Jan Metselaar, militaire dienst 1925 en mobilisatie 1940; en het thuisfront

on 09 februari 2016
Hits: 8374

Over de militaire diensttijd van Jan Metselaar in 1925-1926 en op herhaling in 1931; 

de mobilisatie in 1940 aan de Grebbeberg en hoe het thuisfront erop reageerde

In 2016 kreeg ik de tijdelijke beschikking over een pakje brieven, die afkomstig zijn uit ons ouderlijk huis. Mijn zus merkte onlangs eens op dat ze nog oude brieven gevonden had van vader en vooral van moeder aan vader ‘uit de oorlog’. Nieuwsgierig vroeg ik of ik ze eens mocht inzien. Foto’s waren er ook nog in het pakketje. Opnamen van mijn vader in militaire dienst.

 

 

 

 

En verder nog een paar briefkaarten, een paar kaarten ter herinnering aan de diensttijd, en nog wat oude paperassen die niet zo bij dit onderwerp passen.

 

Ik nam alles mee naar huis en las en bekeek het. Ik maakte overal foto's van. De foto's retoucheerde ik, want sommige waren behoorlijk aangetast door de tand des tijds. Ik besloot de brieven over te typen, praktisch ongewijzigd. Wel moderniseerde ik de spelling en bracht kleine redactionele wijzigingen aan. Zo waren de zinnen soms erg lang en was de interpunctie vaak wat vaag. Maar verder nam ik alles nauwkeurig over. Ik vatte het plan op om de manuscripten te gebruiken voor een verhaal op mijn website, waarop bij voorbeeld al wat jeugdherinneringen staan en een stuk over mijn eigen tijd in militaire dienst. Grappig vond ik om te constateren dat vader, Jan Metselaar, en ik in dienst allebei de functie van chauffeur vervulden. Een verschil is dat ik het nooit tot korporaal heb geschopt en hij wel. En dat hij de mobilisatie en vijf dagen oorlog in 1940 bij de Grebbeberg heeft meegemaakt. 

 

Merkwaardig en ook wel erg jammer vind ik dat van Jan zelf weinig levenstekens bewaard zijn gebleven. Hij schreef wel regelmatig, want dat blijkt wel uit de brieven die wel bewaard zijn gebleven. Die refereren namelijk altijd aan eerdere brieven van hem. Maar bewaard zijn dus voornamelijk brieven van het thuisfront. Die geven dan natuurlijk wel een aardig beeld van hoe het leven thuis doorging tijdens de mobilisatie, die toch wel heel ingrijpend was. En hoe het thuisfront meeleefde met de zoon ver weg in militaire dienst. 

Op deze pagina neem ik veel van deze brieven op, soms de hele brief, soms fragmenten. 


 

Jans militaire dienst in 1925-1926

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

Jan, tweede van rechts (detail van een foto) 

 

De oudste brief dateert van 18 oktober 1925. Hij is geschreven door mijn vaders oudere broer Berend, en wel namens het gezin: Jans vader Geert Metselaar, moeder Roelofje v.d. Weide en zus Roelofje. Jan is dan gelegerd in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem, en ingedeeld bij het 19e RI (Regiment Infanterie) en daarvan de 3e Schoolcompagnie. 

De aanhef en de stijl zijn enigszins hoogdravend. “Waarde broeder en zoon” is niet echt familiair. Het valt trouwens op dat moeder mijn vader ook in de u-vorm schreef. Jan heeft in zijn vorige brief opgemerkt dat ze, en vooral moeder, thuis maar niet over hem in moeten zitten. Zijn broer Berend antwoordt laconiek: “Nu, we kunnen u melden dat ze dat ook helemaal niet doet, want daar zijn natuurlijk geen redenen voor.” Natuurlijk. 

Mijn vader heeft in zijn brief verzocht om ‘een kistje’. Toen bestond er kennelijk nog geen plunjezak voor je dienstspullen, en moest je zelf maar zorgen voor opbergruimte, ook voor je burgerplunje wellicht.

 “U hebt in uw brief ook gevraagd of Gosem geen kistje voor u kon maken. Nu, wij kunnen u melden dat het al gauw klaar is. ’t Wordt helemaal niet zo lang als u geschreven hebt, maar dat zal wel niet hinderen. We zullen het ook een beetje opverven, de kleur zal denkelijk wel zwart worden. Goosem zal er een sluiting aan maken, maar u zult zelf wel voor een slotje moeten zorgen, want het zal niet best gaan om het kistje op te sturen wanneer het op slot zit, want waar zullen we de sleutel dan in doen? Maar dat zal wel in orde komen niet waar? De appels zullen ongetwijfeld wel in het kistje kunnen zodat u die dan meteen ontvangt. We zullen er een paar azijnzuren bij in doen, dan kunt u ook nog eens trekbekken.” 

Leuk, die aardige broer met zijn zure appels. Maar ach, even later dringt hij er bij Jan op aan, dat als die geld nodig heeft, hij het op tijd moet zeggen. Dat dan weer wel. 

“Indien u niet meer genoeg hebt, wacht dan niet zo lang tot u helemaal niets meer hebt, maar schrijf dan maar direct, waarop we u wel wat over zullen sturen.” Meteen daar achteraan komt nog een vermaning: “Verder richten we de vermaning tot u: geef u niet te veel over aan ’t kaartspel of aan andere onpasselijke dingen. U moet altijd zien dat u niet in verkeerde omgeving komt.”  

Het kaartspel, daarvan kon niet veel goeds komen, wist men in christelijke kring destijds. 

 

  Mooi toch hè? 

 

De volgende brief van het thuisfront aan Jan Metselaar is van ruim een maand later, 21 november 1925. Hij gaat voornamelijk over Jans moeder, mijn oma -die ik overigens nooit gekend heb. Ze heeft kennelijk langere tijd last van darmproblemen of iets met de slokdarm. Ze kan niet goed slikken en moet kunstmatig gevoed worden. Ze is enige tijd in Groningen in het ziekenhuis opgenomen geweest, maar nu weer thuis. 

“Nu moet u echter niet denken dat ze helemaal weer genezen is. Het kunstmatig voeren moet tenminste nog wel doorgaan maar dat is het ergste niet. De eerste tien dagen mag ze niets anders drinken dan water en dan mag ze nog proberen met koffie maar niet eerder dan de tien dagen om zijn. En dan moet ze over zes weken weer naar Groningen. Of ze daar dan weer lang blijven moet, weten we ook nog niet. We zullen dus maar hopen dat alles weer voor elkaar komt.”

Jan heeft in zijn garnizoensplaats boeken gekocht. Op zich opmerkelijk, vind ik. Een jongen uit een "arbeidersmilieu" die in militaire dienst boeken koopt. Van huis krijgt hij deze bemoedigende maar ook wel wat bevoogdende mededeling: 

“De boeken die u gekocht hebt, waren beslist niet duur hoor, als het tenminste ook nog wat is. Maar dat vertrouwen we wel want u hebt omtrent boeken lezen een hele goede opvatting.” 

 

 

Vader Jan Metselaar (tweede van rechts staand) met dienstmaten op de kamer in de Menno van Coehoorn kazerne in Arnhem, 1925

De foto is stevig door mij geretoucheerd. 



 

Van 6 december 1925 is er een brief die de familie Gosem Knol aan Jan stuurde. Gosem was getrouwd met een zus van Jan, dus hij was Jans zwager; hij werkte op de Gasfabriek in Hoogeveen die vroeger bij de watertoren aan de De Vos van Steenwijklaan stond. Die brief is wat praktischer van aard, maar begint toch ook met de gezondheid van moeder Roelofje aan te stippen. Het is dat jaar in begin december al flink winter. 

“Nu Jan, het zal daar ook wel zijn net als hier: winter, tenminste het is voorgoed winter, het vriest dat het knapt en er ligt een dikke laag sneeuw. Ik heb deze week nachtdienst gehad van ’s nachts 1 tot ’s morgens 6 uur; u kunt wel begrijpen dat het geen hapje was door die koude maar dat zit er weer op. Nu heb ik weer drie weken dagdienst; met de kerstdagen moet ik werken van ’s middags 12 tot ’s avonds 6 uur, dus den voormiddag en dan avond ben ik thuis. Dan kunnen wij elkaar nogal heel wat vertellen als wij tenminste wat weten te vertellen.”

Voor het geval dat Jan met verlof komt, staat de fiets op hem te wachten bij de familie Knol:

 “Uw fiets staat hier bij ons en uw lantaarn zal ik wel even halen, dan u hem zo even bij ons komen halen, nietwaar, of als u hem liever bij Van Dam wilt hebben, wil ik hem daar ook wel brengen, maar als u om zes uur komt kan u hem ook wel even halen nietwaar, maar u moet zelf maar eens zien. U schrijft altijd nog wel even.”  

Wat was het leven destijds toch traag, als je alleen per brief kon communiceren. Van het station lopen naar de gasfabriek, waar de familie Knol bij woonde, was nog een hele tippel. Althans voor huidige begrippen; toen keek men anders aan tegen afstanden lopen. Maar die fiets scheelde toch flink, want van de gasfabriek naar Jans huis was het nog wel een paar kilometer. 


 

 

De brief van 6 december van het thuisfront op Krakeel D 35 aan Jan Metselaar neem ik in zijn geheel op: 

“Waarde zoon en broer!

Door dezen delen we u mee dat we allen nog goed gezond zijn en we hopen van u hetzelfde, want –en dit is zeker waar- de gezondheid gaat boven alles, tenminste wat hier op aarde betreft. Want als we dit van de geestelijke kant bezien, dan is het beter met ziekte het eeuwige leven te beërven, dan met gezondheid den eeuwigen dood in te gaan. Dit (… deel van de zin is onleesbaar geworden, LM) …boven alles bedenken. Verder delen wij u mede dat wij uw brief van 28 november hebben ontvangen, en daar uit gezien dat het u daar nog best aanstaat. Nu, dat doet ons groot plezier. Uw brief die u aan moeder hebt gezonden, is best overgekomen, ze was er recht blij mee. U vroeg in uw brief of u niet zo’n reismandje zou kopen. Nu, dat is ons wel goed. Maar nu moeten we eens wat vragen, toen u bij ons geweest bent, had u het over portretten. Jammer genoeg hebben we er nog niet eentje gezien. Denk er dus om dat u met de kerstdagen er eentje meebrengt. 

We hebben uw fiets naar Gosem Knol gebracht, en als u nu nog even schrijft, wanneer u en met welke trein u aankomt, dan zullen we D.V. zorgen dat uw fiets bij het station is. Dan kunt u naar huis fietsen; dat is gemakkelijker dan lopen, vindt u ook niet? Mocht het soms anders uitlopen, dan kunt u de fiets bij Gosem halen. 

Nu nog iets over Moeder, want u zult wel benieuwd wezen of ze ook drinken kon na de tiende dag ja of nee. Nu, daaromtrent kunnen wij u meedelen dat het tamelijk goed gaat. Ze is natuurlijk heel voorzichtig daarmee, dat zult u wel begrijpen. Dr. Oosterhuis heeft gezegd dat wanneer ze van boven genoeg kreeg, dan mochten wij met kunstmatig voeden wel zo langzamerhand ophouden. Dit weet u dus ook weer. 

Nu nog iets over de weerstoestand. Het is hier terdege koud. De vaarten liggen overal met een dikke ijskorst bedekt, maar mooi ijs moet men natuurlijk weer zoeken. Als het zo doorvriest, dan kunt u met de Kerstdagen hier nog wel eens een baantje halen met Zwaantien. Nu, we zullen maar hopen dat wij de Kerstdagen hier in gezondheid met elkander mogen doorbrengen. Verder weten we ook al geen nieuws meer en dus zullen we maar eindigen met de wens dat u in gezondheid arriveert. 

Ontvang de hartelijke groeten van Vader, Moeder, Broer en Zus en van Vrienden en Vriendinnen. 

N.B. De duiven hebben weer jongen. “

 

  

De groep op de kamer in de kazerne in Arnhem.                            Jan staande, eerste van rechts

 



 

Watersnood 1925-1926 in het rivierengebied 

“In januari 1926 veroorzaken hoge waterstanden van de Maas en haar zijrivieren overstromingen in het rivierengebied in Midden-Nederland. Door de grootte van de schade is dit een van de drie meest catastrofale overstromingen van de 20e eeuw in de Maasvallei (samen met december 1993 en januari 1995). In de provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland wordt veel land overstroomd.

De uiterst overvloedige regen sinds 19 december 1925 in combinatie met het smeltwater van alle sneeuw die er was gevallen sinds eind november 1925 zorgden voor uitzonderlijk hoge waterstanden van de Maas, Rijn en Waal met haar zijrivieren. In de ochtend van 31 december 1925 brak de dijk van de Maas bij Overasselt en Nederasselt waardoor het Land van Maas en Waal overstroomde. In de dagen daarna overstromen grote delen van het rivierengebied van Waal, Maas en IJssel. De dorpen Nederasselt, Overasselt, Balgoy, Hernen, Leur en Bergharen en nog diverse andere komen onder water te staan.

Door het binnenstromende water en ijs werden 3.000 huizen beschadigd of verwoest. De schade bedroeg 10 miljoen gulden. Het was de laatste grote watersnoodramp in het Rivierengebied. 

In januari 1926 werd bij Lobith de hoogste rivierafvoer bereikt die ooit is gemeten: 12.849 m3 per seconde. De hoogste afvoer van de Rijn ooit gemeten is tot nu toe in januari 1926. Dat was ook de laatste keer dat in Nederland een rivierdijk bezweek. Tijdens de kritieke hoogwaterstanden van 1993 en 1995 werd een maximale afvoer van twaalfduizend kubieke meter per seconde gemeten.” (Bron: Wikipedia).

Via deze link is er een film over deze watersnood te zien: http://www.heemkundeverenigingleeuwen.nl/watersnoodFilm1926.htm

En een artikel met veel informatie en foto’s: http://www.vanvameletotwamel.nl/inhoud/de-polder-ontwikkeling-en-strijd-tegen-het-water/1926-watersnood/ 

 

Er waren door de ramp geen doden gevallen, maar de materiële schade was enorm en duizenden mensen raakten ontheemd en waren alles kwijt. Het leger werd ingezet om het vee uit de schuren te halen voor zover nog mogelijk. 

En daar speelde mijn vader Jan Metselaar ook een rol. Vanuit de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem werden infanterie-eenheden ingezet om assistentie te verlenen bij de reddingswerkzaamheden. Jan heeft er in brieven aan het thuisfront over verteld. Dat blijkt uit deze brief van fam. G. Knol aan Jan van 17 januari 1926:

 

 “Waarde Broeder,

Wij hebben uw brief in gezondheid ontvangen en gezien dat u ook nogal gezond bent en dat u weer in Arnhem terug bent. Het zal daar ook wel zo goed zijn als bij de watersnood. Daar zou het zeker niet meevallen, om daar alle dagen in storm en regen op het water te zwalken, en dan die ellende die u daar alle dagen zien moest, want het zal er daar wel treurig uitzien, tenminste volgens de berichten in de bladen en de afbeeldingen in het zondagsblad dan is het daar treurig gesteld. Wij kunnen er hier geen denkbeeld van vormen hoe het er daar uitziet. U kan (sic, LM) bij gezondheid als u weer terug komt er heel wat van vertellen, doch niet veel moois dunkt mij. 

Ik wil geloven dat het eerst niet meeviel, maar u went er natuurlijk aan. Het was tenminste een vrij leven, anders dan bij de kazerne nietwaar, maar veel mooier en makkelijker niet, denk ik. U schreef dat er straks nog weer jongens naartoe moesten en dat u ook wel mee wilde. Nu, als ik kon ging ik maar mee, het lijkt mij altijd beter dan dienst doen en dan ziet u er ook nog meer van hoe de boel er uitziet en welk een schade het water daar gebracht heeft. En de tijd kort ook nog beter op; het is al niet zo lang meer, nog twee maand.”

Even tussendoor. De diensttijd voor militairen was toen ‘slechts’ 5,5 maand, sinds de Dienstplichtwet van 1922. Ik schrijf ‘slechts’ omdat ik zelf in 1970-71 veertien maanden heb gediend! De wet was overigens slecht: loting bepaalde of je in dienst moest of niet, en 19.500 mensen waren dan de ‘pineut’ terwijl ruim 40.000 leeftijdsgenoten vrolijk verder konden met hun leven. Dat was in mindere mate in mijn militaire-diensttijd trouwens ook wel het geval. Iedereen van die 19500 mannen kreeg een infanterieopleiding. Tot 1938 bepaalde het lot, wie wel of niet in dienst moest. 

 



 

  

Dit is een zeer beschadigde foto. De andere foto's heb ik zelf geretoucheerd op vlekken en strepen, maar daar was aan deze foto niet te beginnen. Mijn vader is waarschijnlijk degene die rechts ligt. 

 


 

Moeder Roelofje lag intussen langdurig in Groningen in het ziekenhuis, waar haar (slok?)darm moest worden opgerekt. Wie denkt dat een zoon dan wel ruimschoots gelegenheid kreeg van Defensie om z’n moeder te bezoeken, heeft het mis. 

“Maar nu over dat verlof gesproken. U schrijft dat u maar 36 uur verlof kunt krijgen. Nu, dat is niet veel. In die tijd kunt u moeder ook geen bezoek brengen als ze nog in Groningen is. Ja, het zou misschien nogal kunnen maar dan hebt u aan uw verlof niet veel en bovendien hoge kosten. Als u nu eens een verzoek indiende om vijf of zes dagen verlof, maar dat zullen ze u ook wel niet geven. Enfin, we hopen zondag 31 januari moeder weer een bezoek te brengen en dan kunnen we meteen er eens met haar over spreken. En dan zult u daar nog wel bericht over krijgen.”

Jan denkt alvast vooruit: als hij straks uit dienst komt, moet hij werk hebben. 

“We lezen ook nog in uw brief dat vader maar eens aan Bakker moest vragen of u daar direct niet weer aan (het werk) kon komen. Nu, naar de plannen zijn, behoeft u zich daar niet over de bekommeren. De auto hebben ze al gekocht en Roelof heeft Berend al twee maal gevraagd of dat chauffeursbaantje niet net iets voor Jan zou zijn. Hij dacht dat u daar net geschikt voor was. Nu, dat staat ons ook wel aan. Als moeder ’t tenminste ook maar goed vindt. En dat zal wel gaan, dunkt ons, want we hebben het er al eens met haar over gehad. 

Verder kunnen we u ook nog berichten dat het nieuwe fabrieksgebouw donderdag 28 januari zal uitbesteed worden. Dus dat gaat wel door. Maar nu moet u (zich) er maar niet te veel van voorstellen, want het kon gebeuren dat ze nog weer van gedachten veranderen, maar dat dachten we haast niet.”

‘Roelof’ is directeur R. Bakker van de betonfabriek - en bouwmaterialenhandel Bakker Beton. Vader zou daar na zijn diensttijd gaan werken en zijn hele werkzame leven blijven. Hij heeft een lintje gekregen voor 40 jaar trouwe dienst. 

Broer en schrijver Berend kan niet laten in een ‘PS’ Jan op een taalfout in zijn vorige brief te wijzen: “N.B. U moet in het vervolg niet zetten ‘hatelijke groeten’ maar hartelijke groeten. Hoe vindt u dat? Berend.” 

 



 

Dit is een heel mooi bewaard gebleven foto. Wel geretoucheerd trouwens. Jan Metselaar is de staande soldaat tweede van links, naast de onderofficier. 

 


 

 

De brief van 1 februari 1926 gaat vnl. over de gezondheidstoestand van moeder. Merkwaardig is dat ze al tijden in het ziekenhuis ligt, en dat er desondanks opgemerkt wordt: 

“Zondag 31 januari was ze niet zo opgeruimd van zin als de vorige zondag, maar overigens was ze best gezond.”  Met buisjes van steeds wat grotere diameter werd de darm opgerekt. 

Over de baan als chauffeur op de nieuwe vrachtauto van Bakker Beton staat er het volgende: 

“Nu Jan, Berend heeft ook aan Bakker gevraagd, of u direct weer aan (het werk) kon komen en toen heeft Bakker gezegd: Als hij er zin in heeft, dan kan hij straks wanneer hij terugkomt, direct wel op de Auto (sic, met hoofdletter,LM) stappen. Dus dat zal wel voor elkaar komen. Als moeder nu maar weer geheel beter wordt, dan zullen we er met Gods hulp wel weer bovenop komen. Maar Gods wil geschiede. Hij weet wel wat goed voor ons is en op Hem moeten wij ons vertrouwen stellen, in alle voor- en tegenspoed. Hier zullen we ’t maar weer bij laten. We hopen dat we elkander weer in gezondheid mogen ontmoeten. “

De brief van 10 februari is geschreven door Jan. De eerste brief en een van de weinige die van hem bewaard zijn gebleven. Die neem ik hieronder over:

Van J. Metselaar 

Aan gezin J. Metselaar Krakeel D 35 Hoogeveen (Dr.) postbestelling Hollandscheveld

Arnhem, 1926, 10 februari

Geliefd huisgezin,

Hiermede kan ik u meedelen dat ik nog goed gezond ben, hopende van u hetzelfde. U zult wel denken, wat schrijft hij gauw terug, maar daar heb ik een reden voor. Want vanmiddag toen we weerkwamen van het schieten, kwam onze sergeant van de week direct op de kamer om al de namen van de jongens die naar de watersnood geweest waren. We vroegen wat dat te betekenen had en toen zei hij dat we groot kans weer weg moesten want het water in de Maas stijgt met geweld. Dus nu weet u de reden. Nou, ik zou er mij niet veel van aantrekken, want dan kort de tijd nog gauwer op. 

Ik heb ook een brief van Berend Bakker gekregen, die schreef ook al over het nieuwe fabriek en de auto. Hij zei dat hij maar wilde dat ik er weer was, want anders, nu, moest er nog weer een ander op (de vrachtauto, LM), Willem of zo, en dat stond de baas niet aan want dan mag hij toch niet meerijden. Maar nog maar een maand en dan is het (de diensttijd, LM) afgelopen. 

U schreef ook weer dat moeder weer thuis was, dat kwam me eerst wel wat vreemd aan, maar nu is ze toch ook nog thuis wanneer ik weer kom. Men zou toch zeggen dat ze beter wordt want alles gaat toch vooruit. Als het nu nog maar weer zo door blijft gaan, zal ze nog wel gauw weer gezond zijn. Dat is tenminste te hopen. 

Ik zal dadelijk Berend ook maar eens een briefje schrijven, want als we weg zijn, zal er wel niets van komen. Het is te hopen dat we een beetje betere slaapgelegenheid hebben want het is tegenwoordig nogal aardig koud. Ik wou maar dat we voor een vrijdag nog weg moesten, dan hoeven we ook geen mars te maken. 

Hebt u mijn portretten al opgehaald en gekeken hoe ik erop sta? Je kunt Gosem en Dina er ook een doen (= geven). De brieven die u schrijven wilt, kunt u altijd met hetzelfde adres erop naar Arnhem sturen. Me dunkt, u weet nu al wel weer zo veel, en ik weet ook niets meer. 

 

Wees dus hartelijk gegroet van uw zoon J. Metselaar

   maart 1926. Het zit er op. 

Dat was nog eens wat anders dan de kaarten en advertenties die afzwaaiende "ouwe stompen" later in de jaren '60, '70 maakten. Dit is een zelfgemaakte kaart met stempels en (kleur)potlood. 

Er staat: 19e R.I. (= het 19e Regiment Infanterie). Ter herinnering aan mijne diensttijd te Arnhem 1925-1926. J. Metselaar

 




 

 

Op Herhaling

In 1931 moet Jan ‘op herhaling’. Van die tijd bestaat één brief, van Jan aan zijn vrouw Zwaantje. Hij is dus inmiddels getrouwd. 

Hoe lang die herhalingsdiensttijd heeft geduurd, is mij niet bekend, maar ik vermoed slechts twee weken. Jan vermeldt namelijk dat hij voor twee weken een financiële vergoeding heeft ontvangen.  Wel valt te herleiden dat hij in Haarlem gelegerd was. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat hij daar was ingedeeld bij het Korps Motordienst (KMD). Hij had immers intussen ervaring met het rijden op een vrachtauto, en zulke mensen waren er toen nog niet zoveel. En we weten dat hij in de mobilisatie in 1940 deel uitmaakte van het “2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie”. Hij was een van de chauffeurs die het transport van voorraden en troepen in de buurt van de Grebbeberg voor zijn rekening nam. Daarover verderop meer. 

 Motordienst / Ripperda Kazerne Haarlem

In 1931 schrijft Jan een uitgebreide brief aan zijn vrouw. Hij vertelt hoe het hem vergaat en vrij gedetailleerd beschrijft hij hoe hij en enkele maats een verlofdag in Amsterdam hebben doorgebracht, inclusief bezoek aan “De Wallen”. 

Van Jan Metselaar

Haarlem, 5 juli 1931

Ik heb uw brief in gezondheid ontvangen en daaruit gezien dat het alweer mooi opknapt. Nou, ik heb ook wel aan huis gedacht hoor. Maar de tijd schiet nu mooi op, nog drie dagen en dan is het gebeurd want woensdag om een uur of elf gaan we weer vertrekken. Dat zal mij aanstaan want ik ben het hier zat hoor.  Het is anders met afwisselend de ene dag dit en de andere weer een andere plaats. 

Toen we dinsdag naar Petten gingen, boven in Noord-Holland, is er een auto met 12 manschappen in de sloot gereden maar er zijn geen doden van gekomen. Drie zijn er nog een paar dagen opgenomen in het gasthuis in Limmen maar ook weer teruggekeerd zonder letsel. 

Nou Zwaantje, je moet je maar kalm gedragen hoor; niet te veel aan mij denken want ik zal het hier wel uithouden. Maandag gaan we naar Den Haag op transport en ’s avonds ook weer terug, dus die dag is ook weer mooi bezet. 

Ik heb van de week ook weer op wacht geweest, 36 uur, en die Groot-Majoor is zo’n rotzak dat hij ons vannacht om twaalf uur nog ging controleren. Ik moest net de manschappen weer aflossen, toen liep ik pardoes tegen hem op. Hij vloekte eerst als een gek en toen vroeg hij waar ik vandaan kwam. Ik zei: ‘Uit Hoogeveen’. Toen zei die vent : ‘Dan  is het geen wonder want daar is het ’s nachts wel stil, maar hier moet je uit je ogen kijken, heb je verstaan?’ Ik zei tegen hem: ‘Natuurlijk majoor, ik ben wel wakker’, waarop hij zei dat met mij niets te beginnen was. Ik vond het best en ben mijn werk gaan doen en hij deed de ronde. 

Ik heb de vergoeding ook ontvangen van deze twee weken, dus dat is in orde. Het is nu stil op de kamer, nu alles weer naar huis is. We zijn hier maar met z’n tweeën zondags, ik en een uit Rotterdam. Nou, we kunnen het best vinden met z’n beiden. 

Verleden zaterdag zijn we naar het Haarlemmerhout geweest en zondag naar Amsterdam. Nu daar was het me net druk genoeg. We zijn over de Dam door de Jodenmarkt gewandeld (destijds op het Waterlooplein en de Zwanenburgwal, LM) naar de Jordaan. Nou, daar zijn toch verschrikkelijk veel hoeren, ik had nooit zulks gedacht, maar we waren met z’n drieën, die Rotterdammer, ik en een korporaal van de militaire politie, maar je kon ze haast niet van je af houden. Overal werd je gevraagd even binnen te komen, waar we maar geen gevolg aan gegeven hebben. We zijn zowat twintig minuten in die straat geweest maar daar is ons wel honderd maal gevraagd. Je kunt je geen voorstelling vormen van zo’n bende. Nu vrouwtje, genoeg hierover want dat zal je toch wel niet interesseren, nou. Maar nog een paar dagen en dan mag ik jou weer in mijn armen drukken, is ’t niet. 

Het valt wel lang maar nog een beetje geduld en we zijn weer bij elkander. Ik wens je thans nog van harte beterschap uit een liefdevol hart, met vele nachtkussen. 

Je lieve man, J. Metselaar 

    beide foto's,  bron:  website http://www.leger1939-1940.nl/Artikel/motordienst.htm 

 


 

Mobilisatie 1939-1940; aan de Grebbelinie

De algemene mobilisatie, die in augustus 1939 werd afgekondigd, moet een enerverende tijd gewest zijn, zowel voor de plotseling opgetrommelde soldaten, als voor het thuisfront. Mannen, die hun militaire dienst allang achter de rug hadden, moesten opeens hun gezin en werk in de steek laten om zich voor te bereiden op een mogelijke oorlog. Mijn vader, Jan Metselaar, woonde aan het Krakeel en had daar een vrouw, Zwaantje Koster, en drie kinderen, van wie de jongste in begin 1940 net twee werd. Ach, eerst overheerste natuurlijk de opwinding en het plezier van de nieuwe kameraadschap. Zo nu en dan verlof maakte de scheiding van de familie draaglijk. Jan was in september 1939 vierendertig jaar geworden. In 1925-26 had hij als jonge man van twintig zijn diensttijd voornamelijk doorgebracht in Arnhem, bij het 19e RI (Regiment Infanterie). Daar had hij zich nog verdienstelijk gemaakt o.a. bij het redden van vee bij de watersnood die het Land van Maas en Waal begin 1926 trof. 

 


 

 

Wanneer Jan precies voor het eerst onder de wapenen kwam bij de mobilisatie is niet bekend. De algemene mobilisatie begon op dinsdag 29 augustus 1939.  Aan te nemen is dat hij rond die tijd naar zijn opkomstplaats is gegaan, maar het kan ook iets later geweest zijn, want er moesten zoveel mensen met het openbaar vervoer c.q. de trein naar het westen, dat die treinen overvol waren en sommige manschappen een of twee dagen later gingen. 

Van de tijd die Jan bij de Grebbelinie doorbracht, zijn er een achttal brieven bewaard gebleven. Slechts één daarvan, en dat is niet meer dan een kaartje van na de capitulatie, is afkomstig van Jan zelf. De andere zijn afkomstig van het thuisfront en aan hem gericht.

Ze geven een aardig beeld van hoe een jonge moeder met drie kinderen en een grote tuin het thuis allemaal maar moest regelen. 

Jan was niet de enige uit de streek Krakeel die gemobiliseerd werd.  Onze plaatselijke amateurhistoricus Albert Metselaar heeft er onderzoek naar gedaan. Hij schrijft in een pdf op internet “De soldaten van mei 1940 uit Hollandscheveld en omstreken”: 

 “Het leek allemaal zo gezellig, de kaarten die thuis kwamen, van de vele

gemobiliseerde mannen in de periode augustus 1939 - mei 1940. Ze

hadden ook veel lol toen, zoals ze later naar voren brachten, toen ze hun

verhaal deden. Het stond in schril contrast met de spanningen en de

ellende die ze meemaakten in de meidagen van 1940. Hollandscheveld en

omstreken hebben als gebied toen niet zoveel meegemaakt. De Duitser

kwam, trok erdoor en was weer weg. Opgeblazen bruggen zorgden voor

wat overlast. Maar de bevolking liep littekens op door de diepe ellende van

de Grebbelinie, waar veel van de soldaten uit deze streken waren gelegerd.

Hun namen zijn verzameld om niet te vergeten…” 

 

Hij komt tot de volgende lijst van gemobiliseerde mannen: 

“Uit het Krakeel:

--Roelof Lunenborg, vocht op de Grebbeberg (3-2-19 RI). --Geu Neutel, lag bij de Moerdijk, aan de Brabantse kant. --Jan Kelly, vocht op de Grebbeberg (1-2-19 RI). --Gerrit Koster, in depot in Bergen (N.H.) (1 RI). --Jan Metselaar, was chauffeur in Doorn en in de meidagen als zodanig actief in onder meer Rhenen, Achterberg en bij de Grebbeberg. --Gosem Pastoor, lag bij Achterberg, vocht op de Grebbeberg (19 RI, mortieren). --Jacob Krikken, lag in Elst in barakken en had zijn stellingen bij Veenendaal (19 RI). --Benjamin Nijmeijer, bij de luchtdoelartillerie te Soesterberg. --Arend Kamman, vocht op de Grebbeberg. --Pieter Kuiper, vocht op de Grebbeberg (3-2-19 RI). --Otto Kroezen. --Nikolaas Dusink, kwam op te Rijnsburg, lag daarna aan het Zwinderse kanaal (o.a. op 10 mei 1940) en vocht in de dagen erop bij de Afsluitdijk.”

(Bron: Albert Metselaar, 2015)

 

De vetgedrukte namen komen in de brieven terug. Geu Neutel woonde enkele huizen verder aan het Krakeel, Gosem Pastoor was een zoon van de buurman van mijn ouders, Roelof Pastoor, die mijn moeder Zwaantje ook wat hielp op het land met de aardappels en de kunstmest. 

Nu eerst iets over het KMD, waar mijn vader Jan bij ingedeeld was. 




 

 

Het Korps Motor Dienst (KMD)

Hieronder eerst wat informatie over het Korps Motor Dienst, die ik ontleen aan http://www.leger1939-1940.nl/Artikel/motordienst.htm 

 

     foto's van de genoemde website

 Het uniform van een chauffeur bij het KMD     en een colonne auto's van het KMD

 

 

“De Motordienst werd op 12 juli 1915 opgericht en later hernoemd in Depot Motordienst of DMD. Om in geval van nood over voldoende reservechauffeurs te kunnen beschikken, werd op 27 januari 1920 het Vrijwillige Landstormkorps Motordienst of VLMd opgericht. Op 20 augustus 1921 werd het Depot van de Motordienst omgedoopt in "Schoolcompagnie van de Motordienst", in de wandeling MAS geheten, bestaande uit de Staf en een compagnie. In september 1922 verhuisde de compagnie van Delft naar Haarlem, te weten naar de Ripperda kazerne. 

In de daarop volgende jaren kregen talloze militairen van allerlei onderdelen hun rijopleiding, terwijl ook andere automobieltechnische cursussen werden gegeven. De "Schoolcompagnie van de Motordienst" werd op 1 januari 1936 omgevormd in het Korps Motordienst of KMD.

Het KMD zou in verband met de voortschrijdende motorisering van het leger een omvangrijkere taak krijgen dan voorheen. In 1938 bestond het KMD uit de Staf - waarin opgenomen het mobilisatiebureau - en vijf compagnieën. De toegevoegde 5e Compagnie was gelegerd te Haarlem. 

Van de nieuw opgekomen lichtingen dienstplichtigen werd jaarlijks ca. 600 man ingedeeld bij het KMD. Rekruten die reeds in het bezit waren van een rijbewijs of werkzaam waren in de autobranche (zoals mijn vader; LM), genoten hierbij natuurlijk de voorkeur, maar hun aantal was onvoldoende en moest worden aangevuld met militairen uit andere legeronderdelen. Zo waren er in 1940 608 dienstplichtigen ingedeeld bij de KMD. 

1939 – 1940

Als gevolg van de algemene mobilisatie, op dinsdag 29 augustus 1939, werd er een groot aantal voertuigen - ca. 12.000 – gevorderd. Al deze voertuigen werden door chauffeurs van het KMD of het VLMd naar de diverse mobilisatiecentra gebracht, waar ze in de grijs-groene legerkleur werden gespoten en voorzien van oranje nummerborden. Bij het afkondigen van de mobilisatie werd het Korps Motordienst omgevormd tot het Depot van de Motordienst van waaruit de gemotoriseerde eenheden werden voorzien van chauffeurs en materieel. In september 1939 werden uit het DMD en het VLMd zes Auto Bataljons gevormd: I Auto Bat t/m VI Auto Bat. 

Een Auto Bataljon bestond uit vier compagnieën, waarvan de 1e en 2e compagnie meestal bestemd waren voor het transport van voorraden en troepen, terwijl de 3e en 4e compagnie het munitietransport voor hun rekening nam. Elke compagnie bestond weer uit 5 secties en een korpstrein. Een sectie had de beschikking over 1 personenauto en 22 vrachtwagens. De korpstrein bestond uit 2 keukenwagens, 1 proviandauto, 1 goederenauto, 5 tankauto's, 5 herstellingsauto's, 1 smeermiddelenauto, 1 takelauto en 1 autobus. Bij elk bataljon was een reparatieafdeling ingedeeld. In totaal bestond een bataljon uit ca. 1200 man met ongeveer 600 voertuigen.

Na de capitulatie

Na de capitulatie van het Nederlandse leger werden in veel landelijke- en regionale dagbladen berichten geplaatst, soms paginagroot, over de (nieuwe) verblijfplaats van diverse onderdelen. Dit gebeurde in de periode vanaf 18 mei 1940 t/m 25 mei 1940. Soms werd er naast de verblijfplaats van het onderdeel ook melding gemaakt van gesneuvelde, gewonde en/of vermiste militairen. 

André Reijniers, © 2004”

 



 

Er zijn twee foto's in de verzameling van "thuis" waar ik niet goed weg mee weet. Ze zouden kunnen stammen uit de mobilisatieperiode. De eerste is deze: 

   

Dit schreef ik half februari 2016. Daarna kwam ik na  enig eigenlijk simpel speurwerk in contact met de dochter van Jan Snijders, de dienstkameraad van mijn vader in mei 1940; hij kwam uit Buinen. Op zich al een klein wonder dat na  ruim driekwart eeuw zo'n contact nog mogelijk blijkt. (Voor meer over Jan Snijders, zie verderop op deze pagina). 

Zij bleek dezelfde foto in bezit te hebben alleen in betere conditie. Dat is deze:

Deze foto is hoogstwaarschijnlijk genomen in Doorn, waar de mannen gelegerd waren tijdens de mobilisatie.  Snijders staat waarschijnlijk achterste rij tweede van rechts met open jasje.         

Mijn vader is waarschijnlijk de man op achterste rij tweede van links. Op de bovenste foto de derde van links; die foto is wat minder bijgesneden. 


 

Mevrouw Snijders had ook deze foto nog. Haar vader, Jan Snijders, ligt op de voorste rij op de linker elleboog. 

Het is zeer waarschijnlijk dat mijn vader hier ook op staat. Ik vermoed dat hij tweede van links staat, naast de man met de stapel doeken. 

Ik vermoed dat ook deze foto in of bij Doorn is gemaakt. Op de achtergrond staat een motorrijwiel, waarschijnlijk een ordonnans-motor. 

 


 

Dan is er nog deze foto uit het stapeltje uit mijn ouderlijk huis:

 

Hiervan weet ik niet wie erop staat en waar die genomen is. De manschappen lijken me slordiger gekleed dan op de vorige foto's en ze ogen vermoeider. Zou het kunnen dat deze foto na de demobilisatie genomen is...? Mijn vader herken ik er niet op. 

 



 DE BRIEVEN

 


 

De eerste brief die bewaard gebleven is, dateert van 9 april 1940. De oorlogsdreiging komt plotseling een stuk dichterbij. Die beklemmende atmosfeer komt uit de brief goed naar voren: 

9 april 1940, dinsdagavond

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

Van moeder, Zwaantje Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen (Dr.) 

Lieve man en vader,

We hebben vanmorgen uw brief ontvangen en nu zal ik u direct maar even terug schrijven. We zijn hier nog goed gezond, alleen ben ik zelf erg verkouden, maar overigens goed gezond hoor, dus dat zal wel gauw weer over beteren. 

Wat is die toestand veranderd hè? Sinds dat u zondagmorgen die brief schreef. Ja, zoveel kunnen we erop aan. Alle verloven ingetrokken. Gosem Pastoor is gisteren gekomen en nu gaat hij alweer weg. En zo zijn er natuurlijk weer zo veel. We hadden vandaag ook iedere keer een extra uitzending van het A.N.P. Noorwegen zit er nu toch wel lelijk ingemengd. Ja, en zo kan het ons ook wel overkomen. Maar och, wat ben ik weer kleingeestig is het niet? Laten we hopen en bidden dat dat grote onheil ons bespaard blijft. Dat is veel beter dan zo in de put van moedeloosheid neerzitten. Daarom hoeven we er helemaal niet licht overheen te denken. 

En nu moet je, lieve man, niet bezorgd wezen over ons hoor, want ik weet wat ik u beloofd heb, hoor, en ik zal natuurlijk goed voor de kinderen zorgen, dat weet je wel, want u zult daar wel weer genoeg hebben te denken. Ook weer niet veel vrijheid zeker. Nou, het is te hopen dat het weer spoedig wat kalmer wordt. 

Het was hier vandaag weer een koude noordenwind; ik heb tenminste vandaag wel gewassen maar geen goed buiten gehangen want ik wilde er geen kou bij vatten als het kon. 

Nu, je beleeft tegenwoordig nogal eens wat dunkt me. Nou, u ziet er in uw soldatenpakje ook helemaal niet uit als een getrouwde man, daar had dat meisje ook wel gelijk aan. Maar dan komt u zelf nog wel eens in de verleiding, maar mijn liefste man, ik vertrouw u wel hoor, ten volste, dat weet u wel. 

Berend (broer van Jan; LM) moest vanmorgen om zeven uur al weer in Heerenveen wezen, dus die moest er al erg vroeg uit. Dat was anders uw werk altijd. 

Je zult wel denken, wat een onsamenhangende brief is dat, maar ja, dat komt: ik weet ook niks geen nieuws. En de (nieuws)berichten van acht uur zijn er ook net, dus: luisteren en schrijven tegelijk. 

En nu mijn beste man, ga ik maar eindigen in de hoop dat u deze brief weer in gezondheid en rust zult ontvangen, en wens ik u ook Gods nabijheid en kracht toe, en laten we steeds bedenken dat er zonder Zijn heilige wil geen musje ter aarde valt. En mocht het soms tegen onze wil gaan, laten we toch steeds bereid zijn om voor Gods rechterstoel te verschijnen, dan zal het nooit een scheiding voor eeuwig zijn maar slechts tijdelijk. En nu lieve man hartelijke groeten en een dikke nachtzoen. Ik zal u nog wel gauw eens weer schrijven bij gezondheid. 

(Bovenaan de brief, omgekeerd in de kantlijn, toegevoegd, LM: )

Schrijf ook nog gauw maar eens weer als je kunt, hoe je het daar hebt, want nu kom je niet op 18 april. Dag hoor. 

 

 

 

Jan heeft al heel snel teruggeschreven want vijf dagen later schrijft Zwaantje alweer een brief, op de brief van Jan die een dag eerder aankwam. Die snelheid duidt denk ik wel op de spanning waaronder men leefde. 

 

14 april 1940, dinsdagavond

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e  autobataljon, 2e  compie, 3e  sectie, Veldpost 2

Van moeder, Zwaantje Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen (Dr.) 

Lieve man en vader,

Het is zondagavond en nu wil ik u nog maar eens even wat gaan vertellen. De kinderen zijn allen weer in de rust en we zijn allen nogal goed gezond. Mijn verkoudheid betert ook alweer, alleen moet ik er elke nacht bijna uit om een poeder te halen voor mijn kiespijn, maar ook dat zal hoop ik ook wel weer beteren, als het weer maar wat zachter wordt. Het is toch ook nog zo koud. Vrijdag sneeuwde het bijna de hele dag en erg koud, en gisternacht had het flink gevroren. En vandaag waren er nog koude hagelbuien.

We hebben gistermorgen uw brief ontvangen en daaruit vernomen dat u ook al ziek bent geweest. Nou, dan valt het allemaal niet mee zeker, maar het is nu toch aardig beter met je, is ’t niet? Berend is gisteren ook al eens weer thuis gebleven, en Jan Pieters, je weet wel, die was hier de laatste keer gelijk met u met verlof, nou die is hier nu nog. Die was ook wat ziek, niet zo erg geloof ik hoor. Maar hij moet morgenvroeg nog weer naar de dokter en dan zal hij misschien morgenavond wel weer weg moeten. 

Je hebt nu weer niet veel vrijheid hè? Maar ik kan me niet begrijpen dat jullie daar nog geen strengere dienst hebben dan gewoon, want hier in Hoogeveen en omstreken is het veel strenger bewaakt dan voorheen. Maar natuurlijk wordt het door de burgers weer veel erger gemaakt dan het in werkelijkheid reeds is. Daar waarschuwen ze anders wel voor door de Radio, om aan allerhande geruchten geen gehoor te geven. Maar ja, dat neemt niet weg dat men altijd vol gedachten zit, zo zijn wij mensen nu eenmaal. We menen altijd dat we met bezorgd te zijn wat bereiken kunnen en toch is dat helemaal mis. 

En nu iets anders. We zijn gisteren, op zaterdag nog wel, de hele dag uit geweest naar mijn moeder, die was gisteren jarig, en onze Aaltje ook. We waren eerst van plan: onze Roelie wilde graag de hele dag er naartoe en dan zouden we haar namiddag terug halen. Maar toen zei moeder: Kom dan toch met zijn allen dan kun je ook bij ons eten, en dan ben je er ook nog eens uit, zeiden ze. Nou, dat hebben we toen gedaan. En nu is onze Aaltje uit Zeist ook nog overgekomen van zaterdagavond tot maandagmorgen. Ze had geschreven dat ze met de trein van kwart voor acht kwam, maar het werd negen uur, zo’n vertraging had die trein gehad. En onze Wou daar maar wachten bij het station, ook vervelend was dat. 

Zeg Jan, ik heb nog niets weer over de kunstmest gehoord, misschien moet ik er nog wel eens even naar horen, of A. Vos het niet vergeet. Maar R. Pastoor zegt ook al: het kan nog zat, want de grond is nu nog veel te nat. Hij heeft ook begin gemaakt met houwen (?), maar je kunt er, zegt hij nog bijna niet in werken, zo nat is het daar nog. En dan verrotten de (poot)aardappels ook nog in de grond. 

En nu ga ik maar weer eindigen, lieve man, en je moet je daar nog maar wat troosten. Je zegt, ik moet niet te veel aan jou denken, nee, maar ook genoeg. Maar als het dan zo rustig nog maar blijft. Dan zal het nog wel gaan, al duurt het dan eens wat langer; enfin, dat moeten we ons maar (ge)troosten. Maar we zullen toch maar hopen dat het niet zo erg lang duurt. 

En welterusten liefste want het is zo meteen al weer negen uur en dan wordt het mijn tijd zachtjes aan. Nu, de hartelijke groeten van ons allen hoor, en een nachtzoen van mij. Dag hoor, tot weerziens. 

(Toegevoegd): 

Zeg eens, ik weet niet maar je mocht eens moeite hebben om een postzegel te kopen omdat je nergens naartoe moogt. Daarom doe ik er één bij in de brief, hoor, en dan moet je als je kunt ons maar eens gauw weer wat schrijven, want daar verlangen we altijd naar en u zeker ook wel. 

En nu, nogmaals, het allerbeste wens ik u toe. 

 

Jans moeder en zus schrijven twee dagen later een briefkaart een Jan: 

 

(Briefkaart, nogal beschadigd. )

   

 

16 april 1940, dinsdagavond

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(Van vaders moeder en zuster Wou)

Jan,

Hoe gaat het nog met u, bent u weer een beetje beter? Het is hier toch zo koud, bij jullie ook? Wij hebben vanmorgen ook weer bericht gehad van onze Gerrit; die maakt het nog wel goed maar ze zijn daar allemaal verkouden. Vervelend dat het verlof dicht zit hè? Maar als het zo nog maar blijft, dan zal het nog wel gaan. Het is ook wel naar voor Gerrit hè? Hij is er nog maar net, anders was hij zaterdag met verlof gekomen. 

Hier bij ons thuis is alles goed hoor. En bij jou thuis ook wel. Maar het is wel naar voor onze Zwaantje, anders kwam je woensdag al weer, niet? Ze is zaterdag op moe’s verjaardag de hele dag bij ons geweest, dat kon mooi en het is wel goed dat ze er eens uitkomt, nou? Maar ze maakt het anders best. (deel onderaan de kaart is onleesbaar geworden.)

Aaltje is zaterdagavond ook nog gekomen, zij was ook jarig hè? Dat was toch mooi van Mevrouw, niet? Maandagmorgen moest we weer terug, en toen was het zo’n weer. Het waaide en regende en toen moesten we nog overvaren met een pont want de brug was op. Maar ondanks alles is ze toch goed overgekomen, want vanmorgen hadden wij alweer een brief. Nu, hartelijke groeten en wij hopen dat je gauw weer hier komt. Daag. 

Je moeder en zuster Wou

 



 

 

 

Een week later lijkt de internationale toestand wat te stabiliseren. Er klinkt weer hoop uit de volgende brief: 

 

21 april 1940, zondag

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e  autobataljon, 2e  compie, 3e  sectie, Veldpost 2

(afzender: Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man,

Ik zal u nog maar eens even weer wat schrijven. Wat worden de dagen toch al lang want nu heb ik net de lamp opgestoken en nu is het al acht uur. De kinderen zijn weer in ’t bed, maar slapen nog niet, die hebben het alweer over de warmte. Nou, zo erg is het nog niet, maar het was toch prachtig weer vandaag. 

Zeg eens, het lag me de hele week al zo bij dat je nog ziek was, waarom dat weet ik zelf niet. Maar het zal dan nu toch wel weer gaan, is het niet, zoals we uit uw brief vernomen hebben, die we vrijdag gekregen hebben, en waarvoor ik u hartelijk bedank. 

O, wat heeft het hier gestormd van donderdag op vrijdag en de hele dag. Ik was donderdag net op bed en toen begon het te onweren, en toen ben ik er weer uitgegaan. Ik ben opgebleven tot over tien uur, en toen zakte de bui weer af. 

Ze hebben vandaag toch nog niets gezegd van het verlof over de Radio. Er wordt anders over het algemeen wel verwacht dat het gauw weer los komt. Ze zullen het ook wel niet langer inhouden dan nodig is. 

Maar enfin, we zijn ook allen nog goed gezonden zoals u ook al schreef: het had veel erger kunnen  uitlopen. Laten we nog maar niet klagen maar eerder dankbaar zijn dat we nog zo in rust en vrede leven. Maar daar denken we zo weinig aan als het ergste weer voorbij is. 

Ik moet deze week ook nog even naar Hoogeveen, belasting en schoolgeld betalen, als ik tenminste even een oppasser kan krijgen, - maar iedereen krijgt het nu druk op het land. 

En moeder kan ook geen volk krijgen die haar helpt graven, en dat is nogal zwaar werk; onze Wou gaat wel mee maar dat schiet niet zo erg op. Wij hebben de grond ook bijna los, en nu kan ze wat opdrogen en dan moet ik ook nog eigenheimer poters zien te krijgen. 

Ik weet lang zoveel nieuws niet te schrijven als u, want ik ben, dunkt me, alweer uitverteld. Zulke zondagen word ik ook al net zo moe alsof ik de hele dag werk. Want o, die kinderen zeuren toch altijd van kuieren als het zulk mooi weer is. Vooral onze Roel die wordt het veel te klein achter het hek en naar de zondagsschool wil ze ook niet. Van voormiddag heeft ze u een briefje geschreven, dat zal ik hierbij in doen. 

We zijn nu gauw verplicht om lid van een omroep te worden, anders komt er belasting op en die zal nog hoger zijn dan de omroepkosten. Hebt u daar ook al van gehoord? Ze hebben het al enige keren gezegd voor de radio. 

En nu m’n beste man, vele hartelijke groeten van ons allen en welterusten. Het is nu al kwart voor negen. En ik hoop dat je nu toch maar weer goed gezond bent, maar je had het wel goed hè, dat scheelt nogal, en nu tot ziens. Laat nog eens gauw weer wat van je horen, en nu een dikke nachtzoen, daag. 

 

In dezelfde envelop zit dit briefje van dochter Roelie, de oudste.

 

Beste vader,

Hoe gaat het er nog mee? Bent u alweer beter? Nu, het is zulk fijn weer. Het is al kort voor mei dus we gaan gauw over. We blijven bij meester Van Iterson zitten. Dat vind ik fijn want daar mag ik graag bij leren. Oom Gerrit komt misschien zaterdag weer, heeft hij geschreven. Ik hoop dat u ook maar gauw weer komt. En nu eindig ik maar want het is zo meteen middag. En dan moeten wij eten; wij krijgen vanmiddag snert. 

Dag lieve vader, de groeten van ons, Roelie en Wou en Geert.  Daag. 

En nu moet u mij ook eens wat schrijven. 

 

In de brief van 25 april duurt de wat lossere toon nog voort. Maar er zijn ook zorgen. Snijders is een goede dienstkameraad van vader, en die is ernstig ziek geworden. Het ‘nachtrijden’ dat genoemd wordt, is het rijden in de duisternis met oorlogsverlichting, een lamp in een behuizing waar slechts een sleuf van plm. 1 cm hoog en 10, 12 cm lang was uitgespaard om het zwakke licht door te laten. Je zag er als chauffeur eigenlijk niets bij. Ik heb zelf op oefening in Duitsland met mijn Nekaf jeep ook met deze verlichting gereden, maar dat is een hele uitdaging. 

 

De in de volgende brief genoemde ‘Geertje’ is mijn tien jaar oudere broer Geert die in april 1940 twee jaar was. 

 


 

25 april 1940

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(van Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man en vader, 

Wij hebben woensdagmorgen uw brief ontvangen en zo gezien dat u weer goed gezond bent. Nou, daar zijn wij natuurlijk erg blij mee. Nu, we zijn hier ook nog goed gezond. En we hebben hier vandaag van verschillende mensen horen zeggen dat er voor de Radio gezegd was dat het verlof weer los is. Ikzelf heb het niet gehoord want ik wacht natuurlijk niet op de uitzending van half elf (’s avonds is bedoeld. Lm) maar dat zal dan toch wel zo zijn. En och, al duurt het dan nogal een poosje eer dat u aan de beurt bent, maar er is dan toch weer doorzicht, is het niet. En wij zijn allen weer goed gezond, u daar en wij hier, en dan zal het nog wel gaan. Wees daar anders maar voorzichtig dat je niet weer kou vat, ook met dat nachtrijden. Zoals Snijders het nu heeft, dat is toch ook wat; hoe gaat het nog met hem? Er mag zeker nu ook niemand bij hem komen. Ja, dan mogen we toch zeker wel dankbaar zijn dat het met u nog weer zo gauw is opgeknapt. 

Ik ben gister even naar Hoogeveen geweest, belasting betalen, daar heeft onze Roelie u al wat van verteld. O, wat was ze blij met dat kaartje van u, dat kun je begrijpen, en nu wou ze u zelf nog weer wat schrijven. Ik zeg: nou, dat mag wel; het kost niets als ik het hierbij in doe. 

We hebben de vroege aardappels in de grond; dat zijn dit jaar nu eens Eerstelingen. Nu zullen we eens zien wat dat wordt. Eigenheimers zijn hier ook altijd al slecht. We hebben samen met Berend een schepel van L. Bouwmeester. En nu wil R. Pastoor bij gezondheid in het laatst van de week die andere ook poten. En de kunstmest ligt in de schuur dus dat is allemaal voor elkaar. Maar de Pastoors hebben het nu ook druk want J. Pieters met Jentje gaan verhuizen, zaterdag al. Die komen daar in die huizen van Fieten, waar die Albert van der Sleen gewoond heeft, je weet wel, die van zijn vrouw af is. En nu zijn die kinderen in het armhuis. Hij gaat zelf hier of daar in de kost. En nu komt Gerda hier aan de wijk te wonen. Ja, dat is alles deze week voor elkaar gekomen.

Het is hier tegenwoordig prachtig weer, gister ook was het warm, maar vandaag is het weer wat donker. En mijn lieve man weet ik ook al geen nieuws meer. Als dit nog wel: dat ik reuze blij zal zijn als u me gauw eens weer zult kunnen schrijven welke avond u weer komt, en dat zal u wel net zo gaan, en onze kinderen ook. Als wij een van drieën zo eens zeggen: ik hoop dat het morgen weer mooi weer is of zoiets, dan zegt onze Geert al: “En Geertje hoop va weer komt.” Dan kun je eens zien dat die kleine vent u ook niet vergeet. 

En nu lieve, vele groeten van ons allen, en troost je nog maar wat hoor: niet over ons prakkezeren, dat is niet nodig. We maken het allen goed en ik wens u geestelijk en lichamelijk kracht en sterkte toe. Daag hoor, en welterusten met een dikke nachtzoen en tot ziens. 

 

Bovenaan de brief omgekeerd in de kantlijn toegevoegd: 

 

Schrijf nog maar gauw eens terug, alhoewel, daar heb ik geen klagen over hoor. 

1940-25 april

Van dochter Roelie aan haar vader Jan Metselaar

Lieve vader,

Ik heb uw kaart ontvangen. En ik ben er erg blij mee. En nu wil ik u toch ook nog eens even wat vertellen. We hadden woensdag vrij van school. En toen ben ik met moeder naar Hoogeveen geweest. En toen heb ik nieuwe schoenen gekregen. Want die moest ik toch hebben. Want ze zullen nog wel duurder worden. Toen heeft tante Wou opgepast. Nu, dat vond ik nog wel eens mooi dat ik weer eens mee mocht. En het was toch zulk fijn weer. Nu vader, het verlof is ook weer los, gelukkig. Nu zult u ook wel eens gauw weer komen. En nu weet ik geen meer. De groeten van Roelie en Wou en Geert. Nu dag vader, daaaaaag. En tot ziens. 

Zeg vader, ik heb woensdag ook nog een aapje gezien. Een man had hem aan een ketting. En dat aapje at een appel op. Hij had een trui aan en een broek. Dag vader. 

 

      

Het briefje van dochter Roelie (8 jr) aan vader Jan Metselaar; 25 april 1940



 

 

 

Uit de brief van 30 april spreekt, weliswaar omfloerst maar toch, van de drukke werkzaamheden en daarmee gepaard gaande zorgen die een vrouw alleen met drie kinderen en een stuk tuinbouwland het hoofd moest bieden. 

 

dinsdag 30 april 1940

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(van Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man, 

Ik heb vanmorgen uw brief ontvangen en daarvoor zeg ik u hartelijk dank, U bent goed gezond zoals wij gezien hebben, nou wij hier ook nogal. Het is hier nu een paar dagen weer koud weer, zo’n schrale oostenwind. 

Nu, het duurt nogal even voordat u komt hè? Maar och, als we nog maar gezond mogen blijven dan zijn die paar dagen ook nogal gauw voorbij. Nou, u schreef: de moed maar niet verliezen. Och, dat zal nog wel gaan hoor, m’n lieve man, alhoewel het valt niet altijd mee, dat weet je zelf ook wel. 

Ik heb vandaag een drukke dag gehad, ik ben aan het schoonmaken geweest in huis: zolder wassen en zo wat meer. En Roelie had vanmiddag al weer vrij van school omdat de Prinses jarig was en ze is overgegaan naar de derde klas. 

Toch gelukkig dat Snijders de tyfus niet heeft, is het niet, dat lijkt me zo een gevaarlijke ziekte toe. Maar ja, dit kan ook erg genoeg zijn. Gosem Pastoor was er vrijdagavond al weer en Arend Kamman zaterdagavond. Nou, en ben je zondagmiddag ook nog op visite geweest bij die familie? Doe dat maar gerust hoor liefste, zoek maar wat afleiding. Daar ben ik zelfs blij om, dat je daar nog eens mensen ontmoet waar je goed mee overweg kunt. Dat weet je wel, is het niet. Als ik kan zoek ik ook wel eens wat afleiding, ook wel vaak dat ik daar geen lust toe heb, maar ik ben zondagmorgen nog eens weer naar de kerk geweest met onze Roelie. Toen heeft onze Wou opgepast bij ons en toen hebben moeder en onze Wou ook bij ons gegeten, en zo was die zondag voor ons ook al weer niet zo vervelend. En nu is het donderdag Hemelvaartsdag, misschien gaan we dan nog wel eens weer naar hun toe.

We hebben er de aardappels gauw in, nog een klein stukje, maar met kunstmest zaaien wilde Pastoor liever zolang wachten tot u zelf eens weer komt. Ja, ik doe er zelf niet veel aan hoor. 

En nu ga ik ook maar weer eindigen want nieuws weet ik ook al niet meer. En dan zullen we maar hopen op een gezond weerzien maandagavond. Dan ben je ruim een maand weg geweest, al een heel eind. Onze Gerrit komt zaterdagavond ook pas weer; die is ook al lang weg, van 1 april af. En dus ontvang nog maar vele groeten van ons allen. Het is nu straks weer negen uur, nu nog een beetje eten en dan naar bed. Wees nu niet bezorgd over ons hier hoor, wij verlangen allemaal net zo hard als u naar 6 mei en dus tot ziens en welterusten en in gedachten een dikke nachtzoen van uw liefhebbende vrouw. Daag. 

 

De laatste brief voor de oorlog uitbreekt is die van 8 mei. De verloven zijn weer ingetrokken. Zwaantje schrijft: “Wat zou er nu toch weer zijn. Maar dat zullen we wel niet te weten komen.” Ze zou het eerder te weten komen dan ze op dat moment dacht. Twee dagen later vielen de Duitsers Nederland aan. Noord-Nederland was nauwelijks verdedigd; de landsverdediging zou aankomen op de Grebbelinie en de stellingen bij het Kornwerderzand. Jan reed voor de Motordienst, het KMD en was vooral in het gebied van Rhenen actief met het vervoer van materieel en troepen. Hij heeft er nooit veel over verteld. Hier is de laatste brief van zijn vrouw aan hem voor de hel losbrak. 

 



 

    

Dit zijn een paar foto's van Stichting De Greb van hun website. Van Jan Metselaar zijn er geen foto's uit de oorlogsdagen of daarvoor. Dit zijn foto's van vergelijkbare auto's, waar Jan mee gereden zou kunnen hebben als vrachtwagenchauffeur. Het kan echter ook zijn dat hij in de meidagen vooral officieren reed. Ook dat weten we niet helaas. 

 



 

 

8 mei 1940

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(van Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man en vader, 

Het is nu woensdagavond en dinsdagmorgen heb ik uw brief ontvangen. Wat is die dunkt me gauw overgekomen. De kinderen slapen weer en nu zit ik nog bij daglicht te schrijven. Maar het wordt me toch te donker en ik zal eerst maar eens licht maken. Wij zijn allen nog goed gezond, en ook u nog hè? 

Nou, dat is alweer heel wat anders dan ‘met de Pinksterdagen naar huis’ is het niet? Daar had u helemaal toch geen kans op, maar nu is alles weer ingetrokken, wat zou er toch nu weer zijn. Maar dat zullen we wel niet te weten komen. Enfijn, je bent er nu toch nog bijtijds geweest, gelukkig. Jan Pieters zou vanavond anders weer komen, dat is wel vervelend voor zulken. Johan Smith is vanmorgen ook alweer weg gegaan. Maar och, we zullen maar goeden moed houden, zo veel mogelijk. Moeder die maakt zich wel erg zenuwachtig, die had alweer heel weinig geslapen vannacht. Onze Gerrit is nu natuurlijk ook niet gekomen voor dat examen. Nu, dat is ook uitgesteld tot later bericht, omdat de treinen niet goed lopen. 

Nou, je moet ons maar eens schrijven hoe het u daar gaat. En af je daar ook vandaan moet, maar och, dat zal nog wel niet. 

Het was hier maandag zulk lekker warm weer, en nu is het zulk koud weer, het is erg. 

Nu, ik heb de bankhuur bij Gosem ook betaald. En Dien is gister weer naar Groningen geweest. Nou, daar was het nogal net zo; het stond wel goed maar Sientje mocht met de Pinksteren nog niet naar huis; dan is ze er al zes weken. 

Dat trof je daar zondagavond nog goed hè, zo’n verjaringsvisite. Ik heb vandaag een paar bedden bonen gepoot en Hendrik Knol bracht ons vanavond ook nog pootbonen. We kregen hier vanavond toch een bui, geweldig, zo’n regen. 

En nu weet ik ook al geen nieuws meer en dus moet ik maar gaan eindigen. Snijders knapt ook weer mooi op. Nou, daar zal hij wel blij mee zijn, want ziek zijn zo ver van huis, dat valt vast niet mee, dunkt mij zo. 

En m’n beste man, het allerbest wens ik u toe, en je moet je daar maar zo goed mogelijk door redden hoor. We moeten alles maar geduldig tegemoet zien en hopen dat het weer gauw rustiger wordt. 

Ontvang vele hartelijke groeten van uw vrouw en kinderen en nu welterusten lieve. 

 

    

de brief van 8 mei 1940,  de laatste...

 

 



 

De oorlog duurt slechts een paar dagen. Er is ons weinig of niets bekend over hoe Jan die dagen heeft beleefd. Er zijn geen brieven meer. Er is nog slechts een soort briefkaart van Jan, met de mededeling dat hij de oorlog heeft overleefd en dat alles goed is. Waarschijnlijk is hij met vele andere soldaten korte tijd in krijgsgevangenschap geweest, maar waarschijnlijk niet in Duitsland.  

In ieder geval is hij teruggekeerd naar huis, waarschijnlijk in de tweede helft van mei. Er is ook nog een briefkaart van zijn dienstmaat Snijders uit Buinen. 

Op 17 mei 1940 stuurt Jan Metselaar vanuit poststempel Almelo een briefkaart. Dat poststempel van Almelo zou erop kunnen wijzen dat hij uit Duitsland is teruggekeerd, maar de krijgsgevangenschap duurde doorgaans langer. De heer Groenman van stichting De Greb opperde het volgende: “Je krijgt de indruk dat deze korporaal en zijn metgezel op 14 mei gevangen zijn genomen en enkele dagen later in Arnhem zijn gesignaleerd. Het is niet onmogelijk  dat ze niet meer in Duitsland terecht zijn gekomen, maar zijn losgelaten. Dat zou ook die vroege reactie uit Almelo kunnen verklaren. Veruit de meeste Nederlandse militairen die op het moment van de capitulatie achter de Waterlinie waren zijn niet meer naar Duitsland afgevoerd, maar wel in Nederland geconsigneerd op de plaats waar ze zich op dat moment bevonden of eventueel bij hun uitgangsstellingen. Die consignering heeft enkele weken geduurd. Daaraan zouden de korporaal en zijn metgezel dan ontkomen zijn. We zullen het waarschijnlijk niet zwart op wit krijgen, maar die korporaal zou eventueel uw vader geweest kunnen zijn. “

Op de voorkant van de kaart staat gedrukt: “Gelukkig Nieuwjaar” en in kleine gedrukte letters onder de afbeelding van een soldaat: 

“Nog maar enkele dagen en nachten

En je kunt me weer verwachten.”

Er is geen postzegel, ook niet geweest, want het poststempel staat op de lege, kale kaart. De kaart is beschreven met blauw (aniline?)potlood, dat sterk vervaagd is. De kaart is gedateerd: 17 mei 1940 en gericht aan: Zwaantje Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen. 

Rechts op de achterkant staat het adres. De tekst op de linkerkant is kort en bondig:

“Lieve vrouw, ik deel u mede dat ik nog gezond ben en dat u en de kinderen niet bezorgd over mij hoeft te zijn. Groeten, J. Metselaar”

 

 

  

 

 

 

 



 

Ten slotte is er nog een briefkaart van Jans dienstkameraad Jan Snijders uit Buinen. Hij is gedateerd 8 juni 1940. 

Waarde vriend en huisgenoten,

Daar ik uw kaartje heb ontvangen, zal ik u dan even mededelen dat ik laatst met jou goed ben overgekomen. Maar ik heb jou in het laatst niet kunnen bereiken. In Hoogeveen zag ik je wel uitstappen en met je kleine kistje sjouwen. Ik had graag nog even bij jou willen zijn, doch zat in de voorste wagon achter de locomotief en kon toen er niet uit. Nu, ik ben nu dunkt mij weer bijna genezen en werk nu met dubbele moed weer aan mijn mooi boerderijtje, wat mij beter bevalt dan die dienst-rommel. Nou vriend, ik ben van plan je spoedig eens een keertje op te zoeken. En dat het natuurlijk goed is dat jij bij mij langs komt. Ga vooral niet voorbij en klop aan. Meer kan ik nu ook al niet meer schrijven. Ik hoop van jullie allen het beste. En dan tot wederziens van ’t zomer. De hartelijke groeten van je kameraad J. Snijders. 

Afzender: Jan Snijders W-zn, adres : Buinen B 45 

  

 

In de zomer van 1940 werd de bovenstaande foto gemaakt. Vader is inmiddels thuis bij zijn gezin en aan het werk. Op een zondag (?) krijgt de familie bezoek van de oude dienstmaat van Jan: Jan Snijders uit Buinen. Op de foto v.l.n.r. Jan Snijders, mijn zus Roelie, broer Geert, moeder, zus Wou en vader. Ik was nog niet geboren. Ze staan op het pad voor het huis aan het Krakeel. De foto is gemaakt door een tante, aan de overkant van de vaart. 

 


 


 

 

Tijdens de oorlog

Over de tijd in de oorlog weet ik eigenlijk weinig. Hoe hebben mijn ouders, zussen en broer die tijd ervaren?  Mijn ouders leven allang niet meer, mijn oudste zus ook niet, dus aan hen kan ik niets meer vragen. Mijn broer was in de oorlog tussen de twee en zeven jaar dus die heeft er weinig herinneringen aan, en mijn zus was wat ouder, maar toch ook nog een kind. Zij herinnert zich ook weinig meer. Zo gaat het dan zoals bij velen: toen ik vader nog had kunnen vragen over de oorlog, kwam het gewoon niet ter sprake en nu ik er wel meer van wil weten, zijn de bronnen praktisch opgedroogd. Ik heb veel gehad aan de website van stichting De Greb en haar medewerker de heer Groenman. Verder heb ik inlichtingen gevraagd bij het NIMH (Nederlands Instituut voor Militaire Historie) en bij Albert Metselaar. Beide bronnen brachten mij niet veel verder. Op individueel niveau valt er bij de officiële (en evt. minder officiële) bronnen niet veel te achterhalen. 

Ik hoorde later wel van (relatieve) ontbering en schaarste. ‘Relatief’ omdat honger zoals die in het westen van het land vooral in het laatste jaar voorkwam, bij ons niet heeft geheerst. Wel moest overal zuinig mee gedaan worden: kleren en schoenen waren nauwelijks te krijgen en/of te betalen. ‘Luxe’ als koffie was niet of nauwelijks te krijgen. Men behielp zich met cichorei, surrogaatkoffie. Doordat vader vrachtwagenchauffeur was, kwam hij op veel plekken, ook bij boeren en daar kon hij nog wel eens wat koren, meel en vlees ‘opscharrelen’. Als je in mijn jeugd voedsel wilde weggooien, werd je dat snel uit je hoofd gepraat: “In de oorlog hadden we dat maar al te graag gegeten!” En tot ver na de oorlog bleef moeder koffie hamsteren: het mocht eens weer op de bon komen. 

Wel weet ik dat vader in de oorlog onder de vloer in de huiskamer een radio verborgen had. Hij werkte op een autoaccu. Als je de tafel opzij schoof en de kokosmatten oprolde, verscheen er een luik in de houten vloer. Daaronder in de kruipruimte zat de radio. Daarmee luisterden ze naar Radio Oranje. ’s Avonds om negen uur was het een kwartier lang op de BBC European Service. Op zich al een verzetsdaad waar je flink voor gestraft kon worden. Alleen al het bezit van een radio was verboden: die had men moeten inleveren. 

In het laatste jaar van de oorlog was vader bij de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten. Mijn zus weet zich nog te herinneren dat va en moe eens een opgewonden gesprek hadden over dat mijn vader bemoeienis had met het onderbrengen van een Joods meisje. Dat was verraden en moest heel snel een nieuw onderdak en identiteit hebben. Volgens mijn zus is dat meisje toen mede door toedoen van mijn  vader bij meester Renema ondergebracht, de hoofdmeester van de lagere school aan het Noord, bij wie ik ook nog les heb gehad in de zesde klas. Meester Renema had meer bemoeienis met het verzet, dat was vrij algemeen bekend. Opeens was er in dat huisgezin een meisje met roodachtig haar, van wie niemand het fijne wist. Na de oorlog was ze er nog eens geweest, vertelt mijn zus, en toen had ze zwart haar. 

Na de oorlog, zo weet mijn zus zich te herinneren, is vader geëerd voor zijn activiteiten voor de BS. Vader moest weinig hebben van publieke eer, maar is toen wel naar die bijeenkomst geweest. Hij heeft toen een ontmoeting gehad met prins Bernhard met wie hij toen ook persoonlijk heeft gesproken. De prins was de officiële bevelhebber van de BS. Een zichtbaar eerbewijs werd niet uitgereikt aan BS-manschappen. Nou ja, vader had het toch niet gedragen. 

 

©Lammert Metselaar 

februari 2016

 

 


 

Kortere versie: Mobilisatie 1940 en hoe het thuisfront die beleefde 

©   door Lammert Metselaar

 

De algemene mobilisatie, die in augustus 1939 werd afgekondigd, moet een enerverende tijd geweest zijn, voor de plotseling opgetrommelde soldaten, maar niet minder voor het thuisfront. Mannen, die hun militaire dienst allang achter de rug hadden, moesten opeens hun werk en gezin in de steek laten om zich voor te bereiden op een mogelijke oorlog. De vrouwen en gezinnen die achterbleven, moesten zich maar zien te redden. 

Mijn vader, Jan Metselaar, woonde aan het Krakeel en had daar een vrouw, Zwaantje Koster, en drie kinderen, van wie de jongste in begin 1940 net twee werd. Ach, eerst overheerste bij de soldaten natuurlijk de opwinding en het plezier van de nieuwe kameraadschap. Zo nu en dan verlof maakte de scheiding van de familie draaglijk. Jan was in september 1939 vierendertig jaar geworden. In 1925-26 had hij als jongeman van twintig zijn diensttijd voornamelijk doorgebracht in Arnhem, bij het 19e RI (Regiment Infanterie). Daar had hij zich nog verdienstelijk gemaakt o.a. bij het redden van vee bij de watersnood die het Land van Maas en Waal en het rivierengebied begin 1926 trof. 

In 1931 was hij nog kort op herhaling geweest in Haarlem. Waarschijnlijk is hij daar al bij het KMD (Korps Motor Dienst) geplaatst. In ieder geval werd hij acht jaar later bij de algemene mobilisatie bij dat korps ingedeeld. Dat korps was al in 1915 opgericht maar kreeg in de loop der jaren een steeds belangrijkere rol. Wegens gebrek aan eigen materieel werd er in augustus 1939 een groot aantal voertuigen - ca. 12.000 – gevorderd. Al deze voertuigen werden door chauffeurs van het KMD naar de diverse mobilisatiecentra gebracht, waar ze in de grijs-groene legerkleur werden gespoten en voorzien van oranje nummerborden. Jan werd bevorderd tot korporaal en maakte deel uit van het 2e autobataljon, 2e compagnie, 3e sectie. Zijn onderdeel werkte vanuit Doorn en zijn werkgebied lag langs de Grebbelinie, vooral de streek rond Rhenen en het dorp Achterberg. 

Jan was uiteraard niet de enige uit de streek Krakeel die gemobiliseerd werd en verschillende van die mannen streden net als hij bij de Grebbeberg. Mijn zus had nog enige correspondentie uit die tijd in bezit, voornamelijk tussen mijn moeder en vader. Vooral de brieven van Zwaantje zijn bewaard gebleven en die van Jan –die hij wel degelijk schreef- helaas niet of nauwelijks. Correspondentie was toen de enig mogelijke vorm van contact. Uit de brieven blijken de oplopende spanning en de onzekerheid over wat de volgende dag zou brengen. ‘Het grote onheil’ zoals Zwaantje het in haar brief noemde, beheerste het dagelijkse leven van het thuisfront. 

De eerste brief dateert van 9 april 1940, een maand voor de Duitse inval. Zwaantje schrijft kort over de internationale ontwikkelingen die haar zorgen baren, maar ze houdt de moed erin.

 

“Wat is die toestand veranderd hè? Sinds dat u zondagmorgen die brief schreef. Ja, zoveel kunnen we erop aan. Alle verloven ingetrokken. Gosem Pastoor is gisteren gekomen en nu gaat hij alweer weg. En zo zijn er natuurlijk weer zo veel. We hadden vandaag ook iedere keer een extra uitzending van het A.N.P. Noorwegen zit er nu toch wel lelijk ingemengd. Ja, en zo kan het ons ook wel overkomen. Maar och, wat ben ik weer kleingeestig is het niet? Laten we hopen en bidden dat dat grote onheil ons bespaard blijft. Dat is veel beter dan zo in de put van moedeloosheid neerzitten. Daarom hoeven we er helemaal niet licht overheen te denken. 

En nu moet je, lieve man, niet bezorgd wezen over ons hoor, want ik weet wat ik u beloofd heb, hoor, en ik zal natuurlijk goed voor de kinderen zorgen, dat weet je wel, want u zult daar wel weer genoeg hebben te denken. Ook weer niet veel vrijheid zeker. Nou, het is te hopen dat het weer spoedig wat kalmer wordt.” Ze verontschuldigt zich voor de wat ze zelf noemt ‘onsamenhangende brief’, maar ze doet twee dingen tegelijk: “de nieuwsberichten van het ANP van acht uur zijn er ook net, dus: luisteren en schrijven tegelijk.”

 

Vijf dagen later schrijft ze de volgende brief al. De spanningen nemen toe. 

 

“Je hebt nu weer niet veel vrijheid hè? Maar ik kan me niet begrijpen dat jullie daar nog geen strengere dienst hebben dan gewoon, want hier in Hoogeveen en omstreken is het veel strenger bewaakt dan voorheen. Maar natuurlijk wordt het door de burgers weer veel erger gemaakt dan het in werkelijkheid reeds is. Daar waarschuwen ze anders wel voor door de Radio, om aan allerhande geruchten geen gehoor te geven. Maar ja, dat neemt niet weg dat men altijd vol gedachten zit, zo zijn wij mensen nu eenmaal. We menen altijd dat we met bezorgd te zijn wat bereiken kunnen en toch is dat helemaal mis.”

 

Het gaat wat op en af. Soms lijkt de dreiging toe te nemen, dan lijkt er weer wat ontspanning te komen en kan Zwaantje zich met de dagelijkse gang van zaken bezig houden. Naast drie kinderen om voor te zorgen, heeft ze ook nog een groot stuk land waarop allerlei groenten en vooral voor het hele jaar aardappelen worden verbouwd. Nu Jan er niet is, komen alle zorg en werk op haar neer. Het valt op dat ze steeds de moed erin probeert te houden.

“Ze hebben vandaag toch nog niets gezegd van het verlof over de Radio. Er wordt anders over het algemeen wel verwacht dat het gauw weer los komt. Ze zullen het ook wel niet langer inhouden dan nodig is. Maar enfin, we zijn ook allen nog goed gezonden zoals u ook al schreef: het had veel erger kunnen uitlopen. Laten we nog maar niet klagen maar eerder dankbaar zijn dat we nog zo in rust en vrede leven. Maar daar denken we zo weinig aan als het ergste weer voorbij is. 

Ik moet deze week ook nog even naar Hoogeveen, belasting en schoolgeld betalen, als ik tenminste even een oppasser kan krijgen, - maar iedereen krijgt het nu druk op het land. En moeder kan ook geen volk krijgen die haar helpt graven, en dat is nogal zwaar werk; onze Wou gaat wel mee maar dat schiet niet zo erg op. Wij hebben de grond ook bijna los, en nu kan ze wat opdrogen en dan moet ik ook nog Eigenheimer poters zien te krijgen.” De kinderen vragen natuurlijk voortdurend aandacht. De oudste dochter is acht. “Zulke zondagen word ik ook al net zo moe alsof ik de hele dag werk. Want o, die kinderen zeuren toch altijd van “kuieren” als het zulk mooi weer is. Vooral onze Roelie, die wordt het veel te klein achter het hek en naar de zondagsschool wil ze ook niet. Van voormiddag heeft ze u een briefje geschreven, dat zal ik hierbij in doen.” 

 

Allerlei praktische zaken vragen ook aandacht. Ze moet alles in haar eentje beslissen: “We zijn nu gauw verplicht om lid van een omroep te worden, anders komt er belasting op en die zal nog hoger zijn dan de omroepkosten. Hebt u daar ook al van gehoord? Ze hebben het al enige keren gezegd voor de radio.”

 

Het briefje van de oudste dochter doet Zwaantje erbij in de envelop; ‘dat kost niets extra’.

 

“Beste vader, Hoe gaat het er nog mee? Bent u alweer beter? Nu, het is zulk fijn weer. Het is al kort voor mei dus we gaan gauw over. We blijven bij meester Van Iterson zitten. Dat vind ik fijn want daar mag ik graag bij leren. Oom Gerrit komt misschien zaterdag weer, heeft hij geschreven. Ik hoop dat u ook maar gauw weer komt. En nu eindig ik maar want het is zo meteen middag. En dan moeten wij eten; wij krijgen vanmiddag snert. Dag lieve vader, de groeten van ons, Roelie en Wou en Geert. Daag. En nu moet u mij ook eens wat schrijven.”

Op 25 april schrijft Zwaantje o.a.:

 

“We hebben hier vandaag van verschillende mensen horen zeggen dat er voor de Radio gezegd was dat het verlof weer los is. Ikzelf heb het niet gehoord maar dat zal dan toch wel zo zijn. En och, al duurt het dan nogal een poosje eer dat u aan de beurt bent, er is dan toch weer doorzicht, is het niet? En wij zijn allen weer goed gezond, u daar en wij hier, en dan zal het nog wel gaan. Wees daar anders maar voorzichtig dat je niet weer kou vat, ook met dat nachtrijden. Zoals Snijders het nu heeft, dat is toch ook wat; hoe gaat het nog met hem? Er mag zeker nu ook niemand bij hem komen. Ja, dan mogen we toch zeker wel dankbaar zijn dat het met u nog weer zo gauw is opgeknapt.”

 

Snijders uit Buinen, een goede dienstmaat van Jan, is ernstig ziek geworden. Het ‘nachtrijden’ waarvan Zwaantje spreekt, is het rijden in de duisternis met oorlogsverlichting, een lamp in een behuizing waarin slechts een spleet van plm. 1 cm hoog en 10 cm lang was uitgespaard om het zwakke licht door te laten. Je zag er als chauffeur eigenlijk niets bij. Ik heb zelf op oefening in Duitsland in 1970 met mijn Nekaf  jeep ook nog met deze oorlogsverlichting gereden, en ik kan zeggen: dat is een hele uitdaging. 

Het werk op het land gaat door, het is immers voorjaar.

 

 “We hebben de vroege aardappels in de grond; dat zijn dit jaar nu eens Eerstelingen. Nu zullen we eens zien wat dat wordt. Eigenheimers zijn hier ook altijd al slecht. We hebben samen met Berend een schepel van L. Bouwmeester. En nu wil R. Pastoor bij gezondheid in het laatst van de week die andere ook poten. En de kunstmest ligt in de schuur dus dat is allemaal voor elkaar.”

De achtjarige dochter Roelie mag weer een briefje meesturen.

“Lieve vader, Ik heb uw kaart ontvangen. En ik ben er erg blij mee. En nu wil ik u toch ook nog eens even wat vertellen. We hadden woensdag vrij van school. En toen ben ik met moeder naar Hoogeveen geweest. En toen heb ik nieuwe schoenen gekregen. Want die moest ik toch hebben. Want ze zullen nog wel duurder worden. Toen heeft tante Wou opgepast. Nu, dat vond ik nog wel eens mooi dat ik weer eens mee mocht. En het was toch zulk fijn weer. Nu vader, het verlof is ook weer los, gelukkig. Nu zult u ook wel eens gauw weer komen. En nu weet ik geen meer. De groeten van Roelie en Wou en Geert. Nu dag vader, daaaaaag. En tot ziens. 

Zeg vader, ik heb woensdag ook nog een aapje gezien. Een man had hem aan een ketting. En dat aapje at een appel op. Hij had een trui aan en een broek. Dag vader.”

 

Het al dan niet verlenen van verlof is een terugkerend thema in de brieven.

 

“Nu, het duurt nogal even voordat u komt hè? Maar och, als we nog maar gezond mogen blijven dan zijn die paar dagen ook nogal gauw voorbij. Nou, u schreef: ‘de moed maar niet verliezen’. Och, dat zal nog wel gaan hoor, m’n lieve man, alhoewel, het valt niet altijd mee, dat weet je zelf ook wel. Ik heb vandaag een drukke dag gehad, ik ben aan het schoonmaken geweest in huis: zolder wassen en zo wat meer. En Roelie had vanmiddag alweer vrij van school omdat de Prinses jarig was en ze is overgegaan naar de derde klas. Toch gelukkig dat Snijders de tyfus niet heeft, is het niet, dat lijkt me zo een gevaarlijke ziekte toe. Maar ja, dit kan ook erg genoeg zijn. Gosem Pastoor was er vrijdagavond al weer en Arend Kamman zaterdagavond.”

 

Buurtgenoten Pastoor en Kamman waren ook gemobiliseerd en gelegerd aan de Grebbelinie. 

 

In haar brief van 30 april hoopt Zwaantje dat haar man binnenkort even thuis mag komen.

 

“En dan zullen we maar hopen op een gezond weerzien maandagavond. Dan ben je ruim een maand weg geweest, al een heel eind. Onze Gerrit komt zaterdagavond ook pas weer; die is ook al lang weg, van 1 april af. En dus ontvang nog maar vele groeten van ons allen. Het is nu straks weer negen uur, nu nog een beetje eten en dan naar bed. Wees nu niet bezorgd over ons hier hoor, wij verlangen allemaal net zo hard als u naar 6 mei en dus tot ziens en welterusten en in gedachten een dikke nachtzoen van uw liefhebbende vrouw. Daag.”

 

Het verlof van 6 mei zou voorlopig het laatste zijn. De laatste brief is die van 8 mei 1940. Alle verloven zijn weer ingetrokken. Zwaantje schrijft : “Wat zou er nu toch weer zijn? Maar dat zullen we wel niet te weten komen.” Ze zou het eerder te weten komen dan ze op dat moment dacht. Twee dagen later vielen de Duitsers Nederland binnen. Noord-Nederland werd nauwelijks verdedigd. In de omgeving van Hoogeveen was van oorlogsgeweld niet veel sprake. De Duitsers trokken er vrijwel ongehinderd langs en door. De landsverdediging zou aankomen op de Grebbelinie en de stellingen bij het Kornwerderzand. Jan reed voor het KMD en was vooral in het gebied van Rhenen en Achterberg actief met het vervoer van materieel en troepen. Hij heeft er nooit veel over verteld. 

 

Hier zijn enkele fragmenten uit de laatste brief van zijn vrouw aan hem voor de hel losbrak.

 

“Nou, dat is alweer heel wat anders dan ‘met de Pinksterdagen naar huis’ is het niet? Daar had u helemaal toch geen kans op, maar nu is alles weer ingetrokken, wat zou er toch nu weer zijn? Maar dat zullen we wel niet te weten komen. Enfijn, je bent er nu toch nog bijtijds geweest, gelukkig. Jan Pieters zou vanavond anders weer komen, dat is wel vervelend voor zulken. Johan Smith is vanmorgen ook alweer weg gegaan. Maar och, we zullen maar goeden moed houden, zo veel mogelijk. Moeder die maakt zich wel erg zenuwachtig, die had alweer heel weinig geslapen vannacht.”  Zwaantje houdt de moed erin, maar de bezorgdheid klinkt wel door: “En m’n beste man, het allerbest wens ik u toe, en je moet je daar maar zo goed mogelijk door redden, hoor. We moeten alles maar geduldig tegemoet zien en hopen dat het weer gauw rustiger wordt.”

Rustiger zou het voorlopig even niet worden. De oorlog duurt slechts een paar dagen. Er is ons weinig of niets bekend over hoe Jan die dagen bij de Grebbelinie heeft beleefd. Ikzelf ben van 1948 en over de oorlog werd, zo ik mij herinner, in mijn jeugd nauwelijks meer gesproken. Er zijn ook geen brieven meer.

Op 17 mei 1940 stuurt Jan Metselaar met poststempel Almelo een briefkaart aan het thuisfront. Op de voorkant staat gedrukt: “Gelukkig Nieuwjaar” en in kleine gedrukte letters onder de afbeelding van een soldaat: 

“Nog maar enkele dagen en nachten

En je kunt me weer verwachten.”

De tekst op de achterkant is kort en bondig:

“Lieve vrouw, ik deel u mede dat ik nog gezond ben en dat u en de kinderen niet bezorgd over mij hoeven te zijn. Groeten, J. Metselaar”

 

 

In de zomer van 1940 werd de bovenstaande foto gemaakt. Vader is inmiddels thuis bij zijn gezin en aan het werk. Op een zondag (?) krijgt de familie bezoek van de oude dienstmaat van Jan: Jan Snijders uit Buinen. Op de foto v.l.n.r. Jan Snijders, mijn zus Roelie, broer Geert, moeder, zus Wou en vader. Ik was nog niet geboren. 

 


 

 

Het oorlogsdagboek, 10 t/m 14 mei 1940,  van kapitein M.L. van Nispen, commandant van het 2e Autobataljon, 2e compagnie van het II Legerkorps 

Van Nispen was reserve-kapitein van het Korps Motordienst (KMD), waarover elders op deze webpagina meer. Hij was in de meidagen van veertig commandant van de 2e Compagnie van het 2e Autobataljon, dat op zijn beurt weer deel uitmaakte van het 2e Legerkorps (L.K.). De compagnie was gelegerd in Doorn. Mijn vader, Jan Metselaar, zat als gemobiliseerd korporaal-chauffeur in de 3e sectie van deze 2e compagnie. 

De Luitenant-Generaal en Adjudant in buitengewone dienst van de koningin én commandant van het Veldleger, J.J.G. baron van Voorst tot Voorst, had in een –als ‘geheim’ gekwalificeerd document- op 29 mei 1940 gelast dat de commandanten te velde een ‘gevechtsbericht’ op papier moesten zetten, waarin ze de toestand in de oorlogsdagen vastlegden, zoals zij die in hun eenheid hadden ervaren. Van Nispen voldoet uiteraard aan dat bevel. Van het NIMH, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, onderdeel van het Ministerie van Defensie, heb ik kopieën gekregen van het bericht dat Van Nispen opgesteld heeft. Hieronder zal ik daaruit een en ander uitlichten en zoveel mogelijk citeren, om een idee te geven wat de compagnie waarin mijn vader diende, in die oorlogsdagen meemaakte. 

 

Het document telt vijf pagina’s waarvan de laatste een register bevat van de ‘Ontvangen Vervoeropdrachten’. De kopieën zijn –op één pagina na die gewoon zwart op wit is- witte tekst op zwarte ondergrond; de tekst is hier en daar slecht leesbaar en soms is de rand iets te zuinig afgesneden. Niet nu bij het kopiëren maar destijds al. Van de webredacteur van Stichting De Greb, de heer Groenman, had ik al de verslagen van de 3e en 4e sectie ontvangen. Wat bleek nu: het verslag van de 2e sectie is hetzelfde als de andere verslagen. 

Het document is een ‘gereconstrueerd dagboek van de oorlogsdagen 10 t/m 14 mei 1940’. Van Nispen merkt op dat hij gedurende de oorlogsdagen geen officieel dagboek heeft bijgehouden, omdat dit volgens de voorschriften voor de Velddienst niet hoeft. Het II Autobataljon was steeds in Doorn in Utrecht in zijn geheel geconcentreerd, zelfs de keukenauto’s waren daar, zodat ‘van een zelfstandige eenheid geen sprake was.’ Vandaar natuurlijk ook dat Van Nispen met hetzelfde verslag kon volstaan. Van Nispen merkt op dat hij dit document heeft samengesteld zonder details aan zijn officieren en onderofficieren te kunnen vragen. 

(In de citaten houd ik de spelling van het origineel aan, inclusief kennelijke taal- of spelfouten.) De kop luidt: 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘OORLOGSDAGBOEK (P42) van den reserve-kapitein Korps Motordienst M.L. van Nispen, Commandant  van de 2e Compagnie  van het II Auto-Bataljon bij II. Legerkorps te Doorn. U. ‘

                    

‘Naar aanleiding van een desbetreffend verzoek tot het indienen van een gereconstrueerd dagboek van deoorlogsdagen 10 t/m 14 Mei 1940 heb ik de eer Uw Excellentie dat hieronder summier te doen toekomen. 

Voorop stel ik dat door mij gedurende de oorlogsdagen officieel geen dagboek werd aangehouden, aangezien punt 6f van het Velddienst voorschrift I duidelijk zegt, dat bij de Cie. ingedeeld in Bataljonsverband , dat niet behoeft. Het II Auto-bataljon was steeds te Doorn. c.a. in zijn geheel geconcentreerd; zelfs mijn keukenauto’s waren bij die der overige Cien in bat.verband verzameld, zoodat van een zelfstandigheid geen sprake was. 

Beschikkend over de gegevens, die mij op dit moment ten dienste staan en dus geen gelegenheid hebbend details bij de uitvoering der transporten van mijn o.h.officieren te vermelden, moge ik Uw Excellentie beleefd het volgende mededeelen.’

‘In den nacht van Donderdag 9 op Vrijdag 10 Mei 1940 te circa 1.00 u werd ik door den 2e luitenant  G. Harkema, die met mij in de villa “de Koppel” te Doorn bij mijn wagenpark was ingekwartierd, gewekt en (hij) deelde mij mede het bericht dat alle sectie-cdn. zich alarmbereid moesten houden. Het zal ongeveer 3.30 u zijn geweest dat ik de mondelinge mededeeling heb gekregen dat Duitse troepen de Rijksgrens waren overschreden en derhalve de oorlogstoestand was ingetreden waarvan de bedrijvigheid in de lucht langzamerhand het bewijs leverde.’

‘Persoonlijk gelastte ik de reeds verstrekte munitie-voorraad aan te vullen, de magazijnen te vullen, de mitrailleurs gevechtsklaar te maken en de eventueel nog niet gemonteerde verduisteringshoezen om de koplampen der auto’s aan te brengen. De sectie huifauto’s werd geconsigneerd om desgewenscht onmiddelijk (sic) voor troepenvervoer uit te kunnen rukken. Inmiddels deed ik nog de  baraktenten, die door hun opvallendheid van uit de lucht m.i. een geschikt oriëntatie-punt konden geven, strijken en liet de auto’s en mijn bureau-barakje met verse takken uit het bos camoufleren; een ontbrekend motorrijwiel werd alsnog aangevuld.’

‘De 2e compagnie was paraat en wachtte rustig de dingen af, die komen zouden; een officier of vaandrig werd bij  toerbeurt aangewezen om dag en nacht het telefoontoestel, aangesloten aan de Centraalpost, te bedienen en de transportopdrachten in het daartoe door mij aangelegde register te verzorgen. Van dat register geef ik hierbij als bijlage een afschrift; het geeft in chronologische volgorde de vervoeren aan.’

‘Den Commandant van het Veldleger’

-----------------------

 ‘Op 10 mei heeft dus een vervoer van 11 R.I. plaats; assistentie van mijn manschappen bij een bosbrand op de Julianaheuvel in de Kaapsche bossen, vermoedelijk door een brandbom; hulp aan de 4e compagnie bij het munitie-vervoer (…).’

(Hier somt de kapitein wat werkzaamheden op. Vervolgens komt er een mededeling waarin men enige frustratie proeft over de gang van zaken en waaruit de lezer een beetje kan opmaken dat men improviseerde in deze dagen en dat het niet altijd ging zoals de kapitein het zich in ieder geval had gewenst. LM) 

‘Bij de inlading van dit laatste transport nabij Amerongen ben ik persoonlijk aanwezig; de oplading van de keukenwagens –waarop de geheele colonne moet wachten- gaat niet vlot en ik dring bij de troepencdt. Op bespoediging aan, teneinde mijn motormateriaal weer spoedig terug te krijgen; deze laatste 5 wagens belanden met 1 sergeant en 7 chauffeurs tenslotte in Rotterdam en aangezien de Cdt. Ze niet meer afstaat zie ik het personeel en materiaal niet meer terug.’

 ‘Zaterdag den 11 mei moeten er 800 rijwielen (blijkbaar van de geëvacueerde bevolking uit Veenendaal*) in de buurt van Remmerden en Elst worden opgehaald; de vaandrig belast met het vervoer deelt mij mede, dat het er wel 5000 zijn; ik laat deze fietsen zo goed en zo kwaad onder de boomen van mijn wagenpark Schoonoord opbergen.

De overige vervoeren gaan volgens plan.’ (*toevoeging van de kapitein zelf, LM).

‘Zondag den 12 Mei wordt mijn Cie. troepenvervoer opgedragen; dit was klaarblijkelijk het vervoer van de N.C. van 11 R.I. vanaf het vakantie-kolonie-oord (z.g. de Bliskap*) naar de O. gelegen stellingen in de Grebbelinie. Persoonlijk rijdende op de weg van Amerongen naar de Bliskap zie ik de mij bekende commandant (kapitein V.d. Ven) reeds in Z. richting aanmarscheeren terwijl de auto-colonne hem reeds in N. richting was gepasseerd. Na getelefoneer door den luitenant-colonne-commandant met Bat.bureau werd medegedeeld dat de auto’s wel weer konden inrukken. Ik begreep dat hier een misverstand in het spel was en liet de M.C., die al vermoeid was en in de bosschen had overnacht, met de keukenwagen alsnog opladen en het geheel door een nieuwe binnenweg over de Amerongse berg naar de stelling vervoeren. Naar ik achteraf hoorde, bleek deze Cie. hieraan haar behoud  te hebben te danken want het reeds gepasseerde terrein werd daarna onder vijandelijk vuur genomen. (* toevoeging van de kapitein zelf). 

Dit vervoer had overigens plaats onder beschieting met mitrailleurs vanuit vliegmachines; wielrijderstroepen lieten bij het dekking zoeken onder het hout hun fietsen midden op den rijbaan liggen, waardoor voor de auto’s een en ander zeer bemoeilijkt werd. Een mijner motorordonnansen botste wegens belemmering van uitzicht door stofwolken tegen een vrachtauto (…).’

Deze zin lijkt niet af. Er staat geen punt. Waarschijnlijk is hier een regel ‘afgeknipt’ bij het kopiëren of afsnijden of wat dan ook. Pagina 3 vervolgt: 

‘Op dien middag rijd ik door naar Remmerden en moet evenals de in O. richting oprukkende Infanterie eenige malen dekking zoeken aangezien de hoofdweg naar Rhenen door vijandelijk mitrailleurvuur wordt bestookt. Overigens troepenvervoer voor troependetachement II L.K.  en Politie-troepen. 

Maandag 13 mei. Troepenvervoer voor Cdt. Troependetachement volgens persoonlijke aanwijzingen. 

Des namiddags ontvang ik het bevel om mijn autocompagnie onmiddellijk gereed te maken voor afmarsch naar Linschoten. (13 Mei, 13.45 schriftelijk). Een afschrift met de marschroute stel ik aan mijn ondercommandanten ter hand. Met grooten spoed wordt daaraan gewerkt; alle wapenen, intendance, goederen, administratieve bescheiden zijn inmiddels opgeladen; een 4-tal defecte vrachtauto’s worden verder door de demontage van onderdelen onbruikbaar gemaakt; de benzinepomp wordt zooveel mogelijk leeggehaald en afgesloten. 

Tegen 17.oo u melden wij alle 5 sectiecdn., cdt. herstellingsploeg en cdt. Korpstrein dat alles vol getankt op de gebruikelijke opstellingsplaatsen ter afmarsch gereed staat. Het bericht wordt doorgegeven aan Cdt. II Aut.bat. waarna het schriftelijke bevel tot den afmarsch over Driebergen, Odijk, Bunnik, Utrecht, Z.Jutfaas, Achthoven, Montfoort naar Linschoten komt. 

Inmiddels kan ik geen verbinding met de centraalpost II L.K. meer krijgen; ik laat de telefoontoestellen dan maar opladen en de verbinding met mijn motorordonnansen onderhouden. Vervolgens deel ik de juiste afmarschtijden, te beginnen met de 1e sectie om 17.50  tot 18.30 aan de onder-cdn. mede. Precies om 17.50 geef ik persoonlijk nabij het postkantoor te Doorn het teeken tot den afmarsch aan den oudsten luitenant-sectiecdt. De 2e cie. rijdt in volmaakte orde af. Ongeveer 18.10 rijd ik zelf naar voren, na een motorordonnans bij hotel Pabst te hebben achtergelaten, die geen bijzonders vermeldt. Bij den afmarsch vanuit Doorn komt mij de burgemeester, Bar. Van Nagell, tegemoet en verzoekt mij een groot aantal arrestanten mede te nemen, waartoe ik aanvankelijk niet bereid ben. Ik verwijs hem daartoe naar het Troependetachement en de Commandant van de Mil. Politietroepen, die deze menschen w.o. zonder mijn voorkennis mijn d.d. menagemeester –in arrest heeft doen stellen en er m.i. voor heeft te zorgen. 

Na verschillende secties van mijn compagnie op de voorgeschreven route te zijn voorbijgereden, passeer ik Utrecht en zie tot mijn verbazing de kapitein cdt. Pol.tr. op een kruispunt als verkeersagent fungeeren. 

Vervolgens rijd ik met mijn beide motorordonnansen de marschweg verkennend over Jutfaas, Achthoven, Mastwijk, naar Linschoten, alwaar het terrein mij zeer goed bekend is. Ik begeef mij stante pede naar den burgemeester om hem als eerste van den aankomst van het Auto-bataljon te verwittigen. Van mijn plaatselijke kennis maak ik gebruik om mijn compagnie in de omgeving van het kasteel onder te brengen, alwaar het omringend hoog geboomte een uitnemende dekking biedt tegen waarneming vanuit de lucht; alhoewel het gebouw voldoende ruimte  voor de 280 man biedt, prefereer ik voor legerruimte eenige boerderijen in de omgeving, want licht en drinkwater ontbreken. 

Tot mijn uiterste verbazing zijn de Doornsche arrestanten alsnog op de laatste wagens door de burgemeester meegegeven en ook op het kasteel gearriveerd; mij wordt door een sergeant die blijkbaar de laatste kantonnementswacht had, een bundeltje bescheiden en paspoorten overhandigd. Ik ontsla mijn korporaal-menagemeester en zet hem achter de kookfornuizen. De rest gaat den volgenden morgen met papieren op transport naar Gouda. 

Overigens was het ongeveer 3.30 van de daarop volgenden nacht voordat een en ander geheel in orde was; immers de smalle wegen waren vrijwel afgesloten en verschillende onderdeelen van andere compagnieën hadden zich vermengd. De concentratie van een dergelijk groot aantal auto’s in dit terrein en op deze wegen was m.i. uit een militair oogpunt zeer aanvechtbaar. Het was een groot geluk dat voor het eerst de lucht bedekt was en de vijandelijke vliegmachines ons overigens op de aftocht ongemoeid lieten, anders ware de ramp niet te overzien. Het duurde dan ok niet lang of de auto-cien waren door dirigeering naar andere steden uit den muizenval. 

Dinsdag 14 mei. Vervoer van 1 cie. P.tr. te Lopik/Jaarsveld. De betrokken sectie-cdt. komt onverrichterzake terug. 

Zware rookwolken met asresten drijven ’s middags uit de richting van Rotterdam. 

Om circa 16.30 ben ik te Montfoort; ik moet met mijn chauffeur dekking zoeken in een gebombardeerd huis wegens mitrailleur-beschietingen; bedrijvigheid in de lucht. Na terugkeer deelt mij de Cdt. Verbindingsafd. II.L.K. (de kapitein Bosman) mij (sic,LM) mede dat Nederland gecapituleert (sic, LM)  heeft. Ik kan dit bericht niet geloven en verzoek hem mij telefonisch met Cdt. II L.K. in verbinding te stellen, hetgeen in het raadhuis gelukt; van den kapt. Wensink krijg ik de mondelinge bevestiging. Op den weg naar Linschoten deel ik dat mede aan een gedeelte Staf VIII Div. en vervolgens aan Cdt. II Aut.Bat. die reeds op de hoogte is. 

Vervolgens haast ik mij naar het kasteel, laat de compagnie in zijn geheel verzamelen en spreek de officieren, onderoff. en manschappen toe. Het personeel gedraagt zich volkomen disciplinair. 

Woensdag 15 mei. Inneming der wapens en munitie. Transport van 1350 geëvacueerden over IJselsteyn, Vreeswijk, Vianen Culenborg (sic, LM) naar hun gemeente Zoelen. Een motorrijwiel blijft in Zoelen achter. Een korporaal met een ander ordonnans op de duo, schriftelijk opdracht gekregen hebbende deze op te halen, worden met nog 2 andere motorordonnansen krijgsgevangen gemaakt. Ik ontvang eenige dagen daarna telegrafisch bericht dat zij op doorreis te Arnhem zijn aangekomen. “

“II Auto Bataljon Heemstede, 23 juni 1940,

De kapitein c.cdt 2e compagnie,

(w.g.) M.L. van Nispen

 

 

Vervolgens nog het 

“Afschrift Register Ontvangen Vervoeropdrachten”

 



 

© Lammert Metselaar, februari 2016

naar boven