesje) zou mogen zijn om bij goed weer als de “stegen ende wegen” goed begaanbaar waren, “tho huis te bliven ende van de kercke tho Ruinen te absenteeren”. Daarmee kon Pesse vooruit, want of de wegen onbegaanbaar zijn of niet, dat is een nogal subjectief criterium. Tegenwoordig zouden we de situatie kunnen omschrijven als ‘gedogen’: het mag eigenlijk niet maar we zien het door de vingers.
Niet duidelijk is, of Hendriks in de oude houten kapel voorging. Het kan zijn, dat de kapel de oorlogsomstandigheden niet doorstaan heeft. Er is geen enkel bewijs dat de kapel na de Reformatie nog gebruikt is. Waarschijnlijker is daarom dat Henrici is voorgegaan in de school. Daar was hij toch al werkzaam als onderwijzer. Na de dood van Hendriks kwam er –voorlopig- geen nieuwe predikant in Pesse.
De Pessenaren die wilden, gingen dus naar de kerk van Ruinen. Rond 1860 kon dat zelfs over een nieuwe straatweg. Maar de kerkgangers moesten daarvoor wel tol betalen. Dat kwam het kerkbezoek niet ten goede. Toch zou het nog een tijd duren voor Pesse over een eigen kerk beschikte, maar er werd nog wel regelmatig gepreekt in Pesse.
Albert Metselaar en Marga Zwiggelaar vertellen op www.hollandscheveld.nl een aardig verhaal over een kerkvisitatie in Pesse. “Kerkvisitatie is controle door hogere kerkelijke overheden van de plaatselijke gemeente. In 1635 kwam daarbij naar voren dat men daar een door de Drentse kerk niet gewenste gewoonte in stand hield. Op Pinksteren werden boter, wol en andere zaken verzameld en aan de hoogstbiedende bij opbod verkocht. Voor het geld werd bier gekocht. Het bier werd de andere dag opgedronken, onder de preek. Ook in 1636 werden daar nog Pinksterbieren gedronken. Dat moest afgelopen zijn, vond de Drentse kerkelijke overheid.”


-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-


 

 

 

 

 

 

 

 


1.2 Roggepacht of St. Maartenspacht


Sinds eeuwen moest elke boerderij in Pesse een hoeveelheid rogge in natura voldoen aan de kerk, als aanvulling op het traktement van de pastoor in de middeleeuwen, en van de predikant na de Hervorming.
Al ruim voor de stichting van de kerk van Pesse was die pacht overgenomen van de kerk van Ruinen. In een gezamenlijke vergadering van kerkvoogden en notabelen te Ruinen op 11 april 1864 werd de roggepacht, die tot dan toe toekwam aan de predikant van Ruinen, afgestaan aan de “nieuw te stichten Nederduytsch Hervormde Kerk te Pesse” ingaande het tijdstip dat de gemeente effectief bestond en “onder bepaling dat dezelve afstand doe van alle verdere aanspraken op Kerkelijke eigendommen en inkomsten behoorende tot de Kerk van Ruinen.”
De pacht werd naast de roggepacht ook wel de St. Maartenspacht genoemd, omdat de pacht diende te worden betaald op de naamdag van de heilige Sint Maarten: 11 november was de dag dat de pachter betalen moest. Overigens mocht de pacht, in ieder geval in latere tijd, ook betaald worden in contanten. In de notulen van de kerk van 27 oktober 1890 staat dat de kerkvoogden de ‘pacht der rogge’ bepaalden ‘op fl. 5,25 per mudde’. Een mud of mudde was een oude inhoudsmaat (denk aan het ons nog bekende ‘mudvol’); de inhoud van een mud verschilde per plaats, per tijd en per soort koopwaar. Op veel plaatsen stond het mud gelijk aan 4 schepel en een schepel was dan ruim 40 liter. Nog in de jaren vijftig werden in deze streken de gerooide aardappels gemeten in schepels(manden).

 x



 

Roggepacht als deel van het traktement


Men moet niet gering denken over het belang van de roggepacht. Voor de predikant was destijds de opbrengst van deze kerkelijke belasting een essentieel onderdeel van zijn inkomen. Ook in de eerste tientallen jaren van het bestaan van de Hervormde kerk in Pesse was de roggepacht een belangrijke financiële bron voor de kerkvoogden en daarmee voor de achtereenvolgende predikanten. In het kerkarchief bevindt zich een soort boekhouding: het ‘uitgavenboek’, dat loopt vanaf het begin in 1871 t/m 1906. Hierin lezen we o.a. het volgende:
In december 1871 en januari 1872 betaalt men diverse bedragen aan de eerste Pesser predikant, ds. H.J. Bergsma. Bijvoorbeeld “wegens 149 dagen Roggepacht vanaf den 16 Junij tot den 11 November: fl. 44,90’ en een maand later ‘wegens 199 dagen van af den 16 Junij tot 31 December Tractement uit de Kerkvoogdijkas: fl. 38,16.”

x


In december 1873 krijgt ds. Bergsma zijn ‘tractement’ dat bestaat uit “een jaar Roggepacht verschenen op 12 November 1873”, voor een bedrag van fl. 110 en “de toelage der gemeente verscheenen op 1 Januarij 1874” voor een bedrag van fl. 70. (zie de foto) 
Uit deze bedragen blijkt dat de roggepacht een groter deel van het predikantsinkomen uitmaakte dan de bijdragen vanuit de kerkvoogdijkas. Wat ‘verdiende’ de eerste predikant van Pesse in totaal dan wel?


Het inkomen van de eerste predikant


Het totale jaarinkomen van ds. Bergsma in 1873 bedroeg fl. 800. De helft ervan was ‘rijkstraktement’, uitgekeerd door het ministerie van financiën, afdeling ‘Eredienst’. Fl. 120 kwam uit interest van een bedrag dat de kerkvoogdij had geïnvesteerd in het ‘Grootboek der Nederlandse Kerk Schuld’; fl. 100 kwam uit een landelijk fonds voor noodlijdende kerken; fl. 110 aan opbrengst uit roggepachten; en ten slotte fl. 70 bijdrage uit de kerkvoogdijkas. Daarnaast had de dominee huurvrij gebruik van de pastorie en de grond en een vrije bank in de kerk.
Daarmee vergeleken: een arbeider in het westen van het land verdiende in die tijd ongeveer zes á zeven gulden per week, waarbij is inbegrepen het geld dat zijn vrouw en kinderen inbrachten. Dat geld ging elke week volledig op aan huur en voedsel. Je mag aannemen dat een landarbeider in Pesse minder verdiende. Verderop zien we dat een arbeider die de tuin van de dominee spitte, 70 cent per dag verdiende. Volgens het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis heeft fl. 1.00 in het jaar 1873 een "koopkracht" van fl. 22.44 (€ 10.19) in het jaar 2015. De predikant verdiende dan “omgerekend” naar 2015 fl. 17 955.87 (€ 8 148.02) en de arbeider fl. 364 per jaar en dat is in 2015 fl. 8 169.92 (€ 3 707.35). Zo ongeveer lagen de verhoudingen in inkomens.


Afkoop van de roggepacht


Boeren wilden vaak wel graag van het contract af. In het archief bevinden zich enkele contracten die de afkoop van de roggepacht regelden.
In januari 1930 kocht landbouwer Gerrit Strijker de St. Maartenspacht af: “De contractanten ter eenre ontheffen den contractant ter andere zijde, die verklaart zulks aan te nemen, te rekenen van den 11 November ’29 van de voldoening eener jaarlijksche pacht, bekend onder den naam van roggepacht (St. Maartenspacht), groot 48 ¾ liter, uitmakende een gedeelte van de Predikantsinkomsten van voornoemde gemeente, door hem jaarlijks op 11 Nov. verschuldigd, als eigenaar van huis en erf bij het kadaster te Ruinen bekend onder sectie E nummers 2724 te zamen groot 37 A 80 cA waarop die pacht rust, tegen betaling in eens van eene som groot fl. 73,121/2 welke is berekend naar den grondslag van zes gulden de hectoliter en voorts het bedrag dezer som vijf en twintig malen genomen.”
Was getekend door o.a. de predikant ds. L. Seinhorst, landbouwer G. Strijker en een vijftal kerkvoogden, w.o. de president W. Pol. Onderaan het contract staat de opmerking dat het is “goedgekeurd door het Provinciaal College van Toezicht in Drenthe”(…). De goedkeuringsbrief bevindt zich ook in het archief van de Hervormde Gemeente.
Op 18 november 1931 kocht Hendrikus Dekker de pacht af voor een bedrag van fl. 120,56. Dat was “omgerekend” naar 2015: fl. 2 241.53 (€ 1 017.16). Toch best een fors bedrag voor die tijd.
In de loop der jaren werd de roggepacht minder belangrijk. Uit de ‘Rekening der inkomsten en uitgaven van de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Pesse’ van 1943 blijkt dat de inkomsten van roggepachten nog maar begroot werden op fl. 3,22 en de afkoop op fl. 2,89.

x   x

 

Alles bij het oude


In 1973 hadden de meeste boeren dus die pacht allang afgekocht, eigenlijk een beetje tegen de zin van de kerkvoogdij, die er niet over dacht de pacht af te schaffen. Van de akker van A. Bosman in de Molenhoek (pachter A. Schonewille) moest toen ieder jaar vijf één zesde kop rogge aan de kerk worden geleverd, evenals van een perceel van G. Posthoorn in de Molenhoek. Dat was dus ruim 5 liter rogge; daar werd de honger van een predikant slechts kort mee gestild.
Oud administrateur Klaster herinnert zich nog dat hij de pacht ging innen bij Bosman, die weigerde af te kopen. Dat was een oude traditie die je in stand moest houden, vond Bosman. Over de jaren 1974 tot en met 1977, vier jaar dus, was Bosman dus vijf een zesde kop per jaar verschuldigd, dat is ongeveer 3,5 kg, en Klaster inde voor de vier jaar vier keer f1,50 dus zes hele guldens. Kerkvoogdijsecretaris L. Jalving sprak destijds in de Hoogeveensche Courant desondanks zijn tevredenheid uit over het feit dat één veehouder de pacht niet wilde afkopen maar “alles bij het oude wilde laten”. Op de foto het briefje van dhr. Klaster dat diende als kwitantie.
In 1973 werd de rijksweg A28 verdubbeld. De ambtenaren van Provinciale Waterstaat in Drenthe kregen toen onverwacht te maken met de Hervormde Gemeente van Pesse. Om de weg te kunnen aanleggen, had men de boerderij van de familie Lübeck gekocht, met het doel die af te breken. Die verkoop ging ‘met de lusten en de lasten’. Een van die lasten was een pacht van dertig koppen rogge, jaarlijks te betalen aan de Hervormde Kerk. Prov. Waterstaat kwam voor de gekochte boerderij tot een akkoord met de kerkvoogden over de tegenwaarde in geld van dertig koppen rogge over een lange reeks jaren. De tegenwaarde van de pacht was in 1973 ongeveer fl. 10,-- per jaar. Hoeveel Waterstaat precies betaald heeft voor de afkoop, is mij niet precies bekend, maar Klaster denkt dat het een paar honderd gulden geweest zal zijn.

x     x


-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-


 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.3 Eigen diaconie


Zoals we al even aanstipten had Pesse een eigen diaconie, onder andere als gevolg van vroegere bezittingen en misschien ook wel door zijn doortastende optreden in kerkkwesties. Echter: deze diaconie viel officieel onder de kerkenraad in Ruinen. In: ‘De Aardbol, Magazijn van hedendaagsche Land- en Volkenkunde, derde deel: De Nederlanden met platen en kaarten’ (1841) lezen we: “Het dorp Ruinen telt met de daaronder behoorende buurtschappen Pesse, Echten en Ansen 1800 inwoners. Deze drie gehuchten maakten vroeger een afzonderlijk kerspel uit, hetwelk nimmer tot de heerlijkheid Ruinen heeft behoord en nog heden deszelfs nooddruftigen uit een eigen armenfonds hulp verleent.” Onder andere hieruit blijkt dat ook Pesse dus midden 19e eeuw een eigen armenfonds of diaconie had.
In het archief van de kerk bevindt zich een erfpachtcontract van de diaconie van 19 maart 1838 betreffende “een huisje met voor en achter gelegen groenland, zaailand en heideland, te zamen groot ruim vijf bunders nabij het gehucht Zwarte Schaap”. Ook is er een document over de verkoop van grond ten noorden van de Pesserdijk aan ‘de Hervormden van Pesse’ van 11 juni 1861. De diaconie was niet onbemiddeld: in het ‘Register () van alle bezittingen der Diaconie van de Hervormde Gemeente te Pesse, classis Meppel, opgemaakt door de Diakenen dezer gemeente op 23 Februari 1883’ lezen we dat de diaconie minstens negen stuks onroerend goed bezat, waarvan de diaconie pacht inde.

 

 

x
x

 


In het kerkarchief ligt nog een vergeeld ‘Plan wegens de bouw van een kleine Landbouwerswoning voor de Diaconie der Nederl. Herv. Gemeente te Pesse’. De diaconie bouwde dus zelf ook. Later zijn de boerderijtjes, die meest rond Stuifzand gelegen waren, te gelde gemaakt. De Pesser diaconie zal daarom niet armlastig (geweest) zijn. De besteding van het geld is echter aan strenge regels gebonden. Zo mag de kerk het geld niet gebruiken voor onderhoud van het gebouw of nieuwbouw.

x  x

x

x


Diaconale armenzorg te Ruinen en Pesse


De diaconie moest ook wel bezit hebben, want in de maatschappij van de negentiende eeuw bestonden er geen sociale wetten van rijkswege als werkloosheidswet, bijstand en AOW, die de kwetsbare burger konden ondersteunen. Wel was er sinds 1854 een ‘Eerste Armenwet’ die bijstand regelde voor mensen die niet tot een kerkelijke gezindte hoorden. De voornaamste ondersteuningstaak kwam toe aan de diaconieën van de kerken, want de meeste mensen hoorden (toen nog wel) tot een kerkelijke gezindte. In het kerkarchief bevindt zich een oud en beschadigd document van ver voor de stichting van de kerk, namelijk uit 1854. Het is interessant om te lezen hoe men toen over sociale voorzieningen dacht en hoe men die toepaste. Hieronder de voornaamste inhoud van het document.

 x  x


x

Hieronder de uitgetikte inhoud:   


‘Huishoudelijk Reglement op het Diakonaal arm wezen te Ruinen en Pesse’ uit 1854


“artikel 1
Slechts eenmaal in de week zal er door de gezamenlijke diakenen in hun ressort uitdeeling der armgelden geschieden op zo danigen tijd en plaats, als zij daartoe goed vinden te bestemmen.
artikel 2
Voor bedeeling zullen alleen in aanmerking komen zij vooreerst, die wegens ouderdom buiten staat zijn in hun levensbehoefte te voorzien, gebrekkigen, Zieken, weduwen en wezen; in de tweede plaats die door bijzondere omstandigheden hulpbehoeftig zijn en alsdan slechts zoo lang die omstandigheden duren.”
In artikel 3 worden voorwaarden opgesomd. Zo wordt er als een soort tegenprestatie wel verwacht dat de bedeelde de godsdienstoefening bijwoont, tenzij die dat door ouderdom, ziekte of gebrek niet kan. En: “Dat zij hunne kinderen die in de Schooltermen vallen, geregeld en op tijd naar de school en de Catechisatie zenden.” De diakenen zullen zich met de onderwijzers verstaan om zekerheid te verkrijgen dat er “stiptelijk aan deze bepaling wordt voldaan.” Het verschijnsel tegenprestatie zien we tegenwoordig overigens weer terugkomen.
Verder zorgen de ouders “dat zij hunne kinderen van den omgang met erkende slechte speelmakkers zo veel mogelijk afhouden”en voorkomen dat ze zich aan “baldadigheden en straatschenderijen” schuldig maken en ze bij overtreding “met nadruk onderhouden en ernstig bestraffen.” Voorts “dat zij hunnen kinderen niet later dan één uur na zonsondergang op den publieken weg laten loopen; plaats vindende afwijkingen zullen aan de beoordeling der diakenen onderworpen worden.” Voorts mogen ze hun kinderen niet langs de huizen sturen ten einde om liefdegaven te bedelen.
In artikel 4 staat dat, als de bedeelde burger zich niet aan de eerder genoemde voorwaarden houdt, hij daarover nadrukkelijk onderhouden zal worden en voor de eerste keer slechts de helft van “hunne wekelijkse bedeeling genieten en bij voortdurende nalatigheid van de bedeeling geheel verstoken zullen blijven tot zo lang zij gehoorzaam de boven gestelde voorwaarden naar (=na, LM) komen.”
Dat waren dus geen halve maatregelen, niets van ‘drie keer is scheepsrecht’. Geen wonder dat veel behoeftigen het als een schande ervoeren om een beroep te moeten doen op de diaconie.


In den dringendsten nood


De diakenen bepalen de grootte of het bedrag van de wekelijkse bedeling. Ze letten daarbij op de leeftijd, in hoeverre mensen onmachtig zijn om in hun behoefte te voorzien; op de “talrijkheid van het gezin” en of sommige gezinsleden misschien iets kunnen verdienen om het gezin te steunen; en verder spelen vlijt en spaarzaamheid van de kwetsbare burger ook nog een rol in de mate van gulheid van de diakenen. In artikel 8 wordt gesteld dat “Geene nieuwe behoeftigen worden als armlastig opgenomen door diakenen, dan na daar toe door de Kerkenraad gemagtigd te zijn, behalve in den dringendsten nood” en ook dan moet de kerkenraad wel in de eerstvolgende vergadering haar fiat geven. In artikel 9 ten slotte wordt de bekendmaking van deze nieuwe regeling geregeld en ten overvloede nog eens gesteld dat als de ‘gealimenteerden’ zich niet voegen naar de bepalingen “hen geen bedeeling zal geschieden”.
“Aldus opgemaakt en gearresteerd (=vastgesteld, LM) in onze Kerkeraadsvergadering gehouden den 29 Januarij 1854.”
Was getekend o.a. door B. Ansingh, Van Echten van Holthe en voorts een aantal notabelen.


Vaderlijke tederheid


De Ruiner notulen “van het verhandelde in de gewoone maandvergadering der bestuurders van het armhuis te Ruinen op 7 dec. 1859” geven enigszins inzicht in hoe men deze regels toepaste.
“6e. Wordt door den voorzitter de gealimenteerde R. Wijnhand gehoord en hem onderhouden over wangedrag en brutaliteit. De voorzitter gaf hem met ernst te kennen dat hij zich aan de billijke voorwaarden van het huis moest onderwerpen en stelde het hem met nadruk voor, als hij er verder tegen aan kante (als hij zich zou blijven verzetten, LM) , hij de onaangename gevolgen zich zelve had te wijten.
7e. Wordt door den voorzitter noch (= ook) gehoord de jeugdige Jan Wubben die zich inschelijks (=ook) aan wangedrag had schuldig gemaakt. De voorzitter stelde hem het nadelige van zulk een bestaan voor ogen, gaf hem toen eenige wijze leefregelen op en prees hem dezelve met vaderlijke tederheid ter behartiging aan.”


Armwerkhuis te Ruinen


In april 1860, toen de voorbereidingscommissie voor de bouw van een nieuwe eigen kerk in Pesse net van start ging, was er onenigheid over de goedgevulde diaconiekas van Pesse. In Ruinen wilde men een nieuw armenhuis bouwen. Een armwerkhuis, ook wel armhuis, was een woon-werkvoorziening waar bejaarden, wezen en andere sociaal zwakkeren tegen betaling door arbeid kost en inwoning konden genieten, en intussen, zo was het ideaal, ook nog onder toezicht konden worden opgevoed tot deugdzame en vlijtige burgers. De Ruiners wilden voor de bouw van het huis de beide armenkassen samenvoegen, maar de Pessenaren verzetten zich heftig en de gemoederen liepen hoog op. Bemiddeling door de burgemeester hielp niet. Ruinen zette door. Pesse ook. In Ruinen bouwde men een nieuw armenwerkhuis, Pesse hield zich afzijdig. Men besloot zelfs dat, als het armenhuis op de agenda stond, de Pessenaren de kerkenraadsvergadering mochten verlaten. Zo ging dat. Op een gegeven moment vergaderden beide raden helemaal apart. Zo had Pesse wel een -soort van- kerkenraad -maar geen kerk. En samenwerking was er nauwelijks. In de Ruiner notulen der vergadering van bestuurders van het armwerkhuis te Ruinen van 4 april 1860 lezen we: “Daar er eene aanvraag is gedaan door het Diaconie Bestuur van Pesse om Lambert Middelveld in het gesticht (= het armwerkhuis, LM) op te nemen wordt door den voorzitter de vraag voorgesteld of het wenschelijk is genoemde L. Middelveld en gezin in het gesticht op te nemen? Met algemene stemmen afgewezen.” Als je niet mee betaalt, moet je je eigen boontjes ook maar doppen, scheen men te willen suggereren. Het was natuurlijk ook wel tamelijk assertief van de Pessenaren om te vragen of een lid van jouw gemeente in het armwerkhuis mag worden opgenomen, waaraan je als diaconie geen cent wilde mee betalen…

Matterij


In april 1864 wil de Ruiner kerkenraad het armwerkhuis in Ruinen uitbreiden. Men doet een poging “tot de oprigting eener werkverschaffing te Ruinen, en wel meer bepaald van eener matterij, zonder daarom andere werkzaamheden, als heideplukken, touwpluizen of andere buiten te sluiten”. Zij zal daartoe een deskundige engagéren die de arbeiders in deze zomer het russen snijden en bereiden en in den aanstaanden winter het matten zal leeren”. Aldus de Ruiner notulen. Deze matterij behelst een voorziening om stoelen te matten. ’s Winters is er te weinig werk voor de vele werklozen en deze uitbreiding zou daar verandering in kunnen brengen, “ter vóórkoming van armoede, ter wering van bedelarij en ter bevordering der zedelijkheid”. Er is geld voor nodig. De commissie heeft vijfhonderd gulden nodig en geeft aandelen uit van fl. 25 per stuk. De lijst van intekenaren telt acht personen die precies de fl. 500 opbrengen. De leden uit Pesse willen er niets mee te maken hebben. Op 12 juli 1864 vergadert de Ruiner kerkenraad, waarin dus ook leden uit Pesse zaten, weer en wel in Meppel. Ook al een strijdpunt overigens, dat er in Meppel vergaderd moest worden. De Ruiner notulen melden: “Art. 5: Als de Ruiner leden zich hebben verwijderd wordt de Verg. met de Pesser broeders voortgezet. Dan worden dezen door de gecommitteerden gevraagd of zij zich met de zaken der Ruiner diakonie willen belasten, hetgeen zij van de hand wijzen, omdat het hun niet aangaat omdat zij veel te ver verwijderd zijn en omdat zij met hunne eigene diakoniezaken genoeg te doen hebben.”

 

 

Drenthe was vroeger een arme provincie; vooral in de veengebieden heerste vaak schrijnende armoede. Mensen leefden er in kommervolle omstandigheden. Op de foto een plaggenhut. De laatste plaggenhutten werden pas in de loop van de 20e eeuw afgebroken.          

 


Eigen collecteschaal


Op de Ruiner kerkenraadsvergadering van 11 sept. 1870 “komt ter sprake het verschil tusschen de Ruiner en Pesser Diakenen aangaande de bedeeling van Jan Middelveld en de weduwe Roelfje de Jonge. Wordt besloten dat Jan Middelveld als zijnde te Pesse geboren en woonachtig ook door de Diakenen van Pesse alleen zal bedeeld worden, terwijl de Ruiner Diakonie de Wed.e R.de Jonge als wonende te Ruinen zal verzorgen.” In het volgende artikel wordt meteen geregeld dat voortaan de verblijfplaats van de behoeftige bepaalt door welke diaconie hij of zij geholpen wordt. In een contract van 1855 met de Pesser diaconie was afgesproken dat de geboorteplaats leidend zou zijn, maar dat contract wordt nu vervallen verklaard, overigens omdat de Armenwet dit zo eiste. Nu werd dus de woonplaats bepalend; dat is ook de huidige praktijk voor toepassing van sociale wetten.
In Ruinen eisten de Pessenaren een kwart van alle ingezamelde armpenningen op, wat de Ruiner diakenen alleen wilden toestaan als zij ook mochten delen in de opbrengsten van de Pesser diaconie. Een redelijk verlangen zou je zeggen. In de ontstane strijd moesten Drost en Gedeputeerden tussen beide komen en hun oordeel was dat Pesse voortaan een eigen collecteschaal in de kerk van Ruinen mocht hebben om zelf armpenningen te verzamelen. Na de inwijding van de Pesser kerk was een van de eerste besluiten die de Ruiner kerkenraad nam: deze collecteschaal afschaffen. De verhoudingen tussen beide deelkerkenraden waren door deze gebeurtenissen danig verstoord. Het was in deze sfeer dat de voorbereidende werkzaamheden voor een eigen kerk in Pesse begonnen.


-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-00-0-0-00-

 

     

   

 



2 De voorbereidingen en de bouw van de kerk

 

 

 

 

 

 

 

 


2.1 Voorbereidingen

 

In wat voor tijd ontstond de kerk


Wij denken dat wij in een dynamische, snel veranderende wereld leven en dat is ook zo natuurlijk. Maar de kans is groot dat de gemiddelde Nederlander in 1870 dit ook zo ervoer. Rond 1850 was de grote meerderheid van de bevolking nog straatarm en ongezond. Slechte hygiëne en voeding, ziekten en epidemieën van ziekten als tuberculose, malaria, pokken en niet te vergeten griep en diarree zorgden voor een gemiddelde leeftijd van slechts 35 tot 40 jaar. Vanaf 1870 kwam daarin een spectaculaire omslag. De gemiddelde leeftijd steeg ineens fors; binnen enkele generaties kwam er een verdubbeling. Vaccinaties behoorden voortaan tot het instrumentarium van de artsen. Daardoor nam de bevolking en de verstedelijking snel toe. Het stille land met 3 miljoen zielen in 1850 was vijftig jaar later in en rond de grote steden een drukke moderne wereld geworden.

x


Het jaar waarin in Pesse de kerk gesticht werd, 1871, was het jaar waarin de Frans-Duitse oorlog in mei eindigde. Elzas-Lotharingen werd Duits. Nederland was niet direct bij de oorlog betrokken maar mobiliseerde, net als België, wel het leger en zette de Nieuwe Hollandse Waterlinie gedeeltelijk onder water. Dat ging zo moeizaam en verliep zo chaotisch dat de Minister van Oorlog, Generaal Van Mulken, moest aftreden. De oorlog leidde tot een gigantische pokkenepidemie die een half miljoen slachtoffers maakte, waarvan bijna 23.000 in Nederland. En dat terwijl de pokkenvaccinatie al sinds 1749 bekend was. De schrik zat er in: in Amsterdam stonden mensen meer dan vier uur in de rij om een gratis pokkeninenting te krijgen. In Assen werd ook gratis gevaccineerd.

Kop van Jut


Vrouwen eisten hun rechten op. Aletta Jacobs werd toegelaten als eerste vrouwelijke studente medicijnen aan de Rijksuniversiteit Groningen, aanvankelijk voor een proefperiode van één jaar na persoonlijke toestemming van minister Thorbecke. Het jaar ervoor was in Nederlands-Indië het Cultuurstelsel afgeschaft. Javanen kregen de eigendom van hun bouwgrond terug. Europeanen en Chinezen mochten plantages stichten buiten de dessa's. Vooral op Sumatra leidde dit tot de stichting van grote plantages met koelies uit Java als goedkope contractarbeiders. Na de opening van het Suezkanaal in 1869 stapten de Nederlandse rederijen massaal over op stoom. Rotterdam werd door de opening van de Nieuwe Waterweg in 1872 weer bereikbaar voor grote zeeschepen. De Wet op het Hoger Onderwijs van Thorbecke werd ingevoerd. Op de universiteiten nam het Nederlands als voertaal de plaats in van het Latijn. Op de lagere scholen werd de klassengrootte teruggebracht van 70 (!) naar 40. En ook in 1870 werd de 'levenslange gevangenisstraf' ingevoerd ter vervanging van de doodstraf. Toen echter een paar jaar later Hendrik Jut werd ontmaskerd als moordenaar van een rijke weduwe en haar dienstbode, was het volk furieus. Kermisexploitanten lieten de mannen hun woede koelen op de Kop van Jut.


Zomaar wat gebeurtenissen uit dezelfde tijd dat in Pesse de bevolking streefde naar een eigen kerkgebouw en kerkenraad. Je zou kunnen zeggen: de tijd was er rijp voor. Het streven past in een trend naar emancipatie, vooruitgangsdenken en sterke economische ontwikkelingen. Niettemin lag Pesse natuurlijk ver van de grote ontwikkelingen, hierboven geschetst. Het aantal mensen dat er kennis van kon nemen via de krant zal gering geweest zijn. De horizon lag nog dichtbij, de wereld was voor velen nog klein, zeker in het perspectief van onze tijd.


Jaren voorbereiding


Na jaren van voorbereiding werd in 1871 in Pesse een nieuwe kerk gebouwd met een pastorie ernaast. Voor de duidelijkheid: de pastorie, dat was wat nu het woonhuis is op nr. 46. Hoe zijn de gebouwen er destijds gekomen? Daarover gaat het vooral in dit hoofdstuk.
De aanloop naar het bouwproces duurde lang en verliep bepaald niet soepel. Over veel was men het in Ruinen en Pesse, maar ook onderling oneens en werd er zelfs actie gevoerd. Hieronder stippen we wat zaken aan.

Tegenstellingen


In de jaren voor de bouw van de kerk waren er vrij scherpe tegenstellingen onder de gelovigen, niet alleen wat betreft de diaconie, zoals we hiervoor zagen, maar ook geloofsinhoudelijk. De predikanten die elkaar in de ring Meppel troffen, waren enerzijds bijbelgetrouw en volgden de christelijke leerstellingen maar waren anderzijds ook wel beïnvloed door de Verlichting. Daar tegenover stonden de orthodox gezinden die niets van de verlichte theologie moesten hebben. Deze tegenstellingen droegen niet bij aan het gezamenlijke streven naar een nieuw kerkgebouw en een nieuwe kerkelijke gemeente, onafhankelijk van de kerk van Ruinen.
Uiteraard had de Afscheiding van 1834 ook in Pesse gevolgen. De Afscheiding is de aanduiding van een kerkelijke beweging in het Nederland van de 19e eeuw, die uiteindelijk heeft geleid tot een zelfstandige Gereformeerde Kerk naast de Nederlands Hervormde Kerk. Lange tijd waren dat twee gescheiden werelden: Hervormden en Gereformeerden. In Hoogeveen was sinds 1841 een afgescheiden gemeente; de Gereformeerden uit Pesse, Fluitenberg en Stuifzand zochten hun heil voortaan daar. Die van Kraloo waren aangewezen op Dwingeloo. De Doleantie, de kerkscheuring die in 1886 plaatsvond onder leiding van ds. Abraham Kuyper zou nog grotere gevolgen hebben voor het ledental van de Hervormde kerk. Door de Doleantie verloor de Hervormde Kerk in één klap ±10 procent van haar leden; door de Afscheiding had zij slechts ruim 1 procent van haar leden verloren.
Terzijde: in 1936 ontstonden de eerste plannen voor een zelfstandige Gereformeerde kerk in Pesse. Al een jaar later werd de eerste steen gelegd en kregen de Gereformeerden een eigen gebouw en kerkenraad. De geschiedenis en ontwikkeling van de Gereformeerde kerk in Pesse is uitvoerig beschreven in het boek van Joop Moes: ‘Slechts in uw spoor…Momenten uit 50 jaar Gereformeerd kerkelijk leven te Pesse’.

Rumoer


Een ander gevaar dat de stichting van een nieuwe kerk bedreigde, was het optreden van enige orthodoxe lidmaten die zich aangetrokken voelden tot de radicale evangelisatievereniging ‘Vrienden der Waarheid’. Evangelisten van deze groepering hielden sinds 1866 godsdienstoefeningen in de school van Pesse bij Bultinge. Daarover ontstond rumoer, wat leidde tot een ingezonden stuk in de Hoogeveensche Courant waarin een groep Pessenaren zich bezorgd toonde over deze ontwikkeling. Men was uiteraard bang voor tweedracht in de nieuw te stichten gemeente. De bouw van een eigen kerk zou er zelfs op kunnen afspringen.
In de Provinciale Drentsche en Asser Courant (voortaan: PDAC) van 14 maart 1868 staat een ingezonden brief van ‘Een lid der Herv. Kerk’ dat zich afvraagt welke ‘waarheid’ deze evangelisten prediken; waarschijnlijk de “bijbelsche of evangelische waarheid” veronderstelt hij. En hij gaat verder: “En wie, die waarlijk in den bloei der Nederl. Hervormde kerk belang stelt, zou zich niet verblijden, dat ze ook te Pesse, al is het dan maar in de school, gelegenheid hebben om de leer der zaligheid, ons in den Bijbel geopenbaard, te hooren prediken? Daardoor zal zeker de begeerte om spoedig in het bezit van een eigen kerkgebouw en een eigen leeraar te komen, alleen maar toenemen. ’t Is zeer te wenschen dat de Pessers bij een eventuele beroeping van een predikant goed uit hunne oogen zien: ’t is eene zaak van groot belang. Zooveel is althans zeker, dat de modernen de gemeenten verwoesten en niet stichten.”
De schrijver van dit ingezonden stuk was kennelijk in te delen bij de ‘Orthodoxen’.


De pioniers


In april 1860 werd in Pesse een commissie van vijf leden opgericht om plannen te ontwerpen voor het stichten van een eigen kerk. Het zou maar liefst elf jaar duren voor de realisering van de plannen een feit werd. De commissie heette officieel ‘Commissie voor Stichting van Kerk en Pastorie te Pesse’. De leden van deze commissie waren voornamelijk van orthodoxe signatuur. Het waren de volgende personen.
Reinder Koop Reinders; hij was vanaf 1871 voorzitter van de kerkvoogdij en later ook gemeenteraadslid te Ruinen. Hij kan gezien worden als de voortrekker in de plannen voor een eigen kerk. Tot zijn overlijden in 1885 was hij kerkvoogd/ notabele.
Hendrik Daniël Engels; hij was van 1834 tot 1837 eerste onderwijzer in Fluitenberg; van 1837 tot 1844 onderwijzer in Echten en van 1 mei 1844 tot 1 november 1894 onderwijzer te Stuifzand.
Egbert Jans Sol; hij was een afstammeling van Jan Alberts Sol die uit Zuidwolde kwam, en zich in mei 1790 vestigde te Fluitenberg, waar hij het eerste stenen huis bouwde.
Ten slotte Harm Jans Denekamp en Jan Hendrik Wever. Wever stierf in 1868; als zijn opvolger werd op 24 oktober gekozen D.E. Waninge. Hij was familie van H. E. Waninge die de grond voor de kerk schonk.
Een van de eerste vragen die men zich stelde, was die van de financiering van een nieuwe kerk. Er was vanuit de bevolking al snel een bedrag van fl. 2025,25 toegezegd, maar de commissie hield er rekening mee dat men fl. 13.000 nodig zou hebben. De discrepantie tussen beide bedragen was voor enkele leden van de Pesser deelkerkenraad in Ruinen reden om zich tegen het initiatief te keren en te pleiten voor een tweede predikant en behoud van de bestaande relatie met de kerk van Ruinen. Het Provinciale Kerkbestuur toonde echter veel begrip voor het streven naar een zelfstandige kerk voor Pesse en vroeg zich af in hoeverre deze mensen, die dus de bestaande relatie met Ruinen wilden bestendigen, wel het volk van Pesse vertegenwoordigden. Dit Provinciale Kerkbestuur en het College van Toezicht zouden van grote steun blijken voor de voorbereidingscommissie.

 



2.2 Financiering


Goochelen met getallen


In de PDAC van 28 maart 1865 lezen we, naast een lofzang op Pesse als “een der schoonste plekjes in Drenthe”, dat de redacteur zijn verbazing uitsprak over het feit dat er in dit plekje op een kruispunt van belangrijke straatwegen van Assen, Meppel en Hoogeveen nog geen kerk en pastorie bestond. Hij roemde de inspanningen van de voorbereidingscommissie “die ijverig hare pogingen aanwendt om in ’t ontbrekende te voorzien.” Nu de ingezetenen van Pesse hebben getoond dat zij “voor hunne geestelijke belangen wat over hebben”, ondersteunde de krant de oproep van de commissie aan de kerkenraden van alle Hervormde gemeenten in Drenthe “om ten haren behoeve eene collecte langs de huizen te willen doen (…) ten einde alzoo te verkrijgen wat nog aan het fonds voor het predikantstractement ontbreekt”. Als er op deze manier een fonds kon worden gevormd waaruit jaarlijks fl. 400 kon worden getrokken voor de predikantsbeloning, dan zou ’s rijks kas namelijk een gelijk bedrag bijdragen. Overal in Drenthe werd gecollecteerd voor de te stichten kerk in Pesse, veelal ‘langs de huizen’.


Crowdfunding


Op 20 april 1865 verscheen er in de Opregte Haarlemsche Courant een bedelbrief, of in tegenwoordige taal: een oproep tot crowdfunding. Tot de ondertekenaars behoorden R.A. van Echten van Holthe, lid van Gedeputeerde Staten der provincie Drenthe, H. G. van Holthe tot Echten, kantonrechter van het kanton Hoogeveen, ‘beiden op den huize Echten bij Meppel’ en verder de burgemeester en een wethouder van Ruinen, de Rijks-ontvanger en de Hoofd-onderwijzer en J.J. Damsté, predikant te Ruinen. Zij schetsten eerst de situatie: dat Ruinen behalve uit de kom, ook bestond uit ‘dorpen en gehuchten die een à twee uren en meer van de kerk verwijderd liggen’. Gesteld werd dat door de provincie fl. 2000 beschikbaar was gesteld, door de ingezetenen van Pesse fl. 2125 en dat men hoopte te kunnen rekenen op hulp van het fonds voor noodlijdende kerken van de synode. De minister stond voor fl. 400 garant als de bevolking ook zoveel zou kunnen bijdragen, als “tractement voor den leeraar”, voor het onderhoud van de gebouwen, “het tractement voor den voorzanger en koster en hetgeen er verder gevorderd wordt”. Maar, zo stelden de ondertekenaars, “de krachten van de nijvere, doch in het algemeen mingegoede ingezetenen schieten te kort. De ondergetekenden, overtuigd dat er te Pesse groote behoefte bestaat aan een eigen leeraar en een eigen kerk, wagen het, daartoe de hulp en medewerking in te roepen van allen, die tot dat doel zullen willen medewerken. Alles wat er zo aan geldmiddelen zal worden verzameld, zal onmiddellijk aan de commissie worden ter hand gesteld en in deze courant worden vermeld.”


Verantwoording


In de PDAC van 17 januari 1871 legde de commissie verantwoording af van de ontvangen gelden. “Den 7den Januarij 1871 heeft de commissie voor de stichting van een kerk en pastorie alhier hare voorbereidende werkzaamheden geëindigd en de zaak verder aan de kerkvoogden van Pesse overgedragen. Zij acht zich verpligt, de ontvangen giften, door collecten in de provincie of op andere wijze, ter algemeene kennis te brengen. Zij zijn deze:” en dan volgt een opsomming van de plaatsen en de bedragen. Het is een hele reeks. In Ruinen is maar liefst fl. 610,23 bijeengebracht, in Dwingeloo ruim fl. 140, maar bijvoorbeeld in Frederiksoord slechts fl.5. In Veenhuizen maar liefst fl. 1851. Daar steekt Hoogeveen met z’n fl. 105,771/2 wat schril tegen af. Van buiten de provincie is er nog een tientje uit Nieuwerkerk en fl.1,60 uit Lutjegast. “Uit handen van jhr. R.D. van Holthe van Echten fl.151,80 en uit handen van ds. Damsté van Ruinen een Oostenrijksche coupon no. 6730 groot fl. 30,90, benevens een spaarbankboekje van fl. 50 inleg, zijnde de opbrengst der afscheidsrede van ds. J.J. Damsté te Ruinen.”


Eenvoudig en oppervlakkig

ds. J.J. Damsté 


Die afscheidsrede van ds. Damsté werd overigens nogal afgebrand in een kritiek in ‘Godgeleerde Bijdragen’, deel 38, eerste stuk, uit 1864. De titel van de rede was: ‘Afscheidsrede over Hand. XX:32, gehouden den 28 Junij 1863, te Koekange door J.J. Damsté. Uitgegeven ten voordeele van de stichting eener kerk en pastorie te Pesse.’ (Prijs fl. 0,25). Ten eerste klopt de titel niet, vond de onbekende criticus want de rede is óók gebaseerd op Rom. XIV:19, de tekst waarmee Damsté 14 jaar eerder in Koekange begon. En “de rede zelve is zeer eenvoudig en oppervlakkig. Eene zeer ernstige ongesteldheid van zijn jongste kind, sedert de vier laatste dagen voor zijn afscheid, maakte hem de voorbereiding zeer moeijelijk. Dat hij echter tot de uitgave besloot vindt zijne oorzaak in het doel op den titel vermeld. En zoo moge dan de vlag de lading dekken, al is zij wat ligt (licht).” M.a.w. ds. Damsté riskeerde een slechte kritiek om de kerkstichting van Pesse financieel te bevorderen. Toch sympathiek.
De inbreng van Ruinen, zowel van de bevolking als van de dominee en de jonkheer, geeft aan dat ‘die van Ruinen’ als puntje bij paaltje kwam toch wel positief stonden tegenover het streven naar onafhankelijkheid van ‘die van Pesse’, al krijgen we vaak een andere indruk uit de documenten.
Kennelijk was Pesse door de acties op de kaart gezet, want in het Utrechts Provinciaal en Stedelijk Dagblad, een advertentieblad, van 2 april 1866, staat een ‘brief uit het noorden’, waarin Hoogeveen met zijn ruim 10.000 zielen de ‘bakermat van de herboren orthodoxie’ wordt genoemd, met “eene kerk voor afgescheidenen, die, wat grootte betreft, haars gelijken in Nederland niet heeft.” En dan komt het: “De entrée van Hoogeveen van de zijde van het in weinige maanden wijd vermaard geworden Pesse, is riant noch modern (…)”. (onderstreping is van mij, LM). Wijd en zijd beroemd tot in Utrecht aan toe, het eenvoudige Pesse, wie had dat gedacht.
Maar het kan verkeren. In een ingezonden stuk in de PDAC van 23 mei 1867 merkt iemand op dat het ‘bedroefd’ is “dat er jaren verloopen moeten, eer dat er hier of daar een nieuwe Hervormde gemeente tot stand kan komen. Adres Pesse, waar reeds in 1864 voor gecollecteerd werd, maar van welks kerkbouw c.a. men thans tittel noch jota meer hoort.” En hij of zij voegt eraan toe: “Onze Protestantsche geloofsgenooten mochten in ijveren voor zulke zaken wel bij onze Roomschgezinde broeders ter school gaan.”
In geen krant heb ik een bericht gevonden of en zo ja hoeveel de bedelactie in de Opregte Haarlemsche Courant heeft opgebracht. Te vrezen is dus: weinig of niets.
In de jaren na de stichting kreeg de Hervormde Gemeente bijna elk jaar een bedrag uit het ‘fonds tot verbetering der schraalste predikantstractementen’, meestal een bedrag van fl. 100. Telkens dient de kerkvoogdij een verzoek in en meestal wordt het verzoek ingewilligd.


Hoofdelijke omslag en de bode


Een andere manier van inkomstenverwerving was de hoofdelijke omslag. Leden van de kerk betaalden vroeger geen vrijwillige maar een opgelegde bijdrage. Overigens bestond in de seculiere maatschappij ook een systeem van hoofdelijke omslag; de overheid bepaalde hoeveel je diende te betalen. Dat was een voorloper van de huidige inkomsten- en vermogensbelasting. De hoogte van de bijdrage werd bepaald o.a. op grond van inkomen en gezinssamenstelling.
De overheid, i.c. de belastinginspecteur, bepaalde ook de hoogte van de kerkelijke bijdrage van de Hervormden. De Hervormde kerk was min of meer een staatskerk, in die zin dat zoals al opgemerkt is, de predikantstraktementen deels werden betaald door het ministerie van financiën, afdeling eredienst. Op de foto een deel van het document (1872) dat het landstraktement toekent aan Pesse.

x

De kerk moest zelf zorgen dat het geld van de burger binnenkwam. Daarvoor waren er boden in dienst. Van december 1874 dateert de “Aanstelling en Instructie voor eene bode voor de Gemeente Pesse”, gevonden in het Drents Archief te Assen. Dit is de inhoud:


Overeenkomstig art. 4 van het Plaatselijk Reglement op den Hoofdelijken omslag stellen Kerkvoogden der Hervormde Gemeente te Pesse een bode aan welke aanstelling en Instructie hieronder volgt.
Tot bode voor de Kerkgemeente Pesse wordt bij en mits dezen aangesteld de persoon van Berend Hendrik Bruins op een jaarlijks Salaris van vijf gulden ingaande den 1 Januarij 1875 en alsdan tot wederopzegging, wordende de daarvoor te verrichten werkzaamheden hieronder bij wijze van Instructie omschreven. (Fl 5.00 in het jaar 1874 heeft een "koopkracht" van fl. 113.87 (€ 51.67) in het jaar 2015. LM).
Art. 1. De bode is verpligt op kennisgeving aan hem gedaan, voor het houden van vergaderingen van Kerkvoogden of van Kerkvoogden en Notabelen de aanzegging aan de leden te doen, minstens twee maal vierentwintig uren te voren.” De bode was dus ook een soort postbode voor de kerk.
“Art. 2. Bij den Hoofdelijken omslag of wel bij de uitschrijving van dezelve brengt hij de aanslagbiljetten aan de ingezeten uit.
Art. 3. Hij is verpligt bij niet betaling der termijnen van den Hoofdelijken omslag en huur van de zitplaatsen de nodige aanmaningen en waarschuwingen aan de nietbetalenden uittereiken, die hem door den Kerkelijken Ontvanger zullen worden verstrekt.
Pesse, den 19 December 1874”(w.g. namens de kerkvoogden).
De kerk betaalde in 1906 boden in totaal f 8 per jaar om de kerkelijke bijdrage op te halen bij de kerkleden. Oud administrateur Henk Klaster kan zich nog herinneren dat er ook zittingen gehouden werden tijdens welke de kerkleden hun bijdrage contant konden brengen. Je was dus verplicht te betalen en als je in gebreke bleef, kwam de deurwaarder het bij je halen. Een nu niet meer voor te stellen situatie.

 

‘Reklameren’


In het voorjaar van 1873 maakten enkele gemeenteleden bezwaar (‘reklameren’ heette dat) tegen de hun door de kerk opgelegde hoofdelijke omslag. Ze werden in het ongelijk gesteld door de kerkenraad. Een kerklid met bezwaar liet het zelfs voor de burgerlijke rechter komen. In de PDAC van 4-10-1873 staat zeer uitgebreid het vonnis, waarin de landbouwer L. A. Steenbergen door het kantongerecht van Hoogeveen werd veroordeeld tot het betalen van fl. 12 hoofdelijke omslag. Steenbergen had te zijner verdediging o.a. in twijfel getrokken of de kerk van Pesse wel een zelfstandige Hervormde gemeente was en dus wel het recht had hem aan te slaan. Ja, vond de rechter.
In latere jaren is de hoofdelijke omslag afgeschaft. De overgang van verplichte naar vrijwillige bijdrage door de kerkleden was natuurlijk voor de kerkvoogdij een spannende exercitie. Van zekerheid naar onzekerheid, zo ervoer men dat. Oud-administrateur Klaster kan het zich nog goed herinneren. Gelukkig is het goed gekomen, maar dat neemt niet weg dat de kerk van Pesse, afgezien van de diaconie dus, financieel gezien niet bepaald een rijke kerk is geweest. De kerkvoogden vonden het met het oog daarop geen probleem dat er na het vertrek van ds. Stap in 1986 twee jaar een vacature bestond: dan kon er weer een beetje gespaard worden om wat vet op de botten te krijgen.


 

 

 

 

 

 

 

 


2.3 De plek

 

Kluizenaar


De voorbereidingscommissie ging voort, soms sneller, meestal trager. Tussendoor speelde onenigheid over de te kiezen plaats voor de kerk. Hendrik Everts Waninge, telg uit een oude en vermogende familie in deze streek, schonk een hectare grond, gelegen aan de oude verbindingsweg tussen Hoogeveen en Pesse. Dat was toen een brede zandweg. Pas zeven jaar later zou de weg verhard worden. Velen vonden dit een veel te excentrische plek. Ook deze onenigheid werd weer danig op de spits gedreven. Tot op het laatst in het wordingsproces ging men door met stoken. Tweeëndertig oude tegenstanders van de gekozen plaats schreven een brief waarin ze allerlei argumenten aandroegen. Het houtwerk van de gebouwen zou op zo’n natte heideplek spoedig gaan rotten; het aanleggen van de tuin van de dominee op zulk schraal heideveld zou extra geld kosten (voor o.a. bemesting), de stoven van de vrouwen zouden koud zijn voor ze de kerk bereikten, en de dominee zou zo helemaal buiten de samenleving wonend tot een soort kluizenaar worden. Het argument dat de tuinaanleg nogal wat geld zou gaan kosten, bleek achteraf niet uit de lucht gegrepen. Verderop zullen we zien dat er heel wat geld en energie is besteed aan het omspitten, inrichten en bemesten van de tuin van de predikant. Of de predikanten ook halve kluizenaars zijn geworden? Dat oordeel is aan de lezer.

 

x

x

 

Over de plaats van de kerk


Omdat er in de tijd van de bouw van de kerk veel te doen is geweest om de keuze van de plek voor de kerk, ga ik nu in op de geografische situatie van Pesse. Eerst wat topografische kaarten uit het verleden waarop goed te zien is dat er in de tijd van de stichting van de kerk geen sprake was van één woonkern Pesse, zoals nu de situatie min of meer is, maar dat er minstens drie gelijkwaardige kernen waren: Eursing(e), Pesse(n) en Oostering. Het eeuwenoude verzorgingsgebied van de Pesser diaconie omvatte naast deze kernen, ook de gehuchten Anholt, Bultinge, Kralo, Nuil, Kalenberg, Stadterij (bij Hoogeveen), Zwarte Schaap, Gissel (= Gijsselte) en Stuifzand. Al met al dus een omvangrijk gebied.

Enkele FOTO'S van kaarten:

Een van de oudste topografische kaarten van de omgeving: Pesse (Pessen) en omgeving rond 1820. Pesse op een vijfsprong van karresporen, midden in het heideveld.

Pesse, rond 1870, de tijd van de stichting en bouw van de kerk. Op deze kaart zijn de onderscheidene delen van de Pesser gemeenschap goed te herkennen. Met de wijzers van de klok mee kan men de volgende delen van de woongemeenschap onderscheiden: Anholt, Kralo, Eursinge met Bultinge, Oostering, Pesse. Rechts op de kaart het Zwarte Water, rechtsonder Zwarte Schaap en links Engeland bij Ruinen.

Pesse, 1882; de kerk staat voor het eerst op de kaart. Merkwaardig genoeg ingetekend ten noorden van de Kerkweg (destijds de Dooddijk geheten)terwijl het ten zuiden ervan correct zou zijn.

Pesse, 1905; De kerk staat nu correct ten zuiden van de Kerkweg getekend. Merk op hoeveel ongerepte natuur er toen nog was rondom het dorp. Duidelijk herkenbaar zijn de essen rond het dorp (groen). Pesse en Oostering zijn nog duidelijk gescheiden woonkernen. Het gestippelde roze gebied eromheen is onontgonnen land: heide en veen.

 


De situatie rond 1940.  Pas na de oorlog, vanaf de jaren vijftig ontwikkelt zich de huidige kern van Pesse langs de Dorpsstraat en verder oostwaarts.


Niet één maar drie kernen

Ten eerste de dorpskern rond de Dorpsstraat. Hieronder enkele foto's / ansichtkaarten van vroeger. 

 


De kern van het huidige dorp Pesse heeft dus zich ontwikkeld op het kruispunt van wegen, die drie nederzettingen met elkaar verbonden, te weten Eursinge, Oostering en het oude Pesse. Dat ‘oude Pesse’ lag in het verleden op de Pesser Es, gelegen ten noorden van boerderij het Oude Erf, en bij wat nu de Molenhoek heet. Hier stond trouwens bij de molentelling in 1645 al een molen. Tot het midden van de 19e eeuw heeft de Pesser molen in de Molenhoek gestaan. Het centrum van dat oude Pesse lag rond 1850 dus ongeveer 500 meter zuidelijker ten opzichte van de huidige kom.
Oostering was in die tijd een dorp van dezelfde omvang als het toenmalige Pesse. Het 'centrum' van Oostering was gelegen aan de oostzijde van het huidige sportterrein, op de splitsing van de Oostering en de Kampiepensweg.

Eursinge; ‘Het Oude Jachthuis’ (2015)   (eigen foto)


Eursinge, hetzelfde pand; vroeger was dit café Oldenijens. Het uit de achttiende eeuw stammende pand was vroeger ongeveer het enige adres waar je terecht kon voor openbare vergaderingen.  

 

Als derde kern was er dan Eursinge en Bultinge, die nu gescheiden zijn door de oude weg Pesse-Meppel. Rond 1900 versmolten de in cultuur gebrachte weidegronden en esgronden van Eursinge, Oostering en Pesse met elkaar. De drie dorpen vormden een eiland van landbouw en bebouwing te midden van de woeste gronden van het Ruiner- en Pesserveld.
Door nieuwbouw is het gebied tussen deze esdorpen opgevuld en vallen Oud Pesse en Eursinge nu buiten het tegenwoordige dorp. Ondanks het feit dat het toenmalige dorp er dus qua spreiding van de bevolking en bebouwing anders uitzag dan wij nu gewend zijn, waren er bij de bouw van de kerk zoals we zagen nogal wat mensen die vonden dat de kerk meer ‘in het centrum’ gebouwd moest worden. Men bedoelde dan: ergens tussen de drie kernen in, bijvoorbeeld ter hoogte van de oude molen achter de huidige garage van Doorten.
Dat de erfgenamen van Hendrik Everts Waninge de grond nog steeds gratis ter beschikking stelden, gaf uiteindelijk de doorslag om te kiezen voor de plek aan de Hoogeveenseweg.


 

 

 

 

 

 

 

 


2.4 De aanloop

Bemiddelaars


Het verzamelen van het benodigde geld voor de bouw werd natuurlijk niet bevorderd door de talrijke strubbelingen, onder andere over de bouwplek. Het College van Toezicht stelde daarom twee gecommitteerden aan: Mr. Sluis en de Jhr. Van Echten van Holthe. Zij zouden moeten proberen de neuzen dezelfde kant op te krijgen.
Vooral Van Echten tot Holthe speelde zijn rol als mediator met verve. Hij wist de kluwen uiteindelijk te ontwarren. Zijn doel was duidelijk: een eigen kerk voor de 780 leden en 262 lidmaten (resp. tegenwoordig doopleden en belijdende leden genoemd, LM) die er in Pesse waren. In november 1869 was er een bedrag binnen van fl. 9.125,50, terwijl de begroting fl. 11.400 bedroeg. Het ontbrekende geld kon de kerkvoogdij lenen van haar diaconie. Kennelijk waren de regels daarover toen wat soepeler dan tegenwoordig. Maar goed, daarmee was de financiering rond. De nieuwe kerk ging er dan eindelijk echt komen.
Het classicale bestuur van de kerk gaf op 8 oktober 1870 zijn fiat en op 28 december werd in de dorpsschool een kerkbestuur gekozen. Op 18 november kwam er nog weer een poging uit Ruinen om de onafhankelijkheid te dwarsbomen: een brief die stelde dat de kerk van Pesse dan wel zelfstandig werd maar toch nog deel bleef uitmaken van die van Ruinen en op een later tijdstip onafhankelijk zou kunnen worden. In de Ruiner notulen van 2 november 1870 staat: “Art.3: Met algemeene stemmen wordt besloten zich tot het klassikaal bestuur te wenden, met het verzoek, dat Pesse op den bestaanden voet met Ruinen gecombineerd blijve, totdat de bouw van kerk en pastorie zóó ver gevorderd zullen zijn, dat er een afzonderlijke kerkeraad te Pesse moet optreden.”
Pesse ging echter gewoon zijn eigen gang op de eenmaal ingeslagen weg.


Eendracht maakt macht, tweedracht verscheurt


In januari 1871 droeg de bouwcommissie haar taken over aan de kerkvoogdij. In augustus kozen de (mannelijke!) lidmaten een nieuwe kerkenraad. De PDAC schreef dat het nu tijd werd om de twist en partijschap te laten ophouden en hoopte dat de lidmaten zouden stemmen in het echte belang van de gemeente. “Dat men toch bedenke: hoe zal men, indien er twist en partijschap blijft bestaan in ons net en nieuw kerkgebouw (dat de voltooijng nabij is) zamen godsdienst kunnen oefenen voor Hem , de hartenkenner, wiens bevel is: hebt elkander lief? (…) Laat ieder zich wachten om verderfelijken invloed op zijne partij uit te oefenen. Wij drukken ieder den oud vaderlandschen spreuk op het hart: Eendragt maakt magt, tweedragt verscheurt.”
Het nieuwe kerkbestuur bestond uit tien notabelen en vijf kerkvoogden. Over de gang van zaken bij de verkiezing zou nog ophef ontstaan. De hedendaagse toeschouwer krijgt de indruk dat de diverse verantwoordelijkheden allerminst duidelijk waren. De tegenstelling van Ruinen en Pesse bleef een rol spelen. Wie is waarvoor verantwoordelijk? Wie mag een verkiezing uitschrijven en wie mogen er kiezen? Wie mag een predikant benoemen? Goed te begrijpen eigenlijk wel, omdat het voor iedereen een volstrekt nieuwe situatie was. De onduidelijkheden zorgden echter helaas voor frictie, wantrouwen en achterdocht. We komen dat in het vervolg van het verhaal nog tegen.
Terzijde: het College van Notabelen kennen we in de huidige kerkorganisatie al lang niet meer. Het was een college van mensen uit de gemeente (vroeger alleen mannen) die rechtstreeks gekozen werden door de kerkleden. Uit hun midden kwamen vaak de kerkvoogden voort. Deze notabelen kozen ook de kerkvoogden. Oud-administrateur Klaster heeft nog wel met een dergelijk college gewerkt.

x

x


Oudste notulen


Op dit punt in de geschiedenis, om precies te zijn op 7 januari 1871, begint het oudste notulenboek, dat bewaard is gebleven in het archief van de Hervormde Kerk te Pesse. De eerste regels daarin, over de overdracht van het werk van de voorbereidingscommissie aan de nieuwe kerkvoogden, luiden als volgt:
“Vergadering van kerkvoogden den 7 Januarij 1871, tegenwoordig: alle leden. (…) De Commissie belast met de voorbereidende werkzaamheden tot stichting van Kerk en Pastorij te Pesse doet aanbod aan de kerkvoogden van al de bij rustende waarden, titelen, besluiten zomede de staat van uitgaven, voor rekening der nieuwe kerkgemeente van Pesse gedaan ten behoeve der voorbereiding sedert den 31 Maart 1860. Zij bied hierbij aan 4 bijlagen met de nodige bescheiden waarin de waarde van het over te dragene bestaat, zonder iets voor- of nadeelig voor zich te willen behouden. Nemen kerkvoogden conform dezes, de verplichting op zich, om met den meesten spoed de voorbereidende werkzaamheden ten uitvoer te brengen."

 

x

x    


"Na onderzoek der aangeboden stukken en na eenige gehouden disputen is door kerkvoogden besloten alles voor hunne rekening ter uitvoering over te nemen. Noch (= ook) is met algemeen stemmen besloten dadelijk een adres aan gedeputeerden te zenden, om beschikbaarstelling van het toegestane subsidie in het jaar 1871. (w.g.):R. K. Reinders, President en B. Oldenijens, secretaris.”

Met de laatste regels wordt bedoeld dat men z’n best deed om zo snel mogelijk landelijke financiële steun te krijgen, van fondsen van de synode. Verderop daarover meer.
Voor de bouwcommissie en voor de kerkvoogden was het een opluchting dat de erfgenamen van Hendrik Everts Waninge en Grietje Arends Hees de belofte wilden nakomen om de grond aan de Hoogeveenseweg beschikbaar te stellen. De Waninges traden daarmee in het voetspoor van een verre voorvader, Roelof Waninge, die in 1428 ‘een mud land’(ongeveer ¼ ha) schonk aan de priester van de kerk van Ruinen.

 

Gratis: een perceel heideveld


In de notulen staat daarover het volgende:
“De president geeft aan de vergadering te kennen dat, gelijk aan de leden bekend is, Hendrik Everts Waninge en Grietje Arends Hees, in leven echtelieden, gewoond hebbende en overleden te Pesse aan de Commissie belast met de voorbereidende werkzaamheden voor het stichten van een Kerkgebouw en Pastorij voor de Hervormden te Pesse de belofte is gedaan, om wanneer die zaak tot stand mogt komen, aan de alsdan op te richten gemeente ten geschenke te zullen afstaan een perseel veldgrond, gelegen te Pesse gemeente Ruinen, thans kadastraal bekend in Sectie E no 162, groot 0-98-90, om daarop het kerkgebouw en pastorij te stichten.”
Onder ‘veldgrond’ verstond men heideveld, onontgonnen terrein.
“Dat vermits thans door de gezegde commissie aan de kerkvoogden de zaken bereids zijn overgedragen, volgens met het bouwen van een kerkgebouw en pastorij een aanvang kan worden gemaakt, de erven van gemelde Hendrik Everts Waninge thans bereid zijn de belofte door hunne ouders gedaan, na te komen, weshalve hij (bedoeld is de president, de voorzitter, LM) aan de vergadering voorstelt om onder nadere goedkeuring van het collegie van toezigt bij notariële akte die schenking aan te nemen. Nadat bovenstaande in omvraag was gebracht, is hetzelve met algemene stemmen aangenomen. En dan President en Secretaris kerkvoogd gemagtigd het voorschreven perseel heideveld ten bedoelden einde in schenking aan te nemen.”
Het nieuwe kerkbestuur maakte dus graag gebruik van de gift van de familie Waninge. Het hielp hen flink vooruit omdat de kosten toch al hoog gingen oplopen. Dat de kerk daardoor op een ietwat vreemde plaats kwam te staan, werd voor lief genomen.
Citaat uit het notulenboek 27 feb. 1871: “Wordt aangeboden bestek en Raming der kosten van de te bouwen kerk en Pastorij. De vergadering besluit op voorstel van den President de bouw zoo veel mogelijk te bespoedigen en stelt daarom de tijd van oplevering op den 1 October 1871, alles echter onder goedkeuring van het provinciaal collegie van toezigt. Aangenomen met algemeene stemmen.”
Nu komt er echt vaart in het proces. Om druk op de ketel te houden, stelt de vergadering een streefdatum vast. In een half jaar moet de kerk gebouwd worden. De vormgeving van de te bouwen kerk en pastorie werd vastgelegd in een ‘bestek en voorwaarden’.


 

 

 

 

 

 

 

 

 


2.5 Het bestek en de voorwaarden

 

 

 

 

 

 

 x


Kaft en eerste bladzijde van het Bestek en Voorwaarden

  

De kerkvoogden legden het bestek en de voorwaarden van de te bouwen kerk en pastorie ter inzage zodat geïnteresseerde aannemers op het werk konden inschrijven. Daarover verderop meer.
Het is interessant om hier eerst uitgebreid aandacht te geven aan dit bestek en de bouwvoorwaarden. Hier kan men namelijk tot in het kleinste detail lezen wat men voor soort bouwwerken voor ogen had. Dit bestek is zeker niet door een paar amateurs samengesteld. Een origineel exemplaar ervan ligt in het Drents Archief. Het boekje heeft een kaft van papier dat eigenlijk voor een ander boekje was bedoeld (op de binnenkant staat een andere boektitel gedrukt!), maar op de buitenkant heeft drukker C. Pet in Hoogeveen in zeven verschillende lettertypen keurig de juiste titel gedrukt: “Bestek en voorwaarden wegens een nieuw te bouwen kerk en pastorie voor de Hervormde Gemeente te Pesse, met de leverantie der benoodigde materialen. 1871.”
Op de eerste pagina wordt de titel herhaald. Vervolgens wordt in veertien ‘artikelen’ en 32 pagina’s zeer gedetailleerd beschreven hoe de kerk en de pastorie gebouwd moeten worden. De meeste pagina’s zijn gewijd aan de pastorie. Daar zijn natuurlijk meer details die vastgelegd moesten worden dan voor een nogal ‘rechttoe rechtaan’ bouwwerk als de kerk. Ik ga de hele tekst door en citeer wat aardige details, zodat de lezer een indruk krijgt van de bouwplannen.
Artikel 1 stelt dat “het werk bestaat in het bouwen van eene nieuwe KERK en PASTORIJ, op aantewijzen plaats te Pesse, nabij den Straatweg naar HOOGEVEEN, onder de gemeente RUINEN.”


Neut en middenkalf


Artikel 2 gaat over de ‘peilen’ waarnaar alle hoogten en diepten moesten worden gemeten: de bovenkant van de vloer in de kerk en de pastorie.
Artikel 3 gaat over de afmetingen. De kerk moest 19,8 m lang en 9,5 m breed worden. De zijmuren werden 5,7 m hoog en de achtergevel 10.35 m. Zo werd elke maat precies opgegeven, ook voor de pastorie. De dikte van de voor- en zijmuren van de kerk werd anderhalve steen. De dikte van de binnenmuur een halve steen.
Artikel 4 is kort over het graaf- en zandwerk.
Artikel 5 is een groot stuk “Beschrijving van de kerk”. Elf bladzijden vol met maten, soorten hout, steen en ijzer, en vrij veel bouwjargon als “toogstukken, neuten, middenkalf, afgebiljoend, vischbekken, korbeelen”, en nog meer fraaie woorden die niet meer in een modern bouwplan gebruikt worden.
(Voor wie het weten wil: een neut is een vierkant stuk hardsteen, bijvoorbeeld onder een deurkozijn tegen optrekkend vocht. Een middenkalf is een horizontale verbinding van twee balkjes, die dient tot scheiding van het bovenlicht en de eigenlijke deur. Afbiljoenen is schuin afwaterend bewerken; een vischbek is een verbinding van twee stukken hout onder een zekere hoek, bijvoorbeeld bij het dak. Een korbeel of karbeel is een versterking van hout om een verticale en horizontale balk met elkaar te verbinden met een pen-gat-constructie. LM)
De toren wordt stevig uitgevoerd: “Tot den toren te leveren en te verwerken: In de gevelmuur gelegd en op de kapbalken gekeept, twee greenen draagbalken, zwaar 20 en 30 c.M. lang 3 M. ieder, met drie schroefbouten van 2 c.M. gesmeed ijzer aan de balken en met een 25 m.M. anker van gesmeed ijzer, zwaar 4 kilogram, aan de gevelmuur te bevestigen.” Maar liefst 21 vierkante meter bekleding van 32 mm dik vurenhout komt erop, “geploegd en naar den eisch geschaafd” plus vijf vierkante meter lood van 25 kg per vierkante meter. En zo nog veel meer eisen. In de klokkenstoel moet een metalen klok komen “van ongeveer 50 kilogram zwaarte.” (c.M. en m.M. is resp. centimeter en millimeter, LM).


Predikstoel


De ‘predikstoel’ wordt van grenenhout, “rustende op een eiken piedestal en gemetseld voetstuk”, vanonder bekleed met vurenhout “en voorts te voorzien van lijsten, draaijende deur met krukslot, zitbank, lessenaar en paneel tot aan het klankbord.” Dan natuurlijk het klankbord, de trap, vier banken, het doophek en in de zaal 28 ‘opene banken’. Over de vloer van de kerkzaal: “De grond binnen de kerk van heide ontdaan en met zand tot bekwame hoogte aangevuld zijnde, zal de aannemer de gezamenlijke oppervlakte, 188,10 vierkante meter, bevloeren met dikke blaauwe plavuizen in kalkmortel.”
Dan is er natuurlijk het portaal, waar ook drie ladders bij horen. Voor de voordeur komt een straatje van twee vierkante meter en voor de zijdeuren van anderhalve vierkante meter, in gele klinkers op hun kant. De avondmaalstafel wordt van vurenhout met grenenhouten poten. Dan moet er nog “een hek op den dam voor de kerk” en dan is de kerk klaar.
Nu komt de beschrijving van de pastorie in Artikel 6. Hierin staan veel meer details.


De pastorie


Voor alle duidelijkheid: met ‘de pastorie’ wordt hier bedoeld de oude pastorie, nu het huis dat aan de Pesser kant van de kerk staat. De huidige pastorie werd veel later gebouwd; daarover verderop meer.
Ook hier geeft het bestek weer veel details met maten, soorten materiaal en verwerking. Het metselwerk is “van buiten zindelijk op te voegen, van binnen glad onder de rij te berapen met kalkmortel, en die in den kelder met sterke tras. De muren in de schuur en die waarover behang komt, met de kwast af te wasschen en de overige met zuivere gezonkene kalk over te pleisteren, zoodat de oppervlakte met den vereischten glans is voorzien.”
Buiten komt een regenbak van 1,3 m doorsnee en een hoogte van twee meter vanaf de bodem. Voor de drinkwatervoorziening komt er een welput met een doorsnee van een meter en zo diep “dat er één M. hoogte zuiver welwater in staat, en zal in den tijd, waarin de wel op het laagst is, moeten worden gemaakt (…)”. Een welput is een put die zo diep is dat deze deels gevuld wordt door grondwater en steekt ongeveer 30 cm boven het maaiveld uit. In de regenbak en in de put komen “ten geschikten tijd” pompbuizen die waterdicht moeten worden afgesloten. De pompbuizen worden aangesloten op een koperen pomp in de keuken en een in de schuur. Men moet dus niet denken aan een ‘romantische’ put, zoals je die heel soms nog wel eens ziet, waaruit men water putte met een schepemmer. Er was in de keuken sprake van ‘stromend’ water…
De woning krijgt een “glaskozijn in den kelder”, en “zes lichtkozijnen” en “drie lichtkozijnen op den zolder”. De ramen worden 2,2 m hoog en 1,03 m breed, met ramen en blinden. En zo staat er nog heel veel informatie over ramen en deuren.

Als een gedicht


Soms leest het bestek als een gedicht. Je begrijpt het niet helemaal maar het klinkt belangrijk. Over de schoorstenen staat er bijvoorbeeld deze passage: “Voorts aan den zolder tot aan het dak twee rookpijpen, wijd 50 c.M. vierkant binnenwerks van Goudsche bleeke in kalkmortel, met vereischte tongen in dezelve en slapers enz. van zware juffers.”
(Slapers zijn ondersteunende ribben bij een schuin lopend schoorsteenkanaal; juffers zijn gedeeltelijk beslagen sparren -waarbij ‘beslagen’ betekent dat het hout met de bijl enigszins recht is gemaakt; tongen zijn de scheidingen tussen de naast elkaar lopende rookpijpen. Zo klinkt het al een stuk minder poëtisch. LM)
Onder de titel ‘Beschotten’ staat dat er in de voorkamer een bedstee en twee platte kasten komen, in de slaapkamer twee bedsteden en een diepe kast en in het kamertje voor de dienstboden ook nog een bedstee. ‘Pompen’. “In de keuken en de schuur te leveren en te plaatsen: twee koperen pompen (…) met pijpen “tot nabij den bodem van den put en den regenbak, met slagwerken, zuigers en verder toebehoren. Om die in de keuken een pompkast van 26 m.M. eikenhout, en die in de schuur volgens order aan een gebintstijl bevestigd.” Bij de pomp in de keuken komt een “Escozijnschen gootsteen” en een “aanregt”. (escozijnse steen is hardsteen uit de groeve van Ecaussines in Henegouwen; arduin. LM)


Koe- en paardenstal


Naast een schuur moest er ook een pompstraat komen (gang in een boerenhuis waar de pomp staat, LM) en ook een koestal kon bij de predikantswoning toen niet gemist worden. In hoeverre predikanten er gebruik van maakten, is mij niet duidelijk geworden. De eerste predikant, ds. Bergsma deed dat in ieder geval niet lijkt me, want hij klopte voor koemest op zijn tuin aan bij de kerkvoogden. Ook een paardenstal was er. Ik hoorde een verhaal dat ds. Saraber ’s winters met paard en koets door de modder naar het door hem gestichte Bethel in Stuifzand trok. Die gebruikte de paardenstal dus. Verder kwam er natuurlijk een turfhok. En – toch ook heel belangrijk: het secreet of het toilet. “In het secreet een dwarsmuurtje, dik een halve steen, de benoodigde verglaasde pot, en buizen tot in den zinkput, en een vuren dek (…) met lossen bril en deksel van vurenhout.” De zinkput met een middellijn van een meter verzamelde de uitwerpselen van de eerwaardes en hun gezin en in de afdekking ervan kwam een deel dat men kon ‘uitlichten’ zodat de putjesschepper zo nu en dan de drek kon verwijderen.

x


Artikel 7 gaat over de “Verw-, Glas- en Behangwerken”. Hierin lezen we over de toren dat “de koperen bal en windwijzer met zuiver ducatengoud te vergulden” zijn. (Dukatengoud is goud van het fijnste gehalte. LM). Een paar details uit deze paragraaf: ‘Het plafond in de kerk tweemaal met lijvige witte verw (= verf) te verwen en de laatste laag te bezanden, en, na wel gedroogd te zijn, tweemaal over te witten met Friesche stuifkalk.” “Het glas in de ramen te leveren, zal best wit Fransch glas tweede soort moeten zijn. Alle ruiten zuiver passend in de sponningen te werken en met taaije stopverw digt en zindelijk aan te stoppen.”

Niet meer dan 6o cent


De drie kamers beneden en het logeerkamertje boven in de pastorie moeten behangen worden. Vóór de laatste verfbeurt moet het behangselpapier geplakt worden, “ter keuze van de Directie, waarvan de rol gemiddeld niet meer zal kosten dan 60 cents, en de randen, hierbij benoodigd, naar evenredigheid.”
Artikel 8 bepaalt onder andere dat de materialen “van af den oever aan het Noordeinde van het kanaal te Hoogeveen, buiten kosten van den aannemer, tot op het werk worden aangevoerd, mits dat de aannemer tijdig kennis geve, welke materialen vervoerd kunnen worden.” Voor dit vervoer hadden de kerkvoogden vrijwilligers die hun paard en wagen wel wilden inzetten.
Artikel 9 is de “Wijze van bewerking”.
Artikel 10 gaat over de “Vermeerdering of Vermindering” dus over de kosten van meerwerk of juist minder.
Artikel 11 is belangrijk want de “Tijdsbepaling”. Na tien jaar voorbereiding willen de kerkstichters nu vaart in het proces. “Hij (de aannemer) zal het werk met een genoegzaam getal bekwame werklieden moeten aanvangen en met kracht voortzetten, in dier voege, dat de in dit bestek beschrevene werken met den 1sten October 1871 geheel zijn uitgevoerd en goedgekeurd kunnen worden. Indien door den aannemer aan gemelde tijdsbepaling niet voldaan wordt, zal TIEN GULDEN voor elken dag nawerkens van den aanneemsom gekort worden.”
Artikel 12 regelt de betaling. In drie termijnen; de eerste (een kwart van de aanneemsom) als het werk tot op een derde is gevorderd “en er genoegzame middelen blijken te zijn tot verdere voortzetting van het werk”. De tweede termijn (ook een kwart) komt vrij als het werk tot op twee derde is gevorderd “en met kracht wordt voortgezet” en de derde termijn, zijnde de helft van de aanneemsom, als het hele werk voltooid is en door de directie is goedgekeurd.
Artikel 13. Wie denkt dat de overheid toen vast nog geen eisen stelde: er zijn de Algemeene Regelen en Bepalingen voor de uitvoering en het onderhoud der Rijks Waterstaats-werken, vastgelegd in een beschikking van de minister van Binnenlandse Zaken uit april 1860, die ook voor dit bouwwerk verbindend zijn.
Ten slotte regelt Artikel 14 de aanbesteding. Zoals hiervoor al genoemd, werd dit bestek ter inzage gelegd en konden geïnteresseerden op het werk inschrijven. “Het werk wordt gegund aan hem wiens inschrijving het aannemelijkst voorkomt, zonder verpligting, om daartoe den minsten inschrijver te nemen, noch om reden der gedane keuze te geven.”
“Goedgekeurd door Kerkvoogden der Hervormde Gemeente te Pesse, namens kerkvoogden, (w.g) R. K. Reinders, voorzitter en R. Oldenijens, secretaris.”

 

 x

x  


 

 

 

 

 

 

 


2.6 Een eigen kerk!

 

 

 


Realisering na jaren strijd

x


In de PDAC van 11 maart 1871 staat de advertentie: “AANBESTEDING, door KERKVOOGDEN der Hervormde Gemeente te Pesse op Zaturdag den 25sten Maart, e.k. des namiddags om 1 uur, ten huize van B. OLDENIJENS te Pesse, van: Het bouwen eener nieuwe kerk en pastorie aldaar, met levering der materialen. BESTEK en VOORWAARDEN liggen van af maandag 13 dezer ter lezing: te Pesse bij B. OLDENIJENS, waar ook de teekening ter inzage zal liggen, en verder te Pesse bij M. KNIPPELS, Hoogeveen bij FLOTHUIS, Meppel bij VOORTHUIS en Assen bij KUIPERS en zijn op franco aanvraag tegen betaling van 50 cents verkrijgbaar bij den boekdrukker PET te Hoogeveen. Nadere informatiën te bekomen bij de Kerkvoogden te Pesse. Pesse, 7 Maart 1871, namens kerkvoogden R.K. REINDERS, voorzitter en B. OLDENIJENSs, Secretaris.”
Het Uitgavenboek in het archief meldt: “Julij 11: Aan den Heer C. Pet te Hoogeveen voor het drukken van bestekken enz. Somma fl. 30,70”.
Op 25 maart 1871, ’s middags om een uur vond dus de aanbesteding van de bouw van de kerk met een pastorie inderdaad plaats ‘ten huize van B. Oldenijens te Pesse’. Twee weken hadden de bestekvoorwaarden en de tekening ter inzage gelegen, o.a. in hotels in de wijde omgeving. Belangstellende aannemers konden inschrijven voor de bouw van de kerk. Commissievoorzitter R.K. Reinders, een van de stuwende krachten achter de realisering van de kerk, opende de ingediende biljetten. Van dit voor de Hervormde kerk zo belangrijke moment is in de notulen gedetailleerd verslag gedaan:
“Daarna wordt ten 12 uur de vergadering in eene gecombineerde vergadering met notabelen. Ten 1 uur gaat de president over tot de opening en het overluid voorlezen der namen en sommen van al de 12 voor den bouw ingeleverde inschrijvingsbilletten die door de secretaris zijn opgeteekend. Als volgt:
De bieders
R. Oets te Hoogeveen: f. 12.900
H. Wessels, Assen: f. 11.949
H. Winters, Assen: f. 11.786
R. Hunze, Assen: f. 11.657
O. ter Steege Rzn., Hoogeveen: f. 11.500
H. Oets, Hoogeveen: f. 11.431
R. Postma Assen f. 11.199
J. Otten Gzn., Meppel: f. 11.194
J.W. Rengelink, Meppel: f. 10.695
W. Heidema, Meppel: f. 10.375
H. Timmer, Meppel: f. 10.310
S. H. van der Veen, Meppel: f. 9.673
Naar gehouden deliberatiën over den laagsten inschrijver den heer Sjoert Hanses van der Veen wel geene overwegende bezwaren bestonden zo heeft men toch staande de vergadering niet tot het opmaken en teekenen van het proces verbaal kunnen overgaan om reden dat de borgen niet tegenwoordig waren. Zo is de bijeenkomst bepaald op den 28 Maart.”


x

 


Dat er niet meteen ter vergadering besloten kon worden had dus te maken met ‘de borgen’. Deel van de financiering was namelijk een lening, en daarvoor moesten de borgstaanders aanwezig zijn om te bevestigen dat zij deze lening feitelijk wilden verstrekken.
De hoogste inschrijver was dus was aannemer R. Oets uit Hoogeveen met fl.12.900. De laagste inschrijver van de twaalf was aannemer S.H. van der Veen uit Meppel. Voor 9673 gulden kon deze aannemer het gebouw realiseren. Hij moet naast zich een onafhankelijke opzichter dulden, de heer Ter Steege, die overigens mee had geboden:
“Vervolgens overgegaan zijnde tot de onderhandelingen met Otto ter Steege betrekkelijk het toezicht over de bouw wordt hem het gehele opzicht zoo mede de keuring der materialen en verder alles wat tot het houden van een goed opzigt vereischt wordt, opgedragen, hetwelk door hem wordt aangenomen tegen vergoeding van f. 35 per maand te voldoen met het einde van iedere maand. (…) Gedaan ter vergadering van kerkvoogden den 25 en 28 Maart 1871.”
Het gebouw werd een eenvoudige zaalkerk, maar het werd de trots van de boerschap. Begin april ging de spade de grond in en in nog geen acht maanden tijd stond de kerk er. Dat het zo vlot ging, was mede te danken aan diverse Pessenaren, die met paarden en wagens kosteloos de bouwmaterialen aanvoerden.


Inwijding

 


Eind november 1871 werd het gebouw ingewijd. Die inwijding verliep overigens niet vlekkeloos want ze werd twee keer uitgesteld. Gemiste kans vonden sommigen het, dat er geen herdenkingssteen ingemetseld was met de namen van de bouwcommissieleden. Dat hadden ze toch wel verdiend.
Maar op 26 november was het dan zo ver. Consulent dominee Damsté van Ruinen preekte in zijn inwijdingspreek over Haggai 2: 10: “De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de Here der heerscharen. Op deze plaats zal ik heil geven, luidt het woord van de Here der heerscharen.” De profeet Haggaï hield zijn preek in het jaar 520 voor Christus, in Jeruzalem, waar de ballingen uit Babylonië terugkwamen en de tempel in puin vonden. Haggaï sprak toen over de wederopbouw van de tempel.
Het is niet bekend of ds. Damsté zijn tekst ook gekozen had met het oog op het feit dat dit kerkgebouw inderdaad de tweede kerk van Pesse was. Ruim vierhonderd jaar eerder had het dorp immers ook een eigen kerk(je) gehad.
Het heil, de vrede waarover ds. Damsté sprak, bleek voorlopig een vrome wens. Luning besluit zijn artikel over de wordingsgeschiedenis sarcastisch: “De Pessenaren gingen rustig door met ruzie maken over de beroeping van een predikant en het vergroten van de pastorie, waarvoor de eerste predikant het geld fourneerde!” Daarover verderop meer.
In de PDAC van 29 november 1871 staat een kort verslag van de opening van de kerk:

x

Uit de Prov. Drentsche en Asser Courant, 28 nov. 1871


“Het nieuwe kerkgebouw te Pesse is Zondag ingewijd, daarmede is in eene lang gevoelde behoefte voorzien. Bij die gelegenheid sprak de consulent ds. J. J. Damsté van Ruinen, naar aanleiding van Haggai 2 vers 10, (en in deze plaats zal ik vrede geven, spreekt de Heer der Heerscharen) een woord ter inwijding, waarbij hij gewaagde van al wat gedurende ruim elf jaren gedaan was ter verkrijging van eene zelfstandige gemeente, daarna toespraken hield tot allen die daartoe hadden meegewerkt, tot den aannemer en tot allen die aan kerk en pastorij hadden gearbeid en eindelijk een opwekking deed horen aan de gemeente, om van dit kerkgebouw een goed gebruik te maken.”
Vervolgens sprak op verzoek van notabelen en kerkvoogden ds. A.W. Kamp van Meppel, die ds. Damsté bedankte voor al zijn werk. “Beide redevoeringen werden met groote aandacht aangehoord.”

 

In de notulen 8 oktober 1871 van de Ruiner kerkenraad lezen we: “Art. 2: De op 27 Aug. j.l. gekozen vier Ouderlingen en vier Diakenen zijn heden morgen in hunne bedieningen bevestigd, als Kerkeraadsleden voor Pesse. De eervol ontslagene leden dragen aan de nieuwe leden van Pesse alle gelden en bescheiden over en worden gedécharcheerd.”
Meteen wordt op de volgende bladzijde de conclusie getrokken over de collecten in de Ruiner kerk voor de Pesser diaconie, die tot wederzijdse ergernis hadden geleid: “Art. 4: Nu de nieuwe kerkeraadsleden van Pesse optreden, wordt van af heden de Kerkelijke Gemeente Pesse als afzonderlijke Gemeente erkend en is nu finaal van Ruinen gescheiden, zoodat van heden af ook geen collecte voor de Diakonie te Pesse langer zal plaats hebben in de kerk te Ruinen.” Dit stukje tekst was de facto eindelijk de erkenning vanuit Ruinen waarnaar de Hervormden van Pesse zo lang hadden verlangd. Merkwaardig is dan wel dat op dezelfde bladzijde (in art. 5 en 6) iets staat waaruit blijkt dat de Ruiner kerkenraad maar moeilijk kon accepteren dat Pesse nu op zichzelf stond, namelijk dat -nog in oktober 1871 dus!- de Ruiner kerkenraad beslist wanneer er in Pesse wordt gedoopt en avondmaal wordt gehouden. En dat, terwijl toch officieel de tijdelijke, zogenaamde ‘combinatie’ van Pesse met Ruinen had opgehouden te bestaan per 8 okt. 1871. Vier van de acht avondmaalsvieringen worden nog in Ruinen gehouden. Terwijl in Pesse een nieuw kerkgebouw staat! 

 

x   x

 

‘Handelingen van den kerkeraad van Ruinen’; en re: een detail daaruit;  Drents Archief Assen  

x

Let op artikel 4 en 5...


Recht op zelfstandigheid


De bekende Drentse taalkundige en historicus Jan Naarding schrijft in zijn ‘Uit Ruinen’s verleden’ in 1962: “Een school had Pesse –zo is ons gebleken- reeds in 1611. Toen 260 jaar later de kerk volgde, was het dorp eindelijk waar het wilde zijn: het was geheel onafhankelijk van Ruinen, dat het te lang naar zijn zin onder voogdij had gehouden. Het werd ook tijd: een bestaan van 730 jaren geeft wel recht op zelfstandigheid.”
Concluderend kunnen we opmerken dat de Pessenaren de strijd niet schuwden; niet de strijd met de hogere instanties, niet die met het ‘moederdorp’ Ruinen, en helaas ook niet de strijd onderling. Maar tegelijk hadden hun koppigheid en doorzettingsvermogen hen wel gebracht waar ze wilden zijn: een dorpsgemeenschap met een eigen, onafhankelijke kerk.


-0-0-0-0-0-

 

     

 

 



3 De kerk na 1871


3.1 De eindjes aan elkaar knopen


De eerste kerkvoogden


In de school in Pesse, waar vanaf 1861 meester Jacob Eilders als enige leerkracht de scepter zwaaide, waren op 27 augustus 1871 de eerste kerkvoogden en notabelen gekozen. De eerste kerkvoogden waren R.K. Reinders, R. Oldenijens, E. Smit, A.P. Tissingh en J. Zwols. Onder hun leiding vond kort na de inwijding van de kerk op 26 november 1871 de verhuring van zitplaatsen voor het eerst plaats. Deze bracht de voor die tijd aanzienlijke som op van fl. 99,50.

 

x

x  


Maar er waren ook veel kosten. Iedereen die wel eens een huis heeft laten bouwen, weet dat je oorspronkelijke budget heel gemakkelijk wordt overschreden. Er is zo veel waar je van tevoren geen rekening mee hield. Dat was bij de bouw van de kerk niet anders. Wat dat betreft is het Uitgavenboek 1871 t/m 1906 dat zich in het archief van de kerk bevindt, interessant.
Zo is er de consulent van Ruinen, ds. Damsté, die veel werk voor Pesse deed. Maar niets voor niets. “1871 Februarij 25: Aan de Heeren A.W. Kamp en J.J. Damsté voor klassikale kosten, weggeld, en voor vacatie (blijkens kwitantie no 1) Somma f 20,50”. En de voorbereidingscommissie dient ook een declaratie in: “Februarij 28; aan den gewezen Commissie voor Stichting van Kerk en Pastorij Pesse voorkomende op de 4e bijlage (etc.) Somma f. 211,25”.
Zo waren er allerlei kosten voor het bouwrijp maken van het terrein en het inrichten van de tuin bij de pastorie.


70 cent per dag


Het Uitgavenboek noemt een aantal posten van werklieden die voor de kerk werk verrichtten, bijvoorbeeld “aan E.H. Bork voor het ophoogen der grond onder de kerk, aan Berend Bruins voor twaalf dagen werken, 70 cent per dag, aan Lukas Bosman voor het omspitten der Tuin grond bij de Pastorij; aan Jan Bork voor het aanvoeren van bouwmaterialen bij de kerk; aan Jan Jansen voor het aanhoogen der grond bij de kerk; aan Jan Bruins voor zandwerken bij de kerk; aan Reinder Reinders voor de voorschotten voor een kloktouw en zandwerk; en aan Jan H. Oosterhuis voor vertering van Kerkenraad en Kiescollegie.”
Zo ging het maar door en de bedragen liepen bij elkaar nogal op. Een werkman werkte weliswaar voor 70 cent per dag (!) maar Lukas Bosman staat toch voor maar liefst fl. 36 in het boek voor het omspitten van de tuingrond. Zo kregen critici die de gekozen plaats midden in het heideland maar slecht vonden en vreesden voor hoge kosten om wat van de tuin te maken, achteraf wel gelijk.
De koster en voorzanger (en onderwijzer) J. Eilders ontvangt voor ‘Tractement’ fl.35. In 1874 wordt zijn salaris verhoogd tot fl. 40 per jaar. Omdat er geen orgel was, was een voorzanger onmisbaar.


Hulp uit den lande


Gelukkig komt er ook financiële hulp van de landelijke kerk. Over de vraag waarvan in de eerste notulen hierboven sprake was, namelijk om landelijke financiële steun, werd gunstig beschikt in de synode. In de ‘Handelingen der Buitengewone Vergadering van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk gehouden te ’s Gravenhage, den 23 Januari 1872’ lezen we dat Pesse fl. 1700 ontvangt uit een fonds “aan nieuwe hulpbehoevende gemeenten tot opbouw en noodzakelijke herstelling van kerken en pastorijen”. Bovendien is er voor de Pesser gemeente een ‘vaste jaarlijksche toelage’ van fl. 100. Deze is bestemd voor bijdrage aan het predikantstraktement. Het ‘Collegie van Kerkvoogden’ had verzocht “dat de genoemde toelage den 15 October, zijnde de dag der kerkinwijding mogt ingaan.” De synode schrijft: “Wij vonden alle vrijheid om dit verzoek toe te staan, dewijl te Pesse spoedig tot de beroeping van een predikant zou worden overgegaan (…)”. Tot zolang kon het geld gebruikt worden voor de betaling van Ringpredikanten die de prediking zolang zouden waarnemen. Pesse had ook gevraagd om een verhoging van het bedrag, omdat het “tractement thans slechts f 800 bedraagt” wat “op verre na niet voldoende is om in de noodzakelijkste levensbehoeften van een predikant en zijn gezin te voorzien.” Helaas zit volgens de synode-handelingen het fonds ‘tot verbetering der schraalste predikantstractementen’ zonder geld en moet dat verzoek dus worden afgewezen.


Rente en aflossing


En elke maand staat er tijdens de bouw een post in het boek van fl. 35 voor opzichter Ter Stege. En dan moet natuurlijk de aannemer S.H. van der Veen betaald worden. Dat mag volgens het bestek in termijnen, maar dan nog. Op 17 juni wordt de eerste termijn van fl. 2418,25 betaald; het betalen van de tweede termijn levert problemen op. Er wordt fl. 1718,25 betaald en de rest, fl. 700, later, weliswaar met 6 % rente. In november betaalt men aan aannemer Van der Veen weer ‘een gedeelte van den aannemingssom’ namelijk fl. 2000. Op “28 Januarij 1872: Aan den Heer S. H. van der Veen de finale afrekening en bijrekening en verschuldigde rente Somma fl. 3700,431/2 “. Daar was men gelukkig af, al had men zich niet helemaal aan de eigen betalingsvoorwaarden uit het bestek kunnen houden.

 

 


Het was geen wonder dat de kerkvoogden scherp op de centen letten. Bij het benoemen van de eerste predikant liep dat toch wat uit de hand. Daarover verderop meer. En soms vielen de kosten mee: “Aan A. Reinders de voorschotten voor een stoffer en zandblik en Engelsche schrobber: somma 21/2 cent.”
Later gaat men in de boekhouding over tot het opnemen van de kosten per rubriek. Zo is er een post voor de tuin, waarvoor diverse vruchtbomen en jonge eiken geleverd en betaald worden, een post reiskosten, idem brandkast, een voor klassikale kosten, voor aflossing van schulden, en voor beroepingskosten, enz. In de laatste categorie wordt in totaal fl. 86 betaald aan ds. Damsté “voor vergadering en bevestiging kosten van den Predikant H.J. Bergsma’ en voor ‘beroepingskosten’ maar liefst fl. 74. Aan den heer J. Thomas is betaald “voor een geleverd rijtuig tot overbrengen van Bergsma en zijn gezin”: fl. 1,75.
Voor de tuin wordt ook nogal wat uitgegeven: in totaal in het voorjaar van 1873 voor fl. 62,50. Veel voor arbeidsloon (spitten) maar ook voor een partij fijne dennen.
Ook wordt er in dat jaar een put gegraven. Er worden 828 putstenen geleverd en betaald. Er is ook een Uitgavenboek uit 1916, preciezer: ‘Rekening en verantwoording Inkomsten en uitgaven der Herv. Gem. te Pesse over den dienst van 1916.’ Ik noem wat posten daaruit, omdat ze een aardig inkijkje geven in het reilen en zeilen van de jonge kerk. “Tractement van den predikant: 300 gulden; tractement van den organist: 50 gulden en van den orgelblaasbalgtrapper: 15 gulden begroot, werkelijk f. 14,50.”

Voor onderhoud kerkgebouw, pastorij, kosterij en verdere eigendommen: begroot: fl. 75, werkelijk: fl. 30,431/2. Verder zijn er posten voor: wijn en brood H.A. fl. 8 begroot, werkelijk fl. 2; voor licht, vuur, schrijfbehoeften en druklonen: resp. fl. 60 en fl. 71,56; kosten voor het huren van ‘localen’ voor het houden van vergaderingen: resp. fl. 20 en fl. 11,12; contributie wegens het ‘waarborgen der gebouwen en meubelen’ tegen brandschade: resp. fl. 25 en fl. 19,30.

 

 

 

x


Grasduinen in het kerkarchief


In het archief vond ik een ‘Inventaris van de kerken pastorie goederen, fondsen, (etc. )naar den toestand op 1 Januari 1915; opgemaakt den 28 Mei 1915.’ Hierop staan de kerk ( 2,2 are), de grond (18,4 are), en het ‘bijstaand locaal van 1908’.
De pastorie (2,5 are); de daarbij behorende grond (13 are); een perceel moes- en bloemtuin (24,8 are) en nog een perceel bouwgrond (23,7 are). In de marge is opgemerkt dat de sloot langs de percelen is afgestaan aan de gemeente t.b.v. de verharde weg; de dammen zijn niet afgestaan.
Ook hier staat de roggepacht als inkomst genoemd. Nog zes boeren staan hiervoor vermeld voor hoeveelheden variërend van ruim 5 kop tot ruim 50 kop. Drie boeren hebben in 1930 en 1932 de pacht afgekocht.
Verdere opvallende zaken die aanwezig zijn: “Avondmaalsgoed, bestaande uit: tinnen schenkkan, 2 dito bekers, 1 groote tinnen schaal en 2 dito kleine schalen.”
Verder nog: “Een bijbel op preekstoel, een tinnen doopschaal, een brandkast.”
Op 14 januari 1947 komt er een factuur van fa. Jan de Boer voor de levering van een kachel (fl. 65) en 10 meter pijp (fl. 39,50) d.d. 11-10-1946 en een factuur van timmerman Joh. Knol voor geleverde tegels, specie, gresbuizen en meer ‘gerei voor de Pastorie’.
Inkomsten werden ook verkregen door het verhuren van zitplaatsen in de kerk. Bijvoorbeeld de ‘Verhuring van kerkbanken of zitplaatsen’ op 28 dec. 1931. Deze verhuur bracht fl. 16,50 op.
5600 turven
Nota van W. Waninge Wzn. 19 0ct. 1946: “2 ritten turf van Hoogeveen naar Pesse, in totaal 5600 stuks f. 14,--“ Een andere nota voor dezelfde hoeveelheid turf van K. Knippels bedraagt maar liefst fl. 93,80. De laatste nota is niet gedateerd met jaar. Maar duur of niet: de kachel in de kerk werd gestookt met turf dus… Zonder verwarming was het een koude kerk.

x  x

x

Twee keer een nota voor 5600 stuks turven voor de kachel en een kwitantie voor ontvangen traktement van ds. Seinhorst en van zijn zoon voor het bespelen van het orgel.   

Twee kwitanties ondertekend door ds. L. Seinhorst voor het ontvangen van traktementen voor het tweede kwartaal 1946: fl. 337,50;  en een kwitantie voor het bespelen van het orgel in 1947 zegge fl 100, ondertekend door M. Seinhorst, de zoon van de predikant.     


Nog enkele nota’s:

• “voor 5600 persturven, 2e soort voor fl. 93,80 voor H. Knippels 19 octob” (zonder jaartal)
• uit 1947 “voor vijf avondmaalsbroden voor fl. 4,--“
• kwitantie van L. Seinhorst voor fl. 500 traktement (met 10% toeslag) voor 4e kwartaal 1946.    x

Achttons schuit mest


In het archief is ook een document aanwezig over de bezittingen der diaconie in de beginjaren. ‘Register of ligger van alle bezittingen der Diaconie van de Hervormde Gemeente te Pesse, Classis Meppel, opgemaakt door de diakenen dezer gemeente op 23 Februari 1883’. Daarin staan de onroerende goederen vermeld, compleet met de maten en ook wat de huur op dat moment opbrengt. Het eerst beschreven object is een huis met erf, en daarbij nog veel weiland, bouwland, veld (= onontgonnen grond), en ‘hakbosch’ (dat was bos voor verbruikshout, bijvoorbeeld voor afrasteringen); dat alles levert aan de diaconie jaarlijks aan huur fl. 45 op én ‘een achttons schuit mest’. Daarvan kon de tuin van de predikant dan weer bemest worden, denk ik. Hoefde men de kerkleden niet lastig te vallen met verzoeken om mest te doneren.

Ruimte

Ruimte is en blijft een probleem. In 1890 vraagt de dominee om een plekje om catechisatie te kunnen houden. De notulen: “Ten 3. Gelezen een schrijven van Ds. Damsté, Consulent voor Pesse, verzoekende aan kerkv(oogden) een lokaal, vuur en licht beschikbaar te stellen ten dienste van de aanstaande winter Catechisatie. Is besloten die kamer dewelke de voorgaande winter ertoe is gebruikt (ook dit jaar weer te gebruiken), met bepaling om de gang tot aan de ingang van de Catechisatie kamer met enige planken te beschoyen tot bewaring van de overige vertrekken.
Gedaan in vergadering van kerkv(oogden), d.d. 27 Oct. 1890, B. R. Oldenijens, Pres. G. R. Nijsingh, secr.” De catechisatie wordt dus net als vorig jaar gehouden in een van de kamers van de pastorie, die daartoe met een paar planken wordt afgeschoten van de andere kamers.


Een borrel hoort erbij


In 1890 zoekt de kerkenraad een plek om te vergaderen. Ze houdt een soort inschrijving onder de gemeenteleden over het beschikbaar stellen van een vergaderplaats “voor de vergadering van de kerkvoogden en notabelen voor kerkeraad en kiesColegie”. De ‘inschrijvingsbilletten’ hebben 8 dagen ter inzage gelegen en nu zijn er twee gegadigden. De notulen vermelden hoe het vervolgens ging:
“S.J. Nijenbrink, meldende dat hij genegen is een plaas ter beschikking (te houden) voor vergadering van kerkeraad en kiescollegie maar dat voor vertering zou gevorderd worden voor koffij met suiker per hoofd 7 cents, de vles bier vijf cents en voor de borrel vijf cents.
Ten 2. Het billet van A. ten Oever hield in een kamer te zijner woonstede ter vrije beschikking tot het houden van vergaderingen van bedoelden Collegies zonder vergoeding voor dezelfden. Mogte er het een of ander worden gebruikt, neemt ten Oever de bediening op hem volgens de instructie, voor koffij met suiker per man f.005, sterke drank per glaasje gewoon f. 005, bier per vles eerste soort f. 005. Daar het billet van Nijenhuis hoger is dan die van ten Oever is besloten dat de vergaderkamer is toegewezen aan A. ten Oever voor kerkeraad en kiescollegie van stonden aan en voor kerkv(oogden) en Notabelen ingaande den 1 Januarij 1891 en eindigende den laatsten December 1891.”
Kennelijk werd er naast koffie bij al dat zware vergaderen ook wel eens een biertje en een borrel gedronken. Ik kan me, als ik sommige verslagen lees, levendig voorstellen dat de kerkenraadsleden soms aan het eind van zo’n uitputtende vergadering hard aan een borrel toe waren.


“Foutje” van de kerkvoogden


Kerkvoogden zijn soms geplaagde mensen. Ze bedoelen het zo goed, werken zich belangeloos vaak uit de naad, maar je kunt het kennelijk ook nooit helemaal goed doen. Het volgende document getuigt daarvan.
Het stuk heeft geen aanhef, titel of ondertekening. Misschien is het ook nooit verzonden. Ik vond het document in het Drents Archief in Assen en het is te bijzonder om het hier onvermeld te laten. Het geeft namelijk in zijn bijna kruiperige beleefdheid een inkijkje in de toenmalige, nog sterk hiërarchische verhoudingen. Ongetwijfeld had de overdreven beleefdheid die bijna van het papier druipt, te maken met de erin genoemde opmerking van de heer Westra van Holthe. Met die naam zal bedoeld zijn Johannes Govert Westra van Holthe (Assen, 29 januari 1867), bewoner van de door zijn overgrootvader in Dwingeloo gekochte havezate Oldengaerde, en advocaat en procureur bij de rechtbank van Assen, later burgemeester van Dwingeloo. Westra van Holthe had als ‘secretaris van het college’, (bedoeld is het ‘Provinciaal College van Toezicht in Drenthe op het beheer der Kerkelijke Goederen en Fondsen der Hervormde Gemeenten in Drenthe’, LM), de kerkvoogden gewezen op een procedurefoutje. De goedbedoelende kerkvoogden zijn zich kennelijk een hoedje geschrokken en schrijven het volgende, bijna aandoenlijk stuk ter verdediging van hun handelen. Het gaat om… een partijtje bomen bij de Pesser kerk en pastorie.


“Pesse den (…) 2 Februarij 1901
Kerkvoogden der Herv. Gem. te Pesse geven aan Edel Achtbaar Colege te kennen; dat in den vergadering van Kerkvoogden en Notabelen den 2 Februarij 1901 besloten is om een partij dennen om en bij de pastorie en bij langs de Tuin en bij de kerk te Pesse te laten kappen en publiekelijk te doen verkoopen, om uit de opbrengst daarvan de kosten te kunnen dekken welke ontstaan door het schilder en timmerwerk in de Pastorie verricht, het geen onvermijdelijk was, om de Pastorie in een behoorlijk bewoonbaren staat te doen krijgen. Verder delen wij u mede dat dit besluit van dennenverkoop ook is uitgevoerd en dat wij kerkvoogden bekennen dat wij verzuimd hebben uw Colege daarvan tijdig kennis te geven en daarvoor de noodige vergunning te vragen, om reden dat wij het Reglement ingezien hebbende, daarin niet hebben gevonden wat ons inziens tot de boomen verkooping en tot de aanvrage om vergunning daartoe betrekking had, maar dat wij later door de secretaris van uw College den heer Westra van Holthe zijn ingelicht die ons op dat verzuim gewezen heeft en ons gezegd heeft dat boomen onder vaste goederen zijn begrepen; redenen waarom wij uw Edel Achtbaar College eerbiedig verzoeken om het ons niet kwalijk te nemen, maar alsnog uwe goedkeuring over genoemde verkoop te mogen inwinnen, of de verzekering dat wij niet door dat verzuim in moeilijkheden geraken. Tot toelichting over de verkochte dennen deelen wij u nog mede dat wij in overleg met de tegenwoordige Predikant (te weten ds. Elie Saraber, LM) zulke dennen en boomen hebben opgeruimd die geheel en gedeeltelijk dood waren en anderen die wegens te dichten stand en hoogte voor de Pastorie en de Kerk nadeelig waren geworden omdat zonneschijn en wind daardoor verhinderd werden om hun drogende invloed daarop uit te oefenen en nog anderen als beschutting of haag om de tuin zoo ondoelmatig waren geworden, dat er in de tuin vanwege de lange dennenwortels bijna niets meer groeijen wilde; voor de laatsten is echter weder een haagdoorn voor in de plaats gezet en een nieuwe omheining om de tuin is weder aangebracht om dat de oude wegens slechte en door den tijd versleten palen bijna was vervallen; ook om dit een en ander te herstellen zijn van de gekapte dennen zoo veel palen en benoodigdheden genomen als men noodig had.
Kerkvoogden hopen hierop een gunstig advies te mogen ontvangen tot hunne vrijwaring daar bovenvermelde met een goed doel en tot wezenlijke verbetering is geschied.”


Eerste Plaatselijk Reglement

 

x

x


In hetzelfde jaar 1871 ontwerpt men een Plaatselijk Reglement. Het zit nog in het kerkarchief. ‘Plaatselijk Reglement van Pesse v 1871’. ‘Plaatselijk Reglement voor de Hervormde Gemeente Pesse ter uitvoering van het Synodaal Reglement op de benoeming van Ouderlingen en Diakenen en de beroeping van Predikanten.’ (Er volgen maar liefst 26 artikelen over deze onderwerpen.)
“Aldus opgemaakt door den Kerkeraad der Hervormde Gemeente van Pesse in zijne Vergadering gehouden 8 october 1871.” Was ondertekend door drie ouderlingen en drie diakenen en de consulent ds. J. J. Damsté te Ruinen.

x  x

 

 


-0-0-0-0-0-0-

 


 

 

 

 

 

 


3.2 De eerste predikantsbenoemingen

 

 


Na de inwijding van de kerk in november 1871 was een zekere kandidaat Beekhuis tegen de zin van velen benoemd in de nieuwe gemeente. Men ruziede erover wie het recht had de predikant, of kandidaat in dit geval, te benoemen en waar de kandidaat moest proefpreken: in Ruinen of in Pesse? Nadat Beekhuis eerst in Ruinen, en daarna ook in Pesse had gepreekt, kreeg hij de meerderheid bij een stemming, maar, waarschijnlijk zat van het gedoe dat hij al ervaren had, bedankte de kandidaat alsnog voor het beroep.
Men stond dus voor de taak een nieuwe predikant te benoemen, maar de samenwerking was, volgens de brochure ‘Spreken of Zwijgen’ (waarover verderop meer), ver te zoeken; het onderlinge vertrouwen was weg en vergaderingen werden niet meer gehouden. Ds. Damsté uit Ruinen bleef consulent. De kerkvoogden weigerden extra geld te geven voor het beroepingswerk. Ds. Damsté probeerde de kerkvoogden via het Provinciaal College van Toezigt te dwingen geld op de begroting te zetten, maar kreeg uit die hoek weinig medewerking.
In maart 1872 beriepen de lidmaten kandidaat Bergsma uit Sebaldeburen. Ook daarbij ging het volgens sommigen niet volgens de regels met het gevolg dat enkele leden van het kiescollege bedankten. Volgens de brochure ging het zo: op de vergadering waar de keuze voor een predikant zou moeten worden gemaakt, brachten zij die de dominee niet in Ruinen wilden horen proefpreken hun stem uit op R. van Syll, alle andere stemmen, en dat waren er meer, gingen naar ds. Bergsma. De laatste werd het daarom. De Pessenaren voelden het zo, dat Ruinen hun nog steeds de wet wilde voorschrijven. Het is natuurlijk ook een beetje vreemd: een nieuwe dominee voor Pesse laten proefpreken in Ruinen.
Veertien dagen later nam ds. Bergsma het beroep aan, maar het moet voor de predikant geen gemakkelijke baan geweest zijn. Allereerst al het rumoer dat zijn beroeping en entree begeleidde. In dezelfde maand van zijn aankomst verschenen er namelijk in de PDAC anonieme stukken over de kosten van de vertimmering van de pastorie en over zijn veronderstelde ‘weelderige huishouding’.


Pastorale staatsiehuishouding


De PDAC van 5 augustus 1872: “Correspondentie. Van de nieuwe kerkelijke gemeente Pesse kan men niet zeggen: er wordt geen hamerslag van twist gehoord. Wij ontvangen dienaangaande een brief die weer blijk geeft van misnoegen over kosten van vertimmering van de pastorie en die spreekt van een pastorale staatsiehuishouding.” Bovendien meldt de krant dat er een incident was geweest over de doop van een kind die niet goed zou zijn gegaan. “Is alles waar, dan is het treurig”, eindigt de krant.
Met staatsiehuishouding werd bedoeld: een huishouding met uiterlijke pracht en praal. Het was een woord dat in Drenthe, omgeving Hoogeveen, volgens het Woordenboek van de Drentse Dialecten werd gebruikt in een context als: ‘Zij hölden der altied een hele stoatsie op noa.’ = Ze leefden nogal weelderig.


Repliek


Kennelijk heeft deze publicatie nogal wat stof doen opwaaien. Ds. J. J. Damsté van Ruinen, de intussen voormalige consulent van Pesse, voelde zich geroepen publiekelijk afstand te nemen van de geruchten en van wat hij kwaadsprekerij vond. In de rubriek ‘Ingezonden stukken’ in de PDAC van 16 augustus 1872 staat zijn niet mis te verstane stuk.


“Mijnheer de redacteur!
Met droefheid las ik in de Drentsche Courant van 5 Aug. weer een berigt over de kerkelijke gemeente Pesse, dat niet in staat is te stichten, maar wel te verdeelen.
Toen er voor een paar maanden een ongetekend schrijven over den rijkdom van den predikant, over het vertimmeren van de pastorie, enz. geplaatst werd, smarte mij zulks. Edoch ik zweeg. Maar nu alweer de zaak van Pesse ter sprake gebragt werd, reken ik mij als vroeger predikant en als consulent van Pesse verpligt het publiek beter in te lichten.
1e. Het is onwaarheid, dat er verkeerde praktijken bij het stemmen van een predikant hebben plaats gehad. Toen de candidaat Beekhuis bedankt had, en de andere candidaten, die men had uitgenodigd, verzocht hadden om niet in aanmerking te komen, besloot men een predikant te beroepen. Met grote meerderheid van stemmen werd de tegenwoordige predikant Bergsma beroepen door 4 ouderlingen, 4 diakenen en 18 leden van ’t kiescollege. Als consulent heb ik zelf de vergaderingen geleid. Niemand van die 26 leden heeft toen aanmerking gemaakt. De heer B. nam de beroeping aan, is driemaal aan de gemeente voorgesteld, zonder dat iemand iets heeft ingebragt, waarom de beroeping dan ook goedgekeurd werd.
Als men nu in de courant herhaaldelijk schrijft, dat er verkeerde praktijken bij het stemmen van een predikant hebben plaats gehad, dient men dunkt mij toch op te geven, welke verkeerde praktijken hebben plaats gehad. Nu wordt eene beschuldiging ingebragt, zonder eenig bewijs.
2e . Wat het vertimmeren der pastorie aangaat, de ongenoemde schrijver kende zeker de pastorie zooals die was vóór den aanbouw der beide nieuwe kamers, weet dus dat het gezin van den heer B. niet in dat huisje kon gehuisvest worden. Nu deed de heer B. een voor de gemeente zeer aannemelijk voorstel, hetwelk door hh. kerkvoogden en notabelen geaccepteerd werd. Men was blijde, dat de zaak zo goed aan een einde kwam en dat tevens de eene kamer tot katechisatiekamer zou worden ingerigt.
3e. Wat de pastorale staatsiehuishouding van den heer Bergsma aangaat, is het wel kiesch iemands huishouding in de courant ter sprake te brengen? Moet de B. niet weten op welken voet hij leven wil! Die vrijheid bezit een ander immers ook?
4e. Wat die doopkwestie aangaat, het zou toch eene dwaasheid zijn, om alle eischen in te willigen; de gemeente verlangt het ook niet.
5e. Het is treurig, dat zulke ongemotiveerde stukken in de courant geplaatst worden.
Volgens mijne overtuiging kan ik verklaren, dat de gemeente zeer ingenomen is met haar predikant, dat de kerk boven verwachting goed bezocht wordt, en dat de arbeid van den heer Bergsma door de gemeente zeer op prijs gesteld wordt.
Ik heb het van mijn pligt geacht bovenstaande meê te deelen, daar de welstand der nieuwe gemeente Pesse mij zeer ter harte gaat.
Verder ben ik niet van plan om op ongemotiveerde beschuldigingen in de courant te antwoorden. Geloof mij met achting,
Uw dr. J.J. Damsté
Ruinen, 13 Augustus 1872. “

x


Onderhandelen over ‘timmeratie’


Wat was er precies aan de hand? De kerkvoogdij keek tegen hoge kosten aan in het eerste jaar na de bouw van de kerk. De predikant die men wilde benoemen, ds. H.J.Bergsma te Sebaldeburen prov. Groningen, was een bemiddeld man die geen genoegen nam met de pastorie zoals die was. De kerkvoogden zochten daarvoor een oplossing. In de notulen van 14 maart 1872 lezen we om welke ‘vertimmering’ het ging:
“1. De vergroting der Pastorij met twee voorkamers ter lengte of diepte van zes ellen in dezelfde breedte als de bestaande, dwars voor de Pastorij gebouwd onder afzonderlijken kap;
2. In het studeervertrek een bedstede, en ijzeren deuren in de bestaande schoorsteenen benevens het maken in twee bestaande kamers van elk een glaskozijn.”
De kerkvoogden en ds. Bergsma komen tot de volgende oplossing:
“Deze timmeratie neemt den beroepen Predikant aan, wat de kosten betreft, die geheel uit zijne beurs te bestrijden, met verpligting om eene der nieuwe kamers tot catechisatiekamer in te ruimen en die bij de catechisatiën van het nodige licht en vuur te voorzien, doch tevens dat bij zijn vertrek, overlijden of neerleggen zijner predikdienst de helft der dan nog onafgeloste gelden van de vertimmering dan geheel voor zijne rekening blijft.”
De kosten van deze verbouwing moet de aannemer Van der Veen berekenen. Hij komt op ‘twaalf á veertienhonderd gulden”. “De kosten der beroeping en overkomst is 60 Guld. Voor de gemeente zonder meer.”, voegen de notulen eraan toe, dat wil zeggen: dat is een vaststaande kostenpost.
De discussie in de kerkvoogdij is daarmee nog niet klaar. ‘De predikant’, (hiermee is de consulent ds. Damsté bedoeld, LM), wijst de vergadering op het risico om de helft van een schuld op het nageslacht te vestigen, een schuld waarvan de grootte niet bekend is op het moment dat hij wordt aangegaan. Er bestaat immers nu al een schuld van fl. 2600, zijnde de lening die men aanging voor de bouw van de kerk. Die is op z’n vroegst in 1877 afgelost. Daarom komt er een nieuw voorstel:


“De Predikant (hier is ds. Bergsma bedoeld, LM) neemt de kosten der vertimmering voor zijne rekening, doch kerkvoogden van Pesse verleenen hem jaarlijksch 25 gulden of mogt dit volstrekt gevorderd worden, dan 30 gulden toelage gedurende zijne predikdienst in deze gemeente, die hij kan gebruiken naar goedvinden. Kerkvoogden zullen die post brengen op de jaarlijksche begroting onder de rubriek kosten voor ligt en vuur in den Catechesatiekamer ten behoeve van den Predikant.
Het gebouw is en blijft zonder eenig later bezwaar of terugbetaling het eigendom der gemeente.
Kerkvoogden zullen, wanneer zulks wordt aangenomen dadelijk de beslissing der Notabelen inroepen. De kosten die zijne beroeping medebrengen aan te nemen voor f. 60 Guld, zonder eenige bijbetaling van welken aard ook. De bepaling van timmering ten opzigte van der fondamenten, bewerking, leverantiën enz. gelden de bepalingen in het bestek vervat waarnaar kerk en Pastorij zijn gebouwd. Dit voorstel aangenomen met algemeene stemmen. (…) Op den 26 Februarij 1872.”

 

Een foto van de inmiddels verbouwde (oude) pastorie. 


Nieuw bod, nieuw besluit


Zo neemt de nieuwe dominee dus de gehele verbouwing voor zijn eigen rekening en krijgt daarvoor ter vergoeding fl. 25 of ‘desnoods’ fl. 30 per jaar aan compensatie. Dat zetten ze dan op de begroting als vergoeding van kosten voor vuur en licht in de catechisatiekamer. De verbouwing wordt bij vertrek van de dominee eigendom van de kerk zonder enige terugbetaling aan de predikant.
Merkwaardig genoeg is de kwestie hiermee nog niet ten einde, hoewel het voorstel met algemene stemmen was aanvaard. Ds. Bergsma doet een nieuw bod: hij wil een derde van de vertimmeringskosten terug. Daarop breekt bij twee kerkvoogden de klomp: uit onvrede over de gang van zaken nemen zij ontslag. De overblijvende kerkvoogden verlaten hun reeds genomen beslissing en accepteren het tweede bod van Bergsma. In de brochure ‘Zwijgen of spreken’ doen de schrijvers deze hele gang van zaken nog eens uit de doeken om aan te geven hoe slecht de besluitvorming liep en om de omstreden rol van ds. Damsté te benadrukken. Hij was immers -naar eigen zeggen in het ingezonden stuk!- voorzitter van de vergaderingen. Op de brochure ‘Zwijgen of spreken’ komen we verderop terug.

 

Mest graag, en snel!


Ds. Bergsma is niet bang om te vragen. In april stuurt hij volgens de notulen de kerkvoogden een “Brief van de predikant dat er benodigde mest op de tuin aanwezig moet zijn. Brief aan de gemeenteleden /lijst ter intekening om onvermengde koemest aan te bieden voor de tuin van de predikant.” Wilden de gemeenteleden maar even voor mest voor dominees tuin zorgen? De goedwillende kerkvoogden stellen een intekenlijst op van burgers die hun goede voorbeeld willen volgen om de dominee een voer (karrevracht) mest te brengen. De lijst vond ik in het Drents Archief. Dit was de aanhef:
“Kerkvoogden van Pesse hebben een berigt ontvangen van Ds. Bergsma dat Z.W. Eerwaarde voornemens is aanstaande woensdag zijn tuinman te zenden, om den tuin in orde te brengen. Hij wenscht, dat dan de benoodigde mest achter de pastorij aanwezig is. Door de kortheid der tijd hebben Kerkvoogden en Notabelen besloten elk een voer onvermengde koemest te brengen, en verzoeken mitsdien ingezetenen van Pesse, Stuifzand en Fluitenberg hun voorbeeld te willen volgen en zulks door hunnen naamteekening te doen blijken.”
Het document is ondertekend door maar liefst 33 bereidwillige leveranciers van mest. We zullen hem leren om op zo korte termijn om mest te vragen, zullen sommige kerkvoogden stilletjes bij zichzelf gedacht hebben. Ik neem aan dat de dominee toen wel genoeg mest had ontvangen.

 

 

x


En in oktober is het weer raak: “Op 1 okt. 1872 is er een aanvraag van de predikant Bergsma om een stuk veldgrond aan de noordzijde van de pastorie te laten omwerken en van een plantsoen te laten voorzien.” Ook dat wordt toegestaan. De kosten komen op de begroting voor het jaar 1873.


Zwijgen of spreken

In de PDAC van 17 maart 1873 staat een advertentie voor een brochure “Zwijgen of spreken?"         

"De gevestigde kerkgemeente Pesse, met een antwoord aan den Heer J.J. Damsté, predikant te Ruinen. Prijs 25 cents. Bovenstaande brochure is verkrijgbaar bij alle Boekhandelaren en wordt na franco toezending van het bedrag in postzegels franco gezonden door den Drukker C. Pet te Hoogeveen.”

 

x

 


Deze brochure ‘Zwijgen of spreken’ van 1873, in een fel blauw omslag, is nog aanwezig en ter inzage in het Lammert Huizing-archief in het Kringhuus in Hoogeveen. In het kerkarchief en het Drents Archief vond ik het geschrift merkwaardig genoeg niet. In het boekje van maar liefst 24 pagina’s doen de kerkvoogden Reinder K. Reinders en Hendrik J. Denekamp een boekje open over de in hun ogen niet zo fraaie methoden waarvan de tegenstanders van een eigen kerk voor Pesse zich hadden bediend, en over de gang van zaken bij het kiezen van ambtsdragers en de benoeming van de eerste predikant. Alle frustratie van jaren her wordt hier aan het papier toevertrouwd. Hoewel het schotschrift ondertekend is met ‘Den Schrijver’, bevat de brochure een voorwoord van Reinders en Denekamp, dus we mogen aannemen dat beide heren achter de inhoud staan, als een van hen of zij samen al niet de schrijvers zijn. Zij schrijven in het voorwoord dat ze in plaats van voor zwijgen voor ‘spreken’ hebben gekozen, met tegenzin, naar aanleiding van de open brief van ds. Damsté in de PDAC van 16 aug. 1872. (De titelpagina van het boekje vermeldt ‘16 Oct.’ maar dat is onjuist, LM). Ze reageren ook op deze manier omdat de krant hun weerwoord niet wilde opnemen. De krant had waarschijnlijk allang spijt van het opnemen van de brief van ds. Damsté, omdat hierdoor de vuile was van Pesse nogal prominent in de openbaarheid kwam. Anderzijds weigerde een krant in die tijd niet snel een ingezonden stuk van een prominente burger als ds. Damsté. Dan kon je een paar kerkvoogden gemakkelijker weigeren.
De inhoud van de brochure is een ingewikkeld, nogal bureaucratisch-technisch betoog over de gang van zaken zoals die zich volgens de schrijver(s) had voorgedaan. Het gaat voornamelijk over tegenwerking zoals men die had ervaren. Volgens de commissie had zij ondervonden “dat het den tegenstanders te doen was, om haar te bemoeijelijken, en zoo het mogelijk ware, haar te verguizen.” Dat begon al met “het verdeelen in Modernen en Orthodoxen, bij welke laatsten de commissie gevoegd werd.” De kerkenraad van Ruinen werd verweten dat ze “nooit enig middel heeft aangewend om in de geestelijke behoeften te voorzien van Stuifzand en Fluitenberg, waar de meeste leden wonen.”

 

x

 

 


De ‘combinatie’


De brochure heeft veel kritiek op de zogenaamde ‘combinatie’, d.w.z. dat de nieuwe kerk van Pesse bestuurlijk eigenlijk toch nog deel zou (blijven) uitmaken van de kerk van Ruinen, “om op een geschikt tijdstip te worden gescheiden.” Ook was men bang dat ‘de achterbuurten’ Stuifzand en Fluitenberg buiten de boot zouden vallen. Het woord ‘achterbuurten’ had, het zij voor de goede orde toch even opgemerkt, destijds niet de negatieve connotatie die het woord tegenwoordig draagt. Men bedoelde ermee: de meer afgelegen dorpen en gehuchten. “De commissie brengt hiermede in verband, dat ten vorigen jare, bij leden der commissie pogingen zijn aangewend, om hen te bewegen twee kerken te doen bouwen, een te Pesse (natuurlijk eerst en voor het beschikbare geld) en een te Stuifzand, zodra een geschikt tijdstip gekomen is.” (p.10). Op een eigen kerk voor Stuifzand komen we verderop nog terug. Dat is namelijk later nog een keer ter sprake geweest.
De samenstellers nemen het hele ingezonden stuk van ds. Damsté in de PDAC integraal op, om er vervolgens punt voor punt commentaar op te leveren. Men vecht bijvoorbeeld de stelling aan ‘dat men besloot een predikant te beroepen’. “Er waren leden van het kiescollegie die daar niets van wisten, noch dat zij daartoe tot een stemming opgeroepen zijn.” Wanneer is dat benoemen van een predikant dan besloten en waar en met hoeveel stemmen?, vraagt de brochure retorisch.
Uitgebreid wordt ingegaan op het punt dat ds. Damsté opmerkt dat hij zelf de vergaderingen leidde. Het stuk uit de notulen, dat gaat over de vertimmering van de pastorie ten behoeve van ds. Bergsma, wordt in de brochure integraal geciteerd. Duidelijk wordt, dat de beide voortrekkers Reinders en Denekamp zich distantiëren van het uiteindelijke besluit, maar vooral van de manier waarop het besluit tot stand kwam. Het marchanderen, besluiten, terugkomen op een besluit na een voorstel van de komende predikant en dan opnieuw besluiten; het verdient inderdaad geen schoonheidsprijs. Wellicht is een en ander voor een deel terug te voeren op de schimmige bestuurlijke situatie in de beginfase, waar nog heel onduidelijk was waar de diverse eindverantwoordelijkheden lagen. Voor een ander deel op de relatieve onervarenheid van de bestuurders en ook wel deels op de zorgelijke financiële situatie waar enerzijds het geld de kas bij wijze van spreken uitstroomde en er anderzijds maar moeizaam fondsen werden aangeboord om die kas weer enigszins te spekken.
De zaak werd in de brochure ook persoonlijk gemaakt hoewel er geen namen werden genoemd. “De oude slang bleef evenwel in het verborgen sissen en liet door sommige notabelen de bespottelijkste dingen uitstrooijen omtrent den geschonken grond.” Ook werd herinnerd aan de prediking van evangelisten van de ‘Vrienden der Waarheid’. Het bleek, althans volgens de brochure, “dat de verraders het naast aan de preekstoel zaten.” Wie de verraders waren, blijft in het midden.
De brochure eindigt met de woorden: “Dat dit werk veel gebrekkigs bevat, voor geoefende beoordeelaars, zal den schrijver niet bevreemden; maar één wensch blijft hem bezielen, dat, wie dit werk ook moge lezen, de kerkelijke kwestie in Pesse kan worden beoordeeld in haren oorsprong en voortgang tot op dezen tijd. Dit is de wensch van
DEN SCHRIJVER.”

 

x
Ds. Bergsma vertrekt


In 1874 verliet ds. Bergsma de gemeente alweer en hij werd opgevolgd door ds. Rutgers. Ook in de jaren die volgden was er sprake van tegenstellingen en onenigheid, maar daarin stond de jonge kerk in Pesse niet alleen. Het was een roerige tijd voor de kerk in heel Nederland.
De eerste koster-voorzanger was meester Jacob Eilders. Hij werd aangesteld op een vergoeding van 30 gulden per jaar. In december 1873 schreef hij een brief aan de kerkvoogdij, waarin hij voor zijn functie bedankte als de vergoeding niet met tien gulden per jaar zou worden verhoogd. “Het werk als koster-voorzanger vraagt meer van mij, dan ik had verwacht”, schreef hij. Kort na het vertrek van ds. Bergsma ging ook Eilders weg uit Pesse. Hij werd opgevolgd door de nieuwe onderwijzer, meester Geert Raak.

 


-0-0-0-0-0-


 

 

 

 

 

 

 


3.3 Het kostersambt

 

x


In het archief kwam ik een briefje van 17 april 1899 tegen: “Ik ondergetekende W. Schulting neem aan volgens instructie, op een belooning van twintig Gld per jaar, het kostersambt te aanvaarden in de Ned. Herv. Kerk te Pesse.”
In de notulen staat een ‘Instructie voor de koster’. Deze instructie dateert uit het eerste jaar van de Hervormde kerk van Pesse. Hij is zo bijzonder en tegelijk herkenbaar dat ik hem hieronder bijna in zijn geheel opneem.

“Vast te stellen navolgende instructie voor den koster.
Art. 1 Er zal in de kerkelijke gemeente Pesse een koster worden aangesteld op een praktische bezoldiging van vijftien gulden. (De vijftien guldens in 1871 hadden in 2015 een ‘koopkracht’ van fl. 343.57 (€ 155.90). Dat is dus niet veel. LM).
Art. 2 De koster moet zijn van onberispelijk gedrag en van dezelfde gezinte als de gemeente waarvoor hij is aangesteld; hij moet zich gedragen naar de voorschriften hem door kerkvoogden te geven en zal zich nimmer in eenig geval met kerkelijke verkiezingen in de gemeente bemoeyen en geen de minste invloed aanwenden om daar door invloed op de stemmingen te weeg te brengen; hij is niet van zijn eigen stemrecht verstoken.
Art. 3 Hij is verpligt bij de morgengodsdienst een uur voor het begin derzelve tien minuten te luiden en bij het aanvangen van iedere godsdienstoefening vijf minuten op het uur door kerkeraad voor de predikdienst vastgesteld en eveneens bij gelegenheid als zulks verwacht wordt het zij bij doop of anderszins.
Art.4 Hij is verpligt bij de avondgodsdienst het licht te ontsteken. In catechisatiën met leerlingen uitgezonderd; de daartoe benodigde olie voor rekening van kerkvoogden te bezorgen, de lampen schoon houden en voor het begin der Godsdienst van olie te voorzien, en zoo veel in zijn vermogen is voor eene goede branding zorgen.
Art. 5 Hij zorgt voor het aanbrengen van doopwater, alsmede voor de benodigdheden bij de avondmaalsviering. Hij behoort het brood en de wijn zindelijk aan te brengen, de tafel en banken voor het avondmaal te plaatsen, de tafel naar behoren dekken en na afloop alles weder bergen en schoonhouden. De tijden daarvoor moeten hem door kerkeraad worden bekend gemaakt.
Art. 6 Hij moet de kerk minstens alle week uitveegen, en over het geheel zorgen dat het gebouw niet met spinnenwebben of zonder ligt (= gemakkelijk, LM) weg te nemen vuil worde ontsierd, eveneens de buitenstraatjes schoon vegen.
Art. 7 Het behoorlijk uitschonen der predikstoel (…)
Art. 8 Bij het ontdekken van schanddaden bij of aan het kerkgebouw geeft hij kennis aan kerkvoogden.
Art. 9 Alle benodigdheden bovengenoemd worden hem van wege de kerkvoogden van Pesse aangewezen van waar hij ze moet halen; hij is verpligt een en ander zorgvuldig te bewaren.
Art 10 De aanstelling van koster gaat bij wijze van proef voor den tijd van een jaar, ingaande den 1 December 1871 en eindigende den laatsten November 1872.
Art. 11 Hij is verpligt op zijn tijd de hekken en gebouwen op zijn tijd te openen en te sluiten.
Art. 12 Bij ongeschiktheid of verwaarlozing van zijn pligt hebben kerkvoogden het regt hem te schorsen of geheel te ontslaan.
Aldus vastgesteld den 21 October 1871, gedaan ter vergadering van kerkvoogden in tegenwoordigheid van Notabelen”, (was getekend door president en secretaris).

 


-0-0-0-0-0-

 


 

 

 

 


3.4 Over bijgebouwen en de pastorie

 

 

 

 


Bijgebouw Soli Deo Gloria en restauraties


In 1908 werd de kerk uitgebreid met een aanbouw, een ‘lokaal’ naast de kerk. Soli Deo Gloria ging het heten. Dat was een vurig gekoesterde wens want tot dan toe had men geen eigen ruimte voor het houden van catechisatie en dergelijke. De zoon van de toenmalige predikant ds. Saraber, Paul, legde op 19 november daarvoor de eerste steen. Later is deze zoon ook predikant geworden. Als gastdominee heeft hij in Pesse meerdere malen gepreekt.
Hij kon zich de vreugde om het nieuwe gebouw nog goed herinneren, zei hij in de krant. Het bouwen van zo’n lokaal voor catechisatie, consistorie, kleine vergaderingen en dergelijke was in die tijd nog tamelijk bijzonder. Lang niet elke kerk had zoiets. Op de foto hieronder het ‘lokaal’.

 

 


 

Verbouwingen aan de voorgevel en de toren

 

x

x

 

x


In 1940 werd er weer gewerkt aan de voorgevel. Volgens het ‘Bestek en Voorwaarden waarnaar Heeren kerkvoogden der Ned. Herv. Kerk te Pesse zullen trachten aan te besteden: het restaureeren der kerk met toren en verdere werken met bijlevering van alle daartoe benoodigde materialen, transporten en arbeidsloonen’ moest de voorgevel afgebroken en weer opgebouwd worden net als het ondergedeelte van de toren. Het werd goed aangepakt want de gevel moest eraf tot 40 cm beneden de tegelvloer in de gang. Er moesten nieuwe poeren gemaakt worden na de nodige ontgravingen. Men had zich wijselijk ingedekt tegen schade aan de rest van het gebouw. “Daartoe vooraf de noodige stut- en schoorwerken aan te brengen zijnde alle risico voor den aannemer en (eventuele schades, LM) zullen op zijn kosten worden hersteld.” Voor stoep en bloembakken werd een 8 cm dikke gewapende betonplaat gelegd.
Overigens had men in 1938 ook al eens offerte gevraagd en gekregen van Jans en Henneke, architecten in Hengelo (O). Die offertes vielen nogal duur uit.
de entree met de bloembakken sinds 1940, foto 2016
In 1990 werd de toren opnieuw gerenoveerd. (zie ook verderop).

Hieronder: De kerk met rechts het ‘lokaal’ en links de eerste pastorie (prentbriefkaart)    

 

 

boven de kerk in de oude vorm, onder een foto van later, nadat de voorgevel is vernieuwd en gewijzigd; in plaats van drie rijen ramen zijn er dan nog twee rijen. 

 


 

 

 

 

 


Het ‘Lokaal’ Bethel in Stuifzand

 

 

 

 

 

 


De Hervormde Gemeente bezat ook nog een gebouwtje in Stuifzand: Bethel genaamd. Dat kapelletje werd in 1903 gebouwd door timmerman Knol uit Fluitenberg. Het werd opgericht en in eerste instantie gefinancierd door ds. Elie Saraber. Later heeft hij het kapelletje overgedragen aan de diaconie.

 

x


In het archief zit een document gedateerd 12 januari 1903 van de kerkenraad waarin zij ds. Saraber toestemming verleent tot “het zetten van een gebouw (Bethel) op terrein van de diaconie, onder voorwaarden”. Hieronder de integrale tekst.


“De kerkenraad der Ned. Herv. Gemeente te Pesse verklaart bij deze, dat Elie Saraber, Hervormd Predikant te Pesse vergunning heeft verkregen om op het eigendom der Diaconie dier Gemeente, Gemeente Ruinen Sectie D numero 1025, een gebouw te zetten, en wel op de volgende voorwaarden:
1 Die vergunning is verleend voor den tijd van 30 jaren, ingaande den 1en Januari 1903 maar kan daarna verlengd worden.
2 Het lokaal mag alleen gebruikt worden voor catechisatie, zondagsschool, evangelieprediking en dergelijke Christelijke werkzaamheden en samenkomsten.
3 Zo Ds. Saraber de gemeente verlaat, hebben zijne opvolgers hetzelfde recht als hij, indien hij daartoe de toestemming verleent.
4 Zoo Ds. Saraber mocht komen te overlijden, hebben zijne opvolgers hetzelfde recht als hij, indien zijn wettige erfgenamen daartoe de toestemming geven.
5 Kosten voor onderhoud zullen bestreden worden uit collecten in het lokaal te houden, giften, enz.
6 Mocht het gebouw voor de aangewezen doeleinden niet meer gebruikt worden, dan wordt het eigendom der Diaconie voornoemd, tegen uitkering aan de Kerkvoogdij der Ned. Herv. Gemeente te Pesse van de helft der dan te schatten waarde.
Aldus opgemaakt en in dubbel getekend, in onze vergadering van den 12en Januari 1903.
De kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Pesse:”
(was getekend) E. Saraber, voorzitter en de diakenen: Ten Oever, Reinders, Stuifzand en Smid en de ouderlingen: Sol, Waninge, Stuifzand en Oldenijens. (‘In duplo geregistreerd te Hoogeveen 29 okt. 1903, deel 63 folio 34 recto vak 8 een blad geen renvooi. Ontvangen voor recht: een gulden twintig cent.’)


Verlenging met twee meter


In 1914 werd Bethel verbouwd, door dezelfde timmerman. Er is nog een geschreven bestek van 3 pagina’s, compleet met de nodige verschrijvingen van het:
‘Plan tot het verbouwen van het Locaal Bethel te Stuifzand met 2 meter te verlengen na de hieronder volgende beschrijfving.’
Het plan houdt een totaalconcept in: ook het afwerken als verven en glas zetten is inbegrepen:
“Al het hierboven genoemde uitgeslotten het overlakken der bestaande bankken. Voor de Somma van f 216,20 ct Zegge tweehonderd zestien gulden twintig cent. Fluitenberg, den 30 Mei 1914, H. Knol.”
Op een apart blaadje de toevoeging:
“De Goederen hiervoor nodig Zijn als Het hout steen kalk papier en wat verder nodig moet zijn moet bij het Locaal Bethel aangebracht worden kosteloos voor den aannemer. Het Zand werk moet in voldoende orde gebracht worden. Hiermede alles in voldoende beschrijfving naar mijn mening
H. Knol, Timmerman.”
 

 xxx


Het gebouwtje heeft overigens niet altijd gestaan op de plaats waar het in latere jaren stond: aan de doorgaande weg. Eerst stond het aan het zogenaamde ‘Schoolpad’ (bij het huis ‘De Sleutel’).
In 1942 kreeg de kerkenraad/ kerkvoogdij een berisping van het Provinciaal Kerkelijk Bestuur dat het beheer van het gebouwtje eigenlijk door de kerkvoogdij moest gebeuren en niet door de diaconie. Het is echter zo gebleven als het was: bij de diaconie. Zo was het immers in het contract bepaald.
Bethel bood onderdak voor catechisatie, jeugdclubs en zondagsschool. Ook werden er wel kerkdiensten gehouden voordat het Dorpshuis in Stuifzand er was. Tot in de jaren negentig hield de Hervormde Vrouwen Vereniging haar bijeenkomsten hier. De familie Koopman zorgde ervoor dat het schoon en netjes bleef.
In latere jaren stond het leeg. De kerkenraad wilde er wel van af, maar er waren weinig mogelijkheden. Na de verkoop van de Hervormde kerk in 2016 werd er een gemis aan voldoende parkeerplaatsen gevoeld bij de Kruispuntkerk. Om daar meer parkeerruimte te kunnen realiseren, zou er grond verworven moeten worden van Het Drentse Landschap, de bezitter van het Spaarbankbos dat achter de kerk begint. Daartoe werd een ruil voorgesteld met het perceel van Bethel. Dat is zo gebeurd.



Het gebouwtje Bethel in Stuifzand in vroeger jaren    N.B.: tegenwoordig in bezit van Het Drentse Landschap en verbouwd tot zomerhuisje


 


 

 

 

 


De kerk die er nooit kwam (in Stuifzand)

 

 

 

 

 

 

x


Een voor mij bijzondere vondst in het archief bestond uit een schetsontwerp en tekening voor de kerk die er nooit kwam, nl. in Stuifzand; de schets is gedateerd 6 april 1950. Bij de stichting van de kerk in Pesse was het ooit al ter sprake geweest, zie hierboven, maar het verraste mij dat men in 1950 de bouw van de kerk nog weer heeft overwogen, en wel zó serieus dat er een bestek en tekening voor werd gemaakt. Architectenbureau Nijhuis en Reker te Groningen tekende het gebouw in opdracht van de Ned. Herv. Gemeente te Pesse. Er was gerekend op maar liefst 190 zitplaatsen, een consistoriekamer en een aparte ruimte voor catechisatie en dergelijke. De capaciteit van 190 zitplaatsen lijkt wel erg optimistisch. In onze tijd zeker, maar kennelijk heeft men dat in 1950 ook op tijd ingezien. 

Hieronder tekeningen van de ontworpen kerk voor Stuifzand en de plattegrond; kerkarchief Pesse    

x

  x

x

x

x


 

 

 

 


Een nieuwe pastorie

 

 

 

 

 

 


Op 24 februari 1956 passeert de akte bij notariskantoor Kuipers in Hoogeveen, voor de koop en verkoop van een “bouwterrein, thans bosgrond, gelegen aan de weg van Hoogeveen naar Eursinge onder Pesse, naast de Hervormde Kerk, aldaar, uitmakende een op het terrein afgebakend noordwestelijk gedeelte van het perceel, kadastraal bekend Gemeente Ruinen, sectie E nr. 3178.” Het terrein is langs de weg ongeveer twintig meter breed en diep ongeveer 35 m, dus ongeveer 700 vierkante meter. De verkoper is de curator van A. Blanken te Hoogeveen en de koper is de kerkvoogdij der Hervormde Gemeente te Pesse. De koopsom bedraagt fl. 950.
In een ander bijgevoegd document in het archief van de Hervormde Gemeente is ook nog sprake van de koop van mevrouw A. Dekker, de echtgenote van A. Blanken, van een strook “grond met het daarop staande houtgewas” gelegen “ten noorden van en aan de percelen van koper” (= de kerkvoogdij) dat aan de weg 4 meter breed is en ongeveer 100 m diep, dus plm. 440 m2. Hiervoor wordt fl. 825 betaald.
De gemiddelde prijs per vierkante meter was dus fl. 1,55!

 


Links op deze (door mij ingekleurde) ansichtkaart de oude, rechts de nieuwe pastorie     


In de voorlopige koopakte is nogal wat gestreept en veranderd. Opmerkelijk is dat in de akte eerst een koopsom van 1400 gulden staat getypt, later doorgehaald en met goedkeuring veranderd in 950 gulden. Daarnaast wordt gekocht een ernaast gelegen strook grond van 440 m2 voor de koopsom van fl. 825 (eerst is getypt: 448 gld.)
De oude pastorie, ten noorden van de kerk, werd op 5 november 1957 verkocht aan dhr. P.H. Flore.
In de ‘nieuwe’ pastorie is bij de huidige bewoner het ‘bestek en voorwaarden’ nog aanwezig, “voor het bouwen van een pastorie met bijbehorende werken op een terrein gelegen te Pesse, kadastraal bekend in de Gemeente Ruinen, sectie E, nr. 3178.” Architect en directie is de heer J. Haveman te Hoogeveen. Merkwaardig is dat de datum van het bestek is: februari 1955. Kennelijk had men een jaar voor men het bouwterrein verwierf, de bouwplannen al tot in detail klaar.
Over details gesproken: er was kennelijk in die tijd nog geen waterleiding langs de weg Hoogeveen-Eursinge. Drinkwater werd verkregen uit een welput. De welput is op twee plaatsen ingetekend. Het waarschijnlijkst is dat de welput uiteindelijk gerealiseerd is achter de woning, achter de bijkeuken, waar nu tuin is. Aan de watervoorziening is een hele paragraaf in het bestek gewijd. Om toch voor stromend water te zorgen in de nieuwe pastorie, was namelijk een reeks van voorzieningen nodig.



Hydrofoor


In de welput werd een waterdicht gemonteerde zuigleiding met kopergaasfilter gemaakt, die naar de bijkeuken liep. In de leiding zat een terugslagklep om te voorkomen dat het water terugliep in de put. In de bijkeuken stond een zuigperspomp van 1 pk, die het water in een hydrofoor van het merk ‘SIHI’ pompte. Een hydrofoor is een installatie waarmee binnen een gebouw de waterleiding op druk gehouden wordt. De installatie bestaat uit een expansievat, een pomp en een terugslagklep. In dit geval was er een expansievat van maar liefst 500 liter! De pomp werkte op elektriciteit want die was er al wel.
Naast de welput was er ook nog een regenwaterbak buiten bij de keuken, voor opvang van hemelwater dat kon worden gebruikt voor bijvoorbeeld de tuin.
Riolering was er ook nog niet. Vandaar dat er naast het huis een septic tank werd ingegraven; daarop werden de afvoeren aangesloten. Het gaat hierbij om een eenvoudig waterzuiveringssysteem. In de septische put wordt sanitair afvalwater afkomstig van toiletten, douche en bad gezuiverd door bezinking. Het gebruik van chemische zeep moest men vermijden want dat zou de bacteriële werking verstoren. De bezinkbare delen worden van de vloeistof gescheiden door de zwaartekracht. Dit bezonken materiaal is een voedingsstof voor bacteriën. Deze maken een deel van het bezonken materiaal vloeibaar en verwijderen het daarna. Het niet verwijderde bezonken materiaal moet na verloop van tijd opgeruimd worden door een ruimingsfirma. Het gezuiverde water was redelijk schoon en werd gewoon op de sloot geloosd.
In de tijd van ds. Stap is er centrale verwarming in het pand aangelegd. In 1960 kreeg ds. A.J. de Bue een bouwvergunning voor het bouwen van een garage achter de woning.

 

x

Bouwtekeningen van de nieuwe pastorie: 

x

x

x

x

x

x

x


 


 

 

 

 

 

 

 


Van Soli Deo Gloria naar De Voorhof

 

 

 

 

 

De Voorhof in vroeger jaren; het plein was nog niet bestraat. 

   

 


Het losstaande lokaal naast de kerk is in 1966 vervangen door De Voorhof, een aanbouw met een toiletgroep, een consistoriekamer, een keuken en een multifunctionele zaal die aan maximaal 150 personen plaats zou bieden. Daarin hebben vele generaties vergaderd, presentaties gevolgd, kleine recepties en gemeenteavonden gehouden. Daar kwamen ze samen voor de begrafenis van een geliefde, voor de doop van een kind, voor de kerkelijke inwijding van een huwelijk. Voor velen was het mede daarom even duchtig slikken toen in 2015/16 bekend werd dat de kerk en De Voorhof zouden worden afgestoten, om samen als gemeente door te gaan in een verbouwde, toekomstbestendig gemaakte Kruispuntkerk, voorheen de Gereformeerde kerk.
De beide uitbreidingen werden in herinnering gehouden door een steen in de muur. De eerste vermeldt: ‘Eerste steen gelegd 19 Nov. 1908 door Paul Saraber’ en de tweede: ‘Herbouw 1966’. Die eerste steen was dus destijds voor het losstaande ‘lokaal’.

Bouwtekeningen en de plattegrond van de  De Voorhof ; kerkarchief Pesse

x

x     x


Afbraak


In de vergadering van 23 april 1966 werd besloten tot de bouw van De Voorhof. De firma Joosten uit Ansen kreeg de opdracht. De eerste begroting kwam op fl. 125.000 maar na enige bijstelling werd het fl. 105.000. De afbraak van het oude gebouwtje Soli Deo Gloria en het grondwerk moest dan door de kerkelijke gemeente zelf uitgevoerd worden. De lust tot afbraak was echter niet zo groot, en toen werd het hele gebouwtje verkocht aan de heer K. Loof, die dan ook voor sloop en verwijdering diende te zorgen. De kosten van de bouw werden volgens administrateur Klaster voorgefinancierd door de diaconie van Pesse; een lening die de kerkvoogdij in stappen moest terugbetalen.
Officiële opening van De Voorhof
Het nieuwe bijgebouw werd met enig ceremonieel geopend. President-kerkvoogd K. Steenbergen verheugde zich volgens een stuk in de plaatselijke krant over de aanwezigheid van talloze genodigden en gemeenteleden. Zo waren er naast de kerkenraad en kerkvoogdij afgevaardigden van de ring Hoogeveen, het Provinciaal College van Toezicht, het gemeentebestuur van Ruinen (onder welke burgerlijke gemeente Pesse destijds viel), de Gereformeerde Kerk en de mensen die een belangrijke bijdrage hadden geleverd aan het daadwerkelijk tot stand komen van het gebouw. De officiële opening werd verricht door ds. A. Sturm, die ook de naam van het gebouw bekend maakte: De Voorhof. Het was een lang gekoesterde wens, deze ruimte. Het oude gebouwtje, altijd aangeduid als ‘het lokaal’, dat op deze plaats stond, voldeed allang niet meer. In tegenstelling tot het vorige gebouwtje vormde De Voorhof een geheel met de kerk, zodat je van de ene naar de andere ruimte kon lopen zonder naar buiten te hoeven.

   
Mevr. Sturm met vrijwilligers                                                               vrijwilligers bij de bouw van De Voorhof (foto’s: Hoogeveensche Courant)    


Het was gelukt om het gebouw binnen een jaar te realiseren. De naam ‘De Voorhof’ was een bedenksel van Ineke Bakker, dochter van oud-kerkvoogdijlid Bakker uit Fluitenberg. Ze kreeg hiervoor een boeket bloemen en een boekenbon. Ze had maar liefst 51 concurrenten, althans dat was het aantal namen dat werd ingediend door gemeenteleden.
Tot de sprekers behoorden o.a. ds. A.W. Kranenburg uit Hoogeveen en D.J. Stapel. De laatste sprak namens de zondagsschool uit blij te zijn met de nieuwe mogelijkheden. Oud-kerkvoogd J.L. Pol verklapte dat de eerste plannen er al in 1959 waren: de eigenlijke bouw was heel wat sneller verlopen. Hoofd van de school Gerrit Oortgiesen sprak namens de jeugdraad, die een behoorlijke financiële bijdrage had geleverd. D. van Laar namens het College van Toezicht roemde de offervaardigheid van de bevolking. Immers waren in korte tijd een nieuwe pastorie én dit nieuwe gebouw verrezen, terwijl ook in de kerk zelf grote verbeteringen waren aangebracht.


Gedenkstenen in de muur van De Voorhof; de eerste steen uit 1908 zat dus niet in deze muur maar in het losstaande lokaal, en de ‘herbouw’ van 1966 was meer een nieuwbouw.   

 


De kerk met De Voorhof 

 

Voor de kerkvoogdij was het bezit van De Voorhof een geschenk, want de zaal werd regelmatig verhuurd aan gezelschappen. Zo stelde de vergadering van de kerkvoogdij in 1983 voor het gebruik van De Voorhof een bedrag vast van fl. 200 indien men bij een begrafenis gebruik wenste te maken van de zaal. Voor leden van de Hervormde Gemeente gold een bedrag van fl. 75. Voor bruiloften werd er fl. 75 huur gerekend; kerkleden betaalden fl. 50. De kerk was gratis voor kerkleden maar voor niet-leden rekende men fl. 200. Daar kwamen vaak nog de opbrengsten van verteringen bij en al met al was De Voorhof dus een klein melkkoetje voor de kerkvoogdij.


 

 

 

 

 

 


De kerkklok en de toren

 

 

 

 

 

 

 


De bronzen klok in het torentje dateert uit de beginperiode van de kerk. Het opschrift luidt: “Gegoten door A.H. van Bergen te Heiligerlee 1877/ gemeente Pesse”. In de Tweede Wereldoorlog heeft de klok een ‘uitstapje’ gemaakt naar Zuidwolde. De bezetter had onze kerkklok meegenomen, maar de Duitsers vonden hem toch te licht om hem om te smelten. De klok van Zuidwolde werd wel weggehaald; onze klok werd toen daar opgehangen. In 1946 heeft Pesse de klok van de Zuidwoldigers terug ontvangen.

       x

Klokkenluider L. Jalving in 1986; (foto archief Hist. Kring Hoogeveen)     

     


De heer Jalvingh heeft veel voor de Hervormde kerk van Pesse gedaan. Uit erkentelijkheid kreeg hij in 1984 een oorkonde en een gouden insigne. De tekst van de oorkonde luidt:
“Het hoofdbestuur van de vereniging van kerkvoogdijen in de nederlandse hervormde kerk heeft bij besluit van 26 juni 1984 op voordracht van het college van kerkvoogden van de hervormde gemeente te Pesse aan Lambertus Jalvingh geboren te Oosterhesselen op 4 Februari 1904 toegekend het Draaginsigne in Goud wegens het vervullen van de functies van respectievelijk notabel, secretaris-kerkvoogd en klokluider gedurende ruim drie en veertig jaren.”
De oorkonde maakt deel uit van het archief van de Hervormde kerk.

Een uur voor aanvang van de dienst werd de klok geluid. En tijdens het naar binnengaan van de kerkenraad en predikant bij het begin van de dienst evenzo. Het luiden gebeurde op de galerij; daar hing een touw dat de klokkenstoel in beweging bracht. Meestal trok de koster of kosteres aan het touw, maar kinderen mochten op speciaal verzoek wel eens helpen. Vroeger werd bij een sterfgeval de dode ‘verluid’: dan luidde de klok. Bij begrafenissen luidde de klok bij het uitdragen van de kist uit de kerk.
In 1990 bleef het een paar zondagen stil. De 25 meter hoge toren had onderhoud nodig. Toen hij naar beneden was getakeld, bleek het houtwerk rot. Het werd vervangen en gerepareerd door aannemer Moes. Met een kraan werd het gevaarte weer op zijn plaats gezet en sindsdien riep de heldere klokkenstem de mensen weer naar de kerk.

     



Herstelwerkzaamheden aan de toren      (Foto's  Hoogeveensche Courant)

 

    

x             


Bij de restauratie van de kerk in 1966 werden overigens ook de kerkbanken vervangen. De gemeente mocht kiezen uit drie modellen.

 


-0-0-0-0-0-

 


 

 

 

 

 


3.5 De orgels

 

 

 

 


In 1901 vergaderde de kerkenraad. Er moest een organist komen, want actieve ds. Elie Saraber had voor een orgel gezorgd. Tot die tijd deed men het met een voorzanger, een speciale functie in de kerkgemeenschap, die soms gecombineerd werd met de functie van koster. De eerste organist was G. Blanken. Hij kreeg een jaarwedde van fl. 50. Dat was redelijk wat geld in die tijd want de nieuwe kostersfunctie werd in 1903 slechts met fl. 20 beloond. Volgens het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis had fl. 50 in het jaar 1901 een "koopkracht" van fl. 1 407.70 (= € 638.79) in het jaar 2015.
In 1907 droeg ds. Saraber het orgel over aan de kerkvoogdij. Er werd fl. 25 voor betaald.

x


In 1911 kocht de kerk een nieuw orgel bij Proper & Van der Wal, piano- en orgelhandel te Kampen voor fl. 427,50. Fl. 300 werd contant betaald en de rest binnen een jaar na levering. Het oude orgel werd door de leverancier meegenomen. In het archief zit nog het garantiebewijs voor 20 jaar voor het kerkorgel, d.d. 24 februari 1911. De gemeente zou het orgel echter geen twintig jaar houden.
De gemeente was namelijk niet zo tevreden over het nieuwe orgel. De leverancier uit Kampen stelde voor het orgel om te ruilen voor een gebruikt exemplaar, dat echter nog opgebouwd moest worden. Dat orgel stond in het Overijsselse Heemse en was daar ‘overcompleet’. Het bedoelde orgel was in 1806 aan de gemeente van Heemse geschonken door de barones Clara Feyoena van Raesfelt, geboren Van Sytzama. Pesse mocht het orgel kopen maar moest bij eventuele verkoop in de toekomst de eerste koop gunnen aan de gemeente van Heemse. Zo geschiedde. (In 1960 is het orgel dan ook weer terug gegaan naar Heemse.)
Het ‘nieuwe’ orgel werd in Pesse opgebouwd, en er werd in december 1910 een instructie geschreven voor een orgelpomper of blaasbalgtrapper. Er werd een vergoeding voor gereserveerd van fl. 20 per jaar. “Ds. Westenburg herdacht met dankbaarheid hoe de gemeente zelve een behoorlijke som had bijeengebracht, maar uit andere oorden des lands op verrassende wijze was geholpen” bericht het tijdschrift Het Orgel in oktober 1919. “Pesse is een van die kleine plaatsen, waar het verlangen naar een behoorlijk orgel uitging van een werkelijke behoefte naar iets schoons, en waar de middelen om dit te bereiken zeer schaarsch zijn.“

   

Het oude orgel afkomstig uit Heemse in de kerk  te Pesse. Dit is de oudste foto van het interieur van de kerk die ik vond. De opname is van voor de verbouwing aan de voorgevel. 

                                                          Foto rechts:  het Clara Feyoena orgel in Heemse, na de restauratie maar zonder de beelden erop

 


Orgeltrapper


Om geluid uit een orgel te krijgen, moet er lucht door de orgelpijpen kunnen stromen. Tegenwoordig hebben we daarvoor een blaasbalg die volgepompt wordt door een elektromotor, (denk voor de werking maar aan een opblaaskussen op de braderie) maar in vroeger tijden moest de blaasbalg op een andere manier gevuld worden. Daartoe staken er aan de zijkant uit de orgelkast twee balkjes van zo'n 10 cm breed, die verbonden waren aan een pomp die de blaasbalg vulde. Erboven was een handgreep bevestigd. Een man (vrouwen deden dit werk niet) trapte om en om op de beide balken en hield zich daarbij vast aan de handgreep. Zo vulde de balg zich met lucht. Voor de organist kon gaan spelen, moest dus eerst de blaasbalg worden gevuld. Een ouder gemeentelid dat destijds als jongeman tijdens de dienst met kameraden op het balkon naast het orgel zat, herinnert zich nog goed hoe dat ging. Dat pompen zal niet zo geruisloos gewerkt hebben als we tegenwoordig gewend zijn. Bij lange liederen of veel liederen achter elkaar was het bovendien best zwaar werk.
Er werd een orgel- of blaasbalgtrapper aangenomen. Dat was een klusje voor de schaapherder Okken, destijds bij de bevolking beter bekend als “Okkies”. Door de week hoedde Okken een kleine kudde schapen op de hei tegenover de kerk. Hij woonde aan de Kampiepensweg. In 1925 kreeg Okken fl. 20 per jaar voor het trappen op het orgel. In 1941 zou zijn vergoeding gestegen zijn naar fl. 55 per jaar. Men had uitgezien naar een automatische, elektrische blaasbalg, maar die moest fl. 290 kosten. Dat was toen nog te veel. Voor fl. 100 had men een nieuwe blaasbalg.
Vanaf 1941 was er een jaarlijks contract met dhr. Ruif voor ƒl. 15 per jaar om het orgel te onderhouden.


Een dubbeltje voor de muziek


“Mijne heren, Ik grijp in uiterste nood naar de pen. Het orgel waarmee ik elke zondag de gemeentezang begeleid en waarmee de eredienst luister wordt bijgezet als zijnde daarin een onmisbare schakel, is zo slecht dat er, ondanks alle pogingen daartoe, geen fatsoenlijke toon uit te voorschijn is te halen.” Zo richtte de organist van de Ned. Hervormde kerk van Pesse, de heer Harm Jan Muller, zich in 1957 tot de kerkenraad. Hij vertelde natuurlijk niet veel nieuws. Het was iedereen allang opgevallen dat het orgel dat veertig jaar geleden overgenomen was uit het Overijsselse Heemse volkomen ‘op’ was. Een commissie van deskundigen oordeelde dat restauratie geen zin meer had. Hoewel de buitenkant er nog prachtig uitzag, was het beter om een nieuw instrument te kopen. Al zou men het machtige front van het oude orgel nog wel gaan missen, met de drie beelden bovenop de pijpenkast.
Maar hoe kwam de gemeente aan geld voor een nieuw instrument? Een ouderling kreeg spontaan een idee: we gaan een actie houden met als motto: ‘een dubbeltje voor de muziek’. Zo werd er een fonds gevormd. Veel aanmoediging had de gemeente niet nodig: de dubbeltjes kwamen en groeiden met de welvaart mee en werden guldens. De toenmalige predikant, ds. A. J. de Bue, toonde zich tegenover de Hoogeveensche Courant zeer tevreden over de doortastendheid zonder veel woorden van de gemeente. Er was dank zij een ander fonds ook al een goede verwarming gekomen. En er stonden nog meer dingen op het programma zoals een plan om het hele interieur op te knappen. De dominee twijfelde er niet aan of het zou in orde komen. Het nieuwe orgel kostte destijds fl. 35.000. Dat was een hoop geld.


Clara Feyoena’s geschenk gaat terug


Het oude orgel ging volgens afspraak terug naar waar het vandaan kwam: naar Heemse. De predikant daar, ds. E.J. Loor, was er geweldig mee in zijn sas. Met steun van Monumentenzorg werd het orgel gerestaureerd en in het dertiende-eeuwse kerkje van Heemse opnieuw geïnstalleerd. De gift van Clara Feyoena was op zijn plaats terug. Restauratie was dus wel terdege mogelijk.
Wie denkt Clara Feyoena niet te kennen of wie juist denkt: waar heb ik die naam vaker gezien: in het (oude) liedboek voor de kerken staan twee gezangen van haar hand. Ze is o.a. bekend om deze veel gezongen regels:
Hoe ras of traag de tijd verdwijnt,
die dag zal zeker komen.
Het licht, dat aan de kim verschijnt,
wordt reeds van ver vernomen.
Ja, halleluja, ja Hij komt!
Juicht, mensen, eng’len, samen,
juicht met een vreugd die ’t al verstomt,
juicht allen! Amen, amen!
Typisch zo’n lied en melodie waarbij de organist ‘vol op het orgel’ gaat.

 

 

De smaak van de Pessenaren


Het nieuwe orgel was er gekomen bij de restauratie van 1966, nadat een commissie talloze kerken bezocht had om zich te oriënteren. Vooral de Noordoostpolder bleek een goed gebied daarvoor: dat leek wel een permanente tentoonstelling van orgelbouwers. De keus was gevallen op een mechanisch instrument van orgelbouwer Flentrop in Zaandam. Er werd een ‘positief’ instrument gekozen, dat veel mogelijkheden had. De klank werd aangepast naar de ‘smaak’ van de Pessenaren, die volgens de krant “niet direct gesteld zijn op harde muziek die bovendien schel klinkt, iets wat de moderne mens mooi schijnt te vinden.” De stijl van de kast met haar vijf rechthoekige pijpvelden was een moderne variant van de drie torens met middenvelden.

 

        

Afstellen van de pijpen.   De heren Meek en De Ruiter van orgelbouwer Flentrop stellen het orgel af. Ds. De Bue kijkt belangstellend toe.   (Foto Hoogeveensche Courant)


Het afstellen van de 400 tinnen pijpen was nog een heel werk destijds. Kloppen, uitboren en afzagen, het was een hele dag werk voor twee man. De acht grootste orgelpijpen waren van koper. Met hun zware klanken zouden ze nog een halve eeuw door het kerkje schallen. De briefschrijver, Harm Jan Muller, die het proces min of meer in gang had gezet, was die avond niet aanwezig, maar zijn opvolger, de negentienjarige kweekschoolleerling Ab Westers, verheugde zich er al op, op dit orgel te mogen spelen.



     

Het Flentrop orgel,  midden: met de schakelaar voor de blaasbalg in 2016             

                       

 


In het archief een briefje van 15-12-1967 van P. van Slageren die zijn ontslag als organist aankondigt en een nieuwe aanbrengt: dhr. Joh. Kikkert uit Hoogeveen. Deze rekent op een vergoeding van fl. 400 per jaar. En in een brief van okt. 1973 van orgelbouwer Flentrop lezen we dat het orgel ‘bijzonder ontstemd’ was, waarschijnlijk doordat het gestemd was door iemand die daar ‘bepaald niet capabel’ voor was, zodat de stemmer extra tijd nodig had om het pijpwerk weer in goede conditie te brengen. De kerkvoogdij wordt geadviseerd erop toe te zien dat het orgel alléén door de orgelstemmer wordt gestemd.


Vijftig jaar organist

   


Tot het eind in 2016 heeft het orgel zijn dienst gedaan. Het was een echt kerkorgel, met een machtige klank, die het gebouw geheel kon vullen. De Pesser onderwijzer Bert Kruidhof heeft 44 jaar het orgel in de kerk van Pesse bespeeld. Voor en na de dienst varieerde hij nogal eens op toepasselijke melodieën, ook wel van ‘profane’ liederen. Als hij na de dienst waarin een begrafenis werd afgekondigd in het naspel het orgel in ijle tonen het lied van Ede Staal “'t Het nog nooit, nog nooit zo donker west Of 't wer altied wel weer licht” liet zingen, dan waren vast meer mensen dan alleen de schrijver van dit boek geroerd.
Voor zijn 50 jaren trouwe dienst als organist kreeg Bert in augustus 2013 het “Draaginsigne in goud met briljant van de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de Protestantse Kerk in Nederland” en een oorkonde. Overigens speelde hij vanaf 1972 in Pesse. Als 14-jarige jongen was hij begonnen met orgelspelen op het Hogeland in Groningen, vandaar het jubileum van een halve eeuw organist.

 

Kruidhof haalt in het volgende fragment enkele herinneringen op aan het door hem zo gewaardeerde Flentrop-orgel:


Het orgel in de Hervormde kerk van Pesse


Toen was het de “stille zaterdag” in 2016! De laatste keer dat ik een dienst heb mogen begeleiden op “’t Flentroppie” uit Zaandam: zo noemde ik het orgel altijd.
Dat was best moeilijk, niet alleen voor mij als organist, maar voor velen die het orgel al jaren hebben horen spelen. Men wilde mij ook laten spelen op de paaszondag, de allerlaatste keer, maar dat was zeker een “tranendal” geworden. Ik stond niet ingeroosterd en wilde de andere organist niet voor de voeten lopen.
Zo was het goed om afscheid te nemen van een werkelijk goed orgel. Lekker pittig, goed onderhouden door de firma uit Zaandam. Geen wonder, dat Flentrop het orgel weer terug heeft gehaald, want dit orgel was een goed instrument.


’t Flentroppie met luiken


Natuurlijk is er wel het een en ander gebeurd. Ik heb een keer een orgelpijp uit het orgel meegenomen om die op de school, waar ik toen werkte, te laten zien. Of die keer dat er heel veel elektronica was aangesloten op de contactdoos van de windmotor. Geen idee waar die stekker voor was, want ik wist van niks en trok die uit het stopcontact. De video/radio/tv-man was helemaal in paniek. Ik had al z’n apparaten op zwart gezet vlak voor een belangrijke dienst. De mensen in de kerk hebben er gelukkig niks van gemerkt.

Het orgel had twee “luiken”. Op Goede Vrijdag stonden aan het begin van de dienst de luiken nog helemaal open. Tijdens de dienst gingen de luiken steeds verder dicht, zodat het geluid gesmoord werd. Daar moest je mee oppassen, want de winddruk moest wel weg kunnen en het begon dan ook vals te klinken. Navraag gedaan: men heeft de valse tonen niet gehoord.
Op die stille zaterdag in 2016 was het orgel ook “gesmoord”. Haast niet te geloven hoe ik me toen voelde. Met dicht geknepen keel heb ik die dienst gespeeld en heb bij het verlaten na die dienst een traantje gelaten.
“Flentroppie”, ik hoop dat ik je nog ooit eens weer ergens anders mag horen! Pesse mist je!

Bert Kruidhof”

 


-0-0-0-0-0-

 

 


 

 

 

3.6 Jubilea

 

 

 

 

 


Viering honderd jaar Hervormde Gemeente van Pesse, 1971

Zes predikanten van de Hervormde Gemeente van Pesse, die elkaar in 1971 ontmoetten bij het 100-jarig bestaan van de Hervormde Gemeente en het kerkgebouw. Van links naar rechts: de toenmalige predikant ds. D.C.C. Stap (1968-1986); ds. A. Sturm (1964-‘68); ds. A.J. de Bue (1960-‘64); ds. A. van Ginkel (1954-‘59); ds. H.G. van Beusekom (1948-‘53); en ds. L. Seinhorst (1929-‘47). (Foto in archief van de Historische Kring Hoogeveen). 

x      x

Op zondag 28 november 1971 werd in een bijzondere dienst het honderdjarig bestaan van het kerkgebouw gevierd. De dienst stond onder liturgische leiding van de toenmalige predikant ds. D.C.C. Stap. De 76-jarige ds. L. Seinhorst, die hier predikant was van 1929 tot 1947, zinspeelde op de strijd om onafhankelijk van Ruinen te worden. Opmerkelijk is dat ds. Seinhorst in zijn preek hetzelfde aanstipte als zijn jonge collega, ds. G. van Zanden, 45 jaar later in de afscheidsdienst. Beiden benadrukten: “De kerk is geen stichting van de mensen maar een zaak van de Heer.” Ds. Van Zanden voegde daaraan toe als troost: “De kerk is niet dit gebouw waar wij node afstand van doen, maar de kerk, dat bent u, dat zijn wij samen. En God laat zijn kerk niet in de steek.” Ds. Seinhorst sprak aan het eind van zijn preek de hoop uit dat “de boodschap van het woord van God tot in lengte van dagen in deze kerk mag doorklinken en velen tot bemoediging zal zijn in leven en sterven.” Weinig zullen de aanwezigen toen bevroed hebben dat minder dan een halve eeuw later het kerkgebouw verkocht zou zijn en de Hervormde Gemeente opgegaan met de Gereformeerde broeders en zusters in een nieuwe vorm: de Protestantse Gemeente te Pesse.


Domineeskinderen


Er waren ook cadeaus: ds. Stap bood namens de kerkenraad aan de kerkvoogdij een nieuwe kanselverlichting aan, en mevrouw J. Stap-Cieraad bood namens de Hervormde vrouwengroepen van Stuifzand en Pesse drie kanselkleden aan in de kleuren van het kerkelijk jaar. Van de oud-predikanten was er een exemplaar van het Nieuwe Testament en een liturgische handleiding voor de avondmaalstafel.
Namens de aanwezige ‘domineeskinderen’ die in de oude pastorie hebben gewoond, sprak ds. Paul Saraber, predikant in Abcoude. Hij legde als zoon van de actieve dominee E. Saraber de eerste steen voor het bijgebouw. Hij herinnerde zich die eerstesteenlegging nog goed: een bijgebouw, een lokaal, bij een kerk was destijds iets heel bijzonders.


Eerste kanselruil sinds honderd jaar


De Gereformeerde predikant uit Pesse, ds. Van Heyst, noemde de goede verstandhouding tussen beide kerken een verblijdende zaak, vooral omdat in het verleden de samenwerking niet altijd optimaal was. Dat mag men, zoals we in het voorgaande zagen, wel een understatement noemen. Hij betreurde het ‘dat wij nog steeds niet één zijn’. Burgemeester K. de Boer sprak namens de burgerlijke gemeente Ruinen en ds. A.W. Kranenburg namens de ring Hoogeveen, de classis Meppel en de provinciale kerkvergadering Drenthe.
Ds. J. de Bruin van de Hervormde Gemeente in Ruinen was er om de band tussen beide gemeenten weer een beetje te herstellen. De tijd heelt vele wonden, vond hij en kondigde voor 26 januari 1972 de eerste kanselruil tussen Pesse en Ruinen sinds honderd jaar aan. Honderd jaar…
Tijdens de receptie in De Voorhof haalden de gasten herinneringen op en werden oude banden verstevigd.
Honderdvijfentwintig jaar Hervormde Gemeente Pesse
In zijn meditatie in het kerkblad Onze Gemeente van november 1996 stond ds. A.H. van Veluw stil bij het 125-jarig jubileum. Hij deed dit naar aanleiding van dezelfde tekst als die waarmee ds. Damsté in 1871 de kerk inwijdde, namelijk Haggaï 2:10. In de kerkdienst van 1 december werd stil gestaan bij het jubileum. Het kerkblad Onze Gemeente bracht een speciaal ‘Herdenkingsnummer’ uit (jrg. 55, nr. 10A) met stukjes over en foto’s uit het verleden van de kerk. Enkele van die foto’s zijn in dit boek opgenomen.

 


-0-0-0-0-0-0-


 

 

 


3.7 Bazaars en snuffelmarkten

 

 


De laatste tientallen jaren kenden we in Pesse het verschijnsel ‘snuffelmarkt’. Een ludieke manier om mensen op een gezellige manier bijeen te brengen en tegelijk fondsen voor het onderhoud van de Hervormde kerk te genereren. Het verschijnsel is echter al ouder dan de snuffelmarkten. Zo ligt er in het archief een ‘Rekening en verantwoording van gelden der Bazar gehouden ten bate van de Kerkvoogdij der Ned. Herv. Kerk te Pesse op 3 en 4 november 1937.’
Een paar opvallende zaken uit deze rekening. Er werden vier rollades aangeschaft bij vier verschillende slagers; drie keer een van fl. 1,88 en een dure van fl. 2,--. Vier taarten uit Hoogeveen à fl. 1,50 per stuk. Er werd een tent opgezet en dat kostte natuurlijk geld: “Huur van de tent & benodigdheden fl. 30,75 en aan J. Oostijen voor opbouw van de tent: fl. 19,10”.
De totale kosten bedroegen fl. 201,70. Gelukkig stonden daar flinke inkomsten tegenover. De opbrengst van beide bazaravonden: fl. 543,69. Giften in geld: fl. 120,65.
Verloting fl. 129,50 en verder o.a. via ‘het raden der pop’ ruim 35 gulden. Totaal kwam er maar liefst fl. 836,03 binnen, dus was er een batig saldo: fl. 634,33. Voor die tijd een resultaat om blij van te worden.

Fietsvierdaagse


De kerk lag mooi centraal tussen Stuifzand, Fluitenberg en Pesse, en bovendien aan een landschappelijk mooie weg. De Drentse Fiets- (of Rijwiel-)vierdaagse kwam nogal eens langs deze route. Dat bracht de vrouw van ds. Stap en de buren, de heer en mevrouw Kloosterman in 1976 op het idee om die vakantiegangers eens uit te nodigen op het kerkplein en ze koffie en ‘knieperties’ (heel dunne Drentse wafeltjes) aan te bieden. Ook was vanaf het begin de familie Ham actief betrokken. Tevens kon het kerkgebouw bekeken worden en er kwam een verkoopmarkt.

 

 x

x

x

 De financiële verantwoording van een bazaar in 1937     


In de kerkbode van 1979 staat een stukje van mevrouw Stap, de vrouw van de toenmalige predikant, over de snuffelmarkt 1979 op woensdag 11 juli.                  

 

x


Citaat van een deel ervan:
“Graag willen wij een beroep doen op uw hulp, voor maandag 9 en dinsdag 10 juli. Elke avond vanaf zeven uur in “De Voorhof”. Dinsdagavond 10 juli hebben we mannen nodig voor opbouw van de kramen, versiering met vlaggetjes kortom het klaarmaken van het terrein rondom de kerk. Wij kunnen ook uw hulp goed gebruiken! Wie meldt zich nog aan? Opgeven bij Mevr. Stap.
Wat we nog goed kunnen gebruiken?
Gezien de ervaringen van vorig jaar willen we allereerst graag hebben: eigengebakken krentebroden, cakes, knijpertjes. Vorig jaar waren de fietsers erg hongerig; we hopen dat ze het dit jaar ook weer zijn. Laten we ze niet hoeven teleur te stellen.”
Al snel werd de snuffelmarkt een jaarlijkse traditie. De eerste jaren werd de markt gehouden op de dagen dat de meeste fietsroutes langs de kerk kwamen. Later was het op een zaterdag in mei of juni. De opbrengst was altijd bestemd voor het onderhoud van de kerkelijke gebouwen. In al die jaren hebben natuurlijk heel veel gemeenteleden hun steentje bijgedragen aan het welslagen van de markt. In 2015 is er na 39 jaar helaas een einde aan de snuffelmarkten gekomen.

 

    x

Op de laatste snuffelmarkt in 2015        x


Niet zomaar een rommelmarkt


Het ging niet om een gewone rommelmarkt, maar vanaf het begin werd het snuffelmarkt genoemd omdat het meer was dan de verkoop van tweedehands goederen. Zo waren er allerlei activiteiten als het Rad van Avontuur, schieten om de titel ‘Schutterskoning’, het raden van de waarde van een voedingswarenpakket, of de naam van een pop. Er was koffie en dergelijke te koop en altijd waren er de vers gebakken knieperties en oliebollen.
Een belangrijk onderdeel, gehouden in de weken voor de snuffelmarkt, was de loterij. Voor de loterij moesten dingen aangeschaft worden, tweedehands spullen voor de kramen verzameld, het was altijd een hele klus. Mevrouw Stap en later vooral Annie Schonewille, wisten een soort vaste kern van mensen bijeen te brengen die jaren achtereen hun beste beentje voor zetten. Alle winkels in de buurt en de omgeving werden afgestruind om de snuffelmarkt te steunen, bijvoorbeeld door loterijprijzen beschikbaar te stellen. Op de dag zelf werden de winnende loten getrokken. De echte rommelmarktliefhebbers van heinde en verre waren vaak al vroeg van de partij maar pas als om half negen ’s ochtends de kerkklok geluid had, was de markt open. Op zo’n dag was het kerkplein een ontmoetingsplek voor ‘vreemden’ en gemeenteleden en het was altijd heel gezellig. Zo ging het vele, vele jaren.
In het verleden werden alle aangeleverde tweedehands spullen opgeslagen in de schuur van de familie Vogelzang. Toen dit niet meer kon, werd de mensen verzocht de spullen zoveel mogelijk de dag voorafgaande aan de snuffelmarkt te brengen. Als dit echt niet mogelijk was, kon men de spullen in de garage achter de kerk kwijt.
De voorbereidingen begonnen voor sommigen al maanden van tevoren. Dan werden door creatieve gemeenteleden allerlei mooie en lekkere dingen gemaakt, als kledingstukken, gebreide sokken, bloemenmandjes, zelfgebakken cakes en taarten, etc.

xxx

 

Oliebollen werden overigens niet alleen gebakken tijdens de snuffelmarkten, maar ook voor de Oudjaarsacties waarbij de kerkleden heerlijke oliebollen thuisbezorgd konden krijgen, ook voor de financiering van het onderhoud van de kerkelijke gebouwen.


Welkome financiële steun


Met de opbrengst van de snuffelmarkt werd de kerkvoogdij financieel gesteund bij haar onderhoudswerkzaamheden. Zo zijn door de jaren heen de volgende projecten gefinancierd:


• Aanschaf nieuwe verwarmingsketels in de kerk en in De Voorhof;
• Banken op de galerij;
• Renovatie in het interieur van de kerk, bijvoorbeeld muren stukadoren;
• Dakbedekking op De Voorhof;
• Bestrating om de kerk; dit was een van de eerste projecten die door snuffelmarktgeld betaald konden worden;
• Nieuwe stoelen in De Voorhof;
• Restauratie van de kerktoren;
• Opknappen van de pastorie.

De laatste jaren was de opbrengst jaarlijks zo rond de 3000 euro. In het verleden heeft de markt wel eens meer opgebracht, maar doordat er geen opslagruimte meer beschikbaar was, ging de laatste jaren aan het eind van de snuffelmarkt alles naar de stort en wat nog bruikbaar was, werd opgehaald door recyclingbedrijf/ tweedehandswinkel Het Goed in Hoogeveen. De laatste twee jaar werd de markt gehouden samen met de Gereformeerde Kerk. De snuffelmarktcommissie had de 40e snuffelmarkt graag ook nog willen organiseren, maar doordat de Hervormde kerk verkocht werd, heeft de commissie besloten dat de markt van 2015 de laatste was geweest. Dat was het einde van een mooie traditie want het was altijd een heel gezellige markt met veel enthousiaste mensen die hebben meegeholpen deze markten tot een succes te maken.
(Dit stuk kwam tot stand met medewerking van Annie Schonewille)

 

x

      

Tijdens en na een grote opknapbeurt die o.a. mogelijk werd door de jaarlijks gehouden “snuffelmarkt” (foto's uit jubileumnummer kerkblad)


Vrijwilligers voeren groot onderhoud uit aan De Voorhof   


Veertig jaar administrateur


In februari 2010 was Henk Klaster maar liefst veertig jaar aaneen de administrateur van de Hervormde Gemeente te Pesse. Hij ontving uit handen van burgemeester Koetje van Hoogeveen de onderscheiding Ridder in de orde van Oranje Nassau en van Berend Schonewille namens het College van Kerkrentmeesters een oorkonde namens het hoofdbestuur van het Kerkrentmeesterlijk Beheer in de Protestantse Kerk in Nederland. Hoewel zelf niet Hervormd, was Henk ‘erin gerold’ omdat men destijds niemand voor de functie kon vinden en hij vanuit zijn baan bij het waterschap met financiële zaken goed op de hoogte was. Henk merkte in zijn dankwoord op dat hij 40 jaar geleden al de stap gezet had van “Samen op Weg” omdat hij toen al als Gereformeerd man werkzaamheden ging doen voor de Hervormde gemeente. Henk heeft zijn werk voor de kerk tot juli 2015 ‘met heel veel plezier’ gedaan.

xx         

 


-0-0-0-0-0-

 


 

 

 


3.8 Het kerkinterieur

 

 

 

 


Mevrouw M.R. Hilbrandie-Meijer heeft in haar boek ‘Kerken in Drenthe. Beschrijving van 50 kerken en hun cultuurbezit’ ook het interieur van de Hervormde kerk van Pesse beschreven.
Het ‘oudste’ voorwerp in het interieur was de avondmaalstafel. Deze tafel was samengesteld uit oude onderdelen van een zeventiende-eeuwse voorganger in renaissancestijl. Kenmerkend waren de balustervormige bolpoten, de met ebbenhout ingelegde cannelures en de boogjesranden.
De preekstoel was uit de tijd van de bouw en was in diverse tinten groen geschilderd. De zeszijdige kuip op de bolgewelfde onderkuip en betonnen voet (de laatste van de restauratie in 1996) werd gevormd door kussenpanelen, op de hoeken begrensd door een effen halfzuil met een ‘diamantknop’ in het kapiteel. De friezen van de kuip en het klankbord droegen geprofileerde lijsten.

 

 

De originele preekstoel, het doopbekken, de avondmaaltafel en het avondmaalstel           

   

   


Het avondmaalstel was van tin en gedeeltelijk gemaakt door de firma Hendrik Kamphof in Zwolle, die daar gevestigd was van 1864 tot 1961. Het stel bestond uit een schenkkan, een schotel, twee borden en twee bekers. Het doopbekken van zilver was afkomstig van de firma Van Kempen en Begeer uit Voorschoten. Het bestond uit een wijde schaal en een gewelfd deksel, getopt met een kruisje. Het bekken dateert uit ongeveer 1962.

De drie grote en vier kleinere kaarsenkronen werden in de periode van de restauratie in 1966 aangeschaft. Een van de grote kroonluchters is geschonken door Provinciale Staten van Drenthe, een standaard cadeau en een gebaar van waardering van de provincie bij de voltooiing van de restauratie van de kerk. In 1996 werden ook de banken in het schip vernieuwd.

     

kroonluchters 

       

De hal voor de toiletten, verbinding met De Voorhof./ Eerste steen van het bijgebouw Soli Deo Gloria en daaronder van de zgn. herbouw, dat is de nieuwbouw van De Voorhof.  /   Een van de glas-in-loodramen

de kerkzaal gezien vanaf het balkon

    

de kerkzaal vanuit de deur gezien

 

en vanaf de kansel

boven, op het balkon

Enig achterstallig onderhoud was er wel. 

kerkzaal gezien vanaf de kansel 

     

op het balkon

 

 


 

 

 

 

3.9 Iets over het jeugdwerk vroeger

 

 

 

 

 


Ook in vroegere tijden deed de kerk al aan jeugdwerk. Zo waren er in de Hervormde Kerk van Pesse een ‘Jongelingsvereniging’ voor jonge mensen vanaf ongeveer 16 jaar, een ‘Knapenvereniging’ voor 12 tot 16 jarigen, en een meisjesvereniging. Van de meisjesvereniging heb ik niets in het archief gevonden; van de beide andere verenigingen is er nog een notulenboek. Daarin hebben de jeugdige leden zelf verslag gedaan van de wekelijkse ontmoetingen.


De Knapenvereniging David


Het boek van de Knapenvereniging begint op 20 december 1954. Ik citeer een paar stukken, omdat ze een mooi tijdsbeeld geven.


‘Notulenboek van Ned. Herv. Knapenvereniging ‘David’ Te Pesse. 12 December 1954’
“Ledenvergadering v.d. Ned. Herv. Knapen Vereniging “David” Te Pesse, gehouden 20 December 1954. Met een aantal van 22 leden kwamen we bijeen. Op deze bijzondere vergadering nl. een kerstavond heette de voorzitter ons allen een hartelijk welkom. Wel in ’t bijzonder ons nieuwe lid dat we in ons midden hadden Genaamd Dirk Rubing. De voorzitter hoopt dat hij onze vereniging regelmatig en nog lang zal bezoeken. Hoewel er geen kerstboom was zongen we toch kerstliederen. En hielden ons dus ook bezig met Lucas 2.“
Niet altijd is de opkomst zo groot. Soms maar zes leden, en op 24 februari 1965 gaat de vergadering helemaal niet door wegens te geringe opkomst. Het notulenboek eindigt, hoewel het boek nog lang niet vol is, met een levendig verslag van het jaarfeest in 1965.


“Notulen van het Jaarfeest
Jaarfeest 3 Maart 1965 van de gezamenlijke jeugdverenigingen Pesse en Stuifzand in “Ons Dorpshuis” te Stuifzand. We begonnen om half acht. Ds. Sturm deed het openingswoord en ging ons voor in gebed. Daarna volgde een samenzang (…) en vervolgens werd het toneel vrijgemaakt voor de meisjesvereniging “ODS” te Pesse. Het stukje heette: ‘Geloof, hoop en liefde’ en het stond onder leiding van mej. K. Pol. Na een kleine pauze viel de beurt aan de jongensvereniging van Stuifzand die met een klucht op de planken kwamen genaamd ‘De zangvereniging van Botjesdam’ dat onder leiding stond van de heer W. Drent. Het werd voor de boerjes (? sic) een succes, dat bleek uit het daverende applaus. De meisjesvereniging van Stuifzand had dit jaar geen stukje maar had een muziekgroepje dat het programma vervolgde. De instrumenten waren drie gitaren hetgeen een prachtig (is doorgestreept en vervangen door) aardig geheel vormde. En als vijfde programmanummer volgde onze vereniging met ‘De Brillenkoopman’. Het stukje was niet groot maar wel heel komisch. Ook voor onze knapenvereniging gold een welverdiend applaus.”
Dan is er pauze met gelegenheid om een consumptie te gebruiken “hetgeen ook wel gedaan werd”. In de pauze kreeg mej. Pol bloemen; zij stopte met de leiding van de meisjesvereniging ODS omdat ze ging trouwen.
“Het programma werd vervolgd met het grote toneelstuk ‘Jij bent een vreemde’. De spelers werden aan ons voorgesteld door de heer G. Oortgiesen. Het stond onder leiding van mej. Koerts uit Hoogeveen.’ Tussen de drie bedrijven trad de zanggroep nog eens op en het ‘sluitingswoord werd gedaan door de heer G. Oortgiesen. We zongen nog Gez. 228:1,2,3 en 6. Toen was het twaalf uur. De avond was heel prettig en smaakvol.
(w.g.) De secretaris J. Bulder”.

 

x

 x

 

De Jongelingsvereniging Immanuël


Ik citeer ook een en ander uit het ‘Notulenboek van de Christelijke Jongelingsvereeniging (opgericht 6 Februari 1928) “Immanuël” te Pesse’.

Eerste blad: “Vergadering op Maandag 6 Februari in de Consistorie der Ned. Herv. Kerk te Pesse”.
“Aanwezig waren: Roelof Strijker, Jan Strijker, Albertus Slomp, Walter Waninge, Evert Duinkerken, Albert Bork, Koop Steenbergen, Sent Waninge, Jan Knol, Gooszem Meester en Willem Loof en Ds. Pijlgroms. De laatste opent de vergadering met gebed en houdt daarna een korte inleiding over Matth. 17:1-9 over de verheerlijking op den berg (…). (…) Ds. Pijlgroms las vervolgens nog eenige stukken uit Nicolaas Beets’ “Camera Obscura’.”
“De gewone werkzaamheden op onze wekelijksche vergadering zijn Eerst Bijbelinleiding. Pauze. Dan een opstel en wat voordrachten met enkele liederen. We hebben dit winter een collecte gehouden voor een orgeltje voor de Meisjes, Knapen en Jongelingsvereeniging wat ons is gelukt. Daarvoor brengen we hartelijke dank uit voor de bijdrage (…).”
Jaarlijks werd er een gezamenlijk uitstapje gemaakt. “Verleden jaar maakten wij, in gezelschap van de Knapenvereniging met wie we toen alles nog gemeenschappelijk deden, een fietstochtje naar Giethoorn, waar we allen heel veel gezien en genoten hebben. Op de terugtocht werd het karakteristieke Staphorst niet vergeten!”

 

 x   x

 

 

“Door afwezigheid van de penningmeester werd er geen contributie geïnd. J. Waninge had volgens het rooster een opstel, maar was afwezig, zoodat deze f 0,25 boete moet betalen. De reserve H. Wanders las hierna een opstel voor getiteld: ‘Een dag naar Giethoorn’. Door J. Wachter werd een voordracht gelezen, getiteld: ‘De twee redders’.”
Het volgende citaat is bijzonder, omdat het licht werpt op de strikte scheiding tussen Hervormd en Gereformeerd in die tijd, wat gepaard ging met de nodige animositeit.
“Slechts zeven leden bezochten de vergadering van de J.V. op 6 Mrt ’47 welke in de Consistorie-kamer werd gehouden. Door de nog steeds onverminderd voortdurende winter (…) was het aantal leden deze avond zo klein. Hierdoor werd het ook meer een praatavond, dan dat er wat gedaan werd en het was dan ook bijna 9 uur toen ds. Seinhorst toch nog maar op de gewone manier opende, terwijl de secretaris de notulen van de vorige vergadering voorlas, die werden goedgekeurd. Wegens het al late uur en het kleine aantal leden werd er geen bijbelbespreking gehouden om de andere jongens niet achter te doen komen. Willem Wagter heeft weer een geslaagde aanval op onze, de laatste tijd toch al zo veel geplaagde portemonnaie gedaan. Het gesprek kwam op de Ger. Reciteerverenigingen e.d. en het blijkt dat algemeen bekend is, dat de Ger. in hun eigen plaats zich overal buiten houden maar eenmaal daarbuiten beter dansen kunnen en buiten het Argusoog van de kerkeraadsleden (tussengevoegd is: ‘en dominees net zo goed, (LM)) (meer) films en toneelvoorstellingen bezoeken als Ned. Hervormden en niet-kerkelijken.” In die tijd gold dansen en film kijken als activiteiten waar niets goeds uit kon voortkomen. Ds. Seinhorst vond het kennelijk geen bezwaar dat dit in de notulen kwam.

             

 


 

 

 

3.10 Kerkbladen van vroeger en Vincent

 

 

 

Kerkbladen

Voordat het gezamenlijke kerkblad ‘Onderweg’ gemaakt werd, had de Hervormde Gemeente een kerkblad dat ‘Onze Gemeente’ heette. 
Het samenstellen van het blad was lang een taak die de predikant als vanzelfsprekend op zich nam. Op het eerste blad stond in 1952: “Dit blad wordt uitgegeven onder redactie van Ds. H.G. van Beusekom en wordt toegezonden aan alle Hervormden binnen de kerkelijke gemeente Pesse. Men kan zich vrijwillig abonneren tegen f. 0,50 per drie maanden. Ingezonden stukken worden niet opgenomen. Vragen kunnen steeds worden ingezonden bij de predikant en worden dan, mits van algemeen belang, beantwoord.”

Enkele foto's van oude kerkbladen


Het herdenkingsnummer t.g.v. het 125-jarig bestaan van de kerk. Een voorkant van het kerkblad Onze Gemeente (1981) en een vroege gezamenlijke uitgave, voorloper van het huidige kerkblad Onderweg en nog een oud nummer van 'Onze Gemeente' uit 1952.     

 

x   x

x

x


Vincent van Gogh


Tijdens zijn verblijf in Drenthe bezocht Vincent het kerkhof van Pesse. In een brief van 16 sept. 1883 aan zijn broer Theo geeft hij een uitvoerige beschrijving. “Gisteren vond ik een van de eigenaardigste kerkhoven die ik ooit zag –verbeeld u een stuk heide met een heg van digt op een staande mastboompjes er om heen (…) een kort laantje en dan komt men op een aantal graven begroeid met bunt en heide. Vele gemerkt met witte palen waarop de namen staan.” Hij maakte er een schets van waarop de torenspits van de kerk van Pesse te zien is. Althans, dat is de algemene gedachte. De plaatselijke historicus Albert Metselaar betwijfelt dit. Volgens hem moet het spitsje eerder in Hollandscheveld worden gesitueerd.

het schetsje van Vincent van Gogh met het torenspitsje                  


Helaas heeft Vincent geen aandacht aan de kerk besteed, anders was er meer zekerheid over de torenspits en was wellicht het dorp Pesse een bedevaartsoord voor kunstminnaars geworden. Ds. G. van Zanden vertelde dat hij wel eens een enkeling aan de deur had gehad met een vraag hiernaar.


 

 

 


3.11 Verkoop van de kerk

 

 

 

 

 

x

 


In mei 2012 sprak de grote kerkenraad de wens uit om op termijn te komen tot één kerkgebouw. Op 10 februari 2015 werd het rapport ‘Verbonden onder één dak’ aan de gemeente gepresenteerd. Op 10 maart volgde een gemeentevergadering over dit rapport. Op 8 april nam de grote kerkenraad, nadat zij de gemeente gehoord had, het besluit om de Voorhofkerk te verkopen en de Kruispuntkerk toekomstbestendig te maken. De kerkenraad was zich ervan bewust dat een kerk verkopen geen gemakkelijke beslissing is maar met het oog op de toekomst financieel wel nodig. De kerkenraad was er eveneens van doordrongen dat –welke kerk van de beide ook verkocht moest gaan worden- het onvermijdelijk gepaard zou gaan met emoties en zorgen.
In de koopovereenkomst zou o.a. worden opgenomen het recht van overpad voor Hoogeveenseweg nr. 46 en 46a en er zal een strook grond gereserveerd worden voor een in- uitrit ten behoeve van de
pastorie.
In kerkblad 09 is een verkoopadvertentie gepubliceerd met daarin alle belangrijke informatie betreffende de verkoop. Deze advertentie is ook gepubliceerd in het Dagblad van het Noorden van 19 september 2015 en heeft op Funda gestaan. De advertentie in het kerkblad heeft één schriftelijke reactie opgeleverd en verschillende telefoontjes van gemeenteleden aan kerkenraadsleden. Hieronder de tekst van de advertentie. Het erin genoemde bouwjaar van 1870 is onjuist, zoals de lezer intussen weet.

 


Advertentie

“Verkoop bij inschrijving ‘Voorhofkerk’ te Pesse
Het college van kerkrentmeesters van de Protestantse Gemeente te Pesse biedt openbaar bij inschrijving te koop aan:
een kerkgebouw met nevenruimten met bijbehorende ondergrond, staande en gelegen aan de Hooge -
veenseweg 42 en 44, 7933 PG Pesse, kadastraal bekend gemeente Hoogeveen , sectie T, nummer 1359,
groot circa 48 are 90 ca. (4.890 m²). Inhoud: ca. 2.400 m³ en vloeroppervlakte: ca. 400 m². Bouwjaar: 1870
(kerkgebouw) en 1966 (De Voorhof). De gunning wordt voorbehouden aan het college van kerkrentmeesters van de Protestantse Gemeente te Pesse en wordt binnen 10 dagen na inschrijving
bekend gemaakt aan inschrijvers. Bezichtiging van het object is mogelijk op woensdag 30 september 2015 van 14.00 tot 16.00 uur. Inschrijfformulieren en -voorwaarden zijn verkrijgbaar bij het Kantoor der Kerkelijke Goederen, Postbus 675, 3800 AR te Amersfoort, telefoon 033-4671010 of per email
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. (mevrouw R. Radstake). Ook staat de verkoop vermeld op de site van het KKG.
De inschrijfformulieren dienen op woensdag 11 november 2015 tussen 13.15 en 13.30 uur te worden
ingeleverd in De Voorhof, Hoogeveenseweg 42 te Pesse. Opening van de enveloppen vindt aansluitend
plaats (eventueel) in aanwezigheid van alleen de inschrijvers. Voor nadere inlichtingen kunt u terecht bij de heer ing. G.J. Kolkman op nummer 06-20793216. Het Kantoor der Kerkelijke Goederen is een rentmeesterskantoor ten dienste van de Nederlandse protestantse kerk.“

Taxatierapport

De rentmeester van het KKG had ook een taxatierapport opgesteld. Hierin werden twee bedragen genoemd nl. bij huidige voortzetting bestemming: € 160.000 en bij een mogelijke wijziging van het bestemmingsplan en realisering van een viertal woningen: € 235.000. De kerkenraad wilde geen slepende procedures van bestemmingsplanwijziging en ging voor een zo snel mogelijke verkoop.

Bezichtiging, inschrijving en gunning

Tijdens de bezichtiging hadden zes personen belangstelling getoond. Op 11 november waren drie inschrijfformulieren ingeleverd. De onvoorwaardelijke biedingen waren: € 17.200, € 100.350 en € 126.500. Alleen de naam van de hoogste bieder werd bekend gemaakt. De hoogste bieder was de heer W. Annen uit Hoogeveen.
Na uitgebreid overleg werd door de taakgroep Organisatie & Beheer en de kerkenraad besloten de koop te gunnen aan de hoogste bieder.


Einde

Zo kwam er een einde aan bijna 145 jaar Hervormde kerk van Pesse. De kerk had aan bouwkosten fl. 9.673 gekost in 1871; dat is omgerekend in euro’s: 4389,42. In dat licht gezien lijkt een opbrengst na 145 jaar van € 126.500 wellicht een aardig rendement. De bouwkosten á fl .9 673.00 in het jaar 1871 zijn vergelijkbaar met een "koopkracht" in het jaar 2015 van € 100.537,53 is gelijk aan fl. 221.555,57. Het gebouw heeft in ieder geval zijn (financiële) waarde dus aardig behouden.

Maar zo rekenden de (Hervormde) kerkgangers natuurlijk helemaal niet. De laatste dienst in het gebouw op paaszondag 2016 bracht bij veel kerkgangers toch een brok in de keel. Het leven van veel mensen liep als het ware door dit gebouw. Het was veel meer dan ‘een stapel stenen’. Zij gingen er naar catechisatie, deden er belijdenis, trouwden er, lieten er hun kind(eren) dopen, en bezochten er rouwdiensten van gestorven dierbaren. Maar, zoals ds. Van Zanden in die laatste dienst opmerkte, en de woorden zijn hierboven in een ander verband al aangehaald: “De kerk is niet dit gebouw waar wij node afstand van doen, maar de kerk, dat bent u, dat zijn wij samen. En God laat zijn kerk niet in de steek.”

 

 

 

 


 

 

 

4 De predikanten van de Hervormde Gemeente Pesse

 

 

 

 

 


De ingelijste portretten van predikanten in de consistoriekamer; de foto van de laatste predikant van de Hervormde Gemeente, ds. G. Van Zanden, ontbreekt. Maar er ontbreekt meer.
In de consistoriekamer hing altijd een ingelijste verzameling van (pas-)fotootjes van de achtereenvolgende predikanten. Theun Krikke heeft de foto’s gedigitaliseerd. Hieronder noem ik alle 21 predikanten die Pesse gediend hebben voor kortere of langere tijd. Van sommige kon ik wat meer gegevens achterhalen. Enkele recente predikanten reageerden positief op het verzoek om hun herinneringen aan het kerkgebouw en de pastorie op papier te zetten. De gegevens betreffende de data en beroepen komen van de website www.dominees.nl.

 

x



H.J. Bergsma.
Ds. H.J. Bergsma (Hepke Jacobus). Hij was de eerste predikant in Pesse van 16-06-1872 tot 1874. Hij kwam in 1872 van Sebaldeburen en vertrok naar Wijngaarden (beide in Fr.) Er is geen foto van hem bekend en hij staat ook niet genoemd in boven genoemde fotolijst.
In deze vacature was ook nog kandidaat W. Beekhuis beroepen. Hierboven leest u dat hij bedankte na twee proefpreken.



H. Rutgers. Ds. H. Rutgers (Herman). Hij was de tweede predikant, na ds. Bergsma, en de eerste in de lijst in de consistorie. Hij stond in Pesse van 21-06-1874 tot 05-09-1880. Hij kwam als kandidaat en vertrok naar Terhorne (Fr.).
Kennelijk had hij zich geliefd weten te maken want bij zijn afscheid maakte de PDAC gewag van ‘een groote schare’ die zijn afscheidsdienst bijwoonde. Hij voltooide zijn loopbaan na veertig jaar in Vries.

x                      x

x

Bericht in de PDAC van 8 sept. 1880 over het afscheid van ds. Rutgers van Pesse en van 22 juni 1914 over het met emeritaat gaan van ds. Rutgers.          



J.R. van Kooij. Ds. J.R. van Kooij (Jacob Roelof), predikant in Pesse van 11-09-1881 tot 09-05– 1886. Voor hij in Pesse kwam, waren er drie vergeefse beroepen uitgebracht. Toen hij benoemd werd in Pesse, was hij nog kandidaat. In 1886 nam hij een beroep aan volgens de krant naar Heeze en volgens dominees.nl naar Steenderen.
Voor ds. Van Kooij was er ook een beroep uitgebracht op twee andere predikanten.

 x



Geen foto en geen vermelding in de consistoriekamer van een predikant die slechts een half jaar in Pesse gestaan heeft: ds. H.W. Bruins (Hillenius Wibbinus), namelijk van 06-10-1889, komend uit (De) Knijpe tot, vertrekkend naar Haulerwijk, op 25-05-1890.
Hij werd beroepen in mei 1889, na een lange periode zonder predikant in Pesse. Er waren in de vacaturetijd maar liefst vijf vergeefse beroepen uitgebracht. In het Algemeen Handelsblad van 18 augustus 1889 wordt bericht dat er in de Synodevergadering met goedkeuring kennis werd genomen van het besluit der synodale commissie om dispensatie te verlenen met betrekking tot de predikdienst in Pesse ten behoeve van een godsdienstonderwijzer. De commissie had de kerkenraad eerder geschreven ‘dat deze pogingen behoorde aan te wenden om door vermeerdering van het traktement in de vacature van predikant te voorzien’, m.a.w. Pesse betaalde te weinig en zat daardoor al lang zonder predikant. De afgevaardigde uit Drenthe kon evenwel in de synodevergadering melden dat in de vacature inmiddels was voorzien. De PDAC van 26 augustus 1889 meldt dat ‘daar onze gemeente nu geruimen tijd vacant is geweest’ men zich nu kon verheugen spoedig ‘weer een leeraar in ons midden te hebben, daar deze met half September zijn intrede wenscht te doen.’ Op 29 september nam ds. H. Bruins in Knijpe afscheid. ‘Een zeer grote menigte vulde het kerkgebouw om de vertrekkenden leeraar te hooren. Met leedwezen zien velen den leeraar vertrekken.’(PDAC 1 okt. 1889). Op 13 maart 1890 kreeg ds. Bruins een beroep te Haulerwijk. (Rotterdamsch Nieuwblad 13-03-1890). De PDAC van 25 maart 1890 meldde dat ds. Bruins had toegezegd het beroep naar Haulerwijk aan te nemen. Mei 1890 nam de dominee alweer afscheid van Pesse. ‘Hij sprak naar de woorden uit Joh. 16:31. De gemeente zong den vertrekkenden leeraar staande toe Ps. 121:4> Een groote schare woonde deze plechtigheid bij.’ (PDAC 22-05-1890)
Ik heb verder niet kunnen achterhalen waarom ds. Bruins slechts zo kort in Pesse is gebleven. Was het het salaris dat tegenviel? Ds. Bruins krijgt in 1889 een ‘vergoeding van pacht’ (bedoeld is de roggepacht, LM) van fl. 27,50 en fl. 17,50 als gemeentetoelage. Dat was geen vetpot. Een gemeente leeft niet bij brood alleen, maar een predikant leeft niet van het woord alleen…




N.E. van Laer Dinckgreve. Ds. N.E. van Laer Dinckgreve (Nicolaas Engelhart). Hij kwam op 04-09-1892 voorzien in de plotseling ontstane vacature door het vroegtijdige vertrek van ds. Bruins. Er waren toen al drie vergeefse beroepen uitgebracht. Hij kwam van Bourtange. Hij bleef in Pesse tot 13-12- 1896 en ging toen met emeritaat.

 



J.B. Moorrees. Ds. J.B. Moorrees (Johannes Burghardus). Hij deed als kandidaat uit Aalst intree in Pesse op 01-05-1898 en overleed op 27-07-1899. In kranten en tijdschriften kon ik helaas niets over deze predikant achterhalen. Hij was niet de enige predikant die op relatief jonge leeftijd in Pesse overleed. Zie verderop.
Het eerste beroep was in dit geval meteen succesvol.

 x


 

 

E. Saraber. Ds. E. Saraber (Elie). Hij kwam als kandidaat uit Utrecht in Pesse op 28-10-1900. Op 10-10- 1909 vertrok hij naar Leeuwen. Ook bij het vervullen van deze vacature was het eerste beroep al succesvol.
Deze dominee is van grote betekenis geweest voor Pesse, in ieder geval in praktische zin. Tijdens zijn predikantschap werd de eerste steen gelegd voor het ‘lokaal’ bij de kerk, de voorloper van De Voorhof. Hij zorgde voor het eerste orgel in de kerk en hij financierde zelf en bouwde het lokaal Bethel in Stuifzand, dat later aan de diaconie werd overgedragen. Hij was een geliefd predikant, wat ook wel blijkt uit het bericht over zijn afscheid in de PDAC van 13 okt. 1909. Volgens het bericht in de PDAC van 4 okt. 1940 ging hij in dat jaar met emeritaat.
Artikeltjes uit de PDAC 13-10-1909 en 4-10-1940

x                        x

 

x

x   

x

 




H.S.J. van der Flier. Ds. H.S.J. van der Flier (Hendrik Samuël Joannes).
Hij kwam na één vergeefs beroep op een andere predikant op 08-05-1910 uit Nijkerk naar Pesse en nam afscheid op 29-06-1913.


 

 

J.H. Vaandrager. Ds. J.H. Vaandrager (Jan Hendrik). Hij kwam in Pesse op 19-10-1913 uit Rotterdam-Charlois en vertrok op 10-06-1917 naar Grijpskerke. Voor hem was er nog een ander beroep uitgebracht.


 


D.J.F. Westenburg. Ds. D.J.F. Westenburg (Dirk Jan Frederik). Hij kwam op 12-08-1917 en daarvoor was hij hulpprediker te Utrecht. Op 04-07-1926 vertrok hij naar Blokzijl.
Het eerste beroep was meteen succesvol.

 x

 


G.S. Pijlgroms. Ds. G.S. Pijlgroms. Hij kwam als kandidaat uit Sneek in Pesse op 14-11-1926 en overleed op 04-08-1928. Er waren twee vergeefse beroepen voor het Pijlgroms was die toezegde. Met ds. Pijlgroms was het een triest geval. Hij overleed al op 29-jarige leeftijd ‘na een kortstondige ziekte’. In 1923 haalde hij zijn kandidaatsexamen in Groningen. In 1926 was hij door het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel toegelaten tot de evangeliebediening. Pesse was zijn eerste en ook zijn laatste standplaats.
“Dof klonken de kerkkloktoonen over het vredige landschap, in rouw over het verlies van zijn predikant”, berichtte de PDAC van 13 augustus. “Droefheid woonde in de harten van vele gemeentenaren der Ned. Herv. Kerk te Pesse, medegevoel met de diepgetroffen ouders.” Op 12 augustus sprak Dr. L.N. de Jong, de consulent van Ruinen, in de kerk van Pesse een herdenkingsrede. Hij memoreerde dat het 14 november juist twee jaar geleden zou zijn dat ds. Pijlgroms zijn intrede had gedaan in de gemeente, “die zooveel hoop had gevestigd op dezen jongen man, bezield met jeugdigen moed en grooten ijver, zich geheel gevend aan zijn roeping.” “Langzamerhand kwamen echter de vermoeidheden, die zich al meer herhaalden en zijn krachten sloopten. Zondag den 18 Maart trad hij voor het laatst op voor zijn gemeente.” Hij is begraven in Workum.
Uit de PDAC van 13 augustus 1928

x          x


 


L. Seinhorst. ds. L. Seinhorst (Louwrens).Hij kwam in Pesse op 14-04-1929. Hij vertrok op 24-08-1947 naar Oosternieland. Ds. Seinhorst stond in tegenstelling tot zijn voorganger heel lang in Pesse. Maar liefst 18 jaar. Na Pesse had hij nog maar één standplaats voor hij met emeritaat ging in 1960. Voor hij in Pesse kwam, was hij hulpprediker in Uithuizen.
Op hem was het eerste en enige beroep in deze vacature.
(Nieuwsblad v/h Noorden 23-09-1965)

x      x


 

H.G. van Beusekom. Ds. H.G. van Beusekom (Hendrik Goosen) ontbreekt met een foto in de lijst die in de consistoriekamer hing. Hij kwam in Pesse op 08-08-1948 vanuit Cuijk en ging op 01-09-1953 met emeritaat. De kerkenraad had eerst twee anderen benaderd. Deze predikant staat wel op de jubileumfoto op pagina 78.


 

 

A. van Ginkel. ds. A. van Ginkel. Hij kwam op 14-02-1954 als kandidaat uit Ederveen en vertrok op 01-11-1959 naar Elst (Gld.)De kerkenraad had al één ander beroep uitgebracht.
“Ds. A. van Ginkel overleden. Ds. A. van Ginkel is op 30 augustus 2015 overleden. Albertus van Ginkel werd op 26 juni 1929 geboren in Doorn. Hij studeerde theologie in Utrecht en werd in 1954 Hervormd predikant in Pesse. Daarna stond hij in het Gelderse Elst (1959) en was hij legerpredikant (1966). In 1975 promoveerde hij op een onderzoek naar het ouderlingenambt in de zestiende en zeventiende eeuw. Ds. Van Ginkel ging in 1984 met emeritaat. Van 1984 tot 1999 was hij secretaris van de visitatoren-generaal van de Nederlands Hervormde Kerk.” (Uit: Reformatorisch Dagblad, 2-9-2015)

 x



A.J. de Bue. Ds. De Bue werd geboren op Zuid-Beveland, hij aanvaardde zijn ambt in Pesse op 17 januari 1960 en nam hier afscheid op 24 mei 1964. Hij vertrok naar Makkum.
Het eerste beroep was succesvol.

x


 

 

A. Sturm. Ds. A. Sturm was eerst vicaris in Utrecht en kwam op 05-07-1964 naar Pesse. Hij bleef tot 06-10-1968 en vertrok toen naar Nijland.
Voor Sturm was er een andere predikant benaderd. Tijdens zijn predikantschap werd De Voorhof gerealiseerd.

 x



D.C.C. Stap. Ds. D.C.C. Stap (Dirk Coenraad Claudius). Hij kwam naar Pesse vanuit Heerlen/ Heerlerheide op 15-12-1968. Hij diende Pesse lange tijd, tot 30-03-1986, de datum waarop hij als emeritus vertrok naar Zorgvlied. Het eerste beroep was al succesvol.
Merkwaardig is dat zijn foto wel voorkomt in de verzamellijst, maar dat zijn naam en ambtsperiode niet vermeld is in de lijst die achterop geplakt zit. Die verspringt ineens van 1968 (ds. Sturm gaat weg) naar 1988 (ds. Verboom komt).
In het archief bevindt zich nog een enthousiaste brief van ds. en mevrouw Stap, gedateerd 5 december 1968, waarin hij meldt dat hij net van de heer Kloosterman gehoord heeft dat de schilder met zijn werk in de pastorie is klaar gekomen en alles ‘kant-en-klaar’ is voor hun intrek, volgende week. Hij betuigt zeer uitvoerig zijn ‘blijdschap en erkentelijkheid’(en die van zijn vrouw) voor het feit dat er met ‘zo grote voortvarendheid’ gewerkt is. ‘Het doet ons nog meer verlangen om naar Pesse te komen.’ Zo gaat de brief van twee kantjes nog even door.

x


 

F. Verboom. Ds. F. Verboom. Na twee jaar vacature arriveerde op 14-02-1988 ds. Verboom als kandidaat. Op 05-07-1992 vertrok hij naar Kampen waar hij in 2016 nog staat.
Voor Verboom had de kerkenraad een andere dominee benaderd.

Helaas ging ds. Verboom niet op de uitnodiging in om een bijdrage aan deze tekst te leveren. 

 x



A.H. van Veluw. Ds. A.H. van Veluw (Bert) kwam 12-12-1993 als kandidaat naar Pesse en vertrok op 23-07-2000 naar ‘s-Gravenzande. Het eerste beroep was meteen succesvol.
Hij begon zijn loopbaan als gymleraar en koos op latere leeftijd alsnog voor de studie theologie. Op donderdag 10 januari 2002 promoveerde hij aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit te Groningen. Zijn werkstuk droeg als titel: ‘De straf die ons de vrede aanbrengt’. Als ondertitel kreeg het boek de woorden mee: 'Over God, kruis, straf en de slachtoffers van deze wereld in de christelijke verzoeningsleer'.
Als predikant in IJsselmuiden schreef hij in 2011 een studie getiteld: ‘Waar komt het kwaad vandaan? Over God, schepping, evolutie en de oorsprong van het kwaad’. Hij heeft meer publicaties op zijn naam staan.

x    x



Ds. Van Veluw. Rechts:  voor de Hervormde kerk van Pesse bij een artikel over 125 jaar kerk van Pesse; foto Hoogeveensche Courant         


Ds. A. H. van Veluw nam afscheid in Pesse en hield zijn gemeente drie punten voor naar aanleiding van Handelingen 17:1-4 en 1Thessalonicensen 5:12-28. Houdt van uw kerkenraad, riep de predikant op. "Heb hen lief om hun werk. Zij hebben zorg voor de gemeente, leiden u in de Heere en wijzen u terecht." Als tweede spoorde hij zijn gemeente aan werk te maken van "het ambt aller gelovigen". Verder riep hij de gemeente op altijd met blijdschap dankbaar te zijn (vers 16). Door zijn vertrek kwam er ook een einde aan zijn synodelidmaatschap. Ds. Van Veluw staat in 2016 nog in IJsselmuiden.


Hieronder deelt ds. Bert van Veluw zijn herinneringen aan zijn tijd in Pesse.


“Herinneringen aan de Hervormde kerk en pastorie in Pesse


Aan 'onze eerste gemeente' Pesse-Stuifzand-Fluitenberg bewaren we warme herinneringen. Daar mocht ik als predikant het vak leren. Dan denk ik terug aan de mooie dingen met u, maar ook aan de verdrietige, waarin ik u mocht bijstaan.
Als ik aan ons kerkgebouw denk, zie ik mezelf weer staan op de kansel. In het eerste jaar had ik een plattegrond gemaakt van de banken. Met hulp van Jan Zomer heb ik daarop alle namen geschreven, op de plek waar u de meeste zondagen zat. Zo kon ik de namen bij de personen leren kennen. Dat kon in onze knusse, overzichtelijke kerk. Tijdens de collecten keek ik dan rond en oefende de namen.
Verder herinner ik me de leesplanken die we in de hal maakten. Daarop konden we de brochures leggen, die ik schreef. Ook denk ik nog met veel genoegen aan de ouderenmiddagen in De Voorhof die we hebben opgezet. En de uitjes met de huifkar. Op een van die middagen kreeg ik bij de uitgang, waar ik altijd stond om iedereen een hand te geven, van verschillende dames een 'smok', omdat ik niet wist wat dat was.
De kerkenraadsvergaderingen in De Voorhof waren - op een enkele uitzondering na - zeer plezierig. Ik herinner me nog een vergadering met de visitatoren. Ze vroegen: 'Hoe gaat het met het jeugdwerk?' 'Hoe gaat het met de diaconie?' 'Hoe met prediking en pastoraat?' Op alle vragen werd met een summier 'Goed!' geantwoord. Er werd verder weinig verteld. Toen ze weg waren, werd er weer honderd uit gepraat met elkaar. Ik zei: 'Waarom zeiden jullie niks? Waarom vertelden jullie niet wat meer over hoe het gaat in de gemeente?' 'Noh, we gaan die vremden toch niet alles vertellen?' was de reactie. We hebben er smakelijk om gelachen.
In de pastorie hebben we met veel plezier gewoond. Prachtig, dat bos achter het huis waar de kinderen konden spelen. Ook in de tuin aan het klimrek met schommels dat later nog voor het goede doel is verkocht aan Jan en Alie Groote voor hun kinderen. Verder hadden we in de tuin een vuurplaats met echte Drentse zwerfkeien er om heen. Daar hebben we op zomeravonden vaak om heen gezeten met de kinderen. Dat gaf zo'n oergevoel, zo één met de natuur.
'Grappig' waren de stookkosten. Wij kwamen uit Nijkerk, uit een kleiner en goed geïsoleerd nieuwbouwhuis. We verbruikten ƒ. 80,- . Toen we in Pesse kwamen was dat over de ƒ. 200,-. Toen heb ik ds. Verboom gebeld. Of er misschien ergens een gaslek zat. Hij moest lachen. Hij had indertijd hetzelfde gedacht.
Toen wij jaren later in 's-Gravenzande woonden, werd ik een keer gebeld door ds. Jans: 'Dag Bert, hé zeg, zit er hier soms ergens een gaslek?' Nu schoot ik in de lach. Maar ondanks dat, hebben we toch genoten van het wonen in Pesse.
Zeker ook hebben we genoten van de prachtige omgeving. Als ik dan in het voorjaar en de zomer langs de Boerveense plassen fietste op weg naar Stuifzand en door het bos, genoot ik van die natuur. Ook als we op zaterdag gingen fietsen over de Dwingeloose heide.
Wij danken iedereen voor de mooie jaren. Ik heb veel van u geleerd en met vreugde het Woord van God onder u verkondigd. Ik hoop dat u wat aan prediking, pastoraat, catechese en kringwerk hebt gehad.
Met vriendelijke groeten,
ds. Bert (en Inge) van Veluw, IJsselmuiden”



E.H. Jans. Ds. E.H. Jans (Egbert) kwam in Pesse op 10-06-2001 als kandidaat en vertrok op 09-05-2010 naar Oldemarkt – Paasloo. De kerkenraad had geen anderen benaderd.
“Ds. W. J. Bouw uit Utrecht heeft gisteren in de hervormde gemeente van Pesse kandidaat E. H. Jans bevestigd tot dienaar van het Woord. De tekst van de bevestiging was uit het zendingsbevel in Matthéüs 28: 19b. Ds. Jans vervult de vacature die ontstond na het vertrek van ds. A. H. van Veluw naar 's-Gravenzande.
Aan de handoplegging namen deel de gereformeerde predikant J. van den Berg, de bevestiger, en de hervormde predikanten A. R. Deijl, D. C. de Dreu, J. Eschbach, A. Jonkman, G. J. Ros, A. H. van Veluw en ouderling B. Kaspers.
's Middags deed ds. Jans intrede met een preek over Efeze 3:18. Daarbij las hij de roeping van Jesaja en een gedeelte uit 1 Korinthe 12. „Jesaja werd geroepen, ondanks dat hij zichzelf te gering achtte om Gods boodschappen door te geven: Soms oordelen en soms boodschappen van heil.” Vanuit 1 Korinthe 12 ging ds. Jans in op de vele gaven in de gemeente als lichaam van Christus. „Ieder heeft gaven ontvangen om God, de gemeente en elkaar te dienen. Voor jaloezie is geen plaats. Wel voor de gedachte de ander uitnemender te achten dan jezelf.”
Na de dienst sprak B. J. A. C. Scholten als vriend van de familie, ds. Ros namens de ring en classis Hoogeveen en als consulent, ds. R. J. Perk namens het Evangelisch Werkverband, ds. J. van den Berg namens de Gereformeerde Kerk van Pesse en J . H. Wiechers als voorzitter van de kerkenraad.” (www.rd.nl; 11-06-2001).
Ds. Jans staat in 2016  in Paasloo – Oldemarkt.

Helaas ging ds. Jans niet in op een herhaalde uitnodiging om een bijdrage aan deze geschiedenis te leveren. 

x



G. van Zanden. Ds. G. van Zanden (Gerard) kwam op 13-01-2013 naar Pesse als, zoals spoedig zou blijken, de laatste predikant van de Hervormde Gemeente te Pesse. Hij was toen nog kandidaat. Vóór hem had de kerkenraad nog een andere kandidaat benaderd.
Ds. Van Zanden werd benoemd in een vacature van de Hervormde Gemeente, maar kwam uiteindelijk als 'PKN-dominee' in de nieuwe fusiegemeente. De Hervormde Gemeente ging namelijk na een 'Samen-op-weg'-proces op 24 mei 2015 op in de Protestantse Gemeente te Pesse.
Naast dominee is hij (in 2016) assistent in opleiding aan de Protestantse Theologische Universiteit. Sinds mei 2012 werkt hij aan een promotieonderzoek met als doel het analyseren van de theologie van Frans Breukelman en het historisch en theologisch plaatsen en waarderen van zijn bijdrage aan de Nederlandse theologiebeoefening in de twintigste eeuw.

x

En… daarnaast is hij nog spraakmakend lid van de Citroën ID/DS Club… Op internet staat een interview van Gies Aalberts met foto’s van Rob Hoen, waarin de dominee vertelt over zijn studie en beroep. Hieronder enkele citaten daaruit, omdat ze een inkijkje geven in het leven van een jonge predikant in de huidige tijd.

x

x


“Gerard van Zanden, we bezoeken hem omdat hij zich op 3 maart als nieuw lid van de Citroën ID/DS Club heeft aangemeld. Waarom doet iemand dat? ‘Mijn vrouw Eef was de drijvende kracht. Ze vond dat ik een hobby moest hebben. Een bestaan als predikant – want dat is mijn professie – is erg druk. Er zijn zondagen dat ik op wel drie locaties moet preken. Niet alleen in mijn eigen parochie hier in Pesse, maar ook elders op uitnodiging. Eef vond dat ik niet alleen maar voor andere mensen in de weer moet zijn, maar ook tijd voor mezelf moet vrijmaken.’
Van huis uit kreeg Van Zanden de liefde voor het merk Citroën mee. Nu spaart hij voor een klassieke DS, de bekende ‘snoek’. De interviewer vraagt: “Vindt hij het niet wat profaan dat velen de DS een godin noemen? (DS spreek je in het Frans uit als Déesse wat godin betekent, LM) ‘Nee hoor, zo vreemd is die vergelijking niet. Roland Barthes noemde de DS een kathedraal.(…) Voor mijn preken voor andere gemeenten krijg ik een vergoeding. Dat zijn bescheiden bedragen, maar er zijn zondagen dat ik op wel drie locaties preek. Dat gaat allemaal op een spaarrekening. Ooit staat daar het budget voor de DS, voor de DS waarop ik verliefd hoop te worden. Als ik naar een DS kijk, schijnt de zon. Daar is niets rationeels aan. (…) Ik wacht wel tot ik word verrast; levenskunst is openstaan voor dingen die je overkomen. En als die DS er dan eenmaal is, dan gaat ie nooit meer weg. Een auto doe je niet weg. Hoe kun je iets wegdoen waarmee je dingen hebt beleefd? Als die AX ooit overbodig wordt, dan zet ik ‘m met de ramen open achter in de tuin. Geef ik ‘m terug aan de natuur.’ “


Ds. Van Zanden blikt in de volgende bijdrage terug op zijn ervaringen met het wonen in de pastorie en zijn jaren in de oude kerk.


“Spinnenwebben
In januari 2013 ben ik beroepen door de Protestantse Gemeente van Pesse. Die was toen nog ‘in wording’. Dat kwam erop neer dat we als hervormden en gereformeerden bijna alles samendeden; alleen een paar handtekeningen ontbraken nog. Een van de mooiste momenten was dan ook het daadwerkelijke samengaan van de beide gemeenten met Pinksteren 2015. Een belangrijke stap voorwaarts.
Dat er aan de fusie ook pijnlijke kanten zouden zitten, wisten we natuurlijk wel. En toch kwam het hard aan toen we één van onze kerkgebouwen moesten verkopen. De keuze viel op de hervormde kerk, een charmant en dierbaar gebouw met helaas veel achterstallig onderhoud. De kerk werd inderdaad verkocht, en op Eerste Paasdag 2016 en in de daaraan voorafgaande Stille Week hielden we er de allerlaatste kerkdiensten. Het moest, dat besefte iedereen. Maar het was een emotionele tijd, met name voor onze kerkgangers van hervormde komaf.
Het is ons als predikantsgezin ook niet in de koude kleren gaan zitten. Je weet wel dat het kerkzijn niet draait om een gebouw, maar tóch: we moeten er elke dag tegenaan kijken… De laatste keer dat ik er binnen was, moest ik mij een weg banen door een paar spinnenwebben. De kerkzaal gaf een troosteloze aanblik. Op de nauwsluitende, diepe kansel, waar je niet te hard met je vuist op de rand moest slaan omdat er dan stof uit het gebarsten klankbord kwam, ligt geen opengeslagen bijbel meer. Achter in de kerk geen orgel meer waarop je in het halfdonker nog stiekem spelen kan. De voorste paar banken eruit gesloopt. Het stond allemaal in schril contrast met de levendigheid en warme gezelligheid die ik mij herinner van vóór de verkoop.

‘Wij leven van de wind
… die aanrukt uit den hoge, en heel het huis vervult waar knieën zijn gebogen.’ Het zingen van gezang 249 uit het Liedboek voor de Kerken had in de hervormde kerk altijd een bijzondere bijklank. Boven windkracht 5 was die ‘wind’ in de tochtige kerkzaal namelijk goed voelbaar. Zeker bij koud weer was het er niet altijd behaaglijk. Ook in de pastorie naast de kerk werd (en wordt!) er gestookt voor het vaderland.
Vanuit de pastorie hebben mijn vrouw en ik de wondere wereld van de ornithologie ontdekt. Op het grote whiteboard in de keuken staan inmiddels zo’n veertig vogelsoorten die we vanuit huis hebben gespot. En het is, wat het dierenrijk betreft, niet gebleven bij vogels alleen. Onder de motorkap van onze Citroën 2CV, die bij de winterdag in het schuurtje-met-kolenhok gestald staat, hebben we meermaals een muizennest aangetroffen, met alle problemen van dien. In de nestkasten vonden we regelmatig een wespennest. En er kwamen dieren aanlopen. Eerst een kat, toen een steenmarter, en toen een kip. De kat en de kip zijn gebleven, de steenmarter is met een schepnet gevangen door buurman Beumer en overhandigd aan de dierenambulance.
Verder bevindt zich rondom de pastorie een mossige vlakte die door velen ten onrechte wordt aangezien voor een grasveld. Na een paar rondes verticuteren troffen we onder het mosdek allerhande souvenirs van vorige pastoriebewoners aan: felgekleurde speelballen, grijze ingegraven pvc-buizen en zelfs roestige boorstukken. Mocht dit bericht u bereiken, weleerwaarde collega’s: hartelijk dank daarvoor!
Ach, het is maar een kleine greep uit de vele herinneringen en gedachten aan hervormd Pesse. En ik heb ontdekt: het zijn gelukkig niet de gebouwen die een kerk maken. Het zijn de mensen. Die mensen hebben mij ontzettend veel ruimte gegeven om te ontdekken wie ik ben als predikant. En ondanks dat we de tijd wat tegen hebben, zijn die mensen er gelukkig nog steeds. Mensen die zich door de Heere geroepen weten om deel uit te maken van de gemeenschap van mensen die delen in het wonder van vergeving en verzoening. En dan besef je weer: ten diepste is de kerk geen mensenwerk. Het is God Zelf die Zijn kerk bouwt. En dat zal Hij blijven doen!
ds G. van Zanden, december 2016”

 



Hieronder herinneringen van ds. C. J. ’t Lam aan het gebouw. Ds. ’t Lam was vóór de fusie de Gereformeerde predikant van Pesse.


“De andere kerk


Op 9 juni 2006 verhuisden mijn vrouw en ik naar Hoogeveenseweg 20. Een week later werd ik bevestigd in de kerk ernaast, nummer 22. De receptie en aansluitend de maaltijd waren in de school, een klein eindje verder, nummer 28. En dan nog weer verder, nummer 42, stond de andere kerk. Geen wereld van verschil, maar nog wel twee werelden.
Kanselruil
Mijn eerste keer in de Hervormde Kerk was in het kader van een kanselruil. Collega Egbert Jans en ik ruilden twee keer per jaar van kansel. Hij in mijn kerk en ik in de zijne. Van de dienst kan ik me verder niets herinneren. Alleen dat ik dacht: bij een volgende kanselruil neem ik graag mijn eigen kansel mee. Het steile, smalle trapje naar boven bood weinig steun aan mijn voeten met schoenmaat 47. En eindelijk boven in de bak gekomen, bleek er geen zitruimte te zijn. Hoogverheven in mijn geruilde hangplek verkondigde ik het Woord. En dacht met angst: ik moet straks ook nog naar beneden.


Paasnacht


Met ontroering denk ik terug aan de paasnacht van 2010. In het donker kwam ik met zes jongvolwassenen een overvolle kerk in. Vele jongeren begonnen hun zaterdagavond in de Hervormde Kerk. Speciaal gekomen om getuige te zijn van de doop en de belijdenis van hun vrienden. Maar tegelijkertijd werden ze deelgenoot van het Geheim van de Opgestane. Met handen nog vochtig van het doopwater sprak ik over allen de zegen uit. Het “U zij de glorie” klonk als nieuw en veelbelovend. Langzamerhand verdwenen de meesten in het donker van de nacht. Een aantal op weg naar het uitgaansleven in Hoogeveen.
Een nieuwe fiets
Inmiddels had de andere kerk een naam gekregen: Voorhofkerk. Aan een dienst in dit kerkgebouw heb ik nog een nieuwe fiets overgehouden. Ik had mijn fiets keurig aan de kant geparkeerd: onder het raam van de studeerkamer van de naastgelegen pastorie. De bumper van een auto en de muur van de pastorie bleken samen echter sterker te zijn dan mijn fiets. Later op die dag constateerde de fietsenmaker: total loss. De rekening mocht naar de eigenaar van de auto. Na die ene keer parkeerde ik mijn fiets toch liever achter de Voorhof.


Draaiorgel


Op het verzoeklijstje van een overleden gemeentelid, een rasechte Amsterdamse, stond: “Aan de Amsterdamse grachten”. In de dagen voorafgaande aan de begrafenis heb ik meerdere keren overleg gehad met de dienstdoende organist. Hij had nog nooit eerder in één dienst zoveel diversiteit van muziek gespeeld. “Het komt wel goed,” zei hij. En dat kwam het ook. Toen de klanken van Bach goed en wel waren verstomd, zongen we uit volle borst: “Aan de Amsterdamse grachten”. Het kerkorgel leek wel een draaiorgel geworden.
Een viertal herinneringen aan “de andere kerk”. Het kerkgebouw staat nu al bijna een jaar leeg. Een wat triestig gezicht. Ik hoop dat er een goede nieuwe bestemming zal komen. Het heeft het wel verdiend. Na zovele jaren trouwe dienst.
Ds. Cees J. ’t Lam”

 

Hulppredikanten


Naast de ‘reguliere’ predikanten heeft Pesse twee maal een hulppredikant gehad, en wel in de beginjaren, nl. A. Busman in 1870 en R.J. Nijsingh in 1895.

 

 

 


 

 

 

Verantwoording

 

 

 


De webredactie van PKNPesse.nl vroeg in 2016 mij een artikeltje te schrijven voor de website over de historie van het Hervormde kerkgebouw, als een soort monumentje. Daarmee kreeg ik de smaak te pakken om wat dieper in de wordingsgeschiedenis en de verdere ontwikkeling van de kerk te duiken. Ik publiceerde een uitgebreider artikel op mijn eigen website. Vanuit de kerkenraad kwam de vraag om een soort herinneringsboekje samen te stellen. De vraag werd gesteld aan de redactie van het kerkblad maar die vond het niet haar taak. Ik heb toen aan de kerkenraad voorgesteld om een boek samen te stellen. Dat voorstel werd aanvaard. De oorspronkelijke bedoeling was dat zoveel mogelijk ieder kerklid een bijdrage zou leveren in de vorm van herinneringen, anekdotes, foto’s en dergelijke. Op een oproep daartoe in het kerkblad kwamen echter weinig of geen reacties. Ook enkele mondelinge verzoeken leverden weinig of niets op, afgezien van een paar oude foto’s, waarvoor dank.


Daarop ben ik meer op de historie gericht verder gegaan en zo groeide er een boekje waarin ik de geschiedenis van de vroegste kapel in de omgeving van Pesse tot de verkoop van de kerk in 2016 in korte schetsen in kaart heb geprobeerd te brengen. Het is geen beschrijving van de geschiedenis van het kerkelijke leven van de Hervormde Gemeente geworden; in mijn verhaal staat de kerk als gebouw centraal, en daarnaast besteed ik enige aandacht aan enkele in het oog springende activiteiten in en rond het gebouw zoals de snuffelmarkten en aan de 21 predikanten die er geweest zijn. De bedoeling van mijn werk is niet in de eerste plaats geschiedschrijving maar moet meer gezien worden als de oprichting van een monument voor het gebouw als blijvende herinnering.


Ik deed onderzoek in boeken, kranten, tijdschriften en archieven, zowel papieren archieven als digitale. Wijlen Lammert Huizing heeft in de Hoogeveensche Courant vaak over de Hervormde kerk in Pesse geschreven; zijn persoonlijke archief berust bij de Historische Kring in Hoogeveen. Ook had ik veel aan het artikel over de stichting van de Hervormde kerk van de plaatselijke historicus uit Ruinen, H.M. Luning, gepubliceerd in De Veenmol 2005-4.


De taakgroep Organisatie en Beheer van de Protestantse Gemeente van Pesse liet mij toe tot het archief van de Hervormde Gemeente. Waarschijnlijk mede door de verhuizing van dit archief in verband met de verkoop van het kerkgebouw is dat archief, om het zacht te zeggen, moeilijk toegankelijk. Ik heb er uren in gegrasduind, en tientallen documenten gefotografeerd, maar hieruit een coherent beeld krijgen van de geschiedenis was best lastig. Maar het heeft wel veel aardige details opgeleverd. Ik citeer dan ook veel en uitgebreid uit de oude notulen en andere oude documenten. Daarnaast leverde het kerkarchief van Pesse en Ruinen in het Drents Archief in Assen bruikbare bronnen.


Gelukkig zijn er ook nog andere bronnen, zoals het onovertroffen Delpher.nl, een website met gedigitaliseerde historische Nederlandse kranten, boeken, tijdschriften en radiobulletins uit bibliotheken, musea en andere erfgoedinstellingen. Vooral in de beginjaren haalde de kerk nog wel eens de krant.
Om de beslissingen en gebeurtenissen van destijds rondom de stichting van de kerk dichter bij de lezer te brengen, citeer ik veelvuldig uit kranten en tijdschriften. Alle aangehaalde teksten staan tussen aanhalingstekens en zijn cursief gedrukt. Ik heb de oorspronkelijke spelling intact gelaten en eventuele schrijffouten overgenomen. Heel soms heb ik een woord toegevoegd of weggelaten als de zin daardoor beter leesbaar werd. Zeker in de oudste notulen en documenten staan zinnen die niet helemaal goed ‘lopen’, maar de lezer zal de strekking ongetwijfeld begrijpen. Ook heb ik veel foto’s opgenomen van (details van) documenten en kranten. Diverse oudere foto’s komen ook uit krantenartikelen en uit jubileumnummers van het kerkblad. Die heb ik digitaal wat opgepoetst. Desondanks zijn sommige foto’s niet van de beste kwaliteit. Mijn excuses daarvoor.


Naast deze foto’s van documenten zijn er veel foto’s van de diverse kerkelijke gebouwen, zowel van het exterieur als interieur, en van activiteiten rond de kerk.
Op mijn website www.reizenenschrijven.com is ook een en ander over dit onderwerp is te vinden.


Ik dank de mensen die mij geholpen hebben dit boekje samen te stellen. Er waren vriendelijke mensen in archieven, mensen die zelf een korte bijdrage schreven, mensen die mij in gesprekken informatie verschaften, mensen die de kopij wilden lezen en becommentariëren, en nog andere. Aan het einde noem ik een aantal namen, zonder de pretentie daarin volledig te zijn.


Mijn wens is dat ik met dit boekje een blijvende herinnering tot stand heb gebracht aan het gebouw waarin talloze generaties, gezinnen en families zoveel lief en leed hebben gedeeld en dat zo vele jaren diende als huis voor de eredienst.


Pesse, januari 2017


© 2017, drs. Lammert Metselaar

 


 

 

 

 

 

 

Bronnen

 

 

 

 

 


Boeken

 

 


Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden bijeengebragt door A.J. van der Aa, negende deel, 1847;


De Aardbol, Magazijn van hedendaagsche Land- en Volkenkunde, derde deel: De Nederlanden met platen en kaarten’, 1841;


Handelingen der Buitengewone Vergadering van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk gehouden te ’s-Gravenhage, den 23 Januari 1872;


M.R. Hilbrandie-Meijer: Kerken in Drenthe. Beschrijving van 50 kerken en hun cultuurbezit. Delden, 1999;


G.Kuipers: Zuid-west Drenthe, land van beken, brinken en bossen, ’s-Gravenhage 1980;


G.H. Kocks: Woordenboek van de Drentse Dialecten, Assen 1997;


Henk M. Luning: Pesse en de stichting van de Hervormde kerk, in De Veenmol, 2005-4;


Joop Moes: Slechts in uw spoor… Momenten uit 50 jaar Gereformeerd kerkelijk leven te Pesse; uitg. Ger. Kerk Pesse, 1991


J. Naarding: Uit Ruinen’s verleden, Meppel 1962;


G.C.W. Pijtak: Bouwkundig woordenboek of verklaring van de meest gebruikelijke technische benamingen bij de burgerlijke bouwkunde, waterbouwkunde en spoorwegen; te 's Hertogenbosch, bij gebr. Muller, 1848;


A.Sassen: Het Drents van Ruinen. Assen, 1953;


Websites en archieven e.a. bronnen

N.B. De links werken niet! 


www.delpher.nl 


www.dominees.nl 


www.topotijdreis.nl 


www.iisg.nl     Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis;


www.ruimtelijkeplannen.nl 


www.vangoghhuis.nl 


www.hollandscheveld.nl 


www.rd.nl ;


http://citroeniddsclub.nl/preken-voor-een-ds/ 


www.dbnl.org       digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren;


www.drentsarchief.nl


www.digibron.nl


www.google.nl


andere: 



Artikelen in de Hoogeveensche Courant, het Nieuwsblad van het Noorden en de Provinciale Drentsche en Asser Courant (PDAC);


Lammert Huizing: diverse artikelen in de Hoogeveensche Courant;


Archief Hervormde Gemeente te Pesse;


Drents Archief Assen;


Archief Historische Kring Hoogeveen; in ’t bijzonder het Lammert Huizing-archief;


Jubileumnummers van het kerkblad ‘Onze Gemeente’, 1971 en 1996; e.a. edities van ‘Onderweg’, kerkblad van de PKN Pesse;


De Waarheidsvriend.

 


 

Diverse mensen hebben mij geholpen bij het samenstellen van het boek en dus bij de tekst van deze pagina. Soms door puur praktische hulp, soms door suggesties, anderen door een gesprek over het verleden, en een paar mensen namen de moeite om de hele tekst door te nemen en mij te wijzen op inconsequenties, type- en andere foutjes. In een werk als dit zitten bijna onvermijdelijk fouten. Ze komen ondanks de revisie uiteraard geheel voor rekening van de auteur, die een amateur is en blijft op het gebied van de historie. Ik heb mijn best gedaan zo zorgvuldig mogelijk te werken. Mocht u desondanks nog zaken zien die volgens u niet kloppen, meld dat dan. Op de website kan ik e.e.a. snel aanpassen als het nodig is. 

 

DANK aan o.a.(*)


Herman Boertjes;
H.K. van Dijk-Elsinga;
Willem Jonkers;
De kerkenraad van de Hervormde Gemeente Pesse; speciaal de Taakgroep Organisatie en Beheer;
Henk Klaster;
Bert Kruidhof;
Ds. C.J. ’t Lam;
Els ’t Lam;
Jan Loovers;
Riet Metselaar- ter Mul;
Annie Schonewille;
Roelof Timmerman;
Ds. A.H. van Veluw;
Ben Wevers;
Ds. G. van Zanden.

(*) Mocht ik iemand vergeten zijn, mijn dank is er niet minder om. 

 


COLOFON

Credits


De meeste recente kleurenfoto’s: © H. Woudenberg en Els ‘t Lam

Foto's van krantenartikelen gemaakt door mij via screenshots van Delpher.nl

Foto's van documenten: L. Metselaar 

Digitalisering van de predikantenfoto’s: Theun Krikke

 



Uitgave van het boek: Hervormde Gemeente Pesse, Taakgroep Organisatie en Beheer

 

PKNPesse/prikbord meldde: 

In het vorige kerkblad hebt u al een mooie uiteenzetting gehad over het boek dat er aan zit komen over “145 jaar Hervormde Gemeente Pesse”. Lammert Metselaar, de schrijver, heeft zich heel veel moeite getroost om tot een goede geschiedschrijving te komen maar ook maakt hij melding van prachtige anekdotes. En dat alles wordt geïllustreerd met een groot aantal foto’s, ruim twee honderd! Een pracht boek, zéker voor al diegenen die binding hebben of hebben gehad met het kerkelijk leven in Pesse. Daarom hebben we als Kerkrentmeesters dit initiatief van Lammert Metselaar ook graag willen ondersteunen en willen we het boekje ook zo breed mogelijk verspreiden onder diegenen die belangstelling hebben voor dit stukje historie.

 

Het eerste exemplaar is dinsdagavond 23 mei, tijdens de gemeenteavond, officieel aan mevrouw C. Oortgiesen, de eerste vrouwelijke ouderling, aangeboden. De komende zondagen zal er na afloop van de kerkdienst, de mogelijkheid worden geboden om een boekje te verkrijgen. Mocht u niet van die gelegenheden gebruik kunnen maken en wel interesse hebben in een exemplaar, ook als u geen lid of bezoeker bent van de kerk, dan kunt u dat aangeven door contact op te nemen met een van de kerkrentmeesters. Stuur dan een mailtje naar  Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. . De kosten voor dit prachtige gebonden boekwerk met veel illustraties bedragen slechts € 10,- exclusief eventuele verzendkosten.

Met groet, Ben Wevers (voorzitter kerkrentmeesters) 



Copyrightinformatie


Het auteursrecht c.q. databankenrecht op de in dit boek gepubliceerde tekst berust bij de auteur, Lammert Metselaar. Alle rechten worden voorbehouden. Zonder schriftelijke toestemming van de auteur is het niet toegestaan om gepubliceerde werken of databestanden geheel of gedeeltelijk over te nemen, buiten de in de wet geregelde citeerpraktijk. Neem contact op met de auteur. Voor meer informatie: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..


* april 2016- februari 2017 (boek);  sept. 2017 (website-artikel); Tekst: © Lammert Metselaar, 2017

 

******  Mocht u waardevolle aanvullingen en / of opmerkingen hebben dan kunt u die mailen naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of via de Contactpagina in het hoofdmenu. Alvast dank voor uw moeite. 

 

14 september 2017,

Lammert Metselaar

 

naar boven