Kenia, reisverslag van een avontuurlijke kampeersafari - Tsavo West- Mombasa

Hits: 32337

Artikelindex

 

 

 

Donderdag 5 juli 1979   Tsavo West- Mombasa

Ook vanmorgen weer om zes uur op en om acht uur op pad. De pakploeg is voor het eerst in functie. Het is vrij zwaar werk. De koffers zijn vaak al zwaar en onhandelbaar, maar er moet ook nog mee gemanoeuvreerd en geschoven worden in de bagageruimten onder de zitplaatsen om alles kwijt te raken. Het kan allemaal net. En nu zijn we nog aan het begin van de reis. Straks komen er nog souvenirs bij; schilden, speren. Ga er maar aan staan. Wel krijgen wij vieren steeds meer handigheid in het pakken. Je kent op den duur alle gaatjes en welke koffer of tas daar nog net weer in past. We rijden door Tsavo naar het zuidoosten. Urenlang rijden we door prachtige landschappen. Verder naar het zuiden wordt het land woester en rotsachtiger. Soms doet het me aan landschappen in Noorwegen denken, maar het is toch anders. Uiteraard. Alleen het weer natuurlijk al. De hemel is ook vandaag weer strakblauw en de zon is fel. We zien weer diverse groepjes giraffen en olifanten. Vooral de laatste zijn talrijk. Ze zijn natuurlijk niet altijd even dichtbij, maar we krijgen wel een indruk van de rijkdom aan wild van dit gebied, ondanks het feit dat het een generatie geleden nog veel rijker aan wild geweest moet zijn. 

Een ober heeft tegen de muur van het terras, aan de buitenkant, een pofadder ontdekt

De koffie gebruiken we in een lodge, ik meen de Ngulia Lodge. Ook hier weer een fraai terras, waar we heerlijk een tijdje in de zon zitten bakken. Als we aankomen, is er trouwens net grote opwinding onder het personeel. Een ober heeft tegen de muur van het terras, aan de buitenkant, een pofadder ontdekt. Een pofadder, zo vernemen we, is een zeer gevaarlijke slang. Hij bezit twee soorten gif. De ene soort legt je spieren lam en de andere je zenuwstelsel. De aangeboren reactie van de zwarten is in zo’n geval: zo snel mogelijk doodmaken, hoe dan ook. Dat is een levensvoorwaarde in de bush. Dus hadden ze de slang een pan kokend water over zijn lijf gegooid. Op dat moment kwamen wij witten binnen. En dat brengt hen dan terug bij het aangeleerde gedrag: we zitten hier in een nationaal park waar alle beesten beschermd zijn. De chef begint dan ook uit te varen tegen zijn personeel dat ze ‘poachers’ (stropers) zijn. De slang is nog niet dood maar ligt langzaam te creperen.  Rik Jan pleit er in het Swahili voor om het beest nu maar helemaal dood te maken, maar dat wordt resoluut geweigerd: het personeel bestaat niet uit stropers! Ik denk zelf eigenlijk dat de slang niet zoveel kwaad kon. Hij ligt onderaan de opgemetselde muur die wel anderhalf, twee meter hoog is. Daar komt die slang toch niet overheen? Maar, ik heb er geen verstand van. De zwarten groeien op met dit soort gevaren; ik kan voor hun reactie dan ook wel begrip hebben. 

 

We zitten met een paar mensen met Rik Jan te praten over de reis. Over wat hij zoal meer gedaan heeft. Hij doet deze reizen nu voor het zevende jaar; het zal zijn laatste jaar zijn want hij heeft er moeite mee om steeds hetzelfde nog steeds enthousiast te brengen. Hij denkt erover iets nieuws op te zetten in Zaïre. Of in Oeganda, bij de mensapen. Voor Kenya was hij reisleider in Oostbloklanden. En nu dus een eenmans reisbureau. Hij is opgegroeid in Kenia en spreekt vloeiend Swahili. Wij kunnen op deze reis daardoor unieke ervaringen opdoen. En door de contacten die hij in de afgelopen jaren heeft opgebouwd, natuurlijk. 

Na de pauze in de lodge zien we nog wel olifanten, bavianen, maar allengs wordt het minder. Het landschap blijft wel aantrekkelijk. Een tijdje later zitten we dan weer op de hoofdweg Nairobi-Mombasa en zijn we dus het park uit. Het rijtempo wordt hoger, de wind feller en het reizen daardoor minder aangenaam. We zakken wat onderuit en duiken weg in ons windjack om de wind minder te voelen. Gelukkig kunnen we om de middag de benen strekken in het wat grotere dorp Voi. We eten er chicken massala met rijst. Voi is een druk doorgangsdorp. Rommelig, vuil, vooral het marktplein. De mensen zijn er niet aardig. Op fotograferen reageren ze agressief. Van een vrouw aan de kant van het plein koop ik een tros van die kleine smakelijke banaantjes, waarmee ik de halve groep kan bedienen. Na Voi begint de lange vermoeiende reis naar Mombasa pas echt. Urenlang zitten we op de auto en zien we het landschap langsflitsen. Soms zak ik wat onderuit, voeten tegen de zijwand, ogen dicht. Zo heb je het minste last van de wind. Het naar buiten kijken hou je bij deze snelheid (ik schat 70 km/h) niet lang vol. Er is overigens niet veel bijzonders te zien. Wel valt me op dat de vegetatie langzaam maar zeker verandert. De baobabs, de apenbroodbomen, die in Tsavo nog bladerloos waren, staan hier in blad en overal bij nederzettingen staan palmbomen met grote kokosnoten eraan. 

Eindelijk naderen we dan de grote havenstad Mombasa. De stad ligt grotendeels op een eiland. Van deze kant is dat te bereiken via een brug. Mombasa is een drukke stad, dat zie ik vanaf de auto wel. Ergens in de binnenstad parkeren we even waarna Rik Jan met enkele chefs de cuisine inkopen gaat doen voor de komende dagen. 

 
Op de pont in Mombasa

 

backpackers lustoord met camping vlak aan het strand

Onze camping ligt ruim twintig kilometer ten zuiden van de stad aan het strand. Twiga Beach, een backpackers lustoord met camping vlak aan het strand. We moeten dus nu het eiland Mombasa weer verlaten en dat kan in deze richting alleen via de pont. We sluiten aan in de rij voertuigen en mensen te voet en met fietsen en zwaar beladen handkarren die staat te wachten. Als we op de pont staan, zakt de zon al bedenkelijk laag. Ten zuiden van Mombasa is het platteland erg verstedelijkt. Overal tussen de bomen en struiken zien we primitieve optrekjes, soms van beton, vaker van hout, en altijd met plaatijzer op het dak en altijd die vuile kleuren. Hier en daar een klein hokje waar vrouwen water vandaan halen. In de minuscule winkeltjes langs de weg gaat het elektrische peertje al aan. Het is zeven uur geweest, het wordt donker. Het laatste stuk naar de camping is een smalle weg waar de bomen en struiken vlak langs staan. Te dichtbij voor onze brede vrachtauto met opbouw. De zeilen moeten omhoog om niet beschadigd te raken. De takken schuren nu over het geraamte en zwiepen soms onverwacht naar binnen. We moeten oppassen om er niet door geraakt te worden. Dit, plus de diepe kuilen en de duisternis maken de laatste kilometers van vandaag niet tot een pretje, na de urenlange rit die we achter de rug hebben. 

 

  

   tentjes langs de Grote Oceaan aan een bijna wit en verlaten strand

 

onderweg een grote zak houtskool gekocht

Op een gegeven moment zien we lichtjes; verder blijft het hier onder de bomen aardedonker. We blijken op de camping aangekomen te zijn. Als iedereen van de auto is geklommen, komen wij van de pakploeg in actie. We laden alle bagage uit en dat is in het donker best lastig. Iedereen die zijn spullen in ontvangst neemt, verdwijnt om de tent op te gaan zetten of om te gaan koken. Onderweg hebben we namelijk wat hout verzameld en een grote zak houtskool gekocht. Overal langs de weg staan hier houtskoolverkopers. Pas als alles afgeladen is, kan ook ik de tent gaan opzetten. Peter kan mij niet helpen omdat hij bij het vuur moet blijven. Rik Jan heeft gewaarschuwd dat het strand wel een mooie plek is om de tent neer te zetten, maar dat je daar wel het risico loopt bij aanwakkerende wind te worden weggeblazen. Desondanks zie ik dat er al een stuk of zeven tenten op het strand staan. Ik kan er, ook al zou ik willen, niet meer naast. Een meter of vijftien het land in lijkt me een geschikte plek. Voor zover ik dat in het duister kan beoordelen. Hier op en bij het strand is het niet meer zo aardedonker als zo straks onder de palmbomen. Ik heb mijn zaklantaarn nauwelijks nodig. Ik zie dat hier een fraai grastapijt ligt, waarin de haringen meer houvast hebben dan in het losse zand. Zo zet ik daar in mijn eentje in de relatieve duisternis ons Chateau La Marotte op. Mijn kampeerervaring komt goed van pas, en de tent staat snel. Het is nog drukkend warm, zoel. In mijn blote bast transpireer ik nog. Om deze vochtige, drukkende warmte is deze kust beroemd, of berucht. 

iedereen is afgedraaid

Als de tent staat en de bagage erin is ondergebracht, sluit ik hem af en ga ik op zoek naar de anderen. De camping wordt bewaakt door een paar forse zwarten die met vervaarlijke knuppels gewapend over het terrein patrouilleren. De kook- en stookploeg tref ik eenzaam aan het werk. Alle anderen hebben zich naar de bar begeven. Na wat zoeken in het duister vind ik de bar. Het grootste deel van de groep zit er achter een koude fles Tusker, White Cap of Pilsner. Het maakt voor mij allemaal weinig verschil. Zo’n bierkenner ben ik niet. Maar in deze warmte smaakt het best. De flessen zijn voor mij aan de grote kant. Enfin, het helpt goed tegen de dorst en het kan geen kwaad voor de ingewanden. Om een uur of negen eten we naast de auto onder de palmbomen onder het schijnsel van onze neonlampen. Het vuur doet het niet geweldig. Het hout is te vochtig. Toch smaakt het eten me na deze lange dag wel. Rik Jan vertelt de plannen. We blijven drie nachten en twee dagen. Overdag kun je ’s morgens met de truck naar Mombasa; ’s avonds word je dan weer opgehaald. Of je blijft op het strand. We, dat zijn de mensen met wie ik het meest optrek, besluiten om de eerste dag, morgen, naar de stad te gaan en de tweede te relaxen aan de oceaan. 

Peter en ik nemen nog een biertje aan de bar maar lang houden we het er niet uit. Er zijn er ook maar weinig meer van onze groep. De fut is er wat uit, iedereen is afgedraaid. Tegen een uur of tien zoeken we onze tent op. Ik bedenk dat ik mijn malariapil nog niet heb genomen. Morgen dan maar. Op enkele tientallen meters afstand bruist de Indische Oceaan. Dat slaapt lekker. 

 

naar boven