Jan Metselaar, militaire dienst 1925 en mobilisatie 1940; en het thuisfront - Militaire dienst 1925-1926

on 09 februari 2016
Hits: 7866

 

Jans militaire dienst in 1925-1926

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

Jan, tweede van rechts (detail van een foto) 

 

De oudste brief dateert van 18 oktober 1925. Hij is geschreven door mijn vaders oudere broer Berend, en wel namens het gezin: Jans vader Geert Metselaar, moeder Roelofje v.d. Weide en zus Roelofje. Jan is dan gelegerd in de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem, en ingedeeld bij het 19e RI (Regiment Infanterie) en daarvan de 3e Schoolcompagnie. 

De aanhef en de stijl zijn enigszins hoogdravend. “Waarde broeder en zoon” is niet echt familiair. Het valt trouwens op dat moeder mijn vader ook in de u-vorm schreef. Jan heeft in zijn vorige brief opgemerkt dat ze, en vooral moeder, thuis maar niet over hem in moeten zitten. Zijn broer Berend antwoordt laconiek: “Nu, we kunnen u melden dat ze dat ook helemaal niet doet, want daar zijn natuurlijk geen redenen voor.” Natuurlijk. 

Mijn vader heeft in zijn brief verzocht om ‘een kistje’. Toen bestond er kennelijk nog geen plunjezak voor je dienstspullen, en moest je zelf maar zorgen voor opbergruimte, ook voor je burgerplunje wellicht.

 “U hebt in uw brief ook gevraagd of Gosem geen kistje voor u kon maken. Nu, wij kunnen u melden dat het al gauw klaar is. ’t Wordt helemaal niet zo lang als u geschreven hebt, maar dat zal wel niet hinderen. We zullen het ook een beetje opverven, de kleur zal denkelijk wel zwart worden. Goosem zal er een sluiting aan maken, maar u zult zelf wel voor een slotje moeten zorgen, want het zal niet best gaan om het kistje op te sturen wanneer het op slot zit, want waar zullen we de sleutel dan in doen? Maar dat zal wel in orde komen niet waar? De appels zullen ongetwijfeld wel in het kistje kunnen zodat u die dan meteen ontvangt. We zullen er een paar azijnzuren bij in doen, dan kunt u ook nog eens trekbekken.” 

Leuk, die aardige broer met zijn zure appels. Maar ach, even later dringt hij er bij Jan op aan, dat als die geld nodig heeft, hij het op tijd moet zeggen. Dat dan weer wel. 

“Indien u niet meer genoeg hebt, wacht dan niet zo lang tot u helemaal niets meer hebt, maar schrijf dan maar direct, waarop we u wel wat over zullen sturen.” Meteen daar achteraan komt nog een vermaning: “Verder richten we de vermaning tot u: geef u niet te veel over aan ’t kaartspel of aan andere onpasselijke dingen. U moet altijd zien dat u niet in verkeerde omgeving komt.”  

Het kaartspel, daarvan kon niet veel goeds komen, wist men in christelijke kring destijds. 

 

  Mooi toch hè? 

 

De volgende brief van het thuisfront aan Jan Metselaar is van ruim een maand later, 21 november 1925. Hij gaat voornamelijk over Jans moeder, mijn oma -die ik overigens nooit gekend heb. Ze heeft kennelijk langere tijd last van darmproblemen of iets met de slokdarm. Ze kan niet goed slikken en moet kunstmatig gevoed worden. Ze is enige tijd in Groningen in het ziekenhuis opgenomen geweest, maar nu weer thuis. 

“Nu moet u echter niet denken dat ze helemaal weer genezen is. Het kunstmatig voeren moet tenminste nog wel doorgaan maar dat is het ergste niet. De eerste tien dagen mag ze niets anders drinken dan water en dan mag ze nog proberen met koffie maar niet eerder dan de tien dagen om zijn. En dan moet ze over zes weken weer naar Groningen. Of ze daar dan weer lang blijven moet, weten we ook nog niet. We zullen dus maar hopen dat alles weer voor elkaar komt.”

Jan heeft in zijn garnizoensplaats boeken gekocht. Op zich opmerkelijk, vind ik. Een jongen uit een "arbeidersmilieu" die in militaire dienst boeken koopt. Van huis krijgt hij deze bemoedigende maar ook wel wat bevoogdende mededeling: 

“De boeken die u gekocht hebt, waren beslist niet duur hoor, als het tenminste ook nog wat is. Maar dat vertrouwen we wel want u hebt omtrent boeken lezen een hele goede opvatting.” 

 

 

Vader Jan Metselaar (tweede van rechts staand) met dienstmaten op de kamer in de Menno van Coehoorn kazerne in Arnhem, 1925

De foto is stevig door mij geretoucheerd. 



 

Van 6 december 1925 is er een brief die de familie Gosem Knol aan Jan stuurde. Gosem was getrouwd met een zus van Jan, dus hij was Jans zwager; hij werkte op de Gasfabriek in Hoogeveen die vroeger bij de watertoren aan de De Vos van Steenwijklaan stond. Die brief is wat praktischer van aard, maar begint toch ook met de gezondheid van moeder Roelofje aan te stippen. Het is dat jaar in begin december al flink winter. 

“Nu Jan, het zal daar ook wel zijn net als hier: winter, tenminste het is voorgoed winter, het vriest dat het knapt en er ligt een dikke laag sneeuw. Ik heb deze week nachtdienst gehad van ’s nachts 1 tot ’s morgens 6 uur; u kunt wel begrijpen dat het geen hapje was door die koude maar dat zit er weer op. Nu heb ik weer drie weken dagdienst; met de kerstdagen moet ik werken van ’s middags 12 tot ’s avonds 6 uur, dus den voormiddag en dan avond ben ik thuis. Dan kunnen wij elkaar nogal heel wat vertellen als wij tenminste wat weten te vertellen.”

Voor het geval dat Jan met verlof komt, staat de fiets op hem te wachten bij de familie Knol:

 “Uw fiets staat hier bij ons en uw lantaarn zal ik wel even halen, dan u hem zo even bij ons komen halen, nietwaar, of als u hem liever bij Van Dam wilt hebben, wil ik hem daar ook wel brengen, maar als u om zes uur komt kan u hem ook wel even halen nietwaar, maar u moet zelf maar eens zien. U schrijft altijd nog wel even.”  

Wat was het leven destijds toch traag, als je alleen per brief kon communiceren. Van het station lopen naar de gasfabriek, waar de familie Knol bij woonde, was nog een hele tippel. Althans voor huidige begrippen; toen keek men anders aan tegen afstanden lopen. Maar die fiets scheelde toch flink, want van de gasfabriek naar Jans huis was het nog wel een paar kilometer. 


 

 

De brief van 6 december van het thuisfront op Krakeel D 35 aan Jan Metselaar neem ik in zijn geheel op: 

“Waarde zoon en broer!

Door dezen delen we u mee dat we allen nog goed gezond zijn en we hopen van u hetzelfde, want –en dit is zeker waar- de gezondheid gaat boven alles, tenminste wat hier op aarde betreft. Want als we dit van de geestelijke kant bezien, dan is het beter met ziekte het eeuwige leven te beërven, dan met gezondheid den eeuwigen dood in te gaan. Dit (… deel van de zin is onleesbaar geworden, LM) …boven alles bedenken. Verder delen wij u mede dat wij uw brief van 28 november hebben ontvangen, en daar uit gezien dat het u daar nog best aanstaat. Nu, dat doet ons groot plezier. Uw brief die u aan moeder hebt gezonden, is best overgekomen, ze was er recht blij mee. U vroeg in uw brief of u niet zo’n reismandje zou kopen. Nu, dat is ons wel goed. Maar nu moeten we eens wat vragen, toen u bij ons geweest bent, had u het over portretten. Jammer genoeg hebben we er nog niet eentje gezien. Denk er dus om dat u met de kerstdagen er eentje meebrengt. 

We hebben uw fiets naar Gosem Knol gebracht, en als u nu nog even schrijft, wanneer u en met welke trein u aankomt, dan zullen we D.V. zorgen dat uw fiets bij het station is. Dan kunt u naar huis fietsen; dat is gemakkelijker dan lopen, vindt u ook niet? Mocht het soms anders uitlopen, dan kunt u de fiets bij Gosem halen. 

Nu nog iets over Moeder, want u zult wel benieuwd wezen of ze ook drinken kon na de tiende dag ja of nee. Nu, daaromtrent kunnen wij u meedelen dat het tamelijk goed gaat. Ze is natuurlijk heel voorzichtig daarmee, dat zult u wel begrijpen. Dr. Oosterhuis heeft gezegd dat wanneer ze van boven genoeg kreeg, dan mochten wij met kunstmatig voeden wel zo langzamerhand ophouden. Dit weet u dus ook weer. 

Nu nog iets over de weerstoestand. Het is hier terdege koud. De vaarten liggen overal met een dikke ijskorst bedekt, maar mooi ijs moet men natuurlijk weer zoeken. Als het zo doorvriest, dan kunt u met de Kerstdagen hier nog wel eens een baantje halen met Zwaantien. Nu, we zullen maar hopen dat wij de Kerstdagen hier in gezondheid met elkander mogen doorbrengen. Verder weten we ook al geen nieuws meer en dus zullen we maar eindigen met de wens dat u in gezondheid arriveert. 

Ontvang de hartelijke groeten van Vader, Moeder, Broer en Zus en van Vrienden en Vriendinnen. 

N.B. De duiven hebben weer jongen. “

 

  

De groep op de kamer in de kazerne in Arnhem.                            Jan staande, eerste van rechts

 



 

Watersnood 1925-1926 in het rivierengebied 

“In januari 1926 veroorzaken hoge waterstanden van de Maas en haar zijrivieren overstromingen in het rivierengebied in Midden-Nederland. Door de grootte van de schade is dit een van de drie meest catastrofale overstromingen van de 20e eeuw in de Maasvallei (samen met december 1993 en januari 1995). In de provincies Limburg, Noord-Brabant en Gelderland wordt veel land overstroomd.

De uiterst overvloedige regen sinds 19 december 1925 in combinatie met het smeltwater van alle sneeuw die er was gevallen sinds eind november 1925 zorgden voor uitzonderlijk hoge waterstanden van de Maas, Rijn en Waal met haar zijrivieren. In de ochtend van 31 december 1925 brak de dijk van de Maas bij Overasselt en Nederasselt waardoor het Land van Maas en Waal overstroomde. In de dagen daarna overstromen grote delen van het rivierengebied van Waal, Maas en IJssel. De dorpen Nederasselt, Overasselt, Balgoy, Hernen, Leur en Bergharen en nog diverse andere komen onder water te staan.

Door het binnenstromende water en ijs werden 3.000 huizen beschadigd of verwoest. De schade bedroeg 10 miljoen gulden. Het was de laatste grote watersnoodramp in het Rivierengebied. 

In januari 1926 werd bij Lobith de hoogste rivierafvoer bereikt die ooit is gemeten: 12.849 m3 per seconde. De hoogste afvoer van de Rijn ooit gemeten is tot nu toe in januari 1926. Dat was ook de laatste keer dat in Nederland een rivierdijk bezweek. Tijdens de kritieke hoogwaterstanden van 1993 en 1995 werd een maximale afvoer van twaalfduizend kubieke meter per seconde gemeten.” (Bron: Wikipedia).

Via deze link is er een film over deze watersnood te zien: http://www.heemkundeverenigingleeuwen.nl/watersnoodFilm1926.htm

En een artikel met veel informatie en foto’s: http://www.vanvameletotwamel.nl/inhoud/de-polder-ontwikkeling-en-strijd-tegen-het-water/1926-watersnood/ 

 

Er waren door de ramp geen doden gevallen, maar de materiële schade was enorm en duizenden mensen raakten ontheemd en waren alles kwijt. Het leger werd ingezet om het vee uit de schuren te halen voor zover nog mogelijk. 

En daar speelde mijn vader Jan Metselaar ook een rol. Vanuit de Menno van Coehoornkazerne in Arnhem werden infanterie-eenheden ingezet om assistentie te verlenen bij de reddingswerkzaamheden. Jan heeft er in brieven aan het thuisfront over verteld. Dat blijkt uit deze brief van fam. G. Knol aan Jan van 17 januari 1926:

 

 “Waarde Broeder,

Wij hebben uw brief in gezondheid ontvangen en gezien dat u ook nogal gezond bent en dat u weer in Arnhem terug bent. Het zal daar ook wel zo goed zijn als bij de watersnood. Daar zou het zeker niet meevallen, om daar alle dagen in storm en regen op het water te zwalken, en dan die ellende die u daar alle dagen zien moest, want het zal er daar wel treurig uitzien, tenminste volgens de berichten in de bladen en de afbeeldingen in het zondagsblad dan is het daar treurig gesteld. Wij kunnen er hier geen denkbeeld van vormen hoe het er daar uitziet. U kan (sic, LM) bij gezondheid als u weer terug komt er heel wat van vertellen, doch niet veel moois dunkt mij. 

Ik wil geloven dat het eerst niet meeviel, maar u went er natuurlijk aan. Het was tenminste een vrij leven, anders dan bij de kazerne nietwaar, maar veel mooier en makkelijker niet, denk ik. U schreef dat er straks nog weer jongens naartoe moesten en dat u ook wel mee wilde. Nu, als ik kon ging ik maar mee, het lijkt mij altijd beter dan dienst doen en dan ziet u er ook nog meer van hoe de boel er uitziet en welk een schade het water daar gebracht heeft. En de tijd kort ook nog beter op; het is al niet zo lang meer, nog twee maand.”

Even tussendoor. De diensttijd voor militairen was toen ‘slechts’ 5,5 maand, sinds de Dienstplichtwet van 1922. Ik schrijf ‘slechts’ omdat ik zelf in 1970-71 veertien maanden heb gediend! De wet was overigens slecht: loting bepaalde of je in dienst moest of niet, en 19.500 mensen waren dan de ‘pineut’ terwijl ruim 40.000 leeftijdsgenoten vrolijk verder konden met hun leven. Dat was in mindere mate in mijn militaire-diensttijd trouwens ook wel het geval. Iedereen van die 19500 mannen kreeg een infanterieopleiding. Tot 1938 bepaalde het lot, wie wel of niet in dienst moest. 

 



 

  

Dit is een zeer beschadigde foto. De andere foto's heb ik zelf geretoucheerd op vlekken en strepen, maar daar was aan deze foto niet te beginnen. Mijn vader is waarschijnlijk degene die rechts ligt. 

 


 

Moeder Roelofje lag intussen langdurig in Groningen in het ziekenhuis, waar haar (slok?)darm moest worden opgerekt. Wie denkt dat een zoon dan wel ruimschoots gelegenheid kreeg van Defensie om z’n moeder te bezoeken, heeft het mis. 

“Maar nu over dat verlof gesproken. U schrijft dat u maar 36 uur verlof kunt krijgen. Nu, dat is niet veel. In die tijd kunt u moeder ook geen bezoek brengen als ze nog in Groningen is. Ja, het zou misschien nogal kunnen maar dan hebt u aan uw verlof niet veel en bovendien hoge kosten. Als u nu eens een verzoek indiende om vijf of zes dagen verlof, maar dat zullen ze u ook wel niet geven. Enfin, we hopen zondag 31 januari moeder weer een bezoek te brengen en dan kunnen we meteen er eens met haar over spreken. En dan zult u daar nog wel bericht over krijgen.”

Jan denkt alvast vooruit: als hij straks uit dienst komt, moet hij werk hebben. 

“We lezen ook nog in uw brief dat vader maar eens aan Bakker moest vragen of u daar direct niet weer aan (het werk) kon komen. Nu, naar de plannen zijn, behoeft u zich daar niet over de bekommeren. De auto hebben ze al gekocht en Roelof heeft Berend al twee maal gevraagd of dat chauffeursbaantje niet net iets voor Jan zou zijn. Hij dacht dat u daar net geschikt voor was. Nu, dat staat ons ook wel aan. Als moeder ’t tenminste ook maar goed vindt. En dat zal wel gaan, dunkt ons, want we hebben het er al eens met haar over gehad. 

Verder kunnen we u ook nog berichten dat het nieuwe fabrieksgebouw donderdag 28 januari zal uitbesteed worden. Dus dat gaat wel door. Maar nu moet u (zich) er maar niet te veel van voorstellen, want het kon gebeuren dat ze nog weer van gedachten veranderen, maar dat dachten we haast niet.”

‘Roelof’ is directeur R. Bakker van de betonfabriek - en bouwmaterialenhandel Bakker Beton. Vader zou daar na zijn diensttijd gaan werken en zijn hele werkzame leven blijven. Hij heeft een lintje gekregen voor 40 jaar trouwe dienst. 

Broer en schrijver Berend kan niet laten in een ‘PS’ Jan op een taalfout in zijn vorige brief te wijzen: “N.B. U moet in het vervolg niet zetten ‘hatelijke groeten’ maar hartelijke groeten. Hoe vindt u dat? Berend.” 

 



 

Dit is een heel mooi bewaard gebleven foto. Wel geretoucheerd trouwens. Jan Metselaar is de staande soldaat tweede van links, naast de onderofficier. 

 


 

 

De brief van 1 februari 1926 gaat vnl. over de gezondheidstoestand van moeder. Merkwaardig is dat ze al tijden in het ziekenhuis ligt, en dat er desondanks opgemerkt wordt: 

“Zondag 31 januari was ze niet zo opgeruimd van zin als de vorige zondag, maar overigens was ze best gezond.”  Met buisjes van steeds wat grotere diameter werd de darm opgerekt. 

Over de baan als chauffeur op de nieuwe vrachtauto van Bakker Beton staat er het volgende: 

“Nu Jan, Berend heeft ook aan Bakker gevraagd, of u direct weer aan (het werk) kon komen en toen heeft Bakker gezegd: Als hij er zin in heeft, dan kan hij straks wanneer hij terugkomt, direct wel op de Auto (sic, met hoofdletter,LM) stappen. Dus dat zal wel voor elkaar komen. Als moeder nu maar weer geheel beter wordt, dan zullen we er met Gods hulp wel weer bovenop komen. Maar Gods wil geschiede. Hij weet wel wat goed voor ons is en op Hem moeten wij ons vertrouwen stellen, in alle voor- en tegenspoed. Hier zullen we ’t maar weer bij laten. We hopen dat we elkander weer in gezondheid mogen ontmoeten. “

De brief van 10 februari is geschreven door Jan. De eerste brief en een van de weinige die van hem bewaard zijn gebleven. Die neem ik hieronder over:

Van J. Metselaar 

Aan gezin J. Metselaar Krakeel D 35 Hoogeveen (Dr.) postbestelling Hollandscheveld

Arnhem, 1926, 10 februari

Geliefd huisgezin,

Hiermede kan ik u meedelen dat ik nog goed gezond ben, hopende van u hetzelfde. U zult wel denken, wat schrijft hij gauw terug, maar daar heb ik een reden voor. Want vanmiddag toen we weerkwamen van het schieten, kwam onze sergeant van de week direct op de kamer om al de namen van de jongens die naar de watersnood geweest waren. We vroegen wat dat te betekenen had en toen zei hij dat we groot kans weer weg moesten want het water in de Maas stijgt met geweld. Dus nu weet u de reden. Nou, ik zou er mij niet veel van aantrekken, want dan kort de tijd nog gauwer op. 

Ik heb ook een brief van Berend Bakker gekregen, die schreef ook al over het nieuwe fabriek en de auto. Hij zei dat hij maar wilde dat ik er weer was, want anders, nu, moest er nog weer een ander op (de vrachtauto, LM), Willem of zo, en dat stond de baas niet aan want dan mag hij toch niet meerijden. Maar nog maar een maand en dan is het (de diensttijd, LM) afgelopen. 

U schreef ook weer dat moeder weer thuis was, dat kwam me eerst wel wat vreemd aan, maar nu is ze toch ook nog thuis wanneer ik weer kom. Men zou toch zeggen dat ze beter wordt want alles gaat toch vooruit. Als het nu nog maar weer zo door blijft gaan, zal ze nog wel gauw weer gezond zijn. Dat is tenminste te hopen. 

Ik zal dadelijk Berend ook maar eens een briefje schrijven, want als we weg zijn, zal er wel niets van komen. Het is te hopen dat we een beetje betere slaapgelegenheid hebben want het is tegenwoordig nogal aardig koud. Ik wou maar dat we voor een vrijdag nog weg moesten, dan hoeven we ook geen mars te maken. 

Hebt u mijn portretten al opgehaald en gekeken hoe ik erop sta? Je kunt Gosem en Dina er ook een doen (= geven). De brieven die u schrijven wilt, kunt u altijd met hetzelfde adres erop naar Arnhem sturen. Me dunkt, u weet nu al wel weer zo veel, en ik weet ook niets meer. 

 

Wees dus hartelijk gegroet van uw zoon J. Metselaar

   maart 1926. Het zit er op. 

Dat was nog eens wat anders dan de kaarten en advertenties die afzwaaiende "ouwe stompen" later in de jaren '60, '70 maakten. Dit is een zelfgemaakte kaart met stempels en (kleur)potlood. 

Er staat: 19e R.I. (= het 19e Regiment Infanterie). Ter herinnering aan mijne diensttijd te Arnhem 1925-1926. J. Metselaar

 




 

 

Op Herhaling

In 1931 moet Jan ‘op herhaling’. Van die tijd bestaat één brief, van Jan aan zijn vrouw Zwaantje. Hij is dus inmiddels getrouwd. 

Hoe lang die herhalingsdiensttijd heeft geduurd, is mij niet bekend, maar ik vermoed slechts twee weken. Jan vermeldt namelijk dat hij voor twee weken een financiële vergoeding heeft ontvangen.  Wel valt te herleiden dat hij in Haarlem gelegerd was. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat hij daar was ingedeeld bij het Korps Motordienst (KMD). Hij had immers intussen ervaring met het rijden op een vrachtauto, en zulke mensen waren er toen nog niet zoveel. En we weten dat hij in de mobilisatie in 1940 deel uitmaakte van het “2e autobataljon, 2e compie, 3e sectie”. Hij was een van de chauffeurs die het transport van voorraden en troepen in de buurt van de Grebbeberg voor zijn rekening nam. Daarover verderop meer. 

 Motordienst / Ripperda Kazerne Haarlem

In 1931 schrijft Jan een uitgebreide brief aan zijn vrouw. Hij vertelt hoe het hem vergaat en vrij gedetailleerd beschrijft hij hoe hij en enkele maats een verlofdag in Amsterdam hebben doorgebracht, inclusief bezoek aan “De Wallen”. 

Van Jan Metselaar

Haarlem, 5 juli 1931

Ik heb uw brief in gezondheid ontvangen en daaruit gezien dat het alweer mooi opknapt. Nou, ik heb ook wel aan huis gedacht hoor. Maar de tijd schiet nu mooi op, nog drie dagen en dan is het gebeurd want woensdag om een uur of elf gaan we weer vertrekken. Dat zal mij aanstaan want ik ben het hier zat hoor.  Het is anders met afwisselend de ene dag dit en de andere weer een andere plaats. 

Toen we dinsdag naar Petten gingen, boven in Noord-Holland, is er een auto met 12 manschappen in de sloot gereden maar er zijn geen doden van gekomen. Drie zijn er nog een paar dagen opgenomen in het gasthuis in Limmen maar ook weer teruggekeerd zonder letsel. 

Nou Zwaantje, je moet je maar kalm gedragen hoor; niet te veel aan mij denken want ik zal het hier wel uithouden. Maandag gaan we naar Den Haag op transport en ’s avonds ook weer terug, dus die dag is ook weer mooi bezet. 

Ik heb van de week ook weer op wacht geweest, 36 uur, en die Groot-Majoor is zo’n rotzak dat hij ons vannacht om twaalf uur nog ging controleren. Ik moest net de manschappen weer aflossen, toen liep ik pardoes tegen hem op. Hij vloekte eerst als een gek en toen vroeg hij waar ik vandaan kwam. Ik zei: ‘Uit Hoogeveen’. Toen zei die vent : ‘Dan  is het geen wonder want daar is het ’s nachts wel stil, maar hier moet je uit je ogen kijken, heb je verstaan?’ Ik zei tegen hem: ‘Natuurlijk majoor, ik ben wel wakker’, waarop hij zei dat met mij niets te beginnen was. Ik vond het best en ben mijn werk gaan doen en hij deed de ronde. 

Ik heb de vergoeding ook ontvangen van deze twee weken, dus dat is in orde. Het is nu stil op de kamer, nu alles weer naar huis is. We zijn hier maar met z’n tweeën zondags, ik en een uit Rotterdam. Nou, we kunnen het best vinden met z’n beiden. 

Verleden zaterdag zijn we naar het Haarlemmerhout geweest en zondag naar Amsterdam. Nu daar was het me net druk genoeg. We zijn over de Dam door de Jodenmarkt gewandeld (destijds op het Waterlooplein en de Zwanenburgwal, LM) naar de Jordaan. Nou, daar zijn toch verschrikkelijk veel hoeren, ik had nooit zulks gedacht, maar we waren met z’n drieën, die Rotterdammer, ik en een korporaal van de militaire politie, maar je kon ze haast niet van je af houden. Overal werd je gevraagd even binnen te komen, waar we maar geen gevolg aan gegeven hebben. We zijn zowat twintig minuten in die straat geweest maar daar is ons wel honderd maal gevraagd. Je kunt je geen voorstelling vormen van zo’n bende. Nu vrouwtje, genoeg hierover want dat zal je toch wel niet interesseren, nou. Maar nog een paar dagen en dan mag ik jou weer in mijn armen drukken, is ’t niet. 

Het valt wel lang maar nog een beetje geduld en we zijn weer bij elkander. Ik wens je thans nog van harte beterschap uit een liefdevol hart, met vele nachtkussen. 

Je lieve man, J. Metselaar 

    beide foto's,  bron:  website http://www.leger1939-1940.nl/Artikel/motordienst.htm 

 

naar boven