Kenia, reisverslag van een avontuurlijke kampeersafari - Mombasa, Mwasunga Scenery, Taita Hills

Hits: 32339

Artikelindex

 

 

 

Zondag 8 juli 1979   Mombasa, Mwasunga Scenery, Taita Hills

De tenten moeten we vanmorgen nat opbreken. Het nog natte wasgoed pakken we in plastic zakken in de koffers. Niet ideaal, maar wat moet je anders. De pakploeg heeft het vanmorgen niet gemakkelijk. Ten eerste zijn er heel wat souvenirs bij gekomen, waarvoor dan wel een apart vak in de truckopbouw is (slim ingedeeld ding hoor!) ,maar die toch plaats innemen.  De koffers worden ook dikker en zwaarder geloof ik. Nu al… En de nat opgerolde tenten nemen veel meer plek in dan anders. Kortom, het is een uurtje zwaar werken in deze enorm vochtige hitte. Tegen een uur of half negen zit alles er dan toch in en gaan we op weg. Ik heb mijn Noorse vest en windjack maar weer aangetrokken want op de auto is het altijd een stuk frisser dan je geneigd bent te denken. Bovendien gaan we het binnenland weer in, dus we stijgen dus wordt het frisser. Het stuk naar Voi is oninteressant, ook omdat we het al zagen. We eten weer in Voi, nu in een ander restaurantje, wat moderner van opzet. Kip met rijst. 

 

  

 

 

Sturen helpt op deze glibberboel  niet veel

Tot nu toe was het vandaag tamelijk droog. Na Voi gaat het weer regenen. Als we van de grote weg afslaan richting Wundanyi in de Taita Hills beginnen we snel te stijgen en al snel drijven er flarden wolken rond de truck. Het wordt ronduit koud. We hebben de zeilen al naar beneden gelaten. Ik zit helemaal vooraan deze keer. Daar net achter de cabine vang je de minste wind. Als ik op mijn knieën ga zitten of ga staan kan ik door het plastic raam in het voorzeil kijken. Ik zie dan hetzelfde als de chauffeur. Wat ik zie is niet erg bemoedigend. Na het plaatsje Wundanyi verandert de asfaltweg in een ‘all weather road’. All weather, jawel, maar bij dit weer is de weg één glibberige massa. De bovenste 20 cm wordt een kleiige, kleverige laag die in het loopvlak gaat zitten en de banden geen enkel houvast biedt. Ik verwonder me dan ook over het feit dat we nog zo ver komen, want er zitten een paar aardige hellingen in ons traject. Vanuit mijn positie zie ik meer dan de anderen, en diverse malen houd ik mijn hart vast: hier blijven we steken of –nog erger— glijden we naar de kant van de weg waar het nogal steil naar beneden afloopt. Het gaat echter steeds nog goed, tot het moment dat we in een bocht tot stilstand komen. Meteen zijn er de speculaties. We zijn er. We zitten vast. We gaan verder lopen. We durven niet verder. Het blijkt dat we inderdaad vlak bij de camping zijn. De inrit loopt midden in deze bocht nogal steil naar beneden en toen Rik Jan het gevaarte de bocht door wilde sturen naar beneden, ging het ding rechtdoor, dus met de bocht van de weg mee. Daar loopt natuurlijk een soort spoor dat de wielen dan willen volgen. Sturen helpt op deze glibberboel  niet veel. Het is dus beter dat iedereen uitstapt. Sommigen trekken hun schoenen uit en stappen wellustig in de gladde brij rond. Ik houd mijn schoenen aan; ik heb niet zo’n zin in allerlei infecties en het zware profiel doet me nog enigszins stevig staan. Sommigen hebben later inderdaad last van infecties aan de voeten. Uiteraard heerst er lichte opwinding in de groep. Eindelijk avontuur! Om ons en de auto heen wemelt het al snel van de kinderen en ook enkele volwassenen die met belangstelling en veel onbegrijpelijk commentaar onze verrichtingen, of het gebrek eraan, volgen. 

na drie kwartier ploeteren en trekken en duwen en veel doordraaiende wielen staat het vervoermiddel op zijn plaats

We nemen de situatie in ogenschouw. Even verder door de bocht is een tweede ingang naar de camping. Die loopt wat minder steil omlaag. Als de truck eerst de bocht door is, kan hij misschien achteruit die inrit insteken. Om de zware vrachtauto niet zijn eigen wil te laten gaan, bevestigen we een dik touw aan de voorkant en trekken daar met man en macht aan om de truck op de weg te houden. Niet dat je veel kunt trekken aan zo’n zwaar voertuig, maar het lukt. Daarna steekt Rik Jan heel langzaam achteruit de inrit in, en na een half uur, drie kwartier ploeteren en trekken en duwen en veel doordraaiende wielen staat het vervoermiddel op zijn plaats. 

Op deze camping zijn een tweetal gemeenschapsgebouwtjes met wc en enkele kamers. We laten ons in het ene gebouwtje op een stoel zakken en maken kennis met een groep van Sindbad ( een organisatie die bestond tot 2007) die hier eerder vandaag is aangekomen. Zij hebben al beslag gelegd op de meeste beschikbare kamers. Uiteraard komen de sterke verhalen nu los. Over het vele wild in Masai Mara, waar wij nog naartoe gaan. Over Mount Kenia, wat volgens deze mensen een regelrechte afknapper is.  Enzovoort. Het is nog onduidelijk wat wij verder gaan doen. De reisleiding is kennelijk zelf ook verrast door de omstandigheden want enige doeltreffende informatie blijft voorlopig uit. 

een paar raskampeerders  die de kletsnatte tent opzetten

Eerst gaat er ook nog iets heel anders gebeuren. Deze camping wordt geleid door een idealist uit Nairobi, die de lokale bevolking weer bewust wil maken van haar eigen oude tradities, maar tegelijkertijd de bijgebrachte christelijke waarden wil conserveren. Nieuwe gasten op de camping worden dan ook verwelkomd door een zanggroep van christelijke jeugd, die nu ook voor ons gaat zingen. De jongens en meisjes zijn een jaar of zestien, zeventien en zingen wat spiritual-achtige liederen. Melodieus en ritmisch, a capella, zoals alleen Afrikanen kunnen zingen. Het klinkt best aardig. We staan er met bemodderde schoenen en benen naar te luisteren. Het concert duurt meer dan een half uur. Op het laatst worden we wat ongedurig: straks wordt het weer donker en we moeten toch enig onderkomen voor de nacht hebben. En er zal ook eten moeten worden gekookt. Voor een deel van de groep blijken er nog kamers te zijn, tegen betaling uiteraard. Anderen opteren voor slapen in de gemeenschapsruimte op de grond. Een paar anderen opteren voor de truck. Toch zijn er ook een paar raskampeerders waaronder Rik Jan, Dik en Wim, Ton en Renske en ook Peter en ik, die de kletsnatte tent opzetten. Eerst helpt Dik mij en later ik hem, omdat onze partners in de stookploeg actief zijn. 

Tegen dat Diks tent staat, is het volkomen donker geworden. We hebben erge last van bijtgrage mieren. Rik Jan had ervoor gewaarschuwd de tent niet op hun pad op te zetten. Toen ik de grond daarop inspecteerde –voor zover het licht het nog toeliet— had ik geen mier gezien, maar als we bezig zijn met het opzetten, worden we aan alle kanten gebeten. Door de nattigheid trekken de mieren instinctief naar de hoogste plaatsen. Als ze dus eenmaal op je been zitten, lopen ze door tot ze in mijn baard zitten. Of tot ze eerder ergens tussen je huid en je kleren knel komen te zitten en dan gaan ze bijten. 

  

 

 

Overal hangt de rook van het houtvuur, die niet goed weg kan

Ik ga zo nu en dan even kijken bij de tenten, want er zwerven hier veel bedelende kinderen rond. Het zal blijken dat ze onze eigendommen wel respecteren, al raak ik wel een handdoek kwijt die hing te drogen. Peter en ik hebben het natte wasgoed uit de zakken gehaald. Dat was wel nodig want het begon al wat te stinken. Opnieuw uitspoelen dus en op een lijntje hangen. Zo lang we hier zijn, is het droog. Er schuiven wel zwarte wolken voor de maan langs. 

De stookploeg heeft intussen in een soort half open gebouwtje een vuur aangelegd en de kookploeg is bezig. We zitten zo lang wat in de gemeenschapsruimte te praten en te zitten. Iedereen is moe en afgedraaid. Er blijkt echter nog een fles Berenburg te zijn, ik meen dat Elselien ermee komt. Die is in deze omstandigheden zeer welkom, hoewel voor zo’n grote groep veel te klein. Maar beter iets dan niets zeggen we tegen elkaar. Pas tegen negenen is het eten klaar. Een soort chili con carne met veel smakelijke warme bonen, vlees en zelfs een vruchtensalade na. Hulde aan de keukenbrigade. De ruimte wordt spookachtig verlicht door een stormlantaarn. Overal hangt de rook van het houtvuur, die niet goed weg kan. Zitten kunnen de meesten niet. We staan aan een soort bar te eten. Het smaakt ons heerlijk. We realiseren ons dat we nu misschien wel ongeveer net zo leven als de lokale mensen hier elke dag doen. 

Ik ga die avond om half tien naar de tent. Peter is al even eerder gegaan. We zijn eerst wel een kwartier bezig om mieren dood te drukken die aan onze kleren mee naar binnen gekomen zijn. Nu de tent goed dicht is, zie ik ze niet meer binnenkomen. Toch kan ik nog een hele tijd niet slapen omdat ik overal nog jeuk voel. Of denk te voelen. Morgen zal blijken dat ik wel heel wat bulten heb. 

 

 

naar boven