Jan Metselaar, militaire dienst 1925 en mobilisatie 1940; en het thuisfront - Kortere versie: Mobilisatie 1940 en hoe het thuisfront die beleefde

on 09 februari 2016
Hits: 7999

 

Kortere versie: Mobilisatie 1940 en hoe het thuisfront die beleefde 

©   door Lammert Metselaar

 

De algemene mobilisatie, die in augustus 1939 werd afgekondigd, moet een enerverende tijd geweest zijn, voor de plotseling opgetrommelde soldaten, maar niet minder voor het thuisfront. Mannen, die hun militaire dienst allang achter de rug hadden, moesten opeens hun werk en gezin in de steek laten om zich voor te bereiden op een mogelijke oorlog. De vrouwen en gezinnen die achterbleven, moesten zich maar zien te redden. 

Mijn vader, Jan Metselaar, woonde aan het Krakeel en had daar een vrouw, Zwaantje Koster, en drie kinderen, van wie de jongste in begin 1940 net twee werd. Ach, eerst overheerste bij de soldaten natuurlijk de opwinding en het plezier van de nieuwe kameraadschap. Zo nu en dan verlof maakte de scheiding van de familie draaglijk. Jan was in september 1939 vierendertig jaar geworden. In 1925-26 had hij als jongeman van twintig zijn diensttijd voornamelijk doorgebracht in Arnhem, bij het 19e RI (Regiment Infanterie). Daar had hij zich nog verdienstelijk gemaakt o.a. bij het redden van vee bij de watersnood die het Land van Maas en Waal en het rivierengebied begin 1926 trof. 

In 1931 was hij nog kort op herhaling geweest in Haarlem. Waarschijnlijk is hij daar al bij het KMD (Korps Motor Dienst) geplaatst. In ieder geval werd hij acht jaar later bij de algemene mobilisatie bij dat korps ingedeeld. Dat korps was al in 1915 opgericht maar kreeg in de loop der jaren een steeds belangrijkere rol. Wegens gebrek aan eigen materieel werd er in augustus 1939 een groot aantal voertuigen - ca. 12.000 – gevorderd. Al deze voertuigen werden door chauffeurs van het KMD naar de diverse mobilisatiecentra gebracht, waar ze in de grijs-groene legerkleur werden gespoten en voorzien van oranje nummerborden. Jan werd bevorderd tot korporaal en maakte deel uit van het 2e autobataljon, 2e compagnie, 3e sectie. Zijn onderdeel werkte vanuit Doorn en zijn werkgebied lag langs de Grebbelinie, vooral de streek rond Rhenen en het dorp Achterberg. 

Jan was uiteraard niet de enige uit de streek Krakeel die gemobiliseerd werd en verschillende van die mannen streden net als hij bij de Grebbeberg. Mijn zus had nog enige correspondentie uit die tijd in bezit, voornamelijk tussen mijn moeder en vader. Vooral de brieven van Zwaantje zijn bewaard gebleven en die van Jan –die hij wel degelijk schreef- helaas niet of nauwelijks. Correspondentie was toen de enig mogelijke vorm van contact. Uit de brieven blijken de oplopende spanning en de onzekerheid over wat de volgende dag zou brengen. ‘Het grote onheil’ zoals Zwaantje het in haar brief noemde, beheerste het dagelijkse leven van het thuisfront. 

De eerste brief dateert van 9 april 1940, een maand voor de Duitse inval. Zwaantje schrijft kort over de internationale ontwikkelingen die haar zorgen baren, maar ze houdt de moed erin.

 

“Wat is die toestand veranderd hè? Sinds dat u zondagmorgen die brief schreef. Ja, zoveel kunnen we erop aan. Alle verloven ingetrokken. Gosem Pastoor is gisteren gekomen en nu gaat hij alweer weg. En zo zijn er natuurlijk weer zo veel. We hadden vandaag ook iedere keer een extra uitzending van het A.N.P. Noorwegen zit er nu toch wel lelijk ingemengd. Ja, en zo kan het ons ook wel overkomen. Maar och, wat ben ik weer kleingeestig is het niet? Laten we hopen en bidden dat dat grote onheil ons bespaard blijft. Dat is veel beter dan zo in de put van moedeloosheid neerzitten. Daarom hoeven we er helemaal niet licht overheen te denken. 

En nu moet je, lieve man, niet bezorgd wezen over ons hoor, want ik weet wat ik u beloofd heb, hoor, en ik zal natuurlijk goed voor de kinderen zorgen, dat weet je wel, want u zult daar wel weer genoeg hebben te denken. Ook weer niet veel vrijheid zeker. Nou, het is te hopen dat het weer spoedig wat kalmer wordt.” Ze verontschuldigt zich voor de wat ze zelf noemt ‘onsamenhangende brief’, maar ze doet twee dingen tegelijk: “de nieuwsberichten van het ANP van acht uur zijn er ook net, dus: luisteren en schrijven tegelijk.”

 

Vijf dagen later schrijft ze de volgende brief al. De spanningen nemen toe. 

 

“Je hebt nu weer niet veel vrijheid hè? Maar ik kan me niet begrijpen dat jullie daar nog geen strengere dienst hebben dan gewoon, want hier in Hoogeveen en omstreken is het veel strenger bewaakt dan voorheen. Maar natuurlijk wordt het door de burgers weer veel erger gemaakt dan het in werkelijkheid reeds is. Daar waarschuwen ze anders wel voor door de Radio, om aan allerhande geruchten geen gehoor te geven. Maar ja, dat neemt niet weg dat men altijd vol gedachten zit, zo zijn wij mensen nu eenmaal. We menen altijd dat we met bezorgd te zijn wat bereiken kunnen en toch is dat helemaal mis.”

 

Het gaat wat op en af. Soms lijkt de dreiging toe te nemen, dan lijkt er weer wat ontspanning te komen en kan Zwaantje zich met de dagelijkse gang van zaken bezig houden. Naast drie kinderen om voor te zorgen, heeft ze ook nog een groot stuk land waarop allerlei groenten en vooral voor het hele jaar aardappelen worden verbouwd. Nu Jan er niet is, komen alle zorg en werk op haar neer. Het valt op dat ze steeds de moed erin probeert te houden.

“Ze hebben vandaag toch nog niets gezegd van het verlof over de Radio. Er wordt anders over het algemeen wel verwacht dat het gauw weer los komt. Ze zullen het ook wel niet langer inhouden dan nodig is. Maar enfin, we zijn ook allen nog goed gezonden zoals u ook al schreef: het had veel erger kunnen uitlopen. Laten we nog maar niet klagen maar eerder dankbaar zijn dat we nog zo in rust en vrede leven. Maar daar denken we zo weinig aan als het ergste weer voorbij is. 

Ik moet deze week ook nog even naar Hoogeveen, belasting en schoolgeld betalen, als ik tenminste even een oppasser kan krijgen, - maar iedereen krijgt het nu druk op het land. En moeder kan ook geen volk krijgen die haar helpt graven, en dat is nogal zwaar werk; onze Wou gaat wel mee maar dat schiet niet zo erg op. Wij hebben de grond ook bijna los, en nu kan ze wat opdrogen en dan moet ik ook nog Eigenheimer poters zien te krijgen.” De kinderen vragen natuurlijk voortdurend aandacht. De oudste dochter is acht. “Zulke zondagen word ik ook al net zo moe alsof ik de hele dag werk. Want o, die kinderen zeuren toch altijd van “kuieren” als het zulk mooi weer is. Vooral onze Roelie, die wordt het veel te klein achter het hek en naar de zondagsschool wil ze ook niet. Van voormiddag heeft ze u een briefje geschreven, dat zal ik hierbij in doen.” 

 

Allerlei praktische zaken vragen ook aandacht. Ze moet alles in haar eentje beslissen: “We zijn nu gauw verplicht om lid van een omroep te worden, anders komt er belasting op en die zal nog hoger zijn dan de omroepkosten. Hebt u daar ook al van gehoord? Ze hebben het al enige keren gezegd voor de radio.”

 

Het briefje van de oudste dochter doet Zwaantje erbij in de envelop; ‘dat kost niets extra’.

 

“Beste vader, Hoe gaat het er nog mee? Bent u alweer beter? Nu, het is zulk fijn weer. Het is al kort voor mei dus we gaan gauw over. We blijven bij meester Van Iterson zitten. Dat vind ik fijn want daar mag ik graag bij leren. Oom Gerrit komt misschien zaterdag weer, heeft hij geschreven. Ik hoop dat u ook maar gauw weer komt. En nu eindig ik maar want het is zo meteen middag. En dan moeten wij eten; wij krijgen vanmiddag snert. Dag lieve vader, de groeten van ons, Roelie en Wou en Geert. Daag. En nu moet u mij ook eens wat schrijven.”

Op 25 april schrijft Zwaantje o.a.:

 

“We hebben hier vandaag van verschillende mensen horen zeggen dat er voor de Radio gezegd was dat het verlof weer los is. Ikzelf heb het niet gehoord maar dat zal dan toch wel zo zijn. En och, al duurt het dan nogal een poosje eer dat u aan de beurt bent, er is dan toch weer doorzicht, is het niet? En wij zijn allen weer goed gezond, u daar en wij hier, en dan zal het nog wel gaan. Wees daar anders maar voorzichtig dat je niet weer kou vat, ook met dat nachtrijden. Zoals Snijders het nu heeft, dat is toch ook wat; hoe gaat het nog met hem? Er mag zeker nu ook niemand bij hem komen. Ja, dan mogen we toch zeker wel dankbaar zijn dat het met u nog weer zo gauw is opgeknapt.”

 

Snijders uit Buinen, een goede dienstmaat van Jan, is ernstig ziek geworden. Het ‘nachtrijden’ waarvan Zwaantje spreekt, is het rijden in de duisternis met oorlogsverlichting, een lamp in een behuizing waarin slechts een spleet van plm. 1 cm hoog en 10 cm lang was uitgespaard om het zwakke licht door te laten. Je zag er als chauffeur eigenlijk niets bij. Ik heb zelf op oefening in Duitsland in 1970 met mijn Nekaf  jeep ook nog met deze oorlogsverlichting gereden, en ik kan zeggen: dat is een hele uitdaging. 

Het werk op het land gaat door, het is immers voorjaar.

 

 “We hebben de vroege aardappels in de grond; dat zijn dit jaar nu eens Eerstelingen. Nu zullen we eens zien wat dat wordt. Eigenheimers zijn hier ook altijd al slecht. We hebben samen met Berend een schepel van L. Bouwmeester. En nu wil R. Pastoor bij gezondheid in het laatst van de week die andere ook poten. En de kunstmest ligt in de schuur dus dat is allemaal voor elkaar.”

De achtjarige dochter Roelie mag weer een briefje meesturen.

“Lieve vader, Ik heb uw kaart ontvangen. En ik ben er erg blij mee. En nu wil ik u toch ook nog eens even wat vertellen. We hadden woensdag vrij van school. En toen ben ik met moeder naar Hoogeveen geweest. En toen heb ik nieuwe schoenen gekregen. Want die moest ik toch hebben. Want ze zullen nog wel duurder worden. Toen heeft tante Wou opgepast. Nu, dat vond ik nog wel eens mooi dat ik weer eens mee mocht. En het was toch zulk fijn weer. Nu vader, het verlof is ook weer los, gelukkig. Nu zult u ook wel eens gauw weer komen. En nu weet ik geen meer. De groeten van Roelie en Wou en Geert. Nu dag vader, daaaaaag. En tot ziens. 

Zeg vader, ik heb woensdag ook nog een aapje gezien. Een man had hem aan een ketting. En dat aapje at een appel op. Hij had een trui aan en een broek. Dag vader.”

 

Het al dan niet verlenen van verlof is een terugkerend thema in de brieven.

 

“Nu, het duurt nogal even voordat u komt hè? Maar och, als we nog maar gezond mogen blijven dan zijn die paar dagen ook nogal gauw voorbij. Nou, u schreef: ‘de moed maar niet verliezen’. Och, dat zal nog wel gaan hoor, m’n lieve man, alhoewel, het valt niet altijd mee, dat weet je zelf ook wel. Ik heb vandaag een drukke dag gehad, ik ben aan het schoonmaken geweest in huis: zolder wassen en zo wat meer. En Roelie had vanmiddag alweer vrij van school omdat de Prinses jarig was en ze is overgegaan naar de derde klas. Toch gelukkig dat Snijders de tyfus niet heeft, is het niet, dat lijkt me zo een gevaarlijke ziekte toe. Maar ja, dit kan ook erg genoeg zijn. Gosem Pastoor was er vrijdagavond al weer en Arend Kamman zaterdagavond.”

 

Buurtgenoten Pastoor en Kamman waren ook gemobiliseerd en gelegerd aan de Grebbelinie. 

 

In haar brief van 30 april hoopt Zwaantje dat haar man binnenkort even thuis mag komen.

 

“En dan zullen we maar hopen op een gezond weerzien maandagavond. Dan ben je ruim een maand weg geweest, al een heel eind. Onze Gerrit komt zaterdagavond ook pas weer; die is ook al lang weg, van 1 april af. En dus ontvang nog maar vele groeten van ons allen. Het is nu straks weer negen uur, nu nog een beetje eten en dan naar bed. Wees nu niet bezorgd over ons hier hoor, wij verlangen allemaal net zo hard als u naar 6 mei en dus tot ziens en welterusten en in gedachten een dikke nachtzoen van uw liefhebbende vrouw. Daag.”

 

Het verlof van 6 mei zou voorlopig het laatste zijn. De laatste brief is die van 8 mei 1940. Alle verloven zijn weer ingetrokken. Zwaantje schrijft : “Wat zou er nu toch weer zijn? Maar dat zullen we wel niet te weten komen.” Ze zou het eerder te weten komen dan ze op dat moment dacht. Twee dagen later vielen de Duitsers Nederland binnen. Noord-Nederland werd nauwelijks verdedigd. In de omgeving van Hoogeveen was van oorlogsgeweld niet veel sprake. De Duitsers trokken er vrijwel ongehinderd langs en door. De landsverdediging zou aankomen op de Grebbelinie en de stellingen bij het Kornwerderzand. Jan reed voor het KMD en was vooral in het gebied van Rhenen en Achterberg actief met het vervoer van materieel en troepen. Hij heeft er nooit veel over verteld. 

 

Hier zijn enkele fragmenten uit de laatste brief van zijn vrouw aan hem voor de hel losbrak.

 

“Nou, dat is alweer heel wat anders dan ‘met de Pinksterdagen naar huis’ is het niet? Daar had u helemaal toch geen kans op, maar nu is alles weer ingetrokken, wat zou er toch nu weer zijn? Maar dat zullen we wel niet te weten komen. Enfijn, je bent er nu toch nog bijtijds geweest, gelukkig. Jan Pieters zou vanavond anders weer komen, dat is wel vervelend voor zulken. Johan Smith is vanmorgen ook alweer weg gegaan. Maar och, we zullen maar goeden moed houden, zo veel mogelijk. Moeder die maakt zich wel erg zenuwachtig, die had alweer heel weinig geslapen vannacht.”  Zwaantje houdt de moed erin, maar de bezorgdheid klinkt wel door: “En m’n beste man, het allerbest wens ik u toe, en je moet je daar maar zo goed mogelijk door redden, hoor. We moeten alles maar geduldig tegemoet zien en hopen dat het weer gauw rustiger wordt.”

Rustiger zou het voorlopig even niet worden. De oorlog duurt slechts een paar dagen. Er is ons weinig of niets bekend over hoe Jan die dagen bij de Grebbelinie heeft beleefd. Ikzelf ben van 1948 en over de oorlog werd, zo ik mij herinner, in mijn jeugd nauwelijks meer gesproken. Er zijn ook geen brieven meer.

Op 17 mei 1940 stuurt Jan Metselaar met poststempel Almelo een briefkaart aan het thuisfront. Op de voorkant staat gedrukt: “Gelukkig Nieuwjaar” en in kleine gedrukte letters onder de afbeelding van een soldaat: 

“Nog maar enkele dagen en nachten

En je kunt me weer verwachten.”

De tekst op de achterkant is kort en bondig:

“Lieve vrouw, ik deel u mede dat ik nog gezond ben en dat u en de kinderen niet bezorgd over mij hoeven te zijn. Groeten, J. Metselaar”

 

 

In de zomer van 1940 werd de bovenstaande foto gemaakt. Vader is inmiddels thuis bij zijn gezin en aan het werk. Op een zondag (?) krijgt de familie bezoek van de oude dienstmaat van Jan: Jan Snijders uit Buinen. Op de foto v.l.n.r. Jan Snijders, mijn zus Roelie, broer Geert, moeder, zus Wou en vader. Ik was nog niet geboren. 

 

naar boven