Kenia, reisverslag van een avontuurlijke kampeersafari - Nairobi - Tsavo West

Hits: 31800

Artikelindex

 

 

 

Dinsdag 3 juli 1979    Nairobi -  Tsavo West

 onze truck voor de River Lodge in Nairobi 

Als we wakker worden en naar buiten kijken zien we een echt Hollandse hemel: grijze wolkenflarden tegen een wat lichter grijze achtergrond, waaruit een druilerige regen valt. Het is frisjes.  We eten schuin tegenover onze lodge in een lokaal Afrikaans cafeetje. Hier kun je droge, wat zoetige koeken krijgen, die te eten zijn. De bwana ( de boss) verstaat geen Engels. Ik moet nogal lang wachten op mijn melk-met-thee.  Thee zonder melk kan ik op dat moment nog niet bestellen in het Swahili. Tussen arbeiders en kantoorklerken eten we zo ons karige ontbijt. 

 

Afspraak was dat we om acht uur zouden gaan inladen en dan tegen half vertrekken. Aangezien er nog geen corveeploegen waren ingedeeld, liep iedereen elkaar voor de voeten en duurde het minstens een uur voordat alle spullen waren opgeborgen in de daarvoor bestemde ruimten in de truck. De regen is wat minder als we om half tien vertrekken. Het is koud op de laadbak. De zeilen aan de zijkant zijn nu wel naar beneden maar we zitten toch te bibberen. Na een uur of anderhalf rijden klaart het weer op en wordt het iets aangenamer op de vrachtauto. Te zien is er niet veel bijzonders. Naarmate we verder van Nairobi af komen richting Mombasa wordt het land lager en de temperatuur navenant hoger. 

We worden met onze eigen wapens bestreden 

Als we in een klein dorp, Kibwezi geheten, stoppen voor wat middageten, is het dan ook best lekker weer. We laten de bagage op de auto, behalve de camera, en gaan binnen in een van de optrekjes dat eruit ziet alsof er wat te eten is. Café en bar staat erop geverfd in onhandige letters. In het duistere interieur staan een paar kale houten tafels, hier en daar bespijkerd met  stukken platgeslagen blik, afkomstig van olieblikken of zo. Dat is niet te zien want de verflaag is er namelijk afgesleten. We nemen plaats op de houten banken. Uiteraard spreekt de waard noch zijn vrouw noch zijn dochter Engels. Na veel verwarrende pogingen tot communicatie wachten de meesten maar gewoon af wat ze voorgezet krijgen. Ik heb iets verstaan van ‘maziwa moto na kahava’ en inderdaad komt er spoedig een geblutste blikken beker voor ons te staan, waarin dampende melk vanonder een stevig vel uit de pan geschonken wordt. Daarin komen een paar schepjes Nescafé, eventueel wat bruine rietsuiker, en na flink roeren blijkt het nog te drinken te zijn ook.  Eten lijkt me hier niet mogelijk. Al gauw stap ik op en ga het dorpje in. Een eindje verderop is de markt. Daar koop ik wat onooglijk uitziende maar o zo smakelijke banaantjes. Hierbij zijn die grote chiquita’s bij ons maar een flauwe hap. Ik kan er al een deel van de honger mee stillen. Langs de kant van de weg worden ook ‘sambussa’s’  gebakken en verkocht. Dat is een driehoekje van een soort bladerdeeg, gevuld met ongeveer dezelfde ingrediënten als bij ons in de loempia zitten. De smaak komt ook vrijwel overeen. Ik vind het lekker en deze reis zullen we nog vaak sambussa’s eten. Ik dwaal het verdere dorp door. Het is maar klein, steeds kom ik andere leden van de groep tegen. Als ik op een gegeven moment een foto wil gaan maken, maakt Peter me attent op een zwarte man die vanuit de relatieve duisternis van zijn winkeltje een ouderwetse boxcamera op ons richt en van ons een foto maakt. We worden met onze eigen wapens bestreden en we hebben er veel plezier om. 

 
Marktje met lege kramen in Kibwezi                                      en ik onder een reusachtige Baobab boom

 

omzwermd door verkopers

Ik probeer wat te praten met een paar opgeschoten jongens die Engels spreken. Ze zijn erg schuchter en tot een gesprek komt het niet. Ik loop nog maar eens verder in dit eerste plattelandsdorp in Afrika dat ik zie. Er zijn talloze winkeltjes van slechts enkele vierkante meters, waarin uiteenlopende zaken als bananen, kinine, Omo en frisdrank worden verkocht. De horlogemaker ontbreekt hier evenmin als in Nairobi, met zijn verplaatsbare, inklapbare winkel. Het is niet meer dan een kastje op poten met een uitklapbare voorwand. Kleermakers en schoenmakers zitten buiten voor hun zaakje hun ambacht uit te oefenen. Vrouwen hebben een kleed op de grond gespreid en daarop liggen vruchten die te koop zijn. Ook jochies van een jaar of acht venten met een mand bananen. Als een propvolle bus uit Mombasa door de gaten in de dorpsstraat schommelt, wordt hij omzwermd door verkopers. Veel verkopen doen ze niet. 

Na anderhalf uur klimmen we weer op de wagen, zwaaien naar de bevolking en rijden terug naar de hoofdweg. Als we daarop rijden, zak ik onderuit en sluit de ogen. Er nog niet veel te zien aan de langstrekkende niyika (het lage doornenbos), zo nu en dan onderbroken door een paar armoedige optrekjes met een maïsveldje en een paar bananenbomen, en dan weer zo’n typisch rijtje lage betonnen gebouwtjes, met winkeltjes, een café, soms een garage. Met een houten galerij ervoor lijkt het wel wat op een wildweststadje zoals je dat in westerns soms ziet.  Maar dan stijllozer, wanordelijker en vuiler. 

 ...dat ze nog véél dichterbij komen

Na een tijdje slaan we rechtsaf en staan voor een van de toegangen van Tsavo West National Park. Door het park rijden we naar de camping. We zien ons eerste wild –als ik de enkele antilope en aap langs de hoofdweg niet meetel. Bij de eerste olifant, vrij ver af, wordt gestopt en iedereen slaat driftig aan het fotograferen. Rik Jan merkt droog op dat ze nog véél dichterbij komen. Dat wordt een gevleugeld woord de komende weken. We zeggen het later ook tegen elkaar als we zo dichtbij een olifant zijn dat- ie met de zoomlens in de kleinste brandpuntsafstand nog niet helemaal in de zoeker past.   Maar dat zou morgen pas voor het eerst gebeuren. Nu zijn we nog enthousiast over een olifant in de verte. Vandaag zien we verder niet zo veel meer, behalve een groep impala’s, en wat zebra’s. Het duurt ook niet zo lang meer voor we het campingterrein bereiken. Officieel ligt de camping geloof ik net buiten het park, maar behalve met een slagboom op de weg is zo’n park op geen manier van het andere terrein afgesloten. We kamperen dus gewoon tussen het wild in onze kleine pubtentjes. De volgende morgen zullen we vlak bij het kamp twee giraffen zien. 

een levende kikker in de toiletpot

Er is hier sprake van een echte camping. Er zijn kranen met ‘drinkbaar’ water (daar hopen we dan maar het beste van), er is een toilet, -wel met een levende kikker in de toiletpot. Moet je die nou op zijn kop ….? Ik ga maar een eind verderop in de bush. Dat moeten we op deze reis toch heel vaak. Het meest frisse toilet is dat tussen de struiken van de bush.  En er zijn afdakjes van riet waaronder de tenten moeten worden opgezet. Op het gras moet je dat hier niet doen. Niet om het gras, dat is toch al bruin, maar omdat het gras hier heel scherpe, stekelige, klittende vruchtjes draagt. Als je een stukje textiel op dat gras legt, zit je een kwartier te plukken. Onder elk afdak moeten drie tenten. Dat lukt net. De tenten zijn nieuw van Walker, dubbeldaks en ruim genoeg voor twee personen en wat bagage. Ik deel een tent met Peter. Het opzetten is een hele klus. Niet vanwege de –simpele- tent maar door de steenharde vulkanische bodem. Diverse aluminium haringen worden hier al voor de toekomst onbruikbaar krom geslagen. Voor het vastzetten van de scheerlijn aan de nok gebruiken we dan ook maar een zwaar stuk steen. We zijn vandaag nog lekker vroeg; dat zal voortaan nauwelijks meer voorkomen. We kunnen dus bij daglicht ons wassen, wat sokken en onderbroeken uitspoelen, brandhout verzamelen, en de directe omgeving verkennen. Vlak bij blijken apen te zitten, meerkatten. Om te zien heel leuke beestjes. De volgende dag zouden ze tijdens onze afwezigheid alle keukenspullen door elkaar gooien, een paar tenten langs de rits stukscheuren, koffers overhoop halen, tandpastatubes stukbijten en de inhoud over het interieur van de tent verspreiden, kortom een kleine ravage aanrichten. Sommigen van de groep vonden apen ineens een stuk minder leuk. 

avondeten,  in grote teilen op een rooster boven een houtvuur

Deze eerste avond wordt er met man en macht enthousiast gewerkt aan het avondeten, dat in grote teilen op een rooster boven een houtvuur moet worden bereid. Wat we eten heb ik niet genoteerd en herinner ik me nu niet meer, maar er was wel een stuk vlees bij. In ieder geval smaakt het ons uitstekend. Onder deze omstandigheden althans. Ik denk dat hetzelfde eten thuis heel anders zou smaken…  Maar dat is toch altijd zo: onder de luifel smaken dingen anders, vaak beter dan in de gewone situatie. Dat geldt zelfs voor wijn. 

  

....kan een hyena je voet als een lekker hapje beschouwen

Na het eten zitten we op uitklapbare houten banken gezellig rond het kampvuur.  Rik houdt een speech op zijn eigen wat laconieke manier. Hij vertelt het een en ander over het Tsavo wildpark waar we nu zijn. We krijgen instructies over kamperen in de bush. In tegenstelling tot wat we van plan waren moet je met je hoofd naar de rits van de deur van je tent slapen. Als die rits toevallig wat mocht opengaan doordat je er met je voeten tegen duwt, kan een hyena je voet als een lekker hapje beschouwen. Als je met je hoofd tegen de rits aan komt, merk je dat en kun je je maatregelen nemen. Als je er ’s nachts uit moet, extra voorzichtig zijn. Met je -onmisbare- zaklantaarn om je heen schijnen, luisteren, en in geval je het niet vertrouwt toch maar even wachten. In geen geval buiten het kamp gaan lopen, ook niet overdag. Niet alleen verboden maar ook gevaarlijk. In het park niet van de auto en niet naar buiten leunen. Tijdens game viewing stil zijn. De volgende morgen is er om zes uur reveille. Voor de stookploeg een half uur eerder. Er worden zes corveegroepen gevormd. Vier kookploegen van vier personen, een stookploeg van drie man en een pakploeg van vier man. Ik kies voor de laatste groep. Op de ochtenden dat we opbreken, zullen wij voortaan drie kwartier tot een uur hard werk hebben met het inpakken van de inventaris en alle bagage. En ’s avonds nog weer een half uurtje voor het uitladen van de spullen en klaar zetten van de banken. Het is bijna onvoorstelbaar hoeveel er in al die ingebouwde kasten en ruimten in de truck gestouwd zit. Verder hebben we een aantal jerrycans aan boord voor water, veel gereedschap zoals scheppen, sleepkabels en allerlei autogereedschap in aparte ruimten en een soort koelbox geïsoleerd met tempex. Daarin kan verse groente, vlees e.d. Aan de zijkant van de Mercedes vrachtwagen hangen zware stalen oprijplaten voor als de truck vast komt te zitten. Het ziet er allemaal stoer uit –en dat is het ook. 

Behalve die natuurgeluiden is het immens stil

We zitten nog even wat na te praten. Het is mooi rustig weer. Alleen de van het vuur afgekeerde rug wordt wat koud op den duur. Een trui helpt goed. Om ons heen tsjilpen krekels, klinkt een wonderlijk gekwaak van een soort kikvors, en nog allerlei voor ons ondefinieerbare geluiden. Behalve die natuurgeluiden is het immens stil. Sinds Rik vanmiddag de dieselmotor uitschakelde, hebben we geen mechanisch geluid meer gehoord. Andere auto’s zien of horen we niet. Huizen zijn er niet in de nabijheid. Ter plaatse heb ik er nooit bij stil gestaan, maar achteraf denk ik wel eens: wat als hier iemand iets krijgt, gebeten wordt door een slang of zo? Rik Jan heeft een EHBO-doos bij zich, maar dan nog. Gelukkig is er wat dat betreft op deze reis niets ongelukkigs gebeurd. Het avontuur zat hem gelukkig in andere dingen. 

Niet te laat stappen Peter en ik naar onze tent. Ruud komt nog even bij ons zitten en even later Dik ook. We hebben nog wat Berenburg en Ierse whiskey. De restjes maken we onder een plezierig gesprek soldaat. Dan gaan we slapen want Peter zit in de stookploeg en moet dus om half zes er al weer uit. Het slapen gaat best, alleen is mijn donzen slaapzak vrij warm. Het drie á vier centimeter dunne schuimrubber slaapmatje van de truck ligt wel zacht eigenlijk. Tegen de verwachting in. 

naar boven