Jan Metselaar, militaire dienst 1925 en mobilisatie 1940; en het thuisfront - Mobilisatie 1939-1940; aan de Grebbelinie

on 09 februari 2016
Hits: 7342

 

Mobilisatie 1939-1940; aan de Grebbelinie

De algemene mobilisatie, die in augustus 1939 werd afgekondigd, moet een enerverende tijd gewest zijn, zowel voor de plotseling opgetrommelde soldaten, als voor het thuisfront. Mannen, die hun militaire dienst allang achter de rug hadden, moesten opeens hun gezin en werk in de steek laten om zich voor te bereiden op een mogelijke oorlog. Mijn vader, Jan Metselaar, woonde aan het Krakeel en had daar een vrouw, Zwaantje Koster, en drie kinderen, van wie de jongste in begin 1940 net twee werd. Ach, eerst overheerste natuurlijk de opwinding en het plezier van de nieuwe kameraadschap. Zo nu en dan verlof maakte de scheiding van de familie draaglijk. Jan was in september 1939 vierendertig jaar geworden. In 1925-26 had hij als jonge man van twintig zijn diensttijd voornamelijk doorgebracht in Arnhem, bij het 19e RI (Regiment Infanterie). Daar had hij zich nog verdienstelijk gemaakt o.a. bij het redden van vee bij de watersnood die het Land van Maas en Waal begin 1926 trof. 

 


 

 

Wanneer Jan precies voor het eerst onder de wapenen kwam bij de mobilisatie is niet bekend. De algemene mobilisatie begon op dinsdag 29 augustus 1939.  Aan te nemen is dat hij rond die tijd naar zijn opkomstplaats is gegaan, maar het kan ook iets later geweest zijn, want er moesten zoveel mensen met het openbaar vervoer c.q. de trein naar het westen, dat die treinen overvol waren en sommige manschappen een of twee dagen later gingen. 

Van de tijd die Jan bij de Grebbelinie doorbracht, zijn er een achttal brieven bewaard gebleven. Slechts één daarvan, en dat is niet meer dan een kaartje van na de capitulatie, is afkomstig van Jan zelf. De andere zijn afkomstig van het thuisfront en aan hem gericht.

Ze geven een aardig beeld van hoe een jonge moeder met drie kinderen en een grote tuin het thuis allemaal maar moest regelen. 

Jan was niet de enige uit de streek Krakeel die gemobiliseerd werd.  Onze plaatselijke amateurhistoricus Albert Metselaar heeft er onderzoek naar gedaan. Hij schrijft in een pdf op internet “De soldaten van mei 1940 uit Hollandscheveld en omstreken”: 

 “Het leek allemaal zo gezellig, de kaarten die thuis kwamen, van de vele

gemobiliseerde mannen in de periode augustus 1939 - mei 1940. Ze

hadden ook veel lol toen, zoals ze later naar voren brachten, toen ze hun

verhaal deden. Het stond in schril contrast met de spanningen en de

ellende die ze meemaakten in de meidagen van 1940. Hollandscheveld en

omstreken hebben als gebied toen niet zoveel meegemaakt. De Duitser

kwam, trok erdoor en was weer weg. Opgeblazen bruggen zorgden voor

wat overlast. Maar de bevolking liep littekens op door de diepe ellende van

de Grebbelinie, waar veel van de soldaten uit deze streken waren gelegerd.

Hun namen zijn verzameld om niet te vergeten…” 

 

Hij komt tot de volgende lijst van gemobiliseerde mannen: 

“Uit het Krakeel:

--Roelof Lunenborg, vocht op de Grebbeberg (3-2-19 RI). --Geu Neutel, lag bij de Moerdijk, aan de Brabantse kant. --Jan Kelly, vocht op de Grebbeberg (1-2-19 RI). --Gerrit Koster, in depot in Bergen (N.H.) (1 RI). --Jan Metselaar, was chauffeur in Doorn en in de meidagen als zodanig actief in onder meer Rhenen, Achterberg en bij de Grebbeberg. --Gosem Pastoor, lag bij Achterberg, vocht op de Grebbeberg (19 RI, mortieren). --Jacob Krikken, lag in Elst in barakken en had zijn stellingen bij Veenendaal (19 RI). --Benjamin Nijmeijer, bij de luchtdoelartillerie te Soesterberg. --Arend Kamman, vocht op de Grebbeberg. --Pieter Kuiper, vocht op de Grebbeberg (3-2-19 RI). --Otto Kroezen. --Nikolaas Dusink, kwam op te Rijnsburg, lag daarna aan het Zwinderse kanaal (o.a. op 10 mei 1940) en vocht in de dagen erop bij de Afsluitdijk.”

(Bron: Albert Metselaar, 2015)

 

De vetgedrukte namen komen in de brieven terug. Geu Neutel woonde enkele huizen verder aan het Krakeel, Gosem Pastoor was een zoon van de buurman van mijn ouders, Roelof Pastoor, die mijn moeder Zwaantje ook wat hielp op het land met de aardappels en de kunstmest. 

Nu eerst iets over het KMD, waar mijn vader Jan bij ingedeeld was. 




 

 

Het Korps Motor Dienst (KMD)

Hieronder eerst wat informatie over het Korps Motor Dienst, die ik ontleen aan http://www.leger1939-1940.nl/Artikel/motordienst.htm 

 

     foto's van de genoemde website

 Het uniform van een chauffeur bij het KMD     en een colonne auto's van het KMD

 

 

“De Motordienst werd op 12 juli 1915 opgericht en later hernoemd in Depot Motordienst of DMD. Om in geval van nood over voldoende reservechauffeurs te kunnen beschikken, werd op 27 januari 1920 het Vrijwillige Landstormkorps Motordienst of VLMd opgericht. Op 20 augustus 1921 werd het Depot van de Motordienst omgedoopt in "Schoolcompagnie van de Motordienst", in de wandeling MAS geheten, bestaande uit de Staf en een compagnie. In september 1922 verhuisde de compagnie van Delft naar Haarlem, te weten naar de Ripperda kazerne. 

In de daarop volgende jaren kregen talloze militairen van allerlei onderdelen hun rijopleiding, terwijl ook andere automobieltechnische cursussen werden gegeven. De "Schoolcompagnie van de Motordienst" werd op 1 januari 1936 omgevormd in het Korps Motordienst of KMD.

Het KMD zou in verband met de voortschrijdende motorisering van het leger een omvangrijkere taak krijgen dan voorheen. In 1938 bestond het KMD uit de Staf - waarin opgenomen het mobilisatiebureau - en vijf compagnieën. De toegevoegde 5e Compagnie was gelegerd te Haarlem. 

Van de nieuw opgekomen lichtingen dienstplichtigen werd jaarlijks ca. 600 man ingedeeld bij het KMD. Rekruten die reeds in het bezit waren van een rijbewijs of werkzaam waren in de autobranche (zoals mijn vader; LM), genoten hierbij natuurlijk de voorkeur, maar hun aantal was onvoldoende en moest worden aangevuld met militairen uit andere legeronderdelen. Zo waren er in 1940 608 dienstplichtigen ingedeeld bij de KMD. 

1939 – 1940

Als gevolg van de algemene mobilisatie, op dinsdag 29 augustus 1939, werd er een groot aantal voertuigen - ca. 12.000 – gevorderd. Al deze voertuigen werden door chauffeurs van het KMD of het VLMd naar de diverse mobilisatiecentra gebracht, waar ze in de grijs-groene legerkleur werden gespoten en voorzien van oranje nummerborden. Bij het afkondigen van de mobilisatie werd het Korps Motordienst omgevormd tot het Depot van de Motordienst van waaruit de gemotoriseerde eenheden werden voorzien van chauffeurs en materieel. In september 1939 werden uit het DMD en het VLMd zes Auto Bataljons gevormd: I Auto Bat t/m VI Auto Bat. 

Een Auto Bataljon bestond uit vier compagnieën, waarvan de 1e en 2e compagnie meestal bestemd waren voor het transport van voorraden en troepen, terwijl de 3e en 4e compagnie het munitietransport voor hun rekening nam. Elke compagnie bestond weer uit 5 secties en een korpstrein. Een sectie had de beschikking over 1 personenauto en 22 vrachtwagens. De korpstrein bestond uit 2 keukenwagens, 1 proviandauto, 1 goederenauto, 5 tankauto's, 5 herstellingsauto's, 1 smeermiddelenauto, 1 takelauto en 1 autobus. Bij elk bataljon was een reparatieafdeling ingedeeld. In totaal bestond een bataljon uit ca. 1200 man met ongeveer 600 voertuigen.

Na de capitulatie

Na de capitulatie van het Nederlandse leger werden in veel landelijke- en regionale dagbladen berichten geplaatst, soms paginagroot, over de (nieuwe) verblijfplaats van diverse onderdelen. Dit gebeurde in de periode vanaf 18 mei 1940 t/m 25 mei 1940. Soms werd er naast de verblijfplaats van het onderdeel ook melding gemaakt van gesneuvelde, gewonde en/of vermiste militairen. 

André Reijniers, © 2004”

 



 

Er zijn twee foto's in de verzameling van "thuis" waar ik niet goed weg mee weet. Ze zouden kunnen stammen uit de mobilisatieperiode. De eerste is deze: 

   

Dit schreef ik half februari 2016. Daarna kwam ik na  enig eigenlijk simpel speurwerk in contact met de dochter van Jan Snijders, de dienstkameraad van mijn vader in mei 1940; hij kwam uit Buinen. Op zich al een klein wonder dat na  ruim driekwart eeuw zo'n contact nog mogelijk blijkt. (Voor meer over Jan Snijders, zie verderop op deze pagina). 

Zij bleek dezelfde foto in bezit te hebben alleen in betere conditie. Dat is deze:

Deze foto is hoogstwaarschijnlijk genomen in Doorn, waar de mannen gelegerd waren tijdens de mobilisatie.  Snijders staat waarschijnlijk achterste rij tweede van rechts met open jasje.         

Mijn vader is waarschijnlijk de man op achterste rij tweede van links. Op de bovenste foto de derde van links; die foto is wat minder bijgesneden. 


 

Mevrouw Snijders had ook deze foto nog. Haar vader, Jan Snijders, ligt op de voorste rij op de linker elleboog. 

Het is zeer waarschijnlijk dat mijn vader hier ook op staat. Ik vermoed dat hij tweede van links staat, naast de man met de stapel doeken. 

Ik vermoed dat ook deze foto in of bij Doorn is gemaakt. Op de achtergrond staat een motorrijwiel, waarschijnlijk een ordonnans-motor. 

 


 

Dan is er nog deze foto uit het stapeltje uit mijn ouderlijk huis:

 

Hiervan weet ik niet wie erop staat en waar die genomen is. De manschappen lijken me slordiger gekleed dan op de vorige foto's en ze ogen vermoeider. Zou het kunnen dat deze foto na de demobilisatie genomen is...? Mijn vader herken ik er niet op. 

 



 DE BRIEVEN

 


 

De eerste brief die bewaard gebleven is, dateert van 9 april 1940. De oorlogsdreiging komt plotseling een stuk dichterbij. Die beklemmende atmosfeer komt uit de brief goed naar voren: 

9 april 1940, dinsdagavond

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

Van moeder, Zwaantje Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen (Dr.) 

Lieve man en vader,

We hebben vanmorgen uw brief ontvangen en nu zal ik u direct maar even terug schrijven. We zijn hier nog goed gezond, alleen ben ik zelf erg verkouden, maar overigens goed gezond hoor, dus dat zal wel gauw weer over beteren. 

Wat is die toestand veranderd hè? Sinds dat u zondagmorgen die brief schreef. Ja, zoveel kunnen we erop aan. Alle verloven ingetrokken. Gosem Pastoor is gisteren gekomen en nu gaat hij alweer weg. En zo zijn er natuurlijk weer zo veel. We hadden vandaag ook iedere keer een extra uitzending van het A.N.P. Noorwegen zit er nu toch wel lelijk ingemengd. Ja, en zo kan het ons ook wel overkomen. Maar och, wat ben ik weer kleingeestig is het niet? Laten we hopen en bidden dat dat grote onheil ons bespaard blijft. Dat is veel beter dan zo in de put van moedeloosheid neerzitten. Daarom hoeven we er helemaal niet licht overheen te denken. 

En nu moet je, lieve man, niet bezorgd wezen over ons hoor, want ik weet wat ik u beloofd heb, hoor, en ik zal natuurlijk goed voor de kinderen zorgen, dat weet je wel, want u zult daar wel weer genoeg hebben te denken. Ook weer niet veel vrijheid zeker. Nou, het is te hopen dat het weer spoedig wat kalmer wordt. 

Het was hier vandaag weer een koude noordenwind; ik heb tenminste vandaag wel gewassen maar geen goed buiten gehangen want ik wilde er geen kou bij vatten als het kon. 

Nu, je beleeft tegenwoordig nogal eens wat dunkt me. Nou, u ziet er in uw soldatenpakje ook helemaal niet uit als een getrouwde man, daar had dat meisje ook wel gelijk aan. Maar dan komt u zelf nog wel eens in de verleiding, maar mijn liefste man, ik vertrouw u wel hoor, ten volste, dat weet u wel. 

Berend (broer van Jan; LM) moest vanmorgen om zeven uur al weer in Heerenveen wezen, dus die moest er al erg vroeg uit. Dat was anders uw werk altijd. 

Je zult wel denken, wat een onsamenhangende brief is dat, maar ja, dat komt: ik weet ook niks geen nieuws. En de (nieuws)berichten van acht uur zijn er ook net, dus: luisteren en schrijven tegelijk. 

En nu mijn beste man, ga ik maar eindigen in de hoop dat u deze brief weer in gezondheid en rust zult ontvangen, en wens ik u ook Gods nabijheid en kracht toe, en laten we steeds bedenken dat er zonder Zijn heilige wil geen musje ter aarde valt. En mocht het soms tegen onze wil gaan, laten we toch steeds bereid zijn om voor Gods rechterstoel te verschijnen, dan zal het nooit een scheiding voor eeuwig zijn maar slechts tijdelijk. En nu lieve man hartelijke groeten en een dikke nachtzoen. Ik zal u nog wel gauw eens weer schrijven bij gezondheid. 

(Bovenaan de brief, omgekeerd in de kantlijn, toegevoegd, LM: )

Schrijf ook nog gauw maar eens weer als je kunt, hoe je het daar hebt, want nu kom je niet op 18 april. Dag hoor. 

 

 

 

Jan heeft al heel snel teruggeschreven want vijf dagen later schrijft Zwaantje alweer een brief, op de brief van Jan die een dag eerder aankwam. Die snelheid duidt denk ik wel op de spanning waaronder men leefde. 

 

14 april 1940, dinsdagavond

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e  autobataljon, 2e  compie, 3e  sectie, Veldpost 2

Van moeder, Zwaantje Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen (Dr.) 

Lieve man en vader,

Het is zondagavond en nu wil ik u nog maar eens even wat gaan vertellen. De kinderen zijn allen weer in de rust en we zijn allen nogal goed gezond. Mijn verkoudheid betert ook alweer, alleen moet ik er elke nacht bijna uit om een poeder te halen voor mijn kiespijn, maar ook dat zal hoop ik ook wel weer beteren, als het weer maar wat zachter wordt. Het is toch ook nog zo koud. Vrijdag sneeuwde het bijna de hele dag en erg koud, en gisternacht had het flink gevroren. En vandaag waren er nog koude hagelbuien.

We hebben gistermorgen uw brief ontvangen en daaruit vernomen dat u ook al ziek bent geweest. Nou, dan valt het allemaal niet mee zeker, maar het is nu toch aardig beter met je, is ’t niet? Berend is gisteren ook al eens weer thuis gebleven, en Jan Pieters, je weet wel, die was hier de laatste keer gelijk met u met verlof, nou die is hier nu nog. Die was ook wat ziek, niet zo erg geloof ik hoor. Maar hij moet morgenvroeg nog weer naar de dokter en dan zal hij misschien morgenavond wel weer weg moeten. 

Je hebt nu weer niet veel vrijheid hè? Maar ik kan me niet begrijpen dat jullie daar nog geen strengere dienst hebben dan gewoon, want hier in Hoogeveen en omstreken is het veel strenger bewaakt dan voorheen. Maar natuurlijk wordt het door de burgers weer veel erger gemaakt dan het in werkelijkheid reeds is. Daar waarschuwen ze anders wel voor door de Radio, om aan allerhande geruchten geen gehoor te geven. Maar ja, dat neemt niet weg dat men altijd vol gedachten zit, zo zijn wij mensen nu eenmaal. We menen altijd dat we met bezorgd te zijn wat bereiken kunnen en toch is dat helemaal mis. 

En nu iets anders. We zijn gisteren, op zaterdag nog wel, de hele dag uit geweest naar mijn moeder, die was gisteren jarig, en onze Aaltje ook. We waren eerst van plan: onze Roelie wilde graag de hele dag er naartoe en dan zouden we haar namiddag terug halen. Maar toen zei moeder: Kom dan toch met zijn allen dan kun je ook bij ons eten, en dan ben je er ook nog eens uit, zeiden ze. Nou, dat hebben we toen gedaan. En nu is onze Aaltje uit Zeist ook nog overgekomen van zaterdagavond tot maandagmorgen. Ze had geschreven dat ze met de trein van kwart voor acht kwam, maar het werd negen uur, zo’n vertraging had die trein gehad. En onze Wou daar maar wachten bij het station, ook vervelend was dat. 

Zeg Jan, ik heb nog niets weer over de kunstmest gehoord, misschien moet ik er nog wel eens even naar horen, of A. Vos het niet vergeet. Maar R. Pastoor zegt ook al: het kan nog zat, want de grond is nu nog veel te nat. Hij heeft ook begin gemaakt met houwen (?), maar je kunt er, zegt hij nog bijna niet in werken, zo nat is het daar nog. En dan verrotten de (poot)aardappels ook nog in de grond. 

En nu ga ik maar weer eindigen, lieve man, en je moet je daar nog maar wat troosten. Je zegt, ik moet niet te veel aan jou denken, nee, maar ook genoeg. Maar als het dan zo rustig nog maar blijft. Dan zal het nog wel gaan, al duurt het dan eens wat langer; enfin, dat moeten we ons maar (ge)troosten. Maar we zullen toch maar hopen dat het niet zo erg lang duurt. 

En welterusten liefste want het is zo meteen al weer negen uur en dan wordt het mijn tijd zachtjes aan. Nu, de hartelijke groeten van ons allen hoor, en een nachtzoen van mij. Dag hoor, tot weerziens. 

(Toegevoegd): 

Zeg eens, ik weet niet maar je mocht eens moeite hebben om een postzegel te kopen omdat je nergens naartoe moogt. Daarom doe ik er één bij in de brief, hoor, en dan moet je als je kunt ons maar eens gauw weer wat schrijven, want daar verlangen we altijd naar en u zeker ook wel. 

En nu, nogmaals, het allerbeste wens ik u toe. 

 

Jans moeder en zus schrijven twee dagen later een briefkaart een Jan: 

 

(Briefkaart, nogal beschadigd. )

   

 

16 april 1940, dinsdagavond

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(Van vaders moeder en zuster Wou)

Jan,

Hoe gaat het nog met u, bent u weer een beetje beter? Het is hier toch zo koud, bij jullie ook? Wij hebben vanmorgen ook weer bericht gehad van onze Gerrit; die maakt het nog wel goed maar ze zijn daar allemaal verkouden. Vervelend dat het verlof dicht zit hè? Maar als het zo nog maar blijft, dan zal het nog wel gaan. Het is ook wel naar voor Gerrit hè? Hij is er nog maar net, anders was hij zaterdag met verlof gekomen. 

Hier bij ons thuis is alles goed hoor. En bij jou thuis ook wel. Maar het is wel naar voor onze Zwaantje, anders kwam je woensdag al weer, niet? Ze is zaterdag op moe’s verjaardag de hele dag bij ons geweest, dat kon mooi en het is wel goed dat ze er eens uitkomt, nou? Maar ze maakt het anders best. (deel onderaan de kaart is onleesbaar geworden.)

Aaltje is zaterdagavond ook nog gekomen, zij was ook jarig hè? Dat was toch mooi van Mevrouw, niet? Maandagmorgen moest we weer terug, en toen was het zo’n weer. Het waaide en regende en toen moesten we nog overvaren met een pont want de brug was op. Maar ondanks alles is ze toch goed overgekomen, want vanmorgen hadden wij alweer een brief. Nu, hartelijke groeten en wij hopen dat je gauw weer hier komt. Daag. 

Je moeder en zuster Wou

 



 

 

 

Een week later lijkt de internationale toestand wat te stabiliseren. Er klinkt weer hoop uit de volgende brief: 

 

21 april 1940, zondag

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e  autobataljon, 2e  compie, 3e  sectie, Veldpost 2

(afzender: Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man,

Ik zal u nog maar eens even weer wat schrijven. Wat worden de dagen toch al lang want nu heb ik net de lamp opgestoken en nu is het al acht uur. De kinderen zijn weer in ’t bed, maar slapen nog niet, die hebben het alweer over de warmte. Nou, zo erg is het nog niet, maar het was toch prachtig weer vandaag. 

Zeg eens, het lag me de hele week al zo bij dat je nog ziek was, waarom dat weet ik zelf niet. Maar het zal dan nu toch wel weer gaan, is het niet, zoals we uit uw brief vernomen hebben, die we vrijdag gekregen hebben, en waarvoor ik u hartelijk bedank. 

O, wat heeft het hier gestormd van donderdag op vrijdag en de hele dag. Ik was donderdag net op bed en toen begon het te onweren, en toen ben ik er weer uitgegaan. Ik ben opgebleven tot over tien uur, en toen zakte de bui weer af. 

Ze hebben vandaag toch nog niets gezegd van het verlof over de Radio. Er wordt anders over het algemeen wel verwacht dat het gauw weer los komt. Ze zullen het ook wel niet langer inhouden dan nodig is. 

Maar enfin, we zijn ook allen nog goed gezonden zoals u ook al schreef: het had veel erger kunnen  uitlopen. Laten we nog maar niet klagen maar eerder dankbaar zijn dat we nog zo in rust en vrede leven. Maar daar denken we zo weinig aan als het ergste weer voorbij is. 

Ik moet deze week ook nog even naar Hoogeveen, belasting en schoolgeld betalen, als ik tenminste even een oppasser kan krijgen, - maar iedereen krijgt het nu druk op het land. 

En moeder kan ook geen volk krijgen die haar helpt graven, en dat is nogal zwaar werk; onze Wou gaat wel mee maar dat schiet niet zo erg op. Wij hebben de grond ook bijna los, en nu kan ze wat opdrogen en dan moet ik ook nog eigenheimer poters zien te krijgen. 

Ik weet lang zoveel nieuws niet te schrijven als u, want ik ben, dunkt me, alweer uitverteld. Zulke zondagen word ik ook al net zo moe alsof ik de hele dag werk. Want o, die kinderen zeuren toch altijd van kuieren als het zulk mooi weer is. Vooral onze Roel die wordt het veel te klein achter het hek en naar de zondagsschool wil ze ook niet. Van voormiddag heeft ze u een briefje geschreven, dat zal ik hierbij in doen. 

We zijn nu gauw verplicht om lid van een omroep te worden, anders komt er belasting op en die zal nog hoger zijn dan de omroepkosten. Hebt u daar ook al van gehoord? Ze hebben het al enige keren gezegd voor de radio. 

En nu m’n beste man, vele hartelijke groeten van ons allen en welterusten. Het is nu al kwart voor negen. En ik hoop dat je nu toch maar weer goed gezond bent, maar je had het wel goed hè, dat scheelt nogal, en nu tot ziens. Laat nog eens gauw weer wat van je horen, en nu een dikke nachtzoen, daag. 

 

In dezelfde envelop zit dit briefje van dochter Roelie, de oudste.

 

Beste vader,

Hoe gaat het er nog mee? Bent u alweer beter? Nu, het is zulk fijn weer. Het is al kort voor mei dus we gaan gauw over. We blijven bij meester Van Iterson zitten. Dat vind ik fijn want daar mag ik graag bij leren. Oom Gerrit komt misschien zaterdag weer, heeft hij geschreven. Ik hoop dat u ook maar gauw weer komt. En nu eindig ik maar want het is zo meteen middag. En dan moeten wij eten; wij krijgen vanmiddag snert. 

Dag lieve vader, de groeten van ons, Roelie en Wou en Geert.  Daag. 

En nu moet u mij ook eens wat schrijven. 

 

In de brief van 25 april duurt de wat lossere toon nog voort. Maar er zijn ook zorgen. Snijders is een goede dienstkameraad van vader, en die is ernstig ziek geworden. Het ‘nachtrijden’ dat genoemd wordt, is het rijden in de duisternis met oorlogsverlichting, een lamp in een behuizing waar slechts een sleuf van plm. 1 cm hoog en 10, 12 cm lang was uitgespaard om het zwakke licht door te laten. Je zag er als chauffeur eigenlijk niets bij. Ik heb zelf op oefening in Duitsland met mijn Nekaf jeep ook met deze verlichting gereden, maar dat is een hele uitdaging. 

 

De in de volgende brief genoemde ‘Geertje’ is mijn tien jaar oudere broer Geert die in april 1940 twee jaar was. 

 


 

25 april 1940

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(van Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man en vader, 

Wij hebben woensdagmorgen uw brief ontvangen en zo gezien dat u weer goed gezond bent. Nou, daar zijn wij natuurlijk erg blij mee. Nu, we zijn hier ook nog goed gezond. En we hebben hier vandaag van verschillende mensen horen zeggen dat er voor de Radio gezegd was dat het verlof weer los is. Ikzelf heb het niet gehoord want ik wacht natuurlijk niet op de uitzending van half elf (’s avonds is bedoeld. Lm) maar dat zal dan toch wel zo zijn. En och, al duurt het dan nogal een poosje eer dat u aan de beurt bent, maar er is dan toch weer doorzicht, is het niet. En wij zijn allen weer goed gezond, u daar en wij hier, en dan zal het nog wel gaan. Wees daar anders maar voorzichtig dat je niet weer kou vat, ook met dat nachtrijden. Zoals Snijders het nu heeft, dat is toch ook wat; hoe gaat het nog met hem? Er mag zeker nu ook niemand bij hem komen. Ja, dan mogen we toch zeker wel dankbaar zijn dat het met u nog weer zo gauw is opgeknapt. 

Ik ben gister even naar Hoogeveen geweest, belasting betalen, daar heeft onze Roelie u al wat van verteld. O, wat was ze blij met dat kaartje van u, dat kun je begrijpen, en nu wou ze u zelf nog weer wat schrijven. Ik zeg: nou, dat mag wel; het kost niets als ik het hierbij in doe. 

We hebben de vroege aardappels in de grond; dat zijn dit jaar nu eens Eerstelingen. Nu zullen we eens zien wat dat wordt. Eigenheimers zijn hier ook altijd al slecht. We hebben samen met Berend een schepel van L. Bouwmeester. En nu wil R. Pastoor bij gezondheid in het laatst van de week die andere ook poten. En de kunstmest ligt in de schuur dus dat is allemaal voor elkaar. Maar de Pastoors hebben het nu ook druk want J. Pieters met Jentje gaan verhuizen, zaterdag al. Die komen daar in die huizen van Fieten, waar die Albert van der Sleen gewoond heeft, je weet wel, die van zijn vrouw af is. En nu zijn die kinderen in het armhuis. Hij gaat zelf hier of daar in de kost. En nu komt Gerda hier aan de wijk te wonen. Ja, dat is alles deze week voor elkaar gekomen.

Het is hier tegenwoordig prachtig weer, gister ook was het warm, maar vandaag is het weer wat donker. En mijn lieve man weet ik ook al geen nieuws meer. Als dit nog wel: dat ik reuze blij zal zijn als u me gauw eens weer zult kunnen schrijven welke avond u weer komt, en dat zal u wel net zo gaan, en onze kinderen ook. Als wij een van drieën zo eens zeggen: ik hoop dat het morgen weer mooi weer is of zoiets, dan zegt onze Geert al: “En Geertje hoop va weer komt.” Dan kun je eens zien dat die kleine vent u ook niet vergeet. 

En nu lieve, vele groeten van ons allen, en troost je nog maar wat hoor: niet over ons prakkezeren, dat is niet nodig. We maken het allen goed en ik wens u geestelijk en lichamelijk kracht en sterkte toe. Daag hoor, en welterusten met een dikke nachtzoen en tot ziens. 

 

Bovenaan de brief omgekeerd in de kantlijn toegevoegd: 

 

Schrijf nog maar gauw eens terug, alhoewel, daar heb ik geen klagen over hoor. 

1940-25 april

Van dochter Roelie aan haar vader Jan Metselaar

Lieve vader,

Ik heb uw kaart ontvangen. En ik ben er erg blij mee. En nu wil ik u toch ook nog eens even wat vertellen. We hadden woensdag vrij van school. En toen ben ik met moeder naar Hoogeveen geweest. En toen heb ik nieuwe schoenen gekregen. Want die moest ik toch hebben. Want ze zullen nog wel duurder worden. Toen heeft tante Wou opgepast. Nu, dat vond ik nog wel eens mooi dat ik weer eens mee mocht. En het was toch zulk fijn weer. Nu vader, het verlof is ook weer los, gelukkig. Nu zult u ook wel eens gauw weer komen. En nu weet ik geen meer. De groeten van Roelie en Wou en Geert. Nu dag vader, daaaaaag. En tot ziens. 

Zeg vader, ik heb woensdag ook nog een aapje gezien. Een man had hem aan een ketting. En dat aapje at een appel op. Hij had een trui aan en een broek. Dag vader. 

 

      

Het briefje van dochter Roelie (8 jr) aan vader Jan Metselaar; 25 april 1940



 

 

 

Uit de brief van 30 april spreekt, weliswaar omfloerst maar toch, van de drukke werkzaamheden en daarmee gepaard gaande zorgen die een vrouw alleen met drie kinderen en een stuk tuinbouwland het hoofd moest bieden. 

 

dinsdag 30 april 1940

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(van Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man, 

Ik heb vanmorgen uw brief ontvangen en daarvoor zeg ik u hartelijk dank, U bent goed gezond zoals wij gezien hebben, nou wij hier ook nogal. Het is hier nu een paar dagen weer koud weer, zo’n schrale oostenwind. 

Nu, het duurt nogal even voordat u komt hè? Maar och, als we nog maar gezond mogen blijven dan zijn die paar dagen ook nogal gauw voorbij. Nou, u schreef: de moed maar niet verliezen. Och, dat zal nog wel gaan hoor, m’n lieve man, alhoewel het valt niet altijd mee, dat weet je zelf ook wel. 

Ik heb vandaag een drukke dag gehad, ik ben aan het schoonmaken geweest in huis: zolder wassen en zo wat meer. En Roelie had vanmiddag al weer vrij van school omdat de Prinses jarig was en ze is overgegaan naar de derde klas. 

Toch gelukkig dat Snijders de tyfus niet heeft, is het niet, dat lijkt me zo een gevaarlijke ziekte toe. Maar ja, dit kan ook erg genoeg zijn. Gosem Pastoor was er vrijdagavond al weer en Arend Kamman zaterdagavond. Nou, en ben je zondagmiddag ook nog op visite geweest bij die familie? Doe dat maar gerust hoor liefste, zoek maar wat afleiding. Daar ben ik zelfs blij om, dat je daar nog eens mensen ontmoet waar je goed mee overweg kunt. Dat weet je wel, is het niet. Als ik kan zoek ik ook wel eens wat afleiding, ook wel vaak dat ik daar geen lust toe heb, maar ik ben zondagmorgen nog eens weer naar de kerk geweest met onze Roelie. Toen heeft onze Wou opgepast bij ons en toen hebben moeder en onze Wou ook bij ons gegeten, en zo was die zondag voor ons ook al weer niet zo vervelend. En nu is het donderdag Hemelvaartsdag, misschien gaan we dan nog wel eens weer naar hun toe.

We hebben er de aardappels gauw in, nog een klein stukje, maar met kunstmest zaaien wilde Pastoor liever zolang wachten tot u zelf eens weer komt. Ja, ik doe er zelf niet veel aan hoor. 

En nu ga ik ook maar weer eindigen want nieuws weet ik ook al niet meer. En dan zullen we maar hopen op een gezond weerzien maandagavond. Dan ben je ruim een maand weg geweest, al een heel eind. Onze Gerrit komt zaterdagavond ook pas weer; die is ook al lang weg, van 1 april af. En dus ontvang nog maar vele groeten van ons allen. Het is nu straks weer negen uur, nu nog een beetje eten en dan naar bed. Wees nu niet bezorgd over ons hier hoor, wij verlangen allemaal net zo hard als u naar 6 mei en dus tot ziens en welterusten en in gedachten een dikke nachtzoen van uw liefhebbende vrouw. Daag. 

 

De laatste brief voor de oorlog uitbreekt is die van 8 mei. De verloven zijn weer ingetrokken. Zwaantje schrijft: “Wat zou er nu toch weer zijn. Maar dat zullen we wel niet te weten komen.” Ze zou het eerder te weten komen dan ze op dat moment dacht. Twee dagen later vielen de Duitsers Nederland aan. Noord-Nederland was nauwelijks verdedigd; de landsverdediging zou aankomen op de Grebbelinie en de stellingen bij het Kornwerderzand. Jan reed voor de Motordienst, het KMD en was vooral in het gebied van Rhenen actief met het vervoer van materieel en troepen. Hij heeft er nooit veel over verteld. Hier is de laatste brief van zijn vrouw aan hem voor de hel losbrak. 

 



 

    

Dit zijn een paar foto's van Stichting De Greb van hun website. Van Jan Metselaar zijn er geen foto's uit de oorlogsdagen of daarvoor. Dit zijn foto's van vergelijkbare auto's, waar Jan mee gereden zou kunnen hebben als vrachtwagenchauffeur. Het kan echter ook zijn dat hij in de meidagen vooral officieren reed. Ook dat weten we niet helaas. 

 



 

 

8 mei 1940

Aan: Korporaal J. Metselaar

2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie, Veldpost 2

(van Z(waantje) Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen

Lieve man en vader, 

Het is nu woensdagavond en dinsdagmorgen heb ik uw brief ontvangen. Wat is die dunkt me gauw overgekomen. De kinderen slapen weer en nu zit ik nog bij daglicht te schrijven. Maar het wordt me toch te donker en ik zal eerst maar eens licht maken. Wij zijn allen nog goed gezond, en ook u nog hè? 

Nou, dat is alweer heel wat anders dan ‘met de Pinksterdagen naar huis’ is het niet? Daar had u helemaal toch geen kans op, maar nu is alles weer ingetrokken, wat zou er toch nu weer zijn. Maar dat zullen we wel niet te weten komen. Enfijn, je bent er nu toch nog bijtijds geweest, gelukkig. Jan Pieters zou vanavond anders weer komen, dat is wel vervelend voor zulken. Johan Smith is vanmorgen ook alweer weg gegaan. Maar och, we zullen maar goeden moed houden, zo veel mogelijk. Moeder die maakt zich wel erg zenuwachtig, die had alweer heel weinig geslapen vannacht. Onze Gerrit is nu natuurlijk ook niet gekomen voor dat examen. Nu, dat is ook uitgesteld tot later bericht, omdat de treinen niet goed lopen. 

Nou, je moet ons maar eens schrijven hoe het u daar gaat. En af je daar ook vandaan moet, maar och, dat zal nog wel niet. 

Het was hier maandag zulk lekker warm weer, en nu is het zulk koud weer, het is erg. 

Nu, ik heb de bankhuur bij Gosem ook betaald. En Dien is gister weer naar Groningen geweest. Nou, daar was het nogal net zo; het stond wel goed maar Sientje mocht met de Pinksteren nog niet naar huis; dan is ze er al zes weken. 

Dat trof je daar zondagavond nog goed hè, zo’n verjaringsvisite. Ik heb vandaag een paar bedden bonen gepoot en Hendrik Knol bracht ons vanavond ook nog pootbonen. We kregen hier vanavond toch een bui, geweldig, zo’n regen. 

En nu weet ik ook al geen nieuws meer en dus moet ik maar gaan eindigen. Snijders knapt ook weer mooi op. Nou, daar zal hij wel blij mee zijn, want ziek zijn zo ver van huis, dat valt vast niet mee, dunkt mij zo. 

En m’n beste man, het allerbest wens ik u toe, en je moet je daar maar zo goed mogelijk door redden hoor. We moeten alles maar geduldig tegemoet zien en hopen dat het weer gauw rustiger wordt. 

Ontvang vele hartelijke groeten van uw vrouw en kinderen en nu welterusten lieve. 

 

    

de brief van 8 mei 1940,  de laatste...

 

 



 

De oorlog duurt slechts een paar dagen. Er is ons weinig of niets bekend over hoe Jan die dagen heeft beleefd. Er zijn geen brieven meer. Er is nog slechts een soort briefkaart van Jan, met de mededeling dat hij de oorlog heeft overleefd en dat alles goed is. Waarschijnlijk is hij met vele andere soldaten korte tijd in krijgsgevangenschap geweest, maar waarschijnlijk niet in Duitsland.  

In ieder geval is hij teruggekeerd naar huis, waarschijnlijk in de tweede helft van mei. Er is ook nog een briefkaart van zijn dienstmaat Snijders uit Buinen. 

Op 17 mei 1940 stuurt Jan Metselaar vanuit poststempel Almelo een briefkaart. Dat poststempel van Almelo zou erop kunnen wijzen dat hij uit Duitsland is teruggekeerd, maar de krijgsgevangenschap duurde doorgaans langer. De heer Groenman van stichting De Greb opperde het volgende: “Je krijgt de indruk dat deze korporaal en zijn metgezel op 14 mei gevangen zijn genomen en enkele dagen later in Arnhem zijn gesignaleerd. Het is niet onmogelijk  dat ze niet meer in Duitsland terecht zijn gekomen, maar zijn losgelaten. Dat zou ook die vroege reactie uit Almelo kunnen verklaren. Veruit de meeste Nederlandse militairen die op het moment van de capitulatie achter de Waterlinie waren zijn niet meer naar Duitsland afgevoerd, maar wel in Nederland geconsigneerd op de plaats waar ze zich op dat moment bevonden of eventueel bij hun uitgangsstellingen. Die consignering heeft enkele weken geduurd. Daaraan zouden de korporaal en zijn metgezel dan ontkomen zijn. We zullen het waarschijnlijk niet zwart op wit krijgen, maar die korporaal zou eventueel uw vader geweest kunnen zijn. “

Op de voorkant van de kaart staat gedrukt: “Gelukkig Nieuwjaar” en in kleine gedrukte letters onder de afbeelding van een soldaat: 

“Nog maar enkele dagen en nachten

En je kunt me weer verwachten.”

Er is geen postzegel, ook niet geweest, want het poststempel staat op de lege, kale kaart. De kaart is beschreven met blauw (aniline?)potlood, dat sterk vervaagd is. De kaart is gedateerd: 17 mei 1940 en gericht aan: Zwaantje Metselaar-Koster, Krakeel 47, Hoogeveen. 

Rechts op de achterkant staat het adres. De tekst op de linkerkant is kort en bondig:

“Lieve vrouw, ik deel u mede dat ik nog gezond ben en dat u en de kinderen niet bezorgd over mij hoeft te zijn. Groeten, J. Metselaar”

 

 

  

 

 

 

 



 

Ten slotte is er nog een briefkaart van Jans dienstkameraad Jan Snijders uit Buinen. Hij is gedateerd 8 juni 1940. 

Waarde vriend en huisgenoten,

Daar ik uw kaartje heb ontvangen, zal ik u dan even mededelen dat ik laatst met jou goed ben overgekomen. Maar ik heb jou in het laatst niet kunnen bereiken. In Hoogeveen zag ik je wel uitstappen en met je kleine kistje sjouwen. Ik had graag nog even bij jou willen zijn, doch zat in de voorste wagon achter de locomotief en kon toen er niet uit. Nu, ik ben nu dunkt mij weer bijna genezen en werk nu met dubbele moed weer aan mijn mooi boerderijtje, wat mij beter bevalt dan die dienst-rommel. Nou vriend, ik ben van plan je spoedig eens een keertje op te zoeken. En dat het natuurlijk goed is dat jij bij mij langs komt. Ga vooral niet voorbij en klop aan. Meer kan ik nu ook al niet meer schrijven. Ik hoop van jullie allen het beste. En dan tot wederziens van ’t zomer. De hartelijke groeten van je kameraad J. Snijders. 

Afzender: Jan Snijders W-zn, adres : Buinen B 45 

  

 

In de zomer van 1940 werd de bovenstaande foto gemaakt. Vader is inmiddels thuis bij zijn gezin en aan het werk. Op een zondag (?) krijgt de familie bezoek van de oude dienstmaat van Jan: Jan Snijders uit Buinen. Op de foto v.l.n.r. Jan Snijders, mijn zus Roelie, broer Geert, moeder, zus Wou en vader. Ik was nog niet geboren. Ze staan op het pad voor het huis aan het Krakeel. De foto is gemaakt door een tante, aan de overkant van de vaart. 

 


 

naar boven