India, Nepal en Sri Lanka, reisverslag en foto's

Hits: 25917

Artikelindex

India, Nepal, Sri Lanka in één reis 

Een reisverslag en foto's van gedigitaliseerde dia's uit 1980. Van Delhi met de bus o.a. naar Jaipur; in Agra de fameuze Taj Mahal bekijken, de intrigerende erotische tempels van Kajuraho bezoeken, 's ochtends vroeg varen op de Ganges in Varanasi met zicht op de badende pelgrims en lopen tussen de nauwelijks gecremeerde lichamen van de ghats; het nog meer exotische Kathmandu en Bhatgaon in Nepal zien; dan ruïnes en tempels op het elegante Sri Lanka; de rots van Sigiriya beklimmen, en een avondlijke processie meemaken voor de Tempel van de Tand in Kandy; terug in India de kust-tempels bij Madras en de 'gouden' stad Kanchipuram beleven; en struinen op markten in het chaotische Mumbai, waar wij een even grote bezienswaardigheid vormden voor hen als de inwoners van Mumbai voor ons. In het vliegtuig stappen alsof je hier de trein neemt, en nog veel meer. Kortom, een van de meest interessante en intense reizen die ik gemaakt heb. 

 

INDIA, NEPAL EN SRI LANKA
DRIE LANDEN IN ÉÉN REIS van 22 dagen gemaakt in 1980

 

Onderweg heb ik aantekeningen gemaakt en thuis heb ik die uitgebreid uitgeschreven voor het plakboek. Nu type ik die tekst over en redigeer die enigszins. 


 

 

HET REISSCHEMA in grote lijnen:

INDIA: 

(VLUCHT NAAR) NEW DELHI

 

OLD DELHI: JANTAR-MANTAR OBSERVATORIUM, LAXMINARAYAN TEMPEL, RAJGHAT (CREMATIEPLAATS GHANDI), JAMA MOSHID MOSKEE, RED FORT EN MOONLIGHT SQUARE CHANDNI CHOWK; 

 

NEW DELHI: NATIONAAL MUSEUM; HUMAYUN’S TOMB;  MINARET QUTAB MINAR (UIT 1200)

 

JAIPUR; AMBER (VERLATEN STAD UIT 1100 MET JAI MANDIR, JAI MAHAL, MAN SAGAR MEER), PER OLIFANT NAAR AMBER FORT

 

JAIPUR: RAM NIVAS TUINEN; PALEIS van de MAHARADJA; PALACE OF THE WINDS

 

AGRA: FATEHPUR SIKRI; AKBAR’S TOMB IN SIKANDARA; TAJ MAHAL (MAUSOLEUM VAN SJAH JAHAN VOOR ZIJN VROUW MUMTAZ MAHAL); FORT VAN AGRA

 

(VLUCHT NAAR) KAJURAHO: KANDAYA MAHADEVA e.a. TEMPELS MET EROTISCHE PLASTIEKEN

 

(VLUCHT NAAR) VARANASI: BHARAMAT GOLDEN TEMPLE; DURGA TEMPLE; SACRED BULL; SARNATH;

 

BIJ ZONSOPGANG BOOTTOCHT OP DE GANGES

 

NEPAL

 

(VLUCHT NAAR) KATHMANDU.

 

PATAN: MANGAL BAZAAR SQUARE; MAHABODHI TEMPLE; KUMBESWAR;

 

BHATGAON (BHAKTAPUR): GOLDEN GATE; COURTYARD OF THE KINGS

 

ZONSOPKOMST IN DHULIKEL, HIMALAYA

 

SRI LANKA

 

(VLUCHT VIA DELHI NAAR) COLOMBO

 

ANURADHAPURA; RUÏNES ANTIEKE KONINKLIJK PALEIS; DAGOBA’S EN HEILIGE BO-BOOM (2200 JR.OUD) 

 

POLONNARUWA: AUDIENCE HALL, COUNCIL CHAMBER, GAL VIHARE

 

SIGIRIYA: GALERIJ VAN DE 21 NIMFEN IN 200 M HOGE VESTING

 

KANDY: KONINKLIJKE BOTANISCHE TUINEN; TEMPEL VAN DE HEILIGE TAND VAN BOEDDHA; 

 

COLOMBO: RONDRIT EN FORT;  HOLLANDSE SPOREN

 

INDIA

 

(VLUCHT NAAR) MADRAS: MUSEUM, HIGH COURT; VICTORIA PUBLIC HALL; GOUVERNMENT HOUSE; LIGHT HOUSE; FORT ST. GEORGE

 

MAHABALIPURAM; GOUDEN STAD KANCHIPURAM

 

(VLUCHT NAAR) MUMBAI (BOMBAY)

 

VLUCHT NAAR HUIS

 

22 dagen, 4463 gulden (=2025 Euro). Deze reis is in 30 jaar niet of nauwelijks duurder geworden…In totaal zitten hier elf vluchten in. Dat is dus gemiddeld elke tweede dag een vlucht. 

 


 

Zaterdag/ zondag, 12/13 juli 1980  NAMASTÉ INDIA!  

We reizen met een Boeing 747 van Air India. Vertrek zaterdag  12 juli 1980 om 20.15 u. Tussenlanding op Genève. Tussenlanding Rome. Om 01.00 uur zondagmorgen vertrekken we voor de 6400 km naar Delhi. Vlucht duurt 6 uur 15 min. Exotische stewardessen in sari brengen in het holst van de nacht nog een warme maaltijd. Ach ja, kunnen we vast wennen aan andere ritmes. 

Als we ’s morgens om half twaalf lokale tijd in New Delhi uit het vliegtuig stappen, overvalt ons meteen de drukkende hitte. Pas tegen half twee kunnen we naar buiten met onze bagage. De bus staat klaar. Bij het hotel worden we ontvangen met het bekende Namasté –gebaar van de lichte buiging met de handen gevouwen voor het gezicht. We krijgen allemaal een bloemenslinger omgehangen van Afrikaantjes. Of all flowers… Afrikaantjes. Maar we vinden het allemaal wel wat hebben. We logeren in het Imperial Hotel. De naam zegt het al: het is een duidelijk overblijfsel uit het koloniale tijdperk. Pompeus, met marmeren vloeren, fraaie houten lambriseringen, alles heel hoog en groot. In de eetzaal gebruiken we een lunch die veel van een diner wegheeft. Dat is gewoonte. De lunch is minstens zo uitgebreid als het diner ’s avonds. 

Na de lunch gaan we met zes man de stad in om wat rond te kijken. Maar we moeten eerst wel drie kwartier wachten op een tropische stortbui tot die eindelijk van ophouden weet. Verder blijft het trouwens praktisch droog vanmiddag. Er valt veel te kijken voor ons westerlingen. En dan zijn er nog veel winkels dicht ook. Maar straattafereeltjes doen mij al diverse dia’s maken. 

Terug in het hotel installeren we ons in de kamer. Ik slaap op een kamer met Henk. We gaan zwemmen in het zwembad van het hotel. We zijn er de enige gasten. Tegen zevenen, even voor het donker wordt, gaan we eruit. We moeten zorgen op tijd te zijn voor de cocktailparty, ons aangeboden door de Indiase reisorganisatie. Ze blijken zeer genereus met sterke drank. Ik krijg geen kans mijn whiskyglas leeg te drinken. Een beetje licht in het hoofd zit ik dan ook aan, aan het diner. Bij een stemmige verlichting en veel buigend personeel. Ik maak kennis met Grietje en Riet, twee aardige kleuteronderwijzeressen. Er blijken trouwens bovengemiddeld veel onderwijsmensen in deze groep te zitten. Het eten is westers. Boontjes, worteltjes, doperwtjes en taai vlees. Je trakteert er mij niet mee. Je gaat in India toch geen doperwtjes eten! Maar het is wel gezellig. Onze Indiase reisbegeleider verzekert mij dat we binnenkort ook Indiaas eten zullen krijgen. Daar verheug ik me op. Na een dagsluiting (’t is tenslotte zondag en een christelijke reisorganisatie) gaan we vermoeid plat. Voor het eerst in twee etmalen weer lekker slapen. Niet verkeerd. 

 de omgeving waarover het gaat in deze reportage

 


 

 

Maandag 14 juli 1980 OLD EN NEW DELHI

Na het ontbijt vertrekken we met de bus voor sightseeing door Delhi. ’s Morgens beperken we ons tot het nieuwe deel van de stad Delhi met o.a. de Parlementsgebouwen (enorm brede lanen omzoomd met bakstenen gebouwen), en andere regeringsgebouwen. Alles ziet er wat somber uit. Dat komt niet in de laatste plaats doordat het regent, soms miezerend maar soms ook echt hard. We zien het Nationaal Museum en het War Memorial. 

Bij Humayun’s Tomb gaan we eruit en wandelen over het terrein. Het is een prachtig gebouw, heel evenwichtig en sierlijk. Het is in 1562 gebouwd voor de Mogul keizer Humayun. Laverend tussen de plassen op de rode aarde van de paden probeer ik wat mooie foto’s te maken. Op de gazons zijn mensen bezig met een schaartje het gras te knippen. Nee, echt. Met een schaar. Voor een van de gebouwen (er staan er hier meerdere) zit een groep mannen stenen te bikken. Geen bakstenen maar grote platen natuursteen. 

Henk en ik maken kennis met een Indiase familie uit de staat Gujarat die hier ook als toerist zijn. Aardige mensen. We maken foto’s, noteren hun adres en beloven een foto op te sturen. 

Bij de Qutab Minar schiet ik mijn eerste diafilm van 36 opnamen al vol. Met een paar anderen beklim ik deze 72 m hoge toren. Het is de hoogste stenen toren van India. In 1193 werd met de bouw begonnen en in 1368 was de toren klaar. De moskee, waar de toren bij hoorde, is nu een ruïne. Op internet lees ik dat de toren kort nadat wij hem beklommen, gesloten is voor publiek. Begin jaren tachtig viel het licht uit toen er net een schoolklas binnen was en in het tumult zijn toen doden gevallen. Sindsdien is de toren dicht voor bezoekers. Bovenop hebben wij nog een mooi uitzicht over het terrein en de verdere omgeving. Gelukkig hebben we de foto’s nog. 

Na de lunch in ‘ons eigen’ Imperial Hotel bezoeken we Old Delhi. We bezoeken uitgebreid de Laxminarayan Tempel, een zeer grote moderne Hindoetempel, die druk bezocht wordt. De tempel is gewijd aan Lakshmi, de Hindoe godin van de rijkdom en aan haar begeleider Narayana. Gebouwd in 1622, en opnieuw ingewijd door Mahatma Gandhi, die de eis stelde dat de tempel niet alleen voor Hindoes zou zijn en voor alle kasten open zou zijn. 

Op sokken of blote voeten lopen we over de hete stenen; het is vandaag weer bloedheet want het weer is opgeklaard en de zon schijnt onbarmhartig. Maar dit is beter dan die sombere regen van vanmorgen! Drukkend is het nog wel, door al dat vocht in de atmosfeer. Binnen in de tempel is het wat koeler. Er is erg veel te zien en ik kijk mijn ogen uit. Dingen die ons merkwaardig voorkomen. Zo zie je hier en daar de swastika, het hakenkruis, afgebeeld. Maar dan wel met de punten net anders dan Hitler het symbool gebruikte. Ik zie de devotie die mensen hier tonen voor –in mijn ogen- suikerzoet afgebeelde goden in zuurstokkleuren; goden met merkwaardige uitdossingen, vele armen, olifantsslurven, noem het maar op. En het zijn er veel verschillende. 

Daarom verbaas ik mij ook over een tekst in het Hindi en Engels op een stenen plaat in deze tempel. Er staat: “God is one. He is omnipresent, omnipotent, omniscient and the Creator of the whole universe. Who is all that was in the past and Who is all that will be in the future. Who lords over the whole universe and Who is pure bliss by very nature. To Him, the highest Supreme Being, I salute.”  ‘Atharva Veda 10-8-1.’  (“God is één. Hij is alom aanwezig, almachtig en alwetend en de schepper van het universum. Hij die alles is wat in het verleden was en wat in de toekomst zal zijn, die heerst over het universum en die pure zaligheid is alleen al door zijn aard, aan hem, het hoogste Opperwezen breng ik eer.”). Dat klinkt mij eigenlijk tamelijk christelijk in de oren, denk ik al lezend. Ik zou hier zo voor kunnen tekenen. 

Verder bezoeken we vandaag het Rode Fort en bekijken we de grote moskee Jama Masjid uit 1650 n.C. Het Rode Fort is gebouwd door de Mogoel keizer Sha Jahan (die van de Taj Mahal) in de 17e eeuw en dankt zijn naam aan de rode zandsteen waarmee het is gebouwd. Ook de grote moskee Jama Masjid dateert uit de 17e eeuw en is ook van Sha Jahan. 

Tenslotte maken we een wandeling over Moonlight Square Chandni Chowk. Dat is een drukke winkelstraat in Oud Delhi. Het krioelt er van de mensen en ertussen door wurmt zich nog verkeer, taxi’s,  bussen, brommers, fietstaxi’s enz. Het leven speelt  zich hier geheel op straat af en er is dan ook veel te kijken en te fotograferen. D. en ik halen ons hart op. Wij zijn de enigen die min of meer professionele apparatuur bij ons hebben. Verder zijn er in de groep wel veel kiekjesmakers en filmers. Alleen hier in Chandni Chowk schiet ik 24 dia’s. (** Voor nu is dat niet veel. Met de digitale camera maakte ik op topdagen in Vietnam of China honderden foto’s, maar voor het analoge tijdperk geldt: er gaan 36 tot 38 dia’s op een filmpje, in totaal nam ik 18 rolletjes mee, dus dat is zo’n 650 dia’s. En dat vond iedereen toen héél veel. )

’s Avonds bij het diner in het Imperial Hotel zijn er geen alcoholische drankjes te krijgen; het is een ‘droge’ dag in deze staat. Ik wandel wat langs de vele winkeltjes met dure ‘handicraft’ die bij dit hotel horen. Niet te laat naar bed. 

DELHI, OLD & NEW

 

De Sikh die bij de toegang tot ons hotel in New Delhi stond.

 

Het is even wennen aan het linkse verkeer. (New Delhi)

 

Een beetje vreemd kijken we ook aan tegen de manier waarop hier nog met mankracht gewerkt wordt.

 

En hoe men probeert om jou als toerist geld uit de zak te kloppen. Dieren worden daarvoor schaamteloos uitgebuit. 

 


 

 

Humayun's Tomb

Bij Humayun's Tomb.

Een prachtig uitgebalanceerd bouwwerk.

 

 

Er zijn restauratiewerkzaamheden gaande. Ook hier veel mankracht en geen machines.

 Wij gaan op de foto met een Indiase familie voor Humayun's Tomb.

Het jongste kind van de familie. Wat een koppie!

 

handwerk: koperen, tinnen en bronzen voorwerpen waren toen redelijk betaalbaar als origineel souvenir en van hoge kwaliteit

 

 

Qutab Minar. De foto van de toren zelf was te donker... Dit is een detail van de toren.

De ruïnes om de toren heen, gezien vanaf de toren, die toen in 1980 nog beklommen mocht worden.

Idem.

 


 

Delhi, Laxminarian Temple, het graf van de grote Ghandi en het Rode Fort

 Laxminarian Temple, Delhi.

Idem.

Uitleg over het symbool Swastika, dat je hier veelvuldig ziet.

 Hindoegodenbeelden.

Toren, met bovenin het Swastika-symbool.


 

Raighat, het graf van de grote Ghandi.

Idem. In de urn een eeuwige vlam.


 

Red Fort, het Rode Fort van Old Delhi

Red Fort, het Rode Fort van Old Delhi. De Lahore-poort.

 

In het Rode Fort, Delhi.

In het Rode Fort.


Chandni Chowk, het Maanlichtplein, in Delhi

 

Een heel bijzondere plek is het drukke chaotische Chandni Chowk, het Maanlichtplein, in Delhi.

Alles krioelt er door elkaar, auto's, brommers, fietstaxi's, verkopers, vele voetgangers...

 het begin v.d. straat

 

 kraampjes

  kleermaker 

 oversteken is een waagstuk

 schoenen passen

 instant fotograaf 
hij ontwikkelt de foto in een emmer bij daglicht. Tja. Ik heb het resultaat niet gezien. Er was geen emmer voor de fixeervloeistof...

 


 

Jama Mashid Moskee

 

Jama Mashid Moskee, Delhi.

 

 


 

 

Dinsdag 15 juli 1980  AMBER

We staan erg vroeg op: om zeven uur worden we geacht in de bus te zitten. De bagage moet dan al drie kwartier eerder gereed staan. Vandaag rijden we namelijk naar Jaipur. Ik zit achterin de bus met ruimte voor mijn fototas en bij het raam dat open kan. En dat laatste is van onschatbare waarde in dit klimaat. (**’Airco bussen’ waren nog niet standaard). Het rijden in een bus tussen het Indiase verkeer op deze smalle weg is een belevenis op zich. Het inhalen gaat gepaard met oorverdovend getoeter van luchthoorns, over en weer. Achter op auto’s en vooral vrachtwagens staat: ‘Horn please!’ Anders hebben ze zeker niet door dat ze ingehaald worden. Naar mijn begrippen kan het vaak niet, dat inhalen, maar hier doen ze het toch en het is allemaal goed gegaan, maar ik heb er wel vaak met kromme tenen gezeten. Liever kijk ik dan maar niet meer mee met de chauffeur en ga ik ergens achterin zitten. Onderweg stoppen we een paar keer voor een korte pauze. Er is koude frisdrank aan boord. Ik herinner me ook dat we een keer onderweg zouden koffie drinken in een soort wegrestaurant. Het zat er behoorlijk vol en onze groep kon er niet bij. Onze Indiase reisleider is van een hoge kaste, een brahmaan geloof ik. Hij smoest even met de eigenaar terwijl wij buiten wachten en prompt loopt het halve restaurant leeg en kunnen wij plaats nemen. Het kastensysteem is afgeschaft, maar leeft nog volop en wij ervaren het aan den lijve. Ik voelde me er wel ongemakkelijk bij. Onze Indiase reisbegeleider vindt het niets bijzonders. Het is een aardige ontwikkelde man. Later zal ik hele gesprekken met hem hebben. Hij is ook nieuwsgierig naar onze manier van leven in Nederland. 

In een klein dorp, liever gehucht, stopt de bus even en maken we kennis met de inheemse bevolking. Deze plattelanders kijken nog vreemder tegen ons aan dan wij tegen hen. Een paar volslanke vrouwen van onze groep hebben de speciale belangstelling van de tanige vrouwen in prachtige kleurige sari’s. Ze voelen aan de mollige bovenarmen alsof om te kijken of het wel echt is. Ze kwetteren onderling volop en lachen. Andere dames staan voor ze het weten met vuile kinderen en baby’s op de arm. Een paar kinderen ritsen bij mij brutaalweg mijn fototas open op zoek naar snoep. Gelukkig talen ze niet naar mijn dure fotoapparatuur. Ik maak toch maar gauw dat ik wat uit het gedrang kom en maak van een afstandje wat foto’s. Met de telezoomlens kan ik dan toch leuke platen maken. Onze sympathieke begeleider Jain vraagt me om de groep zo langzamerhand terug te roepen naar de bus, want we moeten nog een heel eind rijden. 

Even na de middag rijden we het stadje Amber binnen. Tot 1728 was Amber de oude hoofdstad van de staat Rajasthan. We wisselen de bus nu tijdelijk voor een meer aan de omstandigheden aangepast vervoermiddel: de olifant. Vanaf een soort verhoogd perron nemen we met vier personen plaats in een soort ledikant op de rug van een olifant. Het zit niet echt comfortabel. Zeker niet als het dier al schommelend de heuvel op – en straks af- gaat. Ik probeer mijn grote fototas op schoot te houden en tegelijk ook nog wat foto’s te maken. Dat valt niet mee maar dank zij de computerautomatiek van de Canon A-1 lukt het toch. Ach, achteraf zal blijken dat fotografisch gezien eigenlijk alles goed is gelukt. Een stuk of vijf onjuist belichte dia’s op de ruim 600 is niet slecht. 

Boven op de heuvel wacht ons Fort Amber, een complex van fraaie gebouwen waarvan de Jai Mandir of de Hall of Victory wel het mooist is. Dank zij het inlegwerk in het marmer van albast, ivoor, parelmoer en tienduizenden kleine spiegeltjes. Mijn mond valt ervan open. Het uitzicht van de heuvel over het meer is ook schitterend. Op de terugweg kunnen we daarvan ook genieten, schommelend op de rug van de olifant. De jochies die onze olifanten begeleiden, zetten  de dieren aan tot een wedstrijdje wie het hardst kan. Dat had voor ons passagiers niet gehoeven. Ze verwachten dan ook nog een tip; nou vooruit. Maar zo’n grote olifantsprik koop ik toch maar niet van ze. 

Van Amber naar hotel Clarks Amer is het nog een uur rijden. Het hotel ligt een eind buiten Jaipur. Als we er aankomen, hebben we allemaal wel trek in de lunch. Eerst mogen we ons even opfrissen in de toiletten. Daar staat iemand klaar om de deur voor je open te doen, iemand om de kraan aan en uit te zetten en iemand die een handdoek voor je klaar houdt. Ik voel me hier niet echt happy bij,  maar het verschaft de mensen wel werk. Je geeft ze een kleinigheid en ze zijn je dankbaar. Dit soort werkverschaffing zien we meer in dit land. 

Na de lunch met de bus naar het Jantar Mantar Observatorium. De gids begrijpt volgens ons zelf ook niet helemaal waartoe de geometrische objecten allemaal voor dienden.  In ieder geval kan hij het niet uitleggen en zijn Engels is ook nauwelijks te verstaan. Jammer. Het is het grootste gebouwde astronomisch observatorium ter wereld, uit de 18e eeuw. Verder zien we het Hawa Mahal of Palace of the Winds  met de merkwaardige gevel. De Albert Hall en museum en het City Palace of the Maharadja. Het is overal verstikkend warm, zeker in de bus als die een tijdje heeft stilgestaan. Daardoor is de trip extra vermoeiend. 

Ik ben dan ook hondsmoe ’s avonds. We hebben 270 km afgelegd. Ik ben wat verbrand op mijn schouders en armen. Ik ben te moe om te gaan zwemmen en lig daarom heerlijk een tijd in het luxueuze bad van de moderne goede badkamer die onze kamer in dit hotel completeert. 


 

Onderweg

Op het platteland onderweg naar Amber. Middeleeuwse toestanden. Een vrouw die water put.


Fort Amber

 

Fort Amber bezoeken wij per olifant.

 Hier zit ik (rechts) op de olifant, in een soort ledikantje.

Fort Amber ligt mooi zo tussen de heuvels.

  

 

 

 Het uitzicht van Fort Amber

De spiegelzaal is indrukwekkend.

Uitzicht op de vijver, beneden.


Het Palace of the Winds in Jaipur

 Het Palace of the Winds in Jaipur.


Het paleis van de Maharadja in Jaipur. De deur wordt goed bewaakt.

Stadsbeeld in Jaipur 1980.


Het Jantar Mantar Observatorium in Jaipur

 

 


 

 

Woensdag 16 juli 1980  AGRA

Ook vanmorgen zitten we weer om zeven uur in de bus. We hebben nu 250 km voor de boeg naar Agra. Na uren rijden bereiken we de dode stad Fatehpur Sikri. Eens de keizerlijke residentie van Akbar de grote, maar al 350 jaar verlaten wegens gebrek aan water, maar nog in perfecte conditie. De gids troont ons in het gebruikelijke ijltempo langs allerlei bezienswaardigheden. Ik laat de groep al gauw vooruit gaan en laat de omgeving op me inwerken zonder allerlei deskundig commentaar. Ik zoek aardige standpunten voor het maken van foto’s en wijd daar alle tijd aan. Het is me al vaker opgevallen dat de gidsen die lokaal aan boord komen, eigenlijk niets méér te vertellen hebben dan wat ik ook al in mijn uitstekende reisgidsen kan vinden (Fodor: “India en Nepal, 1980). Vaak heb ik dat in de voorbereiding al gelezen.

Het is weer erg warm vandaag hoewel het wat bewolkter is dan gisteren. Ik heb nogal last van mijn verbrande schouders en nek. Het dragen van de meer dan 8 kilo zware fototas wordt er zo niet prettiger op. Ik ben dan ook wel blij als we tijdens de lunch in het Holiday Inn Hotel in Agra (35 km van Fatehpur Sikri) even kunnen uitblazen bij een frisse drank en heerlijk eten. En: met uitzicht op de Taj Mahal! 

Meteen na de lunch gaan we met de bus op pad om dit wereldwonder te zien. De Taj Mahal is tot nu toe een hoogtepunt op deze reis. De Taj is een van de negen ‘wereldwonderen’, gebouwd in 1648 door keizer Sjah Jahan, als een eerbetoon en mausoleum voor zijn overleden vrouw keizerin Mumtaz. Vooral gezien vanaf een afstand bij voorbeeld van onder de toegangspoort tot het terrein, is het inderdaad een adembenemend schoon bouwwerk. De compositie met de vier minaretten er omheen is onovertroffen afgewogen en uitgebalanceerd. Het bouwwerk maakt een rustgevende indruk op me. Zo in evenwicht, zo losgezongen van de werkelijkheid tegen de achtergrond van de rivier ligt het daar te blinken. 

Nadat ik de buitenkant helemaal heb bekeken, daal ik af in het binnenste, om de beide tombes te zien en te fotograferen. Het is er halfdonker en heet als in een oven, zo voelt het. Daarbij vergeleken is het buiten lekker ‘fris’. Terug bij de toegangspoort heeft de onvermoeibare gids nog een heel verhaal, maar iedereen is op een muurtje gaan zitten en er is niet meer zoveel puf en aandacht. 

In de buurt kunnen we gelukkig een betrouwbaar flesje frisdrank kopen. Eigenlijk krijgen we op dit soort dagen lang niet genoeg water binnen, gezien de hoeveelheid vocht die je verliest in dit klimaat. Vandaar onze vermoeidheid ook denk ik. Maar het is ook wel een druk programma; daarvan zou je in een minder drukkend klimaat ook moe worden. 

Na een eindje in de bus stoppen we bij het Red Fort van Agra. Net als overal op dit soort toeristische plekken worden we meteen bij het uitstappen omringd door souvenirverkopers, soms nog kinderen, die niet aflaten je te achtervolgen met vaak ook nog overal dezelfde waar. Als je maar enige belangstelling toont, klitten ze aan je, soms honderden meters. Het beste is geen oogcontact te maken, consequent ‘nee, dank je wel’ te zeggen (in het Engels maar misschien nog beter in het Nederlands), dan ben je het snelst van ze af. 

Vanaf het Rode Fort kunnen we de Taj Mahal nog weer zien. Van hieruit had ook de opdrachtgever tot de bouw, sha Jahan, nog uitzicht op zijn schepping, die de laatste roepie uit de staatskas had gekost, reden waarom zijn zoon hem hier in het Red Fort gevangen had gezet. 

’s Avonds na het diner treedt er speciaal voor onze groep een goochelaar op met een ‘Magic Show’.Ik ben niet zo gek op goochelaars en zo, maar wat deze man presteert, liegt er niet om. Vooral de laatste truc waarin hij droog zand in water strooit en er ook weer droog zand uit haalt, maakt wel indruk op mij. Niet iedereen is bij het programma aanwezig: de vermoeidheid en de darmstoornissen eisen hun tol. Ik heb zelf ook wat last van diarree. De badkamer in dit hotel is slecht. Warm water is er niet. 

 


 

Fatehpur Sikri en de Taj Mahal 

 

De dode stad Fatehpur Sikri.

Deze zuil zou de vier wereldgodsdiensten symboliseren.

 Graftombe van Salim Chrisjti in Fatehpur Sikri.

Fatehpur Sikri


Onderweg zien we een kapper bezig in de buitenlucht. Let op zijn 'huis'nummer op de boom


Taj Mahal

De poort naar de Taj Mahal, ook al mooi

Als je het bouwwerk voor het eerst aanschouwt, stokt je adem even. Zelden zie je zo'n zuivere schoonheid.

 

 Taj Mahal

 

 Portaal van de Taj Mahal

De graftombes in de kelder van de Sja Jahan en Mumtaz, zijn vrouw, voor wie hij dit gebouw bouwde.

 

De Taj Mahal, gezien vanaf de andere kant van de rivier waar de Sja gevangen was gezet omdat alle staatsgeld aan de Taj Mahal was opgegaan. Hier kon hij zijn bouwwerk nog zien.

 vliegen naar Kajuraho

 

 

 

 


 

Donderdag 17 juli 1980  KHAJURAHO

Vandaag gaan we een eind verderop met het vliegtuig. Om acht uur zijn we op de luchthaven aanwezig en om negen uur vertrekken we. Om kwart voor tien landen we op Khajuraho. De transfer naar het Chandela Hotel verloopt snel en efficiënt. De bagage komt ons later na. Voor de lunch is er geen programma. Ik verken het hotel en de omgeving. Buiten heerst zoals gewoonlijk een zinderende hitte, maar wat droger dan wat we gewend waren. In het hotel is het, als in alle hotels tot nu toe, lekker koel. Ik schrijf een brief aan mijn ouders en breng die in het hotel ‘op de post’. 

’s Middags maken we een excursie naar de oostelijke en westelijke tempelcomplexen. De tempels van Khajuraho zijn uniek en beroemd om hun uitstekend bewaard gebleven erotische plastieken die elke decimeter van de buitenmuren van de tempels bedekken. De beeldhouwwerken beelden vrijmoedig elk denkbaar standje uit en bevatten ook de nodige humor. De gids pikt er hier en daar een aardig tafereeltje uit en vertelt er een passend verhaal bij. De tempels werden in de periode 950 - 1050 gebouwd. Khajuraho was destijds de hoofdstad van het Chandellarijk. De oorspronkelijke 80 tempels werden door een muur omgeven. Rond de 12e eeuw verplaatste het zwaartepunt van het rijk zich naar de stad Mahoba. Uiteindelijk zou de stad verlaten en vergeten worden. De stad raakte overwoekerd. In de 19e eeuw werd Khajuraho herontdekt. Doordat de tempels eeuwenlang verborgen bleven zijn deze nooit vernietigd. Op dit moment zijn 22 tempels in een redelijke staat.

Er is ontzettend veel te kijken, alleen al op één vierkante meter. Het tempo ligt mij weer vaak te hoog om ook nog mooie dia’s te kunnen maken. Na de rondleiding is er gelukkig nog vrije tijd om op ons eigen houtje rond te kijken. Je zou hier nog eens terug moeten kunnen komen…

Later heb ik het erover met onze Indiase gids Jain. En nog later met zijn Sri Lankaanse opvolger. Het valt mij op dat zij meer trots zijn op dit soort tempels, die toch veel minder bekend zijn, dan bij voorbeeld op de wereldberoemde Taj Mahal. Op de Kandarya Mahadeva raak je nooit uitgekeken, zegt Jain, en ik geloof dat hij gelijk heeft. 

Helaas breekt er bij ons bezoek aan het tweede complex met tempels een tropische regenbui los, zodat we dat bezoek voortijdig afbreken. In een winkel waar de gids ons naartoe loodst, is van alles te koop. In een klein winkeltje bij het eerste complex heb ik een stukje houtsnijwerk gekocht dat een thema uit de tempels in beeld brengt. Terug in het hotel neem ik een lauwwarm bad. Daar knap je van op. 


 

 De erotische tempels van Kajuraho / Kandariya Mahadeva tempelcomplex

 

We maken een aparte vliegreis om de zeer merkwaardige tempels van Kajuraho te zien. Ze zijn 'bedekt' met beelden van mannen en zeer rondborstige vrouwen, soms in niet mis te verstane poses. Hier een aantal indrukken.

 

 

 

 

 vliegen naar Varanasi

 

 

 

 


 

 

Vrijdag 18 juli 1980   VARANASI

We hoeven vanmorgen nu eens niet voor dag en dauw op. Om negen uur moeten we op het vliegveld zijn en om kwart over tien verheft de Boeing 737 van Indian Airlines zich in de warme lucht, op weg naar Varanasi (vroeger Benares), waar we na veertig minuten vliegen aankomen. Na een busrit dwars door de drukke stad komen we bij het Clarks Hotel, waar we de lunch gebruiken en ons installeren. ’s Middags rijden we eerst, in afwijking van ons programma, naar Sarnath. Sarnath is een begraven Boeddhistische stad, waarvan men delen nu opgegraven heeft. Hier begon volgens de overleveringen Boeddha, nadat hij verlicht was, zijn prediking. Ik kijk uitgebreid rond in het museum, bij de Stupa ruïnes en we nemen een kijkje in de nieuwe Boeddhistische tempel, waar in grote fresco’s in reclame-achtige voorstellingen het leven van Boeddha is uitgebeeld. 

Daarna haasten we ons naar de stad terug waar we door het chaotische verkeer rijden naar de Bharatmata-tempel, waar een grote marmeren landkaart van India is gemaakt. Deze Mother of India Temple is dan ook gewijd aan het land India. 

Verder krijgen we nog wat tijd om op eigen  gelegenheid door de straten van Varanasi te wandelen. Het regent heel licht. Toch maak ik heel wat dia’s, waaronder enkele aan de oever van de Ganges, de heilige rivier van de Hindoes. Ik ben vandaag overigens nogal zuinig geweest met foto’s maken, want we zitten nog niet op 1/3 deel van de reistijd maar ik heb al meer dan dat deel van mijn filmvoorraad opgemaakt. Gelukkig hebben twee reisgenoten al aangeboden dat ik van hen wel een film kan overnemen als ze overhouden. Zelf heb ik er zestien bij me (x 36 tot 38 opnamen), alle Agfachrome Professional 50 S. 

’s Avonds aan het diner is het gezellig met kamergenoot Henk, Grietje en Riet. Van Riet heb ik een drankje gekregen tegen darmstoringen. Het helpt wel geloof ik, maar ik moet toch wel voorzichtig zijn met wat ik eet en drink. We gaan op tijd naar bed want morgen is het heel vroeg dag. 


Varanasi (Benares) en de heilige Ganges

 Sarnath

Eerst bezoeken we Sarnath, een oude Boeddhistische ruïnestad, deels opgegraven

Stupa in Sarnath. Hier in Sarnath zou Boeddha zijn eerste preek gehouden hebben.

  

Stukje van de Bharatmata Temple. Overal struinen hier brutale aapjes rond.

 Varanasi

 straatbeeld 1980

 de Ganges, heilige rivier voor de Hindoes

Vroeg of laat komt iedere pelgrim en elke toerist uit bij de voor Hindoes Heilige Rivier de Ganges. De boten voor de vroege tocht over de rivier liggen al klaar.

Deze bedevaartgangers vonden het goed dat ik een opname maakte. Enkelen van de miljoenen die elk jaar naar deze stad komen om te baden in de Heilige Rivier.

 

 

 


 

 

Zaterdag 19 juli 1980 VARANASI – NEPAL, KATHMANDU

We staan al om  04.45 uur op, en na een haastige kop thee kruip ik met een katterig gevoel in de duistere bus. Alles schijnt nog te slapen. Als we door de schemerige straten van Varanasi rijden, zien we overal mensen liggen te slapen. Voor hun winkeltjes, op brede richels, uitsteeksels uit de muur, of zomaar op de grond. 

Zo tegen half zes komt er wat leven: vrouwen beginnen de straat te vegen, mensen wachten op de bus, sommige handelaren rollen het luik van hun winkel omhoog en de eerste maïskolven van de dag worden geroosterd. Aan de Ganges wordt onze groep in twee groepen op een boot ‘geladen’ en beginnen twee jongens met een duwpaal de boot tegen de sterke stroom in te krijgen. Dat is geen lichte taak, dat kun je wel zien. Maar ze zijn er ontzettend handig in. Het gaat vrij dicht langs de oever en daardoor hebben wij goed zicht op wat daar allemaal gebeurt. We zien mensen zich wassen, baden, tanden poetsen en dat in rivierwater dat al vuil is, maar bovendien zijn verderop de crematieplaatsen waar de hele dag door lijken van gelovige Hindoes worden verbrand. De as wordt in de heilige rivier gekieperd, oneerbiedig gezegd misschien, maar daar komt het wel op neer. 

Op onze tocht zien we de talrijke ghats tussen de gebouwen op de oever. Een ghat is een soort brede trap die het water in leidt, en waarop gelovige Hindoes hun rituele bad nemen en de zon begroeten die nu langzamerhand achter de wolken gaat opkomen. De fotografische omstandigheden zijn niet optimaal, zacht gezegd. Voor een goed resultaat moet ik de telezoomlens gebruiken, maar er is nog zo weinig licht dat ik dan op een sluitertijd van 1/15e seconde kom. Dat is veel te lang voor een telelensopname. Ik waag het er toch maar op,  -- uiteraard want zo’n kans krijg ik voorlopig niet weer. Later blijken de opnamen redelijk goed belicht en nog tamelijk scherp ook. Van de foto’s van de meeste andere groepsleden zal dat niet gezegd kunnen worden. 

Na de boottocht, die ik als een derde hoogtepunt – na de Taj Mahal en Khajuraho--  beschouw, lopen we naar de crematieplaats hier dichtbij. Het cremeren van dode gelovige Hindoes gaat hier bijna dag en nacht door. Zoals gezegd wordt de as in de rivier gestrooid. We staan er even bij te kijken. Op een houtstapel ligt een zwart stuk koolstof, waarin vaag de contouren van een lijk te herkennen zijn. Onder de stapel ligt iets bloederigs. We blijven maar niet te lang. Ik heb op de nuchtere maag een lichte neiging tot overgeven. Ik loop maar weg, te meer omdat me aangeboden wordt dat ik een foto mag maken als ik een dollar betaal. Ik neem hier geen foto’s. Dat lijkt me wel zo kies. De crematieplaats heb ik vanaf de boot zo straks gefotografeerd, op decente afstand. Anders is fotograferen  hier strikt verboden, maar voor wat geld mag het dan wel. No thank you. 

Door de nauwe steegjes van Varanasi waarin het nu even na zevenen krioelt van leven, lopen we tussen schoolkinderen in frisse uniformpjes, mannen in een soort badjas die terugkeren van hun bad in de rivier, souvenir- en andere verkopers, drukke zakenmensen en heilige koeien. Ik adem diep in, alsof het moment wil vasthouden. Wat ik hier allemaal meemaak, wil ik niet vergeten. Het is in de steegjes hier en daar onbeschrijflijk smerig, nauw en donker en nu al weer benauwend warm. Toch geniet ik met volle teugen want hier ben je midden tussen het echte Aziatische leven. Ik onderga het met al mijn zintuigen. 

We lopen langs de Sacred Bull, een heilig beeld van een zwarte stier, die net zijn ochtendlijke wasbeurt krijgt. Hij glimt van het water. Gangeswater ongetwijfeld. Even verder zit een man in lotushouding de bloemen te verkopen, waaraan zijn houding haar naam ontleent. Er tegenover zitten een paar vrouwen met hopen rijst en ander korrelig voedsel voor zich. Een andere vrouw is bezig met haar ‘stalletje’, een houten schot op de grond,  met vuurrode kleurstofpoeder erop. Dat verkoopt ze kennelijk. 

Via een  klimpartij door duistere trapportalen komen we op een soort balkonnetje, van waaraf we over een muur kijkend nog net het gouden dak van de Golden Temple kunnen zien. Het schijnt inderdaad zuiver goud te zijn wat hier blinkt. Dan lopen we langzamerhand weer richting de bus en om half negen zitten we dan aan het ontbijt. 

 



 

   

 's Morgens net voor zonsopkomst maken wij een vaartocht over de Ganges om het schouwspel te zien van de zich badende bedevaartgangers/ stedelingen.  Onder de grote parasols zijn de plaatsen waar de grote leermeesters (goeroe's) hun leerlingen onderwijzen in de juiste leer.

Men baadt, poetst de tanden en doet de was in hetzelfde water waarin even verderop de resten van de lijkverbrandingen op de ghats gestort zijn... Iedere Hindoe wil namelijk niet alleen minstens eenmaal in zijn leven baden in de Ganges in Varanasi maar er ook sterven en verbrand worden. Dan kan de cyclus van reïncarnatie opnieuw beginnen.  Het is een indrukwekkend schouwspel, (aangewezen door de hand van onze roeier...). 

 onder de parasols doceren de guru's 

 

Op de oever kun je iets zien van de vuren van de Ghats, waar de crematies plaats vinden. Wij mochten er een kijkje nemen. Vóór het ontbijt niet zo eetlustwekkend eigenlijk. 

 ontwakende stad; overal smeulen weer vuurtjes.

  
Als we eenmaal weer door de smalle straten van Varanasi lopen, zien we overal baders met een handdoekje over de schouder. De stad komt tot leven.  Deze vrouw brengt haar koopwaar in stelling. Ze heeft haar eigen kleren kennelijk gekleurd met de kleurstof die ze verkoopt.

 Een eerbiedwaardige man in lotushouding verkoopt lotusbloemen.

  

De 'Sacred Bull' heeft net de ochtendlijke wasbeurt gehad.    De 'Golden Temple' van de Sikhs kunnen we alleen via een tocht door steegjes en over trappen in het vizier krijgen. Alles wat hier blinkt, is puur goud.



 

 

Om half elf zitten we dan weer te wachten op een bank van de zoveelste luchthaven, --en er komen er nog zo veel! Deze keer betreft het een buitenlandse vlucht naar Nepal, dus de formaliteiten zijn nog omvangrijker dan ze op een binnenlandse vlucht al zijn. Mijn koffer moet zelfs open. Ook dat is meer een formaliteit dan dat de controle echt iets voorstelt. Na een vlucht met Indian Airlines landen we om kwart voor een op Kathmandu Airport. Ook hier weer langdurige formaliteiten. Filmcamera’s en draagbare radio’s moeten worden aangegeven. Mijn koffer moet weer open. De douaneman kijkt met wat vreemde blik naar het erotische houtsnijwerk uit Khajuraho. Misschien zou dit als pornografisch artikel beschouwd kunnen worden in dit land, bedenk ik nu. Maar de man zegt er verder niets over. Eindelijk kunnen we dan in de bus stappen. Het is een afgedankte Mercedesbus uit Frankfurt am Main, zoals achterop nog vagelijk te lezen valt. Maar hij zit nog lekker en rijden en remmen gaat kennelijk goed, dus: so what?! 

We worden weer ontvangen met een bloemenkrans om onze nek. Toch aardig van The Orient Express Co. Private Ltd. Hun organisatie van onze reis is tot nu toe tot in de puntjes verzorgd. Als we het hotel naderen, valt mijn mond open van verbazing. Het Shankar Hotel blijkt een verbouwd Rana paleis te zijn en heeft het uiterlijk van paleis behouden. Zo stel ik me een paleis voor. Ik merk op dat men mij nu eindelijk eens onderbrengt in een hotel dat een heer van stand past, als iemand begrijpt wat ik bedoel. Henk en ik krijgen een echte suite als kamer. Wat wel een nadeel is, is dat er ondanks de enorme ruimte maar een bed staat met één grote matras. Ik ga meteen op zoek om een extra eenpersoonsbed te organiseren. Dat geeft eerst wat moeilijkheden omdat de kamermeisjes mij niet begrijpen. Maar als hun cheffin erbij komt, is het snel geregeld. Ik had desnoods ook kunnen slapen op de enorme bank van het bankstel in de zithoek. Lastig is ook dat de airco in de koelstand een geweldig lawaai maakt. Daar kun je niet bij slapen, dus zetten we het apparaat ’s nachts maar uit. Met het gevolg dat het toch wel benauwd wordt. Als we weg zijn, zetten we het apparaat dat in het raam zit gemonteerd op maximaal. 

Deze zaterdag na de lunch is er geen programma. Ik breng mijn bagage wat op orde, was onderbroeken, sokken en T-shirts en hang alles te drogen. Ik maak foto’s van het paleis-hotel en de mooie tuin ervoor. Ik neus wat in de winkeltjes, schrijf een heleboel kaarten naar het thuisfront. In de tuin is het heerlijk. Het is hier niet zo vochtig warm dus de warmte is hier beter draaglijk. Ik heb nog wat last van mijn darmen; pas op vliegveld Frankfurt zou ik er weer af zijn. Ik denk dat het komt door de combinatie van vermoeidheid, eten en drinken, en klimaat. Het is wel jammer dat ik niet volop mee kan eten want het eten is in dit hotel bijzonder goed. De eetzaal waar het wordt opgediend is een echte paleiszaal, met veel overdadig maar sfeervol stucwerk. 


  ons hotel Shanker Palace in Kathmandu

 

 ons uitzicht uit de kamer

 met de fietstaxi naar het centrum

 

 

 

 


 

 

 

Zondag 20 juli 1980 KATHMANDU 

Deze hele dag is ter vrije besteding. ’s Morgens slapen we uit. We kunnen nog net ontbijten als we daar om tien uur verschijnen. ’s Middags huren Henk, Dick en ik twee fietstaxi’s waarmee we ons naar het centrum laten rijden. Daar stappen we de hele middag rond in het heerlijkste weer en kijken onze ogen uit naar de straattafereeltjes, markten, handwerkslieden die hun ambacht half op straat uitoefenen, winkeltjes, een school.  

We bezoeken het Kumari Devi huis, dat is het huis van de ‘living godess’, de levende godin. Dat is een meisje dat op vijfjarige leeftijd aangewezen is om godin te zijn. Ze krijgt dan de naam Kumari. Dit betekent "puur", en "maagdelijk". De Kumari, de Koninklijke Kumari zoals ze wordt genoemd, zou tot haar volwassen worden een tijdelijk vat zijn waarin de Hindu-godin Taleju (Taleedjoe) huist, die op haar beurt een schijngestalte is van de vreesgevende Hindoe godin Durga (Doerga). Zij is de enige levende godin op aarde. Via een procedure wordt ze aangewezen. Dat houdt in dat zij het minst onder de indruk is gekomen van allerlei pogingen om de kandidaat-kinderen aan het schrikken te maken. Tot haar eerste menstruatie blijft ze godin, daarna krijgt ze een staatspensioentje. Wat ook wel nodig is, want trouwen zal niet voor haar weggelegd zijn. De legende houdt namelijk vol dat de man die haar zou trouwen het niet lang zou maken. Ze laat zich zelden zien in het openbaar, dus wij staren wel een poosje naar het venster waarachter ze zelden gezien wordt, maar tevergeefs. 

We zien op Durbar Square wel de Black Bhairav, een angstwekkende verschijningsvorm van Shiva. En natuurlijk talloze tempels, van grote gebouwen tot kleine kapelletjes. Merkwaardige verschijning is ook de verkoper van houten fluiten. Hij heeft ze aan een draagstok gestoken wat op een soort boom met kale takken gaat lijken. 

We willen ten slotte terug lopen naar ons hotel, maar dat blijkt toch te ver en halverwege nemen we toch maar een taxi om nog op tijd te zijn voor de zondagoverdenking die de reisleider houdt. Als ik de groep zo eens rondkijk, zie ik de diverse mensen met wie ik meestal optrek. Aardige lui. Dat zijn niet per se leeftijdgenoten want er is ook een al wat oudere dame die nog heel jong van geest is en erg sympathiek. Ik zie ook een middelbare man uit een oud vissersdorp die accountant is en uit hoofde van zijn geografische afkomst veel verstand van vis heeft, meent hij zelf althans. Ook op andere terreinen heeft hij het goed met zichzelf getroffen. Als hij spreekt, doet hij dat of om te klagen of om op te snijden over eigen ervaringen en kennis. Niemand neemt hem dan ook serieus geloof ik. Tempels en ruïnes interesseren hem niet; meestal blijft hij dan in de bus zitten en maakt snerende opmerkingen over mensen die wel de zoveelste tempel van de dag gaan bekijken. Daar in de bus zit hij dan met een andere man, die volgens mij alleen maar mee gaat op deze reis omdat het flink ver weg is. Dan is er nog een Veluws boertje dat heel graag praat, liefst over religieuze zaken, maar die een heel beperkte kijk op het leven heeft. Ja, leve de groepsreis. Tot zover de zondagoverdenking. 

  

Centrum is het Durbar Square.                De fluitenverkoper heeft zijn hele voorraad op één stok geprikt

  

De 'Black Bhairav', een verschijningsvorm van Shiva.

 tempeldakconstructie

 

Het Kumari Devi huis, achter deze ramen huist de 'levende godin'. Zie mijn reisverslag. Wij kregen haar niet te zien.

 school gaat uit

  

in een achteraf steeg is iemand bezig met het schilderen van een nieuw bord voor ons hotel!

  

overal kleine heiligdommen en altaren en godenbeelden

'Het hangt van ouderdom aan elkaar' zeiden ze vroeger bij ons. Hier is de vraag hoe lang dit nog aan elkaar hangt...

In deze straat zijn souvenirwinkeltjes, waar ik wat leuke blokdrukken van Hindoegoden en -godinnen op rijstpapier koop.

 

 

 

 

 


 

 

 

Maandag 21 juli 1980 KATHMANDU, PATAN, BHATGAON (BHAKTAPUR)

Vanmorgen gaan we met de bus op pad. We bezoeken eerst wat huisindustrie waarop onze lokale gids erg trots is. Houtbewerking en metaalindustrie. En ook een Tibetaans vluchtelingendorp, waar gesponnen en geweven wordt, en waar ons talrijke papiertjes in de handen worden gedrukt met adressen om kleren naar op te sturen. Zo arm zien ze er eigenlijk niet uit, denk ik. Dan hebben we in India wel veel grotere armoe gezien. 

We bezoeken Patan, een stadje in dezelfde vallei als waarin Kathmandu ligt. We zien er veel mooie tempels; ik maak veel dia’s maar op weg naar de laatste tempel breekt er een noodweer los, een zware moessonregen waarvoor we wel moeten schuilen. Na een poosje wordt het minder en we snellen naar de tempel, waar we net binnen zijn of het begint weer te hozen. In deze Boeddhistische Mahabodhi Tempel schuilen we dan weer een hele tijd, tot de regen zoveel minder is geworden dat we naar de bus kunnen rennen zonder doorweekt te worden. 

We lunchen in ons paleis, en daarna gaan we naar Bhatgaon, een oud stadje met een fraai behouden en gerestaureerd centrum. De tijd lijkt er sinds de middeleeuwen te hebben stilgestaan. De weg er naartoe door de foothills van de Himalaya levert heel wat mooie uitzichten op. Lichtgroene rijstvelden met donkere heuvels en bergen op de achtergrond. In Bhatgaon zwerven we door de oude straten en vele nauwe stegen en zonnige pleinen. Alles is even schilderachtig. We zien de Golden Gate, de Courtyard of the Kings, het 55 Window Palace aan Dubar Square. Ook hier is een Kumari, in de tempel achter Golden Gate, maar die is alleen toegankelijk voor Hindoes en de Kumari mag absoluut niet gefilmd worden. Er is een schilderachtige Temple of Five Stages en de Bhirava Tempel. Door de zuivere lucht en de wolken zijn de dia’s goed gelukt. Het mooiste raam van Nepal is hier ook: het Peacock Window, waarin een uit hout gesneden pauw pronkt. 

Ik had hier wel veel langer willen rondkijken, maar ja als de bus weggaat moet je wel mee. ’s Avonds na het diner wonen we een voorstelling bij van de plaatselijke volksdansgroep. Dat is heel aardig om te zien. Vroeg naar bed. 


PATAN EN BHATGAON

  

De Boeddhistische Mahabodhi Tempel in Patan

  

Het plenst hier met bakken uit de hemel. Je kunt de waterstralen van het dak zien lekken, voor de lens langs.

  

Even later is het prima weer. Het '55 Window Palace' in Bhatgaon.   

 

De 'Golden Gate'; hierachter huist ook weer een Kumari, een 'living goddess'. Verboden toegang...

  wandelend gras

   

De Tempel of the Five Stages. Bhatgaon.

 het beroemde pauwenvenster

 Kathmandu valley is prachtig

 folklore-avond in  het hotel

 

 

 

 

 

 

 


 

 

Dinsdag 22 juli 1980  DHULIKEL, BAGMATI PASHUPATINATH

Om half vier in de nacht staan we op. Na een kop thee met een slaapdronken hoofd de bus in. Onderweg zien we al mensen met handkarren vol handel en mensen die hun handel op het hoofd dragen, op weg naar de markten van Katmandu. Na een uur rijden zijn we aan het eind van de asfaltweg in het gehucht Dhulikel. Daar beginnen we aan een klim van ruim een half uur tot een punt waar we een heel mooi uitzicht over de omgeving hebben. De bedoeling was om van hieruit de zon te zien opkomen over de toppen van de Himalaya, maar helaas is het bewolkt. Dat is wel jammer maar desondanks is het een aardige tocht. Je word er wel wakker van. En hongerig. En de uitzichten zijn ook nu al adembenemend. 

Op de terugweg in de bus kunnen we genieten van het fraaie landschap van de Kathmandu Vallei. We maken een wandeling bij het tempelcomplex van Pashupatinath aan de rivier de Bagmathi. Ook hier zien we Ghats, maar ze zijn niet in gebruik. Ik koop hier een fraaie bronzen vaas met allemaal heel kleine Boeddha figuurtjes erop. 

Na het ontbijt in het paleis ga ik met een stel anderen naar het centrum onder andere om inkopen te doen. Ik koop een Tibetaanse gebedsmolen met nog het originele oude papier met gebeden erin en leuke blokdrukken op rijstpapier. 

’s Middags doe ik rustig aan. Wat lezen, wandelen, in de tuin zitten. Om vijf uur vertrekken we naar de luchthaven, want om zeven uur gaat het vliegtuig naar Delhi. Het duurt allemaal weer erg lang voor mijn gevoel. De vlucht zelf duurt 75 minuten, maar voordat we Delhi Airport hebben verlaten, is het half tien ’s avonds. In het zo langzamerhand vertrouwde Imperial Hotel moeten we direct aan tafel, en daarna is iedereen al heel snel vertrokken. De volgende morgen is het weer vroeg reveille. 


DHULIKEL, BAGMATI PASHUPATINATH

 in de foothills van de Himalaya

Dhulikel. Hier hebben we een fantastisch uitzicht over (de foothills van) de Himalaya.   Jammer dat we door de bewolking de zon niet zagen opgaan. We waren er vroeg genoeg voor... 

 wel fraaie panorama's

 

Ghats bij Bagmati Pashupatinath

 

 

 

     

Ghats bij Bagmati Pashupatinath. Een plaats, even heilig voor de Nepalese Hindoes als Varanasi voor de Indiase. Baders zijn er wel als wij er zijn, crematies niet.  Hier de Ghats van de overzijde gezien.

 


 

 

 

Woensdag 23 juli 1980 DELHI – MADRAS - COLOMBO, SRI LANKA

Weer om half vier, om precies te zijn. Na een heel vroeg ontbijt staan we om vijf uur ’s morgens te gapen op Delhi Airport. Een paar uur geleden kwamen we hieraan uit Nepal…Nu gaat onze vlucht om 06.00 uur naar Madras in Zuid India. Daar aan de oostkust hebben we dan een ‘flight change’. Het vliegtuig uit, wachten en nog eens wachten tot alle formaliteiten weer vervuld zijn. Het wordt nu een internationale vlucht naar Colombo op Sri Lanka. Om goed half negen komen we aan op Madras. Na de nodige ‘security checks’ vertrekken we een uur later en teen elven komen we aan op Colombo Airport. Dan is het nog een uur rijden naar de stad. Daar nemen we ons intrek in het luxueuze Ceylon Intercontinental Hotel. De lunch is buiten op het terras met uitzicht op de oceaan vlak bij. Volgens programma was er een vrije middag, maar op ons verzoek organiseert de sympathieke lokale gids Christy een Sightseeing Tour door Colombo. Het valt me een beetje tegen. Dat komt door verschillende oorzaken. We komen niet veel de bus uit, maar net als iedereen ben ik na drie vluchten binnen een etmaal met alles wat eraan vast zit en een paar heel korte nachten behoorlijk afgedraaid. ’s Avonds na het diner komt Riet nog even een slaapmutsje drinken bij Henk en mij en dan gaan we maar weer op tijd onder de lakens. 

 hindoetempeltje in Colombo 

 

 

 

 


 

 

 

Donderdag 24 juli 1980 NEGOMBO, ANNURADHAPURA

Om half acht zitten we al weer in de bus. Die is gelukkig airconditioned. Nadeel is wel dat je steeds die klap van het grote temperatuurverschil krijgt. Velen worden er verkouden van. Op weg naar Annuradhapura stoppen we in Negombo. Daar bevinden zich nog kanalen die de Nederlanders in de zeventiende eeuw hebben aangelegd: de Dutch Canals. Ik heb er een kort gesprek met een Ceylonees die goed Engels spreekt, en botenbouwer is. Hij troont me trots mee zijn eenvoudige huis is, maar helaas moet ik verder, de bus wacht. 

Een eind verder staat een overblijfsel van een Nederlands fort. Verder bezoeken we onderweg een batikfabriekje. In Anuradhapura worden we ondergebracht in het Nuwarawewa Rest House. Vergeleken met wat we gewend zijn is dit een simpel onderkomen. Een kale betonnen vloer, alleen het hoogstnodige aan meubels, en doordat er tussen de kamers en de gang geen doorlopende afscheiding is tot aan het plafond, is het er erg gehorig. Maar het ligt hier mooi in het groen. Na de lunch in dit resthouse, doorkruisen we met de bus de omgeving, waar talrijke ruïnes en gerestaureerde Dagoba’s zijn. We zien de grote Ruvanvelisaya Dagoba. Een grote witte koepel, met een muur er omheen, met beelden van de voorkant van olifanten er tegen aan. En nog kleinere dagoba’s, met voor de ingang vaak een mooie maansteen. Een maansteen is een halfronde steen voor de ingang, gebeeldhouwd met o.a. dierenfiguren; hij  verbeeldt het verlangen naar het nirvana (voorgesteld door de lotus in het midden van de steen). We zien de ‘twin ponds’, een soort badgelegenheid uit de oudheid, en veel apen die hier overal rondlopen.

We bezoeken een voor de Boeddhisten heilig gebied: de tempel van de Sri Maha Bodi boom. Het zou een loot zijn van de boom waaronder Boeddha destijds verlichting ontving. Je hebt echt het gevoel dat je heilige grond betreedt, als je de mensen om je heen zo in devotie ziet voor een tak van de boom of een beeld van Boeddha. De boom moet trouwens aan alle kanten ondersteund worden. 

’s Avonds bij het diner drinken Jan en ik een glaasje Arack. Arack wordt gestookt uit toddy, dat is sap uit de bloem van de kokospalm. Het is sterk spul. Onderweg vandaag hebben we veel van deze bomen gezien en we hebben ook een demonstratie gehad van hoe dat toddy-tappen in zijn werk gaat. ’s Avonds op de kamer als we net ongeveer onder de klamboe willen kruipen (die hangt hier aan de zoldering), valt het licht uit. Nu hebben we dat wel vaker meegemaakt op deze reis, maar nu blijft het wel een uur weg. Dat schijnt elke dag te gebeuren. Van de inlanders worden we niet wijzer over dit verschijnsel. 


 

Negombo, Hollandse VOC-sporen

  

Onderweg van Colombo naar Anuradhapura komen we langs Dutch Canals, kanalen die de Nederlanders gegraven hebben in de VOC-tijd. Nu liggen er simpele catamarans van vissers. Bij een vissers langs dit kanaal werd ik binnen genodigd. Helaas was er weinig tijd voor een goed gesprek.

 

Ook dit is een overblijfsel van de Nederlandse koloniale tijd. Een fort.

Ook onderweg zien we deze toddy-tapper. Deze mensen wagen zich als ware acrobaten op een gespannen touw om het sap uit de palmbloemen te tappen. Daarvan wordt een zeer sterke drank gebrouwen: de arack. De smaak ervan lijkt wel wat op die van rum.


 

Anuradhapura

De grote Ruvanvelisaya Dagoba in Anuradhapura.

 'Maansteen' voor een dagoba. 

 een oud bad

  

Voor Boeddhisten heilig gebied: de Sri Maha Bodi boom, waaronder Boeddha destijds verlichting zou hebben ontvangen. De oeroude boom moet op talloze plaatsen gestut worden.

 

 


 

 

 

Vrijdag 25 juli 1980 POLONNARUWA

Weer om half acht in de bus. De tocht naar Polonnaruwa begint pas nadat we een rotstempel in de buurt van Anuradhapura hebben beklommen en bekeken. Het is al weer erg warm zo vroeg op de ochtend, maar ik vind de warmte hier lekkerder dan in India. Onze reis voert verder door droge, wat troosteloze gebieden. Onderweg stoppen we bij een modaal huisje zoals je ze veel ziet hier. Christy heeft de afspraak dat we hier mogen kijken bij deze mensen thuis. Het is er ondanks de aarden muren en vloer netjes en schoon. De oude man heeft een prachtige doorleefde karakteristieke ‘kop’, prachtig om te fotograferen. En het meisje van een jaar of vijf is ook een kleine schoonheid. Van die grote zwarte ogen onder eveneens zwarte krullen. 

Onderweg zien we ook ‘tanks’. Een tank is hier een waterreservoir, aangelegd voor drinkwatervoorziening en bevloeiing. We zien de Minnerya tank en Topowewa tank. Tegen de middag installeren we ons in het Seruwa hotel in Polonnaruwa, waar we ook lunchen. Na de middag bezoeken we weer een aantal ruïnes van tempels en paleizen. Royal Palace en Audience Hall, waar ik een groepsfoto maak en een heleboel zwart-wit opnamen van de talrijke meerkatten. We zien de Vatadaga (tand van Boeddha) tempel en Gal Vihara met de enorme beelden van Boeddha’s uitgehouwen in de rotswand

In het hotel hebben we een aardige kamer met balkon, waarop het lekker zitten is zo tegen de zonsondergang. Naast ons zitten Grietje en Riet. In de bus zitten we ook vaak bij elkaar in de buurt en ik vind Riet erg aardig. ’s Avonds na het eten zitten drie dames en ik nog een hele tijd in de tuin te scrabbelen. Het is dan heerlijk weer. Soms horen we in de stilte van de avond geluiden die we niet thuis kunnen brengen. Een aap schiet in het duister over rammelende dakpannen. Een inlandse bediende staat als gebiologeerd een hele tijd naar ons spelletje te kijken. Eindelijk gaan we maar slapen, maar het is bijna zonde van de mooie avond om naar binnen te gaan. Maar ja, morgen weer om half acht rijden. 


Van Anuradhapura naar Polonnaruwa

 

   

Rotstempelmet uitgehakte figuren in de rots.          Foto (helaas met kleursluier) van een jonge Boeddhistische monnik die erg blij was met een schrift en een pen van ons. Voor een foto ging hij 'in de houding'. 

Onze inlandse gids liet ons een huis zien van een plattelandsgezin. Het is er brandschoon maar wel erg eenvoudig. 

 woongedeelte

Frisse lucht kan overvloedig toestromen. 

 keuken

 

   

  

De vrouw des huizes is net bezig rijst te wannen. Blij met een snoepje maar de kleine weet er niet goed raad mee...

   

                                                                  De oude baas heeft een prachtige doorleefde 'kop'.


Polonnaruwa

 

Ruïnes van tempels en paleizen.Royal Palace and Audience Hall

 

   

Een schitterend mooie maansteen.

Gal Vihare met uit de rots gehakte Boeddhabeelden.  

 Zomaar onderweg in het bos

 


 

 

 

Zaterdag 26 juli 1980 SIGIRIYA en KANDY

Onderweg zien we een olifant in het bos staan. Die moet natuurlijk door iedereen gefotografeerd worden. We stoppen even voor een foto van een termietenheuvel. Al vroeg in de ochtend komen we aan bij de monoliet van Sigiriya, een hoge rots zomaar in een tamelijk vlak landschap. Het beklimmen ervan is een hele klus. Vooral het laatste steile deel over de kale rots, met alleen een soort hekje waaraan je wat steun hebt. Onderweg naar boven kom je langs de beroemde fresco’s aan de rotswand, van rondborstige vrouwen. Kings coconuts noemt onze gids die borsten met een ondeugende knipoog. De kleuren lijken nog even fris en gloedvol als ze bij het maken geweest moeten zijn. In elke reisfolder van Sri Lanka zie je deze afbeeldingen. 

Boven op de ‘leeuwenrots’ staat een flink stuk wind. Je kunt je er bijna niet staande houden. Maar het uitzicht is wel aardig. De tocht naar beneden gaat al iets gemakkelijker dan naar boven maar het is zaak goed te blijven kijken waar je je voeten zet. 

We gebruiken de lunch in het Sigiriya Rest House. Daarna gaan we op weg naar de oude hoofdstad van Ceylon: Kandy. Onderweg stoppen we in een plaatsje waar een Boeddhistische begrafenis zal plaats vinden. Bijna de hele bus struint het kleine terreintje op om een foto te maken. Ik vind het eigenlijk niet zo gepast. Ik maak vanuit de bus een foto. Verder komen we langs de olifantenwasplaats in Katagastota, waar overigens maar één olifant is op dat moment. En we bezoeken –nogal uitgebreid naar mijn gevoel, een kruidenplantage. Het mannetje dat ons rondleidt doet aan wat ze in het toneel ‘over acting’ noemen. Het is mij allemaal wat te jolig en enthousiast. 

In Kandy worden we ondergebracht in het grote pompeuze hotel Suisse. Na het eten brengen we een bezoek aan de Tempel van de Tand, de Temple of the Sacred Tooth Relic of the Buddha. In deze tempel wordt, naar alle boeddhisten geloven, een hoektand van Boeddha zelf bewaard. Zorgvuldig verborgen onder een groot schrijn en een aantal dagoba’s (stolpen). We mogen er in eerbiedige processie in ganzenmars even aan voorbij schuifelen. Beneden in het grote gebouw wordt de bevolking naar de tempel geroepen door tromgeroffel en een doordringend geluid, gemaakt door een priester die op een grote schelp blaast. Ik zal later een klein formaat van zo’n schelp op de kop tikken en ik kan er nog op blazen ook, ik bedoel dat het nog geluid geeft ook! 

Het is voor ons ongelovigen allemaal zeer indrukwekkend. Laat staan wat het gebeuren hier voor indruk moet maken op pelgrims die hier van heinde en verre naartoe komen. ’s Avonds maken we een voorstelling mee van volksdansers, die hun niet geringe kunsten komen vertonen voor ons. 


 

Sigiriya

    

 De merkwaardige rotsformatie van Sigiriya.                                                                 Beroemd om zijn figuren in de rotswand van rondborstige vrouwen

 

  

Het is een hele klim, over trappen, over aangelegde stalen bruggen langs de rostwand. 

 

Het uitzicht is mooi, maar het waait er enorm hard daarboven. 

 

Terug is misschien voor sommigen nog erger dan omhoog. Een paar Sri Lankanen reiken een helpende hand aan de 'ladies'.

 

Onderweg: een boeddhistische begrafenis

  

en een olifant in bad

 


 

 

Zondag 27 juli 1980 KANDY

’s Morgens slaap ik uiten zit ik heerlijk in de zon bij het zwembad in de fraaie parktuin van hotel Suisse. ’s Middags gaan Dick, Henk, Grietje, Riet en ik de stad in. Het is er gezellig druk en er is veel te zien. Er heerst een relaxte sfeer vind ik. We kopen wat exotische vruchten als mangosteen en rambutans, en ik maak veel foto’s van aardige straattafereeltjes. Een man in een soort patatkar geeft me zijn adres om een foto op te sturen. In een winkel waar ze goed gesorteerd zijn in handicraft en niet te duur zijn, koop ik een paar mooie leren tasjes en een paar grappige olifantjes. 

In het heerlijk zonnige en warme weer wandelen we om het meer heen terug naar ons hotel. ’s Avonds na de zondagse overdenking gaat er een mare dat er een processie in de stad is ter ere van volle maan. Samen met Riet loop ik langs het nu donkere meer naar het centrum waar we nog net de staart van de optocht zien. We treffen daar ook anderen van de groep en bij de Tempel van de Tand klimmen we op een hoge muur om straks een goed uitzicht te hebben. Om ons heen krioelen kinderen, die tamelijk vrijpostig zijn. Ze vertellen ons verhalen waarvan we niet alles geloven en in tegenstelling van wat ze zeiden, komt de processie hier wel langs en dat levert een heel spectaculair schouwspel op. Ik mag zeker van een nieuw hoogtepunt van deze reis spreken. Vooraf gegaan door dansers, fraai bont uitgedost, trommelaars wier klanken dwars door je heen trillen, stappen daar waardig en rustig met bedachtzame stappen de olifanten, met kleurige kleden over hun rug. Ze worden voorafgegaan en geflankeerd door mannen met vuurkorven, waaruit het een en ander aan brandend spul valt. De olifanten stappen er keurig tussendoor. De vuurkorven worden nu en dan bijgevuld. De dansers stappen met hun blote voeten net altijd naast de gloeiende kolen. Het geheel maakt grote indruk op mij. Niet dat ik er veel mee had kunnen doen in deze lichtomstandigheden, maar ik heb toch wel spijt dat ik mijn camera’s niet bij me heb. 

Om half tien moeten we dan nog dineren. Hoewel ik nog maar niet te veel eet, is het erg gezellig. Het eten wordt opgevrolijkt door een orkestje in de hoek van de zaal, kennelijk een vader en twee kinderen. Ze brengen een hartverscheurende ‘muziek’ voort die ons althans door merg en been gaat. Ik vind het ook nog sneu ook voor ze, want ze doen onmiskenbaar hun best, maar hun pogingen worden door de groep niet echt aangemoedigd. 

 


 

Kandy

 de beroemde Tempel van de Tand

(de tand van Boeddha zou hier als reliek worden bewaard) 

  

In de beroemde Tempel van de Tand (van Boeddha).                 Binnen gaat een doordringend tromgeroffel je door merg en been.

 

maar de deuren naar de Tand gaan niet open, vandaag. 

 Folkloristische dansvoorstelling in het hotel in Kandy

  rambutans te koop

De straatmarkt van Kandy.

 en bananen

 en ... snacks (?)

 

Op dit hooggelegen punt overzie je heel Kandy.

 

 


 

 

 

Maandag 28 juli 1980 PARADENYA BOTANICAL GARDENS IN KANDY ; COLOMBO

Het programma is weer wat veranderd. In plaats van vanmorgen meteen naar Colombo te vertrekken, bezoeken we eerst de Paradenya Botanische tuinen van de universiteit van Kandy. Daar zijn prachtig aangelegde en uitstekend onderhouden parken en tuinen, zo groot dat je er gemakkelijk twee volle uren in kunt rondwandelen. Dat doen we dan ook. Riet en ik laten de gids al gauw voor wat hij is, en gaan op eigen houtje dwalen. Onder de weelderige begroeiing is het heerlijk wandelen. We zien exotische orchideeën en vreemd gevormde bomen. We verzamelen wat zaden, zien mooie vlinders en een grote groep Vliegende Honden. Dat zijn heel grote luidruchtige vleermuizen. We mogen, omdat we maar met z’n tweeën zijn, met een begeleider ook een eind de oude gammele hangbrug over de rivier op lopen. Dat is wat griezelig, niet alleen omdat de lange brug nogal zwaait en wiebelt, maar er ontbreken ook nogal wat planken of ze liggen los, en het ijzer lijkt hier en daar een beetje erg roestig… Midden op blijven we even staan en maak ik foto’s. Riet kijkt er niet echt blij. Gelukkig overleven we dit avontuur. 

Dan lopen we terug naar de bus, die er nog niet is. We blijken nog een half uur te hebben. Dat gebruiken we om een uithoek van het park te bekijken die we nog niet zagen. Ik vind Riet erg aardig. We kunnen het goed met elkaar vinden. Nadat de bus nog een paar toeristenwinkeltjes aan heeft gedaan en we het hoogste punt hebben bezocht waar we het hele meer en de stad Kandy kunnen overzien, gaan we toch echt op weg naar Colombo. 

Onderweg doen we nog een olifantentrainingskamp aan, waar we de grootste olifant van Sri Lanka zien, die eens per jaar de echte (?) Boeddha-tand in de processie van augustus mag dragen. Ik maak mooie zwart-wit foto’s en diverse dia’s. Ik maak ook een ritje op een van de goedmoedige lobbesen. Het zit nog niet eens gemakkelijk op die brede rug; zijn (haar?) haren zijn zo hard als staaldraadjes. Henk maakt een foto van mij met een van mijn toestellen. 

Verder doen we deze middag nog een theeplantage aan met een fabriekje erbij, waar we in ijltempo door gesleurd worden. Wegens een ‘power shortage’ staan alle machines stil. Wel kunnen we daarna heerlijke thee drinken in de Thirst Aid Station. Leuk hè? Eindelijk eens lekkere thee in plaats van gekookte, die je meestal bij het ontbijt krijgt. 

We dineren en logeren weer in het fraaie en luxueuze Ceylon Intercontinental Hotel in Colombo. Op onze kamer babbelen Dick, Riet, Henk en ik nog wat na over de voorbije week op Sri Lanka en over wat er nog aan zit te komen. Morgen terug naar het vasteland van India. 


 

In de Paradeniya Botanical Gardens van Kandy

 

 plankwortelbomen

  

De tuinen zijn meer een groot park, een ware lusthof

  

De kanonskogelboom.                                Riet op de gammele hangbrug waar wij tweeën even op mochten onder begeleiding, bij wijze van uitzondering. 

 


 

 

 

Dinsdag 29 juli 1980 COLOMBO -  MADRAS, INDIA

Eerst gaan we vanochtend nog weer met de bus de stad in om de Hollandse Wolvendaalkerk te bekijken. Merkwaardig gevoel om hier midden in de tropen opeens zeventiende-eeuws Nederlands te lezen op grafstenen en andere inscripties. Het geld van onze zondagcollecte wordt aangeboden aan een representant van de Dutch Burgers, nakomelingen van onze 17e eeuwse voorvaderen die hier een kolonie stichtten. 

Dan komt een lange rit naar het vliegveld. Ik koop voor de laatste Sri Lankaanse roepies een klein flesje Arack. Op dit vliegveld gaat het allemaal vrij vlot, maar op Madras in Zuid-India, waar we aankomen, moeten we wel twee uur wachten voordat daar alles voor elkaar is. Zo zitten we pas om drie uur aan de lunch in het Chola Sheraton Hotel in Madras. Daarna krijgen we nog een tour door de stad en omgeving. Zo vanuit de bus gezien ziet alles er vrij eentonig en eenvormig uit. Arm, vuil, druk  ronkend verkeer, zakelijk. Geen gezellige straatjes zoals in Old Delhi of Varanasi. We bezoeken het museum in het Queen Victoria Memorial Building. Het is hier weer erg heet en klam. Het voelt als en weldaad als we bij een beeld van Ghandi even het strand op kunnen. Zwemmen is hier te gevaarlijk wegens de verraderlijke golfslag. Daar was trouwens ook geen tijd voor. Ik ben blij dat ik in het hotel kan baden en van kleren wisselen. ’s Avonds is er een diner in een speciale zaal, heel gezellig. 


Naar Colombo

 landschap onderweg (tafelberg)


 

Olifantentehuis

 

Onderweg zien we de grootste olifant van Sri Lanka, degene die in de beroemde processie de Tand van Boeddha mag dragen. Wij waren erg onder deindruk van die nachtelijke optocht (zie mijn reisverslag) maar ik heb er geen dia's  van, helaas. 

   

Ikke op een olifant. 



  

De 'Hollandse' Wolvendaal kerk uit de VOC-tijd in Colombo 

 


 

 

Madras

Na een intermezzo van een week op Sri Lanka zijn we aangekomen in Madras waar we een stadstour hebben. Hier het museum in het Queen Victoria Memorial Building.

 

 Madras, museum

 

 

 


 

 

 

Woensdag 30 juli1980 KANCHIPURAM en  MAHABALLIPURAM

We vertrekken per bus voor een tocht naar het zuiden. Onderweg stoppen we om een skyline van tempels in de verte te fotograferen. Daar langs de weg zien we een donkere Tamil vrouw met op haar hoofd een torenhoge stapel gedroogde koeienvlaaien, die ze als brandstof gebruiken. Het mens begrijpt niets van alle belangstelling voor haar, maar stopt wel dankbaar alle gedoneerde rupees achter haar gescheurde bloesje. In Kanchipuram, de Golden City, maken we een wandeling door de modder en de drek (hoezo Golden…?). Er zijn hier erg veel koeien op straat, allemaal met fraai geverfde horens. Ik fotografeer veel leuke straatscènes. 

We bezoeken de Kailasanatha Tempel uit de 8e eeuw, gewijd aan Shiva. Veel beeldhouwwerk. Het is niet te onthouden wat het allemaal voorstelt. 

 

De kusttempels van Mahaballipuram bezoeken we ook en staan verbaasd. Over het geduld en de kunde die de makers moeten hebben gehad om dit soort beelden uit te hakken uit de bestaande rotsen. 


  

 

De kust van de Indische Oceaan. Vissers bij hun boot

Onderweg naar Kanchipuram. Een klein meisje met een kudde heel grote koeien. 

  

Deze vrouw verzamelt de droge koeienflatsen om als brandstof te gebruiken. Voor wat rupees wil ze poseren. Ze schijnt weinig van alle belangstelling te begrijpen. De rupees frommelt ze razendsnel achter haar sari. 

  

Kanchipuram, de 'gouden stad'. Gouden, misschien, maar vooral modderig als wij er zijn.  De stad staat, behalve om zijn bijzondere tempels, ook bekend om de koeien die hier als trekdier worden gebruikt en die kleurig geverfde hoorns hebben. Het levert pittoreske plaatjes op.

Niet alle straten zijn verhard in 1980.  De leefomstandigheden zijn hier slecht (in 1980). Open riolen zijn gewoon.  De vele koeien bevorderen de hygiëne ook niet, lijkt me.

  

Veel beeldhouwwerk in de Kailasanatha tempel gewijd aan Shiva.  Te bedenken dat de tempel en dus dit beeldhouwwerk al uit de 8e eeuw stamt...

   


 

Kanchipuram, zijde en meer

  

 

Deze streek rond Madras en Kanchipuram staat bekend om zijn zijde-industrie. Wij bekijken een en ander.  Deze vrouw en de bijna naakte man zitten in een soort kuil in de grond te weven. 

  

Deze vrouw windt zijdedraad op met zeer primitieve middelen.                       Hutten van werkers in de zijde.

Deze vrouw poseert als volleerd model  voor haar eenvoudige onderkomen.  

  

Hier hangt geverfde zijde te drogen.                              Deze mannen rennen met een soort kam langs de zijden banen, waarschijnlijk om de draden mooi recht te krijgen.

 Een paar verlegen meisjes die de mannen eten komen brengen, willen toch ook poseren voor een foto.



 


 

 

 

Tempelcomplex  in Kanchipuram

   

...waar ik verrast word door een beeld van St. Joris en de ... Nee, toch niet.

 macho-priester 
maar hij was wel zo aardig om voor ons te poseren

 

 

Verder bezoeken we een zijde-industrie want de bekende sari-stoffen komen hier vandaan. ’s Middags lunchen we bijzonder, namelijk aan het strand onder een afdak van palmbladeren bij het Silversands Hotel. Het eten is ook bijzonder: verschillend zeebanket als gevulde krab en vis geserveerd op een stevig bananenblad. De soep eten we uit bruine ruwe aardewerken kommetjes. De vis smaakt mij goed, zelfs extra goed omdat G weer allerlei afkeurende opmerkingen zit te maken over het gebodene en ik een knipoog van verstandhouding wissel met Riet. Na het eten gaan we met een paar mensen een wandeling langs de vloedlijn maken. Heerlijk fris is dat, vooral als een onverwachte golf mij tot de knieën nat maakt. In de verte zien we de kusttempels van Mahaballipuram al. We zouden er naartoe kunnen (en willen) lopen, maar de bus wacht. 

In Mahaballipuram bezoeken we alle zeven beroemde, uit de rotsen gehouwen pagoda’s. Ze vormen hier de belangrijkste architectonische overblijfselen van het oude Zuid-India. Van een meisje koop ik een paar schelpen, waaronder eentje waarop je kunt blazen en zo de Boeddhistische ‘tempel-van-de-tand-priesters’ kunt nadoen. In de bus probeer ik het uit, uitgedaagd door mensen die niet geloven dat er muziek in zit. Na enig oefenen breng ik inderdaad een paar krachtige klanken voort; het is meer loeien dan muziek. Ik wist niet dat ik het in mij had. ’s Avonds in het hotel is er voor het diner een cocktailparty, waarbij nogal wat Indiase gasten aanwezig zijn. De whisky is lekker en wordt gul geschonken. 




 

 

De kusttempels van Mahaballipuram

De kusttempels van Mahaballipuram   

Deze tempels zijn uitgehouwen uit de rotsen. Een formidabel karwei moet dat geweest zijn. 

Bewondering voor de kunstenaars is op zijn plaats. Dit alles is dus uitgehakt uit de rots! 

Ongelooflijk...      Deze kleinere tempel hierboven werd toen al bedreigd door het water van de oceaan, vlak ernaast links. Met Unescohulp wordt getracht de tempels te behouden. 

 

 


 

 

 

Donderdag 31 juli 1980 MADRAS – MUMBAI (BOMBAY)

Om vier uur moeten we er al weer uit, want om zes uur gaat het vliegtuig van Indian Airlines naar Mumbay, waar we tegen achten aankomen. De rit door deze enorme metropool duurt minstens een uur. We zijn ondergebracht in het mooie en chique President Hotel. Ik ga lekker nog een paar uurtjes plat. Na de lunch gaan we met de bus voor een stadstour. We zien de Gateway of India, een mooi uitzicht over zee en de skyline van Bombay, nu Mumbai. Henk en ik en nog een paar bezoeken het Ghandi museum. 

Veel indruk maakt een bezoek aan een Jain Tempel. Het Jaïnisme is een zeer oude Indiase religie waarbij extreem vegetarisme en geweldloosheid kenmerkend zijn. Zo dragen Jains een doekje voor de mond om er geen vlieg in te laten. En ze eten geen worteldelen van planten omdat dat de plant belet verder te groeien. Na zonsondergang eten, drinken en reizen Jains niet. Ik maak veel foto’s wat er is juist een dienst aan de gang. We mogen foto’s maken. De mensen zitten op de grond. De vrouwen zitten te zingen, het klinkt heel blijmoedig, en de priester bereidt een offerande voor. 

We rijden langs de Torens der Stilte waar de sekte van de Parsian (Parsi’s)  haar doden laat kaal-eten door de gieren. Te zien is daarvan niets, Niemand mag en kan daar doordringen, zelfs de familie van de overledene mag er niet bij zijn. Het lijkt me ook geen opwekkend gezicht…

We wandelen door de zogenaamde hangende tuinen van Bombay, en daar in de buurt kunnen we ons laven een koel glas lime. Terwijl een aantal mensen het aquarium gaat bekijken, ga ik met een paar van de dames kijken aan de zeekant. Daar is een brede boulevard. Het is een interessante middag. 

’s Avonds speelt er een aardig orkestje in het hotel tijdens en na het diner. Ik blijf met een paar mensen zitten luisteren. De zangeres is ons dankbaar voor onze applausjes en de pianist komt in de pauze een praatje maken. Na de pauze beginnen ze te onzer ere met Tulpen uit Amsterdam, jawel, maar met jazzy nummers als The girl from Ipanema kunnen ze ook goed uit de voeten. We bestellen een screw driver (wodka en vers sinaasappelsap) en zo werd het een heel gezellige avond. 

 


Mumbai (Bombay), Jains en Ghandi

 Mumbai

Mumbai, destijds in 1980 heette het nog Bombay,  is een kolossale metropool. We zien de hoogtepunten in een stadstour maar gaan op eigen houtje op pad naar markten en het 'echte' Bombay o.a.  in Buleshwar Road en Crawford Market.

 Mumbai, kustlijn/ boulevard

 


Tempel van de Jains

 

Indrukwekkend vind ik een bezoekje aan een Jains Tempel. De Jains zijn extreem vegetarisch. Ze dragen bij voorbeeld een doekje voor de mond om niet per ongeluk een vlieg in te slikken.

Er is een dienst aan de gang met alleen vrouwen. Ze laten zich niet door ons storen en knikken heel vriendelijk.

 

   

De dienst,  van bovenaf gezien.  Als ik omhoog kijk, zie ik een kleurig plafond met veel symbolen. (onder) 


  

Het huis van Mahatma Ghandi     en zijn eenvoudige meubeltjes op zijn werkplek.

   Het waterfront, de boulevard van Bombay in 1980.
Riet met een reisgenote en ikzelf. 

 


 

 

 

Vrijdag 1 augustus 1980 MUMBAI en naar huis

Na het ontbijt laten Dick en ik ons naar het Craftcentre brengen, althans dat is de bedoeling, maar de chauffeur van de Ambassador taxi verstaat iets anders en brengt ons naar Crawford Market. Dat is ook niet slecht: dit is puur India met drukke straten, winkels, markten en een enorme drukte. Ik maak er erg veel foto’s. Een intelligent uitziende Indiër vragen we hoe we bij het Craftcentre kunnen komen. Hij is zo vriendelijk om het aan een taxichauffeur uit te leggen, die ons er dan inderdaad heen brengt, of althans in de buurt. Het is een winkel in een groot modern flatgebouw, dat kennelijk nog niet erg bekend is. We doen er inkopen. Ik koop er wat mooie dingen van rood en geel koper. Er is nog veel meer aan mooi handwerk te vinden, maar mijn koffer is nu vast al kilo’s te zwaar. Hoewel het hotel hier niet ver vandaan is, laten we ons toch met de taxi brengen, want het regent juist ontzettend hard. De taxi blijkt geen werkende ruitenwissers te hebben, zodat het in het drukke chaotische verkeer een soort dodenrit met toch goede afloop wordt, maar ik zit wel met samengeknepen knieën en kromme tenen naast de chauffeur voorin. Als die man even weinig ziet als ik…. 

Na de lunch gaan veel mensen rusten met het oog op de vermoeiende terugreis, maar Dick en ik en nog een paar vinden dat eigenlijk zonde van onze tijd in deze metropool. We wandelen eerst een stuk vanaf het hotel. Vlak bij dat luxueuze bouwwerk huizen en slapen mensen op het trottoir onder een plastic zeiltje. Het zijn niet alleen dakloze zwervers, maar ook mensen die een baan hebben maar zich het vervoer naar een huis buiten de stad niet kunnen veroorloven. Bovendien zijn ze dan veel te lang onderweg elke dag. Eenvoudige huizen in de stad zijn er onvoldoende en te duur. 

Dan nemen we een taxi. We kunnen net met zijn vieren plus de chauffeur in de oude gammele Ambassador. De chauffeur trekt op in de derde versnelling en schakelt alleen tussen vier en drie. Waarschijnlijk zijn de andere versnellingen onbruikbaar. Hij rijdt op het scherpst van d snede, maar we komen ongedeerd waar we wilden zijn: Bhuleshwar Road en omgeving. Volgens de reisgidsen is dit nog niet door toerisme bedorven India. We komen inderdaad geen westerling tegen. Er is zo veel te zien, we kijken onze ogen uit. Ik maak zo veel dia’s dat ik nog een (17e) filmpje koop van Dick. Het is zo druk dat je eigenlijk niet stil kunt staan op het trottoir. Als we even in een soort portiek zijn gaan staan om het gekrioel gade te slaan, staan er al gauw mensen om ons heen die ons bekijken. Hier lijken de rollen omgedraaid. De hele vakantie hebben wij gekeken naar de Indiërs, naar hun leven en werken, en nu kijken zij naar ons. Vier witte westerlingen in Bhuleswar Road. De mensen zijn niet bedreigend, integendeel, ze zijn heel vriendelijk. We worden een beetje verlegen van al die belangstelling en weten ons niet goed raad. Als we doorlopen, is de spanning eraf. 

Om half acht ’s avonds hebben we nog een afscheidscocktailparty. Ik moet achteraf zeggen, zo’n luxe georganiseerde reis heb ik ook later niet weer meegemaakt. De Indiase organisatie deed alles om het ons naar de zin te maken. En op de organisatie was niet aan te merken. Om half negen eten we en om tien uur zijn we onderweg naar het vliegveld. We moeten erg lang wachten voor er schot in de zaak zit. Er zijn een paar ‘roken’ kaartjes te veel en ‘niet-roken’ te weinig. Na veel toestanden is het toch eindelijk voor elkaar. Onze oorspronkelijke vlucht met Air India blijkt vol. We zullen nu met een andere vlucht ook van Air India gaan, anderhalf uur eerder. Door vertragingen wordt het toch nog half drie in de nacht voor we vertrekken. Na anderhalf uur of zo vliegen landen we voor de zoveelste maal in New Delhi. De tussenlanding duurt eindeloos, kennelijk door immigratieproblemen van een stel Indiërs, voor zover we uit de schaarse informatie kunnen opmaken. 

Eindelijk verheft de zware 747 zich dan in de lucht voor de 6800 km in een ruk naar Frankfurt. Om half twee ’s middags Indiase tijd, half tien lokale tijd, komen we aan in Frankfurt. We moeten ons nog tot half vier ’s middags vermaken op deze luchthaven, voor een KLM-machine ons naar Schiphol kan brengen. Verschrikkelijk is dat reizen. Maar je moet er wat voor over hebben. We gaan maar zitten scrabbelen in het restaurant. Tussen de middag mogen we op kosten van Air India een lunch gebruiken. Daar knappen we wel van op, maar wat zijn we moe. Tegen vijf uur zijn we dan eindelijk op Schiphol. Riet en ik wisselen telefoonnummers uit en ik nodig haar uit een keer Drenthe te komen bekijken, wat ze gelukkig graag aanneemt. Met de KLM-bus naar het  CS van Amsterdam, dan nog overstappen in Amersfoort en Zwolle. O wat haat ik zo langzamerhand dat sjouwen met die zware koffer en fototas. De hele vakantie is de koffer voor mij gedragen, nu merk ik pas weer hoe zwaar het ding is, zeker met die vracht koper en brons er in. 

In mijn flat op de bank voel ik pas hoe afgepeigerd ik ben en valt het me op hoe stil het hier is. Dan dringt het tot me door dat een bijzonder turbulente vakantie erop zit. Een vakantie waarin ik mijn vrouw heb leren kennen. 

      *** 2014: ik lees dat de productie van de Ambassador nu stopt. Het model was gebaseerd op een  Britse Morris en is tientallen jaren geproduceerd. 


 

Mumbai/ Bombay, Crawford Market

Min of meer per ongeluk belanden wij in Bombay op Crawford Market, een buurt waar we geen (andere)  toeristen zien. Wel het echte Indiase stadsleven.  

Op straat is veel te zien. Heilige koeien 'grazen' van groenteafval.

Even rusten, zo'n handkar is best zwaar.

 

 

De 'eeuwige' Ambassador taxi's, busjes, vrachtwagens, paard-en-wagens en koetsjes, handkarren, koeien,  en daartussen door zoekt de voetganger zijn weg.   

Als je je adrenaline wilt voelen stromen, neem dan tijdens een hevige moessonbui eens een taxi (Ambassador!) in Mumbai en liefst een, zoals deze zonder ruitenwissers en met alleen een werkende derde en vierde versnelling... En dan ook nog een chauffeur die haast heeft, dat maakt de ervaring af.

 


de omgeving van ons hotel...

 dure gebouwen naast optrekjes van golfplaat en lompen

Veel gezien: de modernste (flat)gebouwen en er vlak bij krotten waar je bij ons geen kip in zou onderbrengen. Links wordt ondertussen een nieuw gebouwd flatgebouw bekleed met marmeren platen. Tja.  

 

Maar het kan altijd erger: in de buurt van ons hotel zien we deze 'onderkomens' op het trottoir. Een gespannen zeiltje tegen een hek, dat is alles.

 

   

 


 

Mumbai/ Bombay, Buleshwar Road, een ervaring

In een reisgids lezen we dat Buleshwar Road een 'experience' is voor de westerse bezoeker. Wel, dat klopt, was onze bevinding. Zelden zo'n druk gekrioel gezien van mensen, dieren, taxi's. (Particuliere auto's zagen we hier weinig). Je kijkt er je ogen uit. Overal is wat te zien, maar we realiseerden ons algauw dat wij net zo bezienswaard waren voor de Indiërs, als hun samenleving voor ons.

 Een winkel met metalen gebruiksvoorwerpen voor de huishouding

    

Een bloemenverkoopster gaat er even mooi glimlachend voor zitten, voor de foto van die westerlingen.                     De kalebassen- en komkommerverkoper           

 

  Het cliché 'Je kon er over de koppen lopen' krijgt hier betekenis.

Toch kun je moeilijk ongemerkt een foto maken in de drukte. Ze hebben je meteen door. Geen probleem overigens. Iedereen lijkt goedgemutst. Zo wil dit jochie de koe wel even aaien voor de foto.

   

Zelfs de man die een loodzware handkar in bedwang houdt en door de chaos loodst, kijkt even voor ons opzij.   Hier (rechts) staan een reisgenoot en ik in een portiek  even uit te blazen (foto gemaakt door een derde reisgenoot), en algauw staan tientallen mensen gebiologeerd naar ons te staren. Niets bedreigends overigens. Men is zo nieuwsgierig naar ons als wij naar hen. 

   

                                                  Deze groenteverkoopster doet even de sari goed voor ze op de foto wil.

  

Nog van ver ziet de jongen dat ik een foto maak. Hij wenkt ons. Samen met zijn moeder wil hij mooi op de foto. Z'n moeder wat verlegen, hij zelfbewust. 

  

 

 


 

 

 

 

Opgedragen aan mijn vrouw Riet die ik op deze reis leerde kennen. 

2 januari 1981 en 11 februari 2011

 

naar boven