Jan Metselaar, militaire dienst 1925 en mobilisatie 1940; en het thuisfront - Tijdens de oorlog

on 09 februari 2016
Hits: 7339

 

 

Tijdens de oorlog

Over de tijd in de oorlog weet ik eigenlijk weinig. Hoe hebben mijn ouders, zussen en broer die tijd ervaren?  Mijn ouders leven allang niet meer, mijn oudste zus ook niet, dus aan hen kan ik niets meer vragen. Mijn broer was in de oorlog tussen de twee en zeven jaar dus die heeft er weinig herinneringen aan, en mijn zus was wat ouder, maar toch ook nog een kind. Zij herinnert zich ook weinig meer. Zo gaat het dan zoals bij velen: toen ik vader nog had kunnen vragen over de oorlog, kwam het gewoon niet ter sprake en nu ik er wel meer van wil weten, zijn de bronnen praktisch opgedroogd. Ik heb veel gehad aan de website van stichting De Greb en haar medewerker de heer Groenman. Verder heb ik inlichtingen gevraagd bij het NIMH (Nederlands Instituut voor Militaire Historie) en bij Albert Metselaar. Beide bronnen brachten mij niet veel verder. Op individueel niveau valt er bij de officiële (en evt. minder officiële) bronnen niet veel te achterhalen. 

Ik hoorde later wel van (relatieve) ontbering en schaarste. ‘Relatief’ omdat honger zoals die in het westen van het land vooral in het laatste jaar voorkwam, bij ons niet heeft geheerst. Wel moest overal zuinig mee gedaan worden: kleren en schoenen waren nauwelijks te krijgen en/of te betalen. ‘Luxe’ als koffie was niet of nauwelijks te krijgen. Men behielp zich met cichorei, surrogaatkoffie. Doordat vader vrachtwagenchauffeur was, kwam hij op veel plekken, ook bij boeren en daar kon hij nog wel eens wat koren, meel en vlees ‘opscharrelen’. Als je in mijn jeugd voedsel wilde weggooien, werd je dat snel uit je hoofd gepraat: “In de oorlog hadden we dat maar al te graag gegeten!” En tot ver na de oorlog bleef moeder koffie hamsteren: het mocht eens weer op de bon komen. 

Wel weet ik dat vader in de oorlog onder de vloer in de huiskamer een radio verborgen had. Hij werkte op een autoaccu. Als je de tafel opzij schoof en de kokosmatten oprolde, verscheen er een luik in de houten vloer. Daaronder in de kruipruimte zat de radio. Daarmee luisterden ze naar Radio Oranje. ’s Avonds om negen uur was het een kwartier lang op de BBC European Service. Op zich al een verzetsdaad waar je flink voor gestraft kon worden. Alleen al het bezit van een radio was verboden: die had men moeten inleveren. 

In het laatste jaar van de oorlog was vader bij de BS, de Binnenlandse Strijdkrachten. Mijn zus weet zich nog te herinneren dat va en moe eens een opgewonden gesprek hadden over dat mijn vader bemoeienis had met het onderbrengen van een Joods meisje. Dat was verraden en moest heel snel een nieuw onderdak en identiteit hebben. Volgens mijn zus is dat meisje toen mede door toedoen van mijn  vader bij meester Renema ondergebracht, de hoofdmeester van de lagere school aan het Noord, bij wie ik ook nog les heb gehad in de zesde klas. Meester Renema had meer bemoeienis met het verzet, dat was vrij algemeen bekend. Opeens was er in dat huisgezin een meisje met roodachtig haar, van wie niemand het fijne wist. Na de oorlog was ze er nog eens geweest, vertelt mijn zus, en toen had ze zwart haar. 

Na de oorlog, zo weet mijn zus zich te herinneren, is vader geëerd voor zijn activiteiten voor de BS. Vader moest weinig hebben van publieke eer, maar is toen wel naar die bijeenkomst geweest. Hij heeft toen een ontmoeting gehad met prins Bernhard met wie hij toen ook persoonlijk heeft gesproken. De prins was de officiële bevelhebber van de BS. Een zichtbaar eerbewijs werd niet uitgereikt aan BS-manschappen. Nou ja, vader had het toch niet gedragen. 

 

©Lammert Metselaar 

februari 2016

 

 

naar boven