Korte verhalen; fictie

Hits: 11815

Artikelindex

Voorgoed Voorbij.  In dit onderdeel staan diverse korte verhalen van mijn hand. 

Citaat uit een verhaal: "‘Zo, nou eens kijken of je oren goed zijn.’ De dokter ging achter hem staan en prevelde woordjes. Hij kon ze allemaal perfect verstaan, met zijn oren was niks mis. ‘Goed’, zei de dokter. ‘Eens kijken.’ Hij pakte een soort rietje en blies daardoor in zijn oor. Een oorverdovend gedonder was het gevolg. Hij wilde zich afwenden maar dat durfde hij toch ook niet. De oude man blies nog eens.  ‘Wat hoor je nu?’ De dokter keek hem onderzoekend aan, met ogen die het antwoord wisten. ‘Onweer’, zei de jongen. Dat kwam er het dichtst bij, iets anders kon hij zo gauw niet verzinnen. De dokter blies nog eens, nu iets anders gericht, zodat er naast het gebulder ook een gesnerp in zijn oor klonk. ‘En nu?’ Wat wil die dokter, dacht hij. Het was toch logisch dat je gedonder hoorde als iemand in je oor blies. Dat mocht hij trouwens thuis niet zeggen, gedonder. Moeder zei dat dat vloeken was. Dus had hij het net maar bij onweer gehouden. "

 

 

Elk hieronder staand verhaal is fictie, dus elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval of is slechts schijn. 

 


 

 

 

Kort verhaal

Kikvorsen

Hij stapte over het smalle zandpad langs het water. Om hem heen hing de lome warmte van een zomerdag. Het gras stond hoog, rood pluimde de zuring er bovenuit. Spikkels boterbloemen pronkten met hun vette glans. Uit het water naast hem kwam het oorverdovende gekwaak van kikkers. Dat zulke beestjes een zo opdringerig lawaai konden produceren! Hij stond stil en probeerde ze te lokaliseren. Kikkers tussen eendenkroos, je zag ze pas als ze bewogen. Ja, daar, eentje met zijn kop opgeblazen tot twee witte ballen. Toen hij beter keek, zag hij er meer. Egypte, de Nijl. Uitslovers, rotbeesten, dacht hij onwillekeurig. Hij had het niet meer zo op kikkers. 

Gisteren had moeder na de sperziebonen en de karnemelkse pap voorgelezen van Mozes en Aäron. Samen tegen de farao. “Ga tot Farao en zeg tot hem: zó zegt de Here. Laat mijn volk gaan, om Mij te dienen; indien gij weigert het te laten gaan, zal Ik uw hele gebied met kikvorsen teisteren. De Nijl zal wemelen van kikvorsen, zij zullen komen opzetten en in uw huis en slaapkamer binnendringen, ja op uw bed, in uw bakovens en baktroggen.” 

‘Wat zijn dat, kikvorsen? Zijn dat kikkers?’ had hij moeder gevraagd. Hij proefde het woord op zijn tong. Kikkers voelde al iets minder dreigend dan kikvorsen. ‘Ja’, zei moeder. ‘Dat zijn kikkers.’ ‘Net als die bij ons in de sloot? En die zaten overal, ook in het bed?’ ‘Ja’, bevestigde moeder resoluut, want die had nooit twijfels over wat de Bijbel zei. Ze zag de afschuw in zijn ogen, en voegde eraan toe: ‘Maar dat was in Egypte hoor. Hier blijven de kikkers in de sloot.’ ‘En wij zijn de farao niet’, voegde ze er met gevoel voor verhoudingen aan toe. 

Baktroggen, wat dat dan ook waren, hadden ze niet bij hem thuis, maar bedden wel. Hij zag het voor zich. Slijmerige kikkers, wellustig over en door elkaar wriemelend daar waar hij altijd zijn holletje onder de dekens maakte. Dat holletje waar hij zich zo veilig voelde als moe nog even bij hem kwam en ze samen het gebedje opzegden. ‘Ik ga slapen ik ben moe.’ Als moe dat zegt, klopt het, dacht hij dan altijd. Kikkers? Daar? Hij gruwde ervan en schudde rillend even met zijn hoofd van intense afkeer. 

’s Avonds hadden ze verstoppertje gespeeld. In de zomervakantie mocht hij heel lang opblijven. Daar hield hij van, lange zomerdagen waar geen eind aan kwam en dan tegen de schemer nog even verstoppertje spelen. Verstoppertje spelen lag hem. Het liefst ‘was’ hij hem niet, want als je ‘hem was’ moest je zoeken, opsporen. Nee, hij verborg zich liever. Achter de schuren waren schuilplekjes genoeg.

Hij lag plat op zijn buik achter de rij rabarberplanten. Het gras kriebelde tegen zijn blote benen en geurde opdringerig in zijn neus. Hondsdraf. De grote rabarberbladeren zouden hem wel even verbergen voor zijn buurmeisje. Ze riep in de verte, ‘ik zie je wel hoor’, maar daar trapte hij niet in. Hij drukte zich nog wat platter onder het grote blad. Hij sloot even de ogen en genoot van het moment. De nog hangende zomerwarmte, de intense geuren om hem heen. Ergens hoog in de lucht het geruststellend sonore geluid van een vliegmachine. De volstrekte veiligheid die hij ervoer hier in zijn kleine wereld. 

Opeens hoorde hij iets anders. Kwam zijn buurmeisje dichterbij? Hij keek op. En keek recht in de waterige oogjes van een grote dikke groene kikker. Het beest zat nog geen halve meter van zijn gezicht. Hij zag de vochtige slijmerige keel op en neer zwoegen. Het beest trok traag een poot bij. Wat een monster. 

Met een kreet sprong hij overeind. Een rilling ging door hem heen. Zijn buurmeisje riep triomfantelijk ‘nou heb ik je echt gezien’, maar hij hoorde het niet eens. Het bloed liep uit zijn hoofd naar zijn benen. Hij moest even gaan zitten. Zonder een woord tegen zijn buurmeisje ging hij het huis in. ‘Kom je nou al binnen?’ vroeg zijn moeder. ‘Ben je niet lekker? Je ziet helemaal bleek.’ Hij ontweek een eerlijk antwoord, mompelde wat over geen zin meer. 

En nu zat daar die kikker in dat kroos opgeblazen te doen. Rotbeest. En al die andere kikkers die daar met trage bewegingen door het kroos zwommen. Het waren er veel. Te veel. Hij keek om zich heen, zocht een stok. Een eindje terug onder hun heg, daar had hij laatst een stok gelegd. Met de stok liep hij naar de plek van de kikkers. Hij hief met gestrekte armen de stok boven het water. Als Mozes en Aäron èn alle magiërs van Egypte de kikvorsen konden oproepen met een stok, dan kon hij misschien de kikkers wel laten verdwijnen. Met zijn stok. Het kwam aan op het gebaar. Er gebeurde niets. Wel hield het luide gekwaak op. Kijk, dat was al iets. Nu hoorde hij tenminste zijn eigen ademhaling weer. 

Voorzichtig deed hij een stapje vooruit. Voelde met zijn voet waar het land zacht werd. Hij dacht aan zijn moeder die hem waarschuwde voor de bullebak in het water. Die je kwam grijpen als je te dichtbij kwam. Dat was toen hij nog klein was en zelf wat rond het huis mocht scharrelen. Nu wist hij wel dat de bullebak niet bestond. Verhalen van grote mensen om je bij het water weg te houden. Onzin. Hier kon hij nog staan. Weer hief hij met een zwaai zijn stok. De kikkers schrokken van de schaduw en doken onder het kroos. Een gevoel van grote opluchting daalde over hem. Ze waren weg. Hij moest snel achteruit stappen om zijn evenwicht te bewaren. 

Neuriënd liep hij verder. Even een praatje maken met de oude buurman. Die zat als gewoonlijk op de krakkemikkige bank voor het lage huisje. Uren kon hij daar zitten. Kijken naar hoe het leven aan hem voorbij trok. Hun gesprekken waren kort en gingen nergens over maar op een of andere manier voelde hij zich rustig bij de oude man. Ze konden ook gerust een poos zitten zonder woorden. Na een poosje zei hij dan: ‘Nou, ik ga maar eens weer.’ Altijd hetzelfde vertrouwde ritueel. Ook dat hoorde bij de veiligheid van zijn wereldje. 

Terug lopend langs het water wilde hij niet kijken of zijn wonder nog werkte. Bang dat de kikkers toch weer opgedoken waren. Zich klaar maakten om aan land te komen. In optocht op weg naar zijn bed. Maar natuurlijk kon hij het niet laten. Wat hij zag, was stil eendenkroos. Geen beweging te zien. Ook geen stapels dode kikkers, zoals in de Bijbel. Maar je kon niet alles hebben. Dit was genoeg wonder. Een last viel van hem af. Vanavond kon hij weer veilig in zijn eigen holletje onder de dekens kruipen. Als moeder na een laatste aai over zijn hoofd weg was, kon hij gaan dromen. Het holletje werd een schip, een vliegtuig. Overal kon hij naartoe. En kikkers waren er niet. 


Kikkerts

Hetzelfde verhaal maar dan in het Zuid-Drents vertaald 


Hij löp aover ’t smalle zaandpad langs ’t water. Um ‘m hen höng de lome warmte van ’n zomerdag. ’t Grös stund hooge, rood pluumde de zoering der baom uut. Spikkels botterblomm pronkten met heur vette gèle glaans. Uut het water naost ‘m kwaamp het oorverdoomde gekwaak van kikkers. Dat zukke kleine biesies zoen opdringerig lewaai können produseren! Hij stönd stille en perbeerde uut te vien waor ze zaten. Kikkers tussen ‘t kikkerrit, ie zagen ze pas as ze beweugen. Ja daor! Ientie mit zien kop opeblaozen tut twij witte balln. Daalik barst-ie nog uut mekaar, dacht-ie vol haope. Toen-ie bèter keek zag-ie der meer. Der zaten der wel tiene. Egypte, de Nijl. Uutslovers, rotbiesten, dacht-ie zomaor. Hij had ’t sinds kort nie meer zo op kikkers.


Gisteraomd had zien moe na de greune bonen mit eerappels en karnemelkse pap veur elezen aover Mozes en Aäron. Saam tegen de farao.
“Ga tot Farao en zeg tot hem: zó zegt de Here. Laat mijn volk gaan, om Mij te dienen; indien gij weigert het te laten gaan, zal Ik uw hele gebied met kikvorsen teisteren. De Nijl zal wemelen van kikvorsen, zij zullen komen opzetten en in uw huis en slaapkamer binnendringen, ja op uw bed, in uw bakovens en baktroggen.”
‘Wat bint dat, ‘kikvorsen’? Bint dat kikkers?’ hattie zien moe evraogd. Hij pruufde het woord op zien tonge. Raar, moar kikkers vuulde al wat minder dreigend as kikvorsen.
‘Ja’, zee zien moe. ‘Dat bint kikkers.’
‘Net as die gruune kikkers bij oons in de sloot? En die zaten dan aoveral, ok in’t bedde bij de meinsen?’
‘Ja’, bevestigde zien moe zunder blikk’n of blozen, want die had nooit ienige twiefel aover wat er in de Biebel stund. Zij zag zeker de gruwel in zien oog’n en daorumme zee ze derbij: ‘Maor dat was in Egypte heur. Hier blieft de kikkers in de sloot.’ Ze was eem stille. ‘En wij bint de farao niet jao’, zee ze derbij mit gevuul veur verholdingen.


Baktrogg’n, wat dat dan ok waren, die hadden ze niet bij hem tuus. Maor bedd’n wel. Hij zag ‘t al veur zich. Sliemerige kikkers, aover en deur mekaar kroelend net daor waor hij altied zien hollegie under de deek’ns maakte. Dat hollegie waor hij zich altied veilig vuulde as moe nog eem bij ‘m kwaamp en zij saam het gebettie opzeden. ‘Ik ga slapen ik ben moe.’ Ja, as moe dat zeg dan klöpt ‘t, dacht-ie dan altied. Moe, hij? Nee, muuj, wassie wel ies, bij veurbeeld assie de hiele dag espeuld en in zien tuuntie ewarkt had. Kikkers daor in zien hollegie? Hij griezelde dervan en schudde eem mit zien kop van intense afkeer. Zien moe streek um deur ’t haor en zee: ‘Gaot nog mar eem buuten speulen. Ast donker wordt, koo’j wel naor binnen hè?’


’s Aoms hattie mit de jongn van de buren verstoppertie espeuld. In de zomervakaansie mögie hiel lange op bliem. Daor heuld-ie zo van: die lange zomerdagen waor gien ende an kwaamp, zo leek ‘t wel. En dan in de lange schemertied nog verstoppertie speuln. Int leste zag-ie aoste niks meer, laot staon da’j oen buurmaachie of buurjong zullen vienen. Ja, verstoppertie lag ‘um wel. Maor ’t liefste “was” ie hem dan niet want aj hem “was”, dan muzzie zuuken, opsporen. En teglieke ok nog oppassen dat ’n aander niet achter oen rogge “Verlös” reup bij de buut. Nee, hij verbörg zich liever. Achter de schuren en tussen de boompies waren schuulplekkies genog. En vanaomd “was” zien buurmaachie hem. Dat hadden ze zo beslist met ie wie waai weg.


Langs de slootkaante was ’n briede strooke grös waor de wasliende van moe altied stund, en daor stund ok de rabarber, zo an de raand van de tuun. In de zomer waren dat geweldige plaanten mit blader woar aj wel onder könn’n schuulen veur de regen, zo groot. Hij gunk plat op zien buuk achter die rij plaanten liggen. Het grös kriebelde tegen zien blote bienen en in zien neuze dröng een starke opdringerige geur. Hondsdraf. Die name had-ie pas eleerd van zien grote breur. Die wus zokke dingen. Hij vund ’t maor een rare name. Mar ja, plaanten hadden vaker zokke rare namen. Die boom doar an de slootkaante mit die macht an oranje bessies deran,die neumden ze “ap sap siep”. Hij vund’t het wel grappig, maor het slöt nargens op. Nou, die grote rabarberblaaden zöllen ‘m wel een poosie verbargen veur zien buurmaachie. Ze röp in de varte zo maor in ’t wilde weg: ‘ik zie oe wel heur’, maor daor trapte hij niet in.


Ee’m later reup ze: “Anplak Jan”. Jan was de snöggerste niet bij verstoppertie. Bij aandere dingen ok niet, maor daor gung het nou niet aover. Die dacht, leek’t wel, dat as hij de zuuker niet zag, dat die um ok niet zöl zien as-ie achter een dun morell’nboompie stund. Nou mös Jan zuuken. Eerst tellen tut honderd, moar daor smokkelden ze altied mit. Dat deed iederiene, dat heurde zo. Van iene tu tiene en dan twintug, dartug en zo vört. Tut twintig tellen, want dat deej dan natuurlijk eigenlijks, was ok zat. Buurmachie kwam zien kaante op. Zij mös zich gauw verbarg’n want Jan was haoste bij de honderd. Zij zag mij ligg’n en kwaamp der gauw bij ligg’n. De rij rabarberplaant’n was lange en hoge genog.
Hij drökte zich nog wat platter achter het grote blad. Hij slöt ee’m de ogen umme te genieten van ’t moment. De nog hangende zomerwarmte, mit al die intense geuren umme ‘um hen. Argens hoge in de locht ’t geruststellende egale geluud van een vliegmachien. De cumplete veiligheid die hij ervoer in zien kleine wereld. Zien buurmaachie kreeg ’t in de kop um op dat moment an zien kuut’n te gaon kriebeln met een gröshalm. Zij giechelde toen hij zien bien plöts vertrök. Hij slöt naor de gröshalm en zei zachies: ‘Hol op! Daaluk dan heurt Jan oons nog!’ Dan lagen ze weer stille.


Opiens heurde hij wat. Kwaamp Jan der an? Hij richtte zich half op mit zien kop uut het hoge grös en… keek recht in de waterige oogies van een grote dikke kikkert. In zien beleving was het de grootste kikkert die hij ooit ezien hadde. ’t Biest zat nog gien halve mèter van úm of. Hij zag de sliemerige kèèl op en neer zwoegen. ’t Biest trök traage een poot bie. ’t Leek wel of-ie op ‘um an kwaamp. Wat een monster, dacht-ie. Die briede bek, die lillike lange, kale poot’n, bah! Alles eran vund hij verachtelijk maar tegelieke ok griezelig, héél griezelig.


Mit een gil sprunk-ie aoverende. Hij dacht niet an zien buurmaachie. Zij schrök net zo hard van úm as hij van die dikke kikkert. Hij rilde over zien hiele lief. Hij dacht ok niet an Jan, Die röp triomfantelijk: ‘Nou bi’j derbij mienjonge, ik ep oe eziene! Daor bij de sloot.’ Maor hij heurde et niet iens. Het bloed löp uit zien heufd naor zien bienen. Hij mus eem gaon zitten. Zunder een weurd teeng zien buurmaachie of teeng Jan gung hij in huus. ‘Koom-ie nou al binn’n?’ vreug zien moe. ‘Of bi’j niet lekker? Ie ziet hielemaole bliek.’ Hij ontweek een eerlijk antwoord. Hij kun toch nie zeggen dat-ie bange was voor ’n kikkert? Hij mompelde wat aover ‘gien zin meer’.


En noe zat die kikkert daor in dat kroos opeblaozen te doen. Rotbiest. Zult dezelde wezen? Hij blös zien witte wangen op en dan begunde hij te kwaken, man man wat een lawaai! En dan al die aandere biesten die mit traoge bewegings deur ’t kikkerrit zwömden. Die deden mit in het kikkerkoor. Deur de warmte waren ze tierig. Het waren der veule. Veul te veule. Hij keek um zich hen, zöcht naor een stok of zo. Een entie terogge ‘attie verleên weke een stok neer elegd. Mit de stok in d’aand löp hij naor de plekke waor de kikkerts zaten.


Hij pakte de stok an’t ende beet en höld’em baom ut water. As Mozes en Aäron èn alle magiërs van Egypte de kikvorsen te veurschien könden roep’n, dan kön hij op die maniere de kikkerts misschien wel laot’n verdwien’n. Mit zien stok. Het kwaamp an op ’t gebaar. Hij zweide mit de stok maor der gebeurde niks. Wel höld het harde gekwaak op. Kiek, das was al iets. Nou kön hij temeense zien eig’n aodemhaling weer heur’n.
Veurzichtig deed-ie een klein stappie veuruut. Hij vuulde mit zien voete waor de waterkaante zachte wör. Hij dacht an zien moe die de kiender altied waorschowde veur de bullebak. Die zat in’t water. In de sloot en in de vaort. Die bullebak kwaamp oe griepm a’j te dichte bij ’t water kwaam. Maor dat was toen hij nog klein was en al wat um huus begunde te scharrelen. Hij wus noe wel bèter. Die bullebak bestund helemaole niet! Dat ‘add’n de grote meinsen verzön’n umme de kiender van ’t water weg te holl’’n. Allemaole flauwekul, zul zien va zeggen. Hier kun hij nog staon, maor hij mus wel opass’n aanders kukkelde hij ’t water in. Stel oe veur: bij die kikkerts in het water.Weer zweide hij mit de stok. De kikkerts schrökkn van zien schaduw en deukn onder ’t kroos. Een gevuul van oplochting doalde aover ‘um. Zij waren weg. Hij mus snel achteruut stappn umme zien eêmwicht te bewaarn. Hij keek nog ies achterumme, trots op het resultaot van zien toverkuunsten.


Neuriënd löp hij verder. Eêm een praotie maak’n mit de olde buurman. Die zat as gewoonlijk op het krakkemikkige baankie an de kaante van ’t olde huussie. Ie kön’n zo bij de dakgeute en op de dakpann’n gröiden altied mooie plaanties. Uur’n kön hij hier zitt’n. Kieken hoe ’t lèv’m an um vurbij trök. Heur gesprekkn waren kort en gungn eigenlijks nargens aover.


‘Hoe ist op schoele mien jong?’ Dat vrög buurman altied.
‘Goed buurman.’
‘Doe’j goed oen beste? Ie zit noe zeker bij juffer Daleman hè? Nou, da’s wel een goeie.’
‘Ja buurman. Da’s een goeie juffrouw. Ie leert er veule bij, zeg mien moe.’
Op ien of aandere maniere vuulde hij zich rustig bij d’olde man. Zij kön’n ook gerust een poze zitten zonder woorden.
Nao een poosie zè hij dan: ‘Nou, dan gao’k maor ies weer.’
Buurman knikte. ‘Doet de groet’n an oen olders.’


Altied hetzelde vertrouwde ritueel. Ok dat heurde bij de veiligheid van zien wereltie. Trogge lopend langs ’t water wol hij eigenlijks niet kiek’n of zien wonder mit de stok nog warkte. Bange dat de kikkerts toch weer opedök’n waar’n. Dat ze zich klaor maakten um an laand te koom. In optocht naor zien bedde. Maor natuurlijk kun hij t’niet laot’n toch te kieken. Wat-ie zag was allent iendekroos. Gien beweging te zien. Ok gien stapels dooie kikkerts, zoas in de Biebel. Maor ie könn’n niet alles hebb’n. Dit was al genog wonder. Een last völ van ‘um of. Vanaomd kön hij veilig in zien hollegien onder de deekns kroepen. As moe nao een leste aai aover zie kop weg was, gunk hij droom. Het hollegien onder de deekns wör een schip, een vliegtuug. Aoveral kön hij naortoe. En nargens waren der kikkerts.


Lammert, vertaling december 2020

 


 

 

Kort verhaal

 

Zwarte Kip

 

‘Moe, mag ik naar de buren?’ Sinds kort vond zijn moeder het goed dat hij alleen de honderd meter langs de vaart liep, naar de buren. ‘Als je maar niet te dicht bij het water komt’, riep zijn moeder hem achterna. Ja, ja, anders pakt de bullebak je, vulde hij in gedachten aan. Maar hij riep terug: ‘Jahaa.’ De buren waren twee oude mensjes, die in een nog ouder huisje woonden. Hoge eikenbomen drongen het kleine huisje nog dichter tegen de grond leek het wel. Alles aan het huis was oud en wrak. De dakpannen gingen schuil onder een dikke laag mos. Alleen de voorkant van het huisje was van steen, de achterkant van ruwe planken. De hond gromde lelijk tegen hem, maar hij wist dat die goed vast zat. Hij duwde tegen de kale planken deur opzij van het huis. Die klemde behoorlijk. Hij zette zijn tengere schouder ertegen en stond op de deel van het achterhuis. Die was van vastgestampt leem, had hij pas geleerd van zijn broer. Die wist alles. Maar die was ook veel ouder. Dan moest je ook wel alles weten. De geiten in het hok links mekkerden tegen hem. In het halfduister liep hij erheen en gaf ze wat hooi dat er op een hoop klaar lag. Meteen schoot er ritselend iets weg. Een muis, dacht hij. Of een rat? De geiten vonden het hooi lekker en hij greep ondanks de muis nog een handvol. Hij dacht dat de geiten lachend naar hem keken, maar hij wist ook wel dat geiten altijd zo’n vreemde lach-grimas leken te hebben. 

De woonkamer was nog kleiner dan die bij hem thuis. En het rook er een beetje vreemd. Geen wonder met die geiten, dacht hij. Hij moest er niet aan denken dat hij onder hetzelfde dak moest slapen met vier geiten. Met alleen een deur ertussen. Nou, twee deuren, want de oudjes sliepen in de bedstee in de kamer. En daar zaten ook nog deurtjes voor. ‘Zo’, zei de oude vrouw toen hij de piepende kamerdeur openduwde. De deur ging vanzelf dicht door de veer die er boven aan vast zat. Die maakte dan altijd zo’n leuk muzikaal geluid. Zo’n veer aan de deur hadden ze thuis niet, dacht hij met spijt. ‘Ben jij daar? Kom je Nieuwjaar winnen? Dat is goed, dat is goed’, herhaalde de oude vrouw. De man stond stram op uit zijn stoel en trok een grote leunstoel onder de grote spiegel wat dichterbij. ‘Ga hier maar zitten jonkie.’ De stoel veerde prettig. Hij kon net met zijn tenen bij de vloer. ‘Ja, gelukkig Nieuwjaar’, zei hij. ‘Ja, ja, dat hopen we dan maar weer hè’, kraakte de oude vrouw. Ze droeg als altijd een grote, morsige schort met grote bloemen die de meeste vlekken camoufleerden. Daaronder zwarte kleren tot op de enkels. Hij had wel eens gezien dat ze daaronder dikke zwarte kousen aan had. De grijze haren zaten in een knotje op haar achterhoofd. Op haar kin een grote wrat waarop drie lange haren stonden. Naar die wrat moest hij altijd kijken, of hij wilde of niet. In een sprookjesboek had hij de heks zo afgebeeld gezien. Maar buurvrouw was geen heks. Ze was juist heel aardig. Nou waren heksen misschien in het begin ook wel aardig, maar later in een verhaal niet. Heksen waren eng. Maar de oude buurvrouw vertrouwde hij. Altijd als hij kwam, kreeg hij wat lekkers. De beide oudjes waren altijd erg aardig voor hem. 

‘Je lust zeker wel een paar nieuwjaarsrolletjes, hè?’ Hij knikte. Ja, die lustte hij wel. Hij wist dat ze die hier zelf bakten, met een groot ijzeren wafelijzer. Dat was heel zwaar. Hij had wel eens mogen helpen. De nog warme wafel rolde je dan met een glad, vettig gemaakt houten stokje tot een rolletje. Als de wafel droog was, was hij heerlijk knapperig en zoet. Als ze nog warm waren, smaakten nieuwjaarswafels hemels. Bij hem thuis bakte zijn moeder knieperties. Die waren ook heel lekker, maar zo’n rolletje was toch… tja, spannender. De oude vrouw kwam met een schoteltje met daarop drie rolletjes. Zo, dacht hij. Drie! 

De oude vrouw rook wat vreemd als ze dichtbij je kwam. Waar zouden ze zich wassen, bedacht hij. In dat kleine lage keukentje hiernaast, waar alleen een koperen kraan uit de muur stak? Hij zelf mocht op zaterdag in de wasteil, in de winter knus bij de snorrende kachel. Maar buurvrouw in de wasteil kon hij zich niet voorstellen. Hij moest in zichzelf lachen bij de gedachte. Dat moest dan wel een heel grote wasteil zijn, dacht hij al fantaserend. Zo groot maakten ze die vast niet. De oude buurman spoot een straal bruin tabakssap uit zijn mond in een bak die schuin onder de tafel stond. Het meeste kwam wel in de driehoekige bak terecht. De oude man kauwde op pruimtabak. Langs zijn kin liep nog een klein straaltje sap op zijn blauwe trui. Met zijn mouw veegde hij het geroutineerd weg. De mouw van de trui had naast blauw allerlei onbestemde kleuren. 

Maar de rolletjes smaakten goed. De vrouw stond tevreden met de handen op haar brede heupen te kijken hoe hij de rolletjes wegwerkte. ‘En wat wil je nog hebben jong?’ vroeg de oude baas. ‘Geef de jongen maar een glaasje Zwarte Kip’, zei hij tegen de vrouw. De vrouw knikte instemmend. ‘Ja, dat lust je toch wel?’  Hij had wel eens gezien dat zijn tante een glaasje van die gele pudding kreeg als zijn vader of moeder jarig waren. Met een lepeltje was ze dan een hele tijd bezig voor ze dat kleine glaasje leeg had. Hij dacht wel eens: zou ze de pudding na het avondeten ook zo langzaam eten? ‘Ik weet niet’, zei hij. ‘Ik heb het nooit gehad. Ik weet niet of moe dat ehh…’ ‘Ach, jong, een glaasje advecoat is goed voor je. Goed tegen de kou. Want koud is het, toch?’ Ja, op de vaart lag het eerste ijs van deze winter. En de modder van het zandpad erlangs was vannacht in lelijke ribbels en bobbels hard geworden. Je verzwikte bijna je voet als je er verkeerd op stapte. Koud was het. 

‘Nou, dan.’ De oude vrouw schommelde naar een kast en haalde daar een fles uit die nog half vol gele pudding was. Op het etiket zag hij een kip. Een zwarte kip. Zo zwart waren de kippen van de buren niet, die waren bruin. De vrouw schroefde de dop eraf. Er zat wat donkergeel verdroogd spul langs de rand van de fles. De dop was een beetje vast gaan zitten. Ze hield met een enigszins bevende hand de fles boven het glaasje. Er kwam niets. ‘Ach’, zei ze, ‘ik pak een theekopje. Dat gaat beter.’ ‘Kom’, zei de oude man, ‘laat mij maar even schudden. Je moet altijd eerst schudden, dat weet je toch.’ Daarna kwam de gele pudding er met kloddertjes uit en ze vielen bijna allemaal in het theekopje. Tot er niet meer bij kon. Een klodder viel ernaast op het tafelzeiltje. De oude vrouw streek het met haar bruine vinger op en likte het gele eraf. ‘Hier’, zei de vrouw, ‘een lepeltje erbij. Eet maar lekker op, jonkie.’ Hij pakte het kopje van het tafelzeiltje; het plakte een beetje, het zeiltje kwam even mee omhoog. Het spul smaakte zoet en zacht in zijn mond, en ook een beetje prikkelend. De oude man en zijn vrouw zaten goedkeurend toe te kijken. ‘Ja, dat gaat er wel in hè?’ zei de oude baas met een vriendelijke glimlach. 

De kat sprong spinnend op zijn schoot. Gelukkig was het kopje bijna leeg. Hij zette het weer op het plakkerige tafelzeiltje. Hij krauwde de poes onder zijn kop. Het dier had het naar zijn zin, het begon hard te spinnen. Zijn gedachten dwaalden af. Thuis hadden ze geen dieren. De buren aan de andere kant wel. Konijnen en kippen. Hij voerde de beesten graag. Voor de konijnen zocht hij brede weegbreebladeren en de kippen waren dol op gras maar nog meer op muur. Nou, dat groeide volop op het grote erf. Dieren waren leuk. Hij vond het jammer dat de hond hier altijd zo tekeer ging. Anders zou hij die ook wel eens willen aaien. 

‘Ik heb er nog wat in gedaan hoor, jonkie. Je vond het lekker, toch?’ Hij zag het kopje op tafel. Het was weer helemaal vol. ‘Nou, ik weet niet ehh…’ aarzelde hij. Hij had het vage vermoeden dat zijn moeder het niet goed vond als hij nog een kopje van dat prikkelende spul opat. ‘Mijn moe…’ begon hij. ‘Och, je bent toch al een grote jongen? Je gaat toch al naar de grote school?’ ‘Ja, al een poosje’, zei hij. ‘Ik zit in de eerste klas. Bij juffrouw Groenewegen.’ ‘O, da’s een goeie juf’, zei de oude man, goedkeurend knikkend. ‘Die is er al heel lang.’ Hij knikte. Ja, hij vond de juf aardig. Met de herfst had hij een grote bos dahlia’s voor haar meegenomen. De hele vensterbank van het klaslokaal had vol gestaan met dahlia’s, want hij was niet de enige die de juf aardig vond. En die dahlia’s in de tuin had. 

‘Hier, neem dan ook nog een rolletje, dan valt het er beter in. Toe maar.’ Hij kwam er niet onderuit. Hij begon te lepelen. Raar was dat. Het eerste kopje smaakte beter dan dit. Maar hij lepelde net zo lang tot het theekopje weer leeg was. Toen hij voorover boog om het kopje op tafel te zetten, werd hij even duizelig leek het wel. Gelukkig draaide de kamer weer in de goede positie terug. 

‘Zo’, zei hij, ‘en nou ga ik naar huis.’ Hij stond op uit de grote leunstoel maar zakte meteen terug. Zijn ogen deden raar. En zijn benen ook, zo leek het wel. Hij lachte. Waarom wist hij zelf niet. Zeker omdat de wereld om hem heen ook een beetje raar deed. De spullen in huis stonden niet vast op hun plaats, leek het.  ‘’t Was lekker buurvrouw. Dank je wel. Ik kom morgen nog even de schillen brengen voor de geit.’ Met onzekere stappen bereikte hij de deur. Buiten leek de prikkelende koude vrieslucht zijn gloeiende wangen wat te koelen. Op het pad langs het water, waar een dun laagje ijs op lag, moest hij zijn ogen goed op het pad houden. Het leek wel of zijn benen ergens anders heen wilden dan zijn ogen. Bijna viel hij om toen hij verkeerd op een bevroren zandhobbel stapte. Hij vond het wel grappig. Hij werd er zo vrolijk van dat hij begon te zingen. Een liedje dat de juf hun had geleerd. Eerst zong hij zachtjes voor zich uit, maar hij hoorde zijn stem allengs luider worden. Vreemd, hij zong anders niet vaak hardop, thuis. 

Moeder keek hem verbaasd aan toen hij het achterhuis binnenkwam. Daar was het behaaglijk warm. Het fornuis stond te snorren. De warmte omhulde hem als een warme deken. Maar de warmte bracht hem van zijn stuk, leek het wel. Buiten in de kou voelde hij zich beter.  Hij zeeg neer op een stoel. ‘Wat is er met jou?’, vroeg zijn moeder verbluft. ‘Waar ben je geweest? Was jij dat die daar zo liep te zingen? Wat is er gebeurd?’ Zoveel vragen, dacht hij en kreunde, het duizelde hem. ‘Pudding’, zei hij. ‘Lekkere gele pudding gehad. En nieuwjaarsrolletjes. En de poes. En konijnen en kippen.’ Zijn moeder keek hem niet begrijpend aan. ‘In vredesnaam’, riep ze. ‘Wat heb je gehad bij Olde Jaante?’ ‘Nou, pudding’, bracht hij nog eens uit. ‘Pudding, gele pudding!’ riep zijn moeder verontwaardigd. ‘Heb je soms advocaat gehad?’ ‘Ja, ja, advecaot’, zei hij. ‘Er stond een zwarte kip op het papiertje op de fles’, murmelde hij. Blij dat hij het goede antwoord wist. ‘Zie je wel!’ zei zijn moeder. ‘Zwarte Kip advocaat. Voor een jongen van net zes. En hoeveel wel dan?’ ‘Nnnou, een glaasje. Een kopje’, verbeterde hij aarzelend. ‘Een kopje?!’ Zijn moeder werd steeds opgewondener. Hij begon te vermoeden dat dit niet goed af ging lopen. ‘Enneh… toen nog eentje. Want dat moest van Olde Jaante.’ 

‘Dat moest! Dat moest!’ herhaalde zijn moeder, nu boos wordend. ‘Je bent toch wel goed! Je bent nog een kind!’ Hij wilde dat ze ophield met haar vragen. Hij wilde eigenlijk het liefste liggen. Zijn hoofd was zo vol dat zijn ogen er niet meer in leken te passen. Plotseling begon zijn maag ook nog vreemd te draaien. Het was hier ook zo warm. Wie stookt er nou de kachel ook zo heet op, dacht hij. Hij voelde dat het niet goed ging. Het leek wel of-ie ineens ziek werd. ‘Moe… ik moet geloof ik overgeven’, bracht hij uit. Moeder greep in de gauwigheid naar het afwasteiltje. Ze drukte het hem in handen. De rolletjes en de gele pudding kwamen in een golf naar boven. Schokkend leegde hij zijn maag. Zijn moeder keek toe. Hij voelde zich ellendig maar deze keer leek zijn moeder geen medelijden te hebben. Niet zoals toen hij een poosje geleden de mazelen had. Ze keek hem onderzoekend aan. Maar in haar ogen dacht hij toch ook een glimmertje te zien. ‘Zo!’ zei ze spottend. ‘Dat zal je wel leren advocaat te eten!’


 

Zwarte Kip

Hetzelfde verhaal maar dan vertaald in het Zuid-Drents, onderdeel van het Nedersaksisch

 

Kort verhaal in de Zuud-Dreinse taol

Zwarte kip

‘Moe, ik gao eem naor de buurn.’
De buurn dat waren niet de meinsen die net naost heur woonden, maar die aan de aandere kaante, een meter of 200 verderop. Sinds al een poossie vund zien moe het goed dat-ie allent dat stuk langs de vaort löp. Maor hij mus dan wel melden dattie weg gunk.
‘Jao, da’s goed. Ie bint noe zo langsamerhaand wel snogger genog daj niet in zeum slootn teglieke loopt.’
Zeum slootn? dacht-hij. Hij kende allent het water veur ’t huus en de kleinere sloot dernaost.
‘Aj maor nie te dichte bij ’t water koomt,’ röp zien moe hum nog achternao.
Ja, ja, aanders pakt de bullebak oe, vulde hij in gedachten an. Maor hij röp terogge: ‘Jahaa.’


De buurn waren twei olde meinsies en die woondn in een nog older huussie. Hoge iekenboom’m dröngn het kleine huussie nog dichter naor de grond, zo leek het wel. Het dak was zo lege, dat zelfs hij der bij kun. Alles an het huus was old en wrak, maor het stönd er toch al jaoren. De dakpann zaaten onder een dikke laoge mos, mooi gruun mos. Allent de veurkaante van het huus was van stien, achteran waren het ruge, zwart getèèrde plaankn. De hond gromde lillik teegn hum maor hij wös dat die goed vaste zat. Toen hij hier verleden jaor kwaamp, samen mit moe, hadden de buurn nog een heel lieve hond, Pluto. Doar kundie alles mit doen, die worde nooit kwaod. Toen kwaamp hij zo vake meugelik met Pluto speulen. Maor disse nije hond, boe, die gunk tekeer aj deran kwaam. Daor wo’j bange van.


Hij zette zien scholder teegn de ruw holten deure op ziet van het huus. Het huus had wel een veurdeure, maor die gebruukten ze nooit, bij humzelf thuus ok niet. De meinsen zèeden die die veurdeure allent gebruukt worde, as der een dooie deur mös. Dus ie muzzen wachten tut aj dood waren um deur de veurdeure te gaon, raar vund ie dat. De deure klemde altied en hij was bange datie een keer te hard zul douwen, dat de deure kapot zul gaon. Toen stund hij op de dèle van het achterhuus. De vloere was van vast angestaampt leem. Dat had ie pas eleerd van zien grote breur, die wös alles. Veule meer dan hij. Maor ja, die was ok older, dus ja, dan mug het ok. Dan muzzie wel alles weten. Leem, ja dat vund jij ok wel ies as ze een diepe koele graafden in het eerappellaand, as der ’s winters niks op ’t laand stund. Rood speulzaand vun-ie dan en soms van dat broene, dat neumden de buurkiender koffiezaand en ja, soms ok wat leem.


De geitn in het hokke links mekkerden teegn hum. Die kenden hum wel, want hij gaf ze altied wat heuj dat baom op het hokke lag. Of de eerappelschellen die hij had mit eneumen. In ’t half duuster gaf hij ze noe ok wat heuj dat op een bultie klaor lag op de dèle. Mitiene scheut er ritselend wat weg bij zien haand. Een moes zeker. Toch gien rotte? Rotten was ie bange veur, die kunn oe ziek maakn, had hij eleerd van zien va. De geitn smikkelden van het heuj en hij greep nog een haantievol, ondanks de moes. Hij dacht altied dat de geitn lachend naor hun keekn, maor hij wus ok wel dat die altied lachten. Nou, zoveule was er niet te lachen, hier in dat stinkende achterhuus. ’s Zomers, ja, dan stundn ze buutn in het gröslaand tussen alle bluiende weideblommen, dat leek hum wel lekker, als geite.


De woonkamer was veul kleiner dan die bij hum thuus. En het rök er altied een beetie vrömd, vund hij. Gien wonder ok, mit die geitn onder ien dak. Hij mös er niet an deinken dat hij mit veier geiten onder hetzelde dak mös slaopen. Mit allent iene deure ertussen. Nou, eigenlijks hier twij deuren, want de olties sleupen in de beddestee in de kamer en daor zaten nog weer twij deurties veur. Het leek hum heel knus umme in zoen hokkie te slaopen, mar zien moe griezelde dervan. ‘Gelokkig dat wij dat niet hoeft,’ zee ze altied.
‘Zo,’ zee de olde vrouwe toen hij de piepende kamerdeure lös douwde. Die deure vund hij machtig interessant, want der zat an de baomkaante een vère an, zodat de deure vanzölf dicht klapte. Die vère maakte altied een leuk geluutie. Zoen deure mit een vère addn ze thuus niet, bedacht hij mit spiet.
‘Zo,’ bin ie daor mien jong? Ie koomt zeker nijjaor winnen hè? Da’s goed,da’s goed. Goat maor zitten. En nog veul heil en zeegn.’ De olde buurman stund meuizaam op uut zien leunstoel en trök een stoel onder de grote spiegel wat dichterbij.


‘Gaot hier mor zitten, jong.’ De bolle zitting van de stoel vèerde prettig, hij kun net mit zien tienen bij de vloere koomn.
‘Ja, nog een gelokkig neij-jaor,’ zee hij, want het was al een paar daagn in het nije jaor.
‘Ja, ja, dat haope wij dan mor weer hè,’ kraakte ‘t olde meinse. Zij dreug as altied een morsige schort mit grote blommen, d’ aj de vlekken niet zo gauw zaagn. Deronder dreug ze zwarte kleern tut op de enkels. Heur grieze haoren zaatn in een knottie op heur achterheufd. Op heur kin zat een grote wratte waor drij haoren op stunden. Daor mussie altied naor kieken, of hij noe wilde of niet. In een sprookiesboek hattie eleezn dat zoen vrouwe altied een hekse was. Maor de buurvrouwe was gien hekse. Zij was juust hiel aordig. Nou waren heksen misschien in ’t begun ok wel aordig maor later in ’t verhaal nie. Heksen waren eng. Maor de olde buurvrouwe vertrouwde hij. Altied assie kwam, kreeg hij wat lekkers. Zien moe vund dat hij daor verwend worde, maor ze zee der verder niks van. De beide olties waren altied heel aordig veur hum.


‘Ie lust zekers wel een paar nij-jaorsrollegies hè?’ Hij knikte, ja die lustte hij wel. Zeker die hij hier kreeg want hier baktn ze de rollegies nog zölf, die waren lekkerder dan die uut zoen deuze uut de winkel van Vos. Hier bakten ze mit een groot zwart wafeliezer baom ’t fornuus. Dat iezer was heel zwaor, hij had wel ies meugen helpen. De nog warme wafel muzzie dan op een glad vettig stokkie rollen en er weer of schoeven assie wat was of ekoeld. As de wafel helemaole dreuge was en hard dan smeuk hij heel lekker knapperig en zuute. Bij hum thuus bakte zien moe knieperties. Dat was wat makkelijker. Die waren ok heel lekker, maor zoen rollegie was toch… joa, wat spannender. De olde vrouwe kwaamp mit een schötteltie mit drij rollegies. Drij! Hij vergat niet umme dankoewel te zeggen zo assie eleerd had.
Jao, jao, ’t is goed,’ zee ’t olde meinse glimlachend.


De buurvrouwe rök wat vrumd, as ze dichte bij oe kwaamp. Bij hum thuus hadden ze sinds kört een echte douche, wel zunder verwarming, maor aj onder de waterstrale staot mit warm water uut de geizer, vuul ie toch gien kolde meer. Maor woor zulln disse meinsen zich dan wassen, bedacht hij noe zomaor. In dat kleine keukentie mit de lege zoldering hiernaost, woor allent een köperen krane uut de mure stak? Tut veur kort much hij op zaterdag in de wasteile, in de winter knus bij de snorrende kachel. Maor buurvrouwe in een wassebalie, dat kun hij zich niet veurstellen. Hij mus in zichzölf lachen bij de gedachte. Dat mus dan wel een hele grote wassebalie wezen dacht hij al fantaserend. Zo groot bestunden die helemaole niet.


De olde buurman wekte hum uut zien gedachtenstroom. Hij spijde een straole tabakssap zo uut de mond in een dreihoekige bak die half onder de taovel stund. Het meeste van het vieze tabakssap kwaamp wel in de bak terechte. De olde man kauwde op proemtabak. Langs zien kin löp nog een klein straoltie sap op zien blauwe trui. Mit zien mouwe veegde hij het geroutineerd weg. De mouwe van de trui had naost blauw allerlei onbestemde kleuren.
Maor de rollegies smaakten goed. De vrouwe stund tevreden lachend mit de haanden in de ziet te kieken hoe hij de rollegies wegwarkte. Dat völ nog niet mit want zij brokkelden altied argens aanders dan aj dachten.


‘En wat wi’j nog meer ebben, mien jonkie?’ vreug d’olde baos. ‘Geef de jong maor een glassie Zwarte Kip’, zee hij teegn zien vrouwe. Die knikte instemmend.
‘Ja, da’s goed. Dat lussie toch wel?’
Hij had wel ies eziene dat zien tante een glassie van die gele pudding kreeg, as zien moe jaorig was. Zwarte Kip neumden ze dat spul want der stund een zwarte kiepe op het papiertie op de vlesse. Mit een lepeltie was zien tante dan een hiele poze bezig um dat glassie leeg te kriegen. Hij dacht dan wel ies: zul ze de gele vanieljepudding ’s zundags nao de bonensoep ok zo traoge naor binnen lepelen?
‘Ik weet nie,’ zei hij naor waorheid, ‘ik heb het nog nooit ehad. Ik weet nie of mien moe dat ehh….’
‘Ach jong, ie gaot toch al naor de grote schoele? Dan maggie best een glassie ebben. ’t Is goed veur oe, zoen glassie advekaot, goed teegn de kolde. Want ’t is wel kold hè?’ Ja dat was zo. Op de vaort veur ’t huus lag veur het eerst vant winter ies. En de modder van het zaandpad ernaost was vannacht in lillike ribbels en hobbels vaste evreurn. Ie verzwikten de voete haoste aje der verkeerd op stapten. Ja, kold was ‘t.


‘Nou dan.’ ’t Olde meinse schommelde naor de kaste en haalde daor een flessie uut dat nog half vol met gele pudding zat. Op ’t etiket zag hij een kiepe. Een zwarte. Zo zwart waren de kiepen van de buren niet, die waren broen. De vrouwe schroefde de doppe deraf. Der zat wat donkergeel verdreugd spul langs de raand van de vlesse. De doppe was er een beetie van vaste gaon zitten. Zij höld met een beetie bee’mde haand de vlesse baom het glassie. Er kwam niks uut.
‘Ach,’ zee ze. ‘Ik pakke wel een theekoppie. Dan kan’k wat bèter schudden.’
‘Kom,’ zei de olde man, laot mij maor èem schudden. Ie mut altied eerst schudden, dat weet ie toch!’ Toen kwaamp het gele spul mit klodderties deruut en het meeste völ wel in het theekoppie. Iene dikke klodder völ op het taofelzeiltie. De vrouwe streek het mit heur rimpelige broene vinger op en likte het van heur vinger.
‘Hier’, zei de vrouwe, ‘hier he’j der een lepeltie bij. Nou, eet er maor lekker van mien jong.’ Hij pakte het koppie van het taofelzeiltie. Het plakte een beetie, het zeiltie kwaamp mit ’t koppie naor baom en löt mit een zucht lös. Het spul smaakte zuute en zachte in zien mond, maor toch ok prikkelend.


‘Dat giet er wel in hè?’ lachte de olde baos. Hij en zien vrouwe zaatn goedkeurend te kieken hoe hij ’t spul binnen lepelde. De katte sprung spinnend op zien schoot. Gelokkig was het koppie haoste leeg. Hij zette het terogge op taofel. Hij krauwelde de poes onder zien hals. Die begunde nog harder te spinnen. Zien gedachten dwaalden af. Thuus hadden ze gien dieren. De aandere buren wel. Knien’n en kiepen. Hij voerde ze graag. Veur de knien’n zöcht hij knieneblader en de kiepen waren gek op miere. Nou dat greuide aoveral volop op hun grote erf. Dieren waren leuk. Hij vund het jammer dat hier de hond altied zo tekeer gunk, aanders hattie die ok wel willen aaien.
‘Ik hebbe der nog wat in edaone heur. Ie vunden het lekker toch?’ Hij zag het koppie op taofel staon, het was weer net zo vol as de eerste keer.
‘Nou, jawel maor ik weet nie, ik ehhh…’ Hij had het vage vermoeden dat zien moe het niet goed vund dat-ie nog een koppie van dat prikkelende spul nam. ‘Mien moe…’ begunde hij.
‘Och, ie bint toch al een grote jonge, ie gaot jao al naor de grote schoele.’
‘Ja, al een poossie. Ik zitte bij juffer Smallenbroek in de klasse.’
‘O, da’s een goeie juffrouw, die is der al hiel lange. D’eerste klasse zeker hè?’
Hij knikte, ja hij vund de juffrouw hiel aordig. Mit de harfst hattie een grote bos daliassen veur heur mit eneum. De hiele veinsterbaank van ’t lokaal had vol estaone mit daliassen. Want hij was tut zien spiet niet de ienige die de juffrouw aordig vund. En die daliassen in de tuun had.


‘Hier, neem dan ok nog een nij-jaorsrollegie, dan valt het er bèter in. Toe maor.’ Hij kwaamp der niet onderuut. Hij begunde weer te lepelen. Raar was dat. Het eerste koppie smeuk bèter dan dit. Maor hij lepelde net zo lange tut het koppie weer leeg was. Hij kun zich toch niet laoten kennen? Toen hij veuraover beug um het koppie op de taofel te zetten, begunde de kamer te dreien. Het leek warempel wel of-ie duuzelig worde. Gelokkig dreide de kamer weer in zien goeie positie terogge.
‘Zo’, zei hij, ‘En nou gao’k naor huus.’ Hij stund op uut de grote leunstoel maor zakte mitiene weer terogge. Zien bien’n deden raar, zij leken wel van elestiek. En zien oogn, het leek wel of hij ze niet goed kun richten. Hij lachte. Waorumme wus hij zölf niet. Zeker umdat de wereld umme hum hen ok raar deed. De spullen in huus stunden niet vaste op de plekke leek het wel. Hij zweefde ertussendeur, leek ‘t wel. Hij mus erumme grinniken.


‘’t Was lekker buurvrouw, daank oe wel. Ik kome morgn de eerappelschellen brengen veur de geiten.’ Mit onzekere stappen bereikte hij de deure. Buuten leek de prikkelende kolde vrieslocht zien gloeiende wangen wat af te koelen. Op het pad langs het water waor een dun laogie ies op lag, mus hij zien oogn goed op het pad proberen te holden. Hij wus niet hoe hij ’t hadde. Het leek wel of zien bien’n argens aans naortoe woll’n dan zien oogn. Hij völ haoste umme toen hij verkeerd op een bevreuren richel stapte. Hij vund het wel grappig. Hij wör der zo vrolik van dat hij begunde te zingen. Een lietie dat juf hun had eleerd. Eerst zung hij zachies, maor allengs harder. Hij heurde zien eigen stemme en dat vund hij eigenlijk wel vrumd. Hij zung aanders nooit zo hardop, thuus. Allent in de karke en op schoele.


Zien moe keek hum veraldereerd an toen hij ’t achterhuus in kwaamp. Daor was’t lekker warm. Het fornuus stund te snorren. De warmte omhulde hun as een warme dèken. Maor de warmte bracht hum mitiene ok van zien stuk, leek het. Buuten in de kolde vuulde hij zich bèter. Hij zeeg neer op een stoel. Opiens was hij hiel muui.
‘Wat is der mit oe? Waor bi’j ewest? Was ie dat die daor zo leup te zingen? Wat is der gebeurd?’
Zoveule vraogen, dacht hij en kreunde, het duuzelde hum. ‘Pudding’, bracht hij uut. ‘Lekkere gèle pudding ehad van olde Jaante. En nij-jaorsrollegies. En de poes. En knien’n en kiepen.’
Zien moe keek hum niet begriepend an. ‘In vredesname, wát hij ehad bij olde Jaante? Púdding?’
‘Nou, gèle pudding. Uut een vlesse. Een zwarte kiepe stund derop.’
‘Pudding, pudding! Hebt ze oe soms advekaot evoerd? ’t Zal toch niet hè. Zij bint toch wel wiezer?’
‘Ja!’ zei hij, bliede umdat hij zien moe geliek kun geven. ‘Ja, a-advekaot. Der stund een mooie zwarte kiepe op het papiertie op de vlesse, moe.’
‘Zie noe wel! Toch! Zwarte Kip advekaot. Veur een jongen van zes jaor! En hoeveule he’j wel ehad dan?’
‘N-nou, een glassie. Of nee, ’t was een theekoppie want de pudding wol niet uut de vlesse in’t glassie. Wel in ’t theekoppie.
‘Een theekoppie vol advekaot!?’ Eerst was zien moe gewoon veraldereerd, maor noe leek ze wel kwaod te worden. Hij kreeg een vermoeden dat dit niet goed of gung lopen.
‘Ennehhh, toen nog ientie. Want dat mus van olde Jaante. ‘
‘Nog ientie, twij dus! Dat mus. Dat mus!’ herhaolde zien moe. ‘Ie bint toch wel goed! Ie bint nog een kiend!’ Zij schudde heur heufd en zei nog ies: ‘Twij koppies advekaot! Hoe koo’j derbij um dat an te nèmen?’


Hij wol dat ze ophöl mit heur vraogen. Hij wol eignlijk ’t liefste gaon liggen. Zien kop was zo vol dat zien oogn der niet meer in leken te passen. Opiens begunde zien mage ok nog vrumd te dreien. Het was hier ok zo warm! Wie staokt der nou de kachel zo hard op, dacht hij.
Hij vuulde dat het niet goed gung. Het leek wel of-ie iniens ziek wör. ‘Moe! Ik mut geleuf ik spijen’, bracht hij uut. Zien mage kwaamp al naor baom. Moe greep in de gauwigheid het ofwasteiltie. Ze drokte het hum in de haanden. Daor kwamen de rollegies en de gèle pudding in een golf naor boam en der uut. Schokkend maakte hij zien mage leeg.

Zien moe keek toe. De haanden in de ziet. Hij vuulde zich ellendig. Maor disse keer leek zien moe gien medelieden te hebben. Niet zo as toen hij een poze geleden de mazelen had. Noe keek zij hum onderzuukend an. Maor in heur oogn dacht hij toch een glimmertie te zien toen ze spottend zei:
‘Zo! Dat is deruut! Dat zal oe wel leern advekaot te èten!’

 

 


 

 

Kort verhaal

Turf

Het was nog pikkedonker geweest. Maar het onweer kwam snel dichterbij. De flitsen maakten het zelfs voor een moment helder, binnen in de slaapkamer. Dan kon hij de tekst op de prent aan de muur lezen: ‘Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.’ De deur ging zachtjes open, zijn moeder raakte hem aan bij de schouder. ‘Ben je wakker? Je moet er maar uitkomen.’ ‘Is het al tijd dan?’ vroeg hij. ‘Nee, maar het onweer… Je moet eruit. Kom, trek maar even je trui en je broek aan.’ Slaapdronken wankelde hij naar de stoel waar zijn kleren lagen. Hij kon alleen iets zien bij het licht van de bliksemflitsen. Het knopje van het elektrisch licht deed het niet. Hij wist dat vader bij naderend onweer meteen de stop uit de “elektrische meter” draaide. Snel schoot hij in zijn broek, eerst twee benen in één pijp, en een trui over het pyjamajasje en kwam de woonkamer binnen. Zijn zus en broer zaten er al, om de tafel bij een flakkerende petroleumlamp. De lamp stond op een oude krant op het tafelzeiltje en gaf een gelig, wat spookachtig licht. 

Vader stond bij het raam en gluurde langs het gordijn naar buiten. ‘Kom toch bij dat raam vandaan. ’t Is gevaarlijk daar, dat weet je toch.’ Vader liet het gordijn terugvallen en zakte in zijn stoel. Niemand sprak. De bliksemflitsen kwamen nu heel snel achter elkaar en na de meeste kwam een krakende donderslag. Soms vlak nadat het geflitst had. Dan kromp hij onwillekeurig in elkaar, dat was gevaarlijk, had hij al geleerd: als er zo weinig tijd tussen zat dan was het dichtbij. Een paar donderslagen kort na elkaar deden de ruiten rinkelen. ‘Nou, ’t zal een wonder zijn als dat niet ergens ingeslagen is.’ Moeder keek naar vader maar zei niets. 

Na een poos werd het minder. Hij zat te knikkebollen bij tafel. Vader pakte een boek en probeerde bij het flakkerende licht wat te lezen. Moeder pakte het platte kistje met waardepapieren en zette het terug in een la van het kabinet. Z’n broer ging buiten kijken. Hij wou mee want na een onweersbui rook het altijd zo lekker, maar moeder stuurde hem met haar ogen. ‘Morgenvroeg moet je er heel vroeg uit. Kom, ik stop je even in.’ In zijn nog warme bed, hoorde hij de bui nu snel wegtrekken. Na een paar donderslagen, steeds verder weg, sliep hij. 

Voor zijn gevoel werd hij even later al weer wakker gemaakt. ‘’t Is half vijf’, zei zijn moeder zachtjes. ‘Weet je zeker dat je mee wilt?’ Hij was meteen wakker. ‘Ja natuurlijk’, ik wil mee.’ Zo’n kans kreeg hij meteen niet weer. Dit gebeurde altijd maar één keer per jaar. En nu was het voor het eerst dat hij mee mocht. Dat kon je niet laten lopen. Het elektrisch licht deed het weer. Moeder was in het achterhuis aan het redderen. Z’n broer zat aan de tafel een plakje brood met smolt te eten. ‘Wil je echt niet, je moet toch wat eten,’ drong zijn moeder aan. Maar zo vroeg kreeg hij geen hap door z’n keel. ‘Nou, neem dan in ieder geval dit pakje brood mee. En wel opeten hè!’ Zijn broer stond op: ‘We moeten gaan.’ Moeder deed de achterdeur achter hen weer op de grendel. 

Het was tintelend fris buiten, de zon kwam net roodachtig boven de horizon uit, boven het woonwagenkamp ergens in de verte. De vogels floten zoals ze de rest van de dag niet meer zouden doen. Het rook intens naar alles wat er groeide in deze weelderige zomer, want alles was nog nat van de onweersbuien van vannacht. De zon parelde in de druppels aan de kamperfoelie bij de schuur. Het verdampende water bracht allerlei geuren in de lucht die je anders niet zo rook. Hij stapte snel achter zijn broer aan, probeerde diens grote stappen bij te houden. Nu en dan moest hij even op een holletje. ‘Loop toch niet zo hard’, mopperde hij. Zijn broer keek even naar hem om. ‘Vader staat dadelijk te wachten op de straatweg, dan moeten wij er wel staan.’

Voor het vonder over de wijk sloegen ze rechtsaf. Het pad langs de wijk lag vol plassen. Hij probeerde eromheen te lopen of overheen te springen, maar dat was lastig, want het hoge gras langs het pad en de kruiden die er tussen groeiden, waren door de regen zwaar gaan overhangen, dus het pad was nog smaller dan anders. Pats, daar had je het al. Zijn klomp had water geschept in een plas die dieper was dan hij ingeschat had. Nu zat hij met een natte modderige sok. Hij had geen tijd om er iets aan te doen, keerde alleen de klomp even om, om het water eruit te laten lopen. Hij moest spurten om zijn broer weer in te halen. 

Bij de boer aan het eind van de wijk was het helemaal een vieze prut. De dunne mest uit de mestvaalt naast het pad lekte altijd al over het pad de sloot in, maar nu waren de plassen bruin van de mest. Het was één grote modderprut. De ouderwetse mestvaalt met veel stro erin rook zwaar zoet en kruidig. Hij probeerde om op de smalle plank te blijven lopen die de boer er had neergelegd om de modder enigszins droog over te kunnen steken. Met zijn armen zwaaide hij om het evenwicht te bewaren. Het lukte. Gelukkig: één natte sok was ook meer dan genoeg. Stel je voor dat je klomp vol drek stond. Hij kon niet even terug naar huis voor schone sokken. 

Z’n broer stond al aan de straatweg, keek om waar hij bleef. Gelukkig, de vrachtauto met vader was er nog niet. Hij wist dat vader niet tegen wachten kon als er werk te doen viel. En dat viel het vandaag. Samen keken ze de weg af, langs de rijen dikke eiken. ‘’t Is zo vijf uur, hij zal zo wel komen’, mompelde zijn broer. Hij zei niets terug, keek om zich heen. Hier kwam hij elke dag langs naar school, maar zo vroeg in de ochtend… het leek wel of alles er nu anders uitzag. Boven de sloten door de weilanden hing een lage mist, in slierten. De koeien kwamen er met hun grote koppen net boven uit. Hun poten zag hij niet. Raar gezicht was dat. De zon kwam verbazend snel hoger en de nevel verdween bijna terwijl hij ernaar keek. De koeien kregen weer poten. Mensen zag je nog niet. Het was zaterdag en nog heel vroeg.  Eén luxe auto passeerde hen. De bestuurder stak de hand op. 

Er klonk geronk. Vanuit de richting van de stad naderde een vrachtwagen met een felrode cabine. ‘Bakker Beton’ stond er op de deur en op de cabine boven de ruit. Het was een vrachtwagen met een neus voor de cabine. Daaronder zat de motor, wist hij. Hij keek even naar het embleem op de motorkap, een toren in de vorm van een H, met een I er midden doorheen. “International”, stond er op de zijkant van de neus. De auto kwam trillend en ronkend tot stilstand vlak voor waar ze stonden. In de cabine zag hij vader zitten. Die stak de hand op. Zijn broer stapte op de treeplank en draaide de rechter deur open. ‘Ga jij maar in het midden.’ Hij klom de auto in en schoof naast vader. ‘Moi’, zei die. ‘Moi’. Zijn broer trok met een klap de deur dicht, zei ook ‘Moi’ en meteen begon de auto te rijden. Vader had haast; het werd een lange, drukke dag. Het werk dat moest gebeuren, moest in één dag af. En het beloofde warm te worden. Heel warm misschien wel. Het onweer van vannacht had de lucht wel wat afgekoeld, maar je voelde dat het al weer opwarmde. En het was nog maar goed vijf uur. 

Hij zat wel wat krap, zo tussen broer en vader ingeklemd, maar dat was niet erg. Er was veel te zien. Natuurlijk eerst de cabine, de metertjes, de handels. Zijn vader hield het stuurwiel stevig vast. Dat wou hij later ook, zo’n grote sterke auto besturen. Buiten herkende hij eerst nog wel wat. De bocht in de weg bij het eerste dorp. Daar links stond de winkel waar hij pas een echte bamboe vishengel had mogen kopen. Maar na de tweede bocht kwamen ze al op voor hem onbekend terrein. Langs de weg nog steeds de hoge eiken, en daarachter landerijen. Aardappels en graan zag hij. In de verte bossen. Aardappels hadden ze thuis ook op het land, graan niet. Ze waren geen boer. De weg strekte zich kaarsrecht uit; de vrachtauto reed met een stevig gangetje. 

Ze passeerden een paar dorpen, waar het leven nog niet was ontwaakt. Langzamerhand kwamen ze wat ander verkeer tegen. Boeren die met een tractor op weg waren naar hun vee, of het bouwland. Een trekker met een platte wagen vol glimmende melkbussen erachter. Een grote autobus van de Dabo. Toen die tegemoet kwam, dacht hij even dat het niet ging passen: hun grote vrachtauto en die bus. Vader remde af, de bus ook, de buschauffeur stak de hand op, vader ook. En het paste prima. Vader wist wat hij deed, dat was duidelijk. Gerustgesteld keek hij weer voor zich de weg op. Na een hele poos rijden en diverse dorpen zag hij dat het landschap veranderde. Langs de wegen stonden stapels turf, hoge donkerbruine bulten in het landschap. Steeds meer werden het er. Het land er omheen was niet groen, maar ook donkerbruin, bijna zwart. Vader minderde vaart. Langzaam reden ze verder. Hier en daar was een oprit naar de verveningsbedrijven, waar soms een grote transportband stond en nog wat machines. Ineens bleek vader te weten dat ze hier moesten zijn. Hij zag zelf geen verschil met de andere stukken land. Ook hier een oprit en op het land erachter stonden de hopen turf. Vader reed het terrein op, en sprong de vrachtauto uit. Bij de transportband waren mensen. Even later was vader terug. Hij manoeuvreerde de laadbak zo dat hij onder de transportband kwam. ‘Mag ik eruit vader?’ Buiten zag hij hoe het ging. Het geluid van de motor van de vrachtauto werd vervangen door het gerammel en geratel van de transportband. Twee mannen gooiden turven op de band. Ze vielen van het uiteinde van de band in de laadbak, waar z’n broer en vader stonden en snel werkten om de turven enigszins op te stapelen. In de warmer wordende zon zag hij het stof van de vallende turf omhoog wolken. Het was hard werken; hij stond ernaar te kijken. Hij was nog te klein om mee te helpen daar boven. Bovendien zou hij in de weg staan in de laadbak, dat begreep hij wel. 

Na een poosje was de laadbak vol met een kop erop. Schotten hielden de turf binnen. Vader en zijn broer klommen naar beneden. Vader handelde nog wat af met de mannen, hij moest zeker voor de turf betalen. Ze klommen weer in de cabine en vader startte de motor. Ze reden voorzichtiger, langzamer dan op de heenweg. Ergens onderweg stopten ze langs de weg om een boterham te eten. Hij mocht wat drinken uit de blauwe emaillen kruik van vader. Daar zat koude, zoete thee in. Het smaakte hem heerlijk. Verder ging het weer. Vader reed voorzichtig, de turf was hoog opgeladen. Zo straks had hij gecontroleerd of alles nog goed lag. 

Het was al wat later in de morgen dat ze weer op bekend terrein kwamen. Bij de stenen brug over het Krakeel stopte vader. Van hieraf liep er alleen een zandpad van een meter breed langs het water naar hun huis. Onder de brug lag al een bok klaar die vader voor dit doel gehuurd had. Een bok was een zwarte ijzeren boot die met een boomstok werd voortbewogen. Je stak de boom in het water tot die vaste bodem had en duwde dan de bok vooruit. De kunst was om te beginnen met duwen terwijl je vooraan op de bok stond en om dan mee te lopen naar de achterkant, terwijl je steeds duwde tegen de stok. De melkvaarders die de melkpullen bij de boeren kwamen ophalen, waren er ware meesters in. Hij keek er altijd met bewondering naar. Zo kon je het meeste effect bereiken met de minste inspanning. En ze stuurden er ook nog mee want de melkbussen stonden aan beide kanten van het water dus ze moesten zigzaggen. Knap hoor. 

Ze stapten alle drie uit de cabine. Meteen viel het hem op dat de zon het al aardig warm maakte. Een beetje zwoel was het. ‘Tja, na al dat water van gisteren met die onweersbui, dan krijg je dat’, zei vader. Met zijn rode zakdoek wiste vader zich het zweet van het voorhoofd. De bok werd vlak onder de brug gemanoeuvreerd. De vrachtauto stond ook goed. Nu klom zijn broer op de laadbak op de lading turf. Dat was best gevaarlijk, want de turven lagen er hoog op een bult. Broer gooide de eerste turven naar beneden, precies in de bok. Daarvoor moest je nog best goed mikken. In de bok pakte vader ze weer op en stapelde ze netjes op, voorin de bok. En daar kwam zijn taak te voorschijn. Nu moest vader steeds een paar meter lopen met de turven. Dat kostte natuurlijk nogal tijd. Zijn taak was nu om de net door z’n broer gegooide turven naar vader te gooien. Dan kon die blijven staan bij het stapelen. Hij was een extra schakeltje in de ketting.  

Het systeem werkte goed. Het enige waar hijzelf en zijn broer op moesten letten dat broer alleen turven gooide als hij niet achter in de bok stond. Dan kreeg hij de harde turven op zijn kop, daar zat hij niet op te wachten. Al met al was het hard werken voor een joch als hij, maar hij genoot ervan. Hij voelde zich trots dat hij zo mocht meedoen met de groten. Een keer ging het een beetje mis. Hij kreeg een turf op zijn hand, hij moest even op zijn tanden bijten om de tranen binnen te houden. De hand werd blauw waar hij geraakt was, maar hij zei niets, hij wist dat het een ongelukje was. Zijn broer riep: ‘Ga er dan ook niet onder staan!’,  maar dat betekende dat hij ermee zat dat hij hem geraakt had. Het waren goeie harde turven, had vader vanmorgen tevreden gezegd toen ze de vracht geladen hadden. Nou, dat klopte, goed hard wáren ze. Hij moest er even bij gaan zitten, even de duizeligheid laten wegtrekken. Gelukkig namen ze het er meteen van om even het zweet weg te wissen en nog een paar slokken van de koude thee te nemen. Kon hij even bijkomen. Over het ongelukje werd niet meer gesproken. Dat was goed. Niet zeuren, dat deden grote mensen ook niet.  

Vader keek staande op de wal eens even of de turven recht op de bok gestapeld stonden. De stapel werd wel anderhalf tot twee meter hoog boven de boorden.  Een van de eerdere jaren was het misgegaan. Hij kon het zich niet herinneren, maar zijn zus had het hem wel eens verteld. Onder voorwaarde dat hij er nooit over zou praten. Toen ze al dichtbij huis waren, was de lading toen wat gaan schuiven of zo, in ieder geval was de bok omgeslagen. En gezonken. Alle kostbare turven hadden in het water gedreven en moesten er met de hand en visschepnetten en stokken uitgehaald worden. Dagen hadden ze weer moeten drogen voor ze de schuur in konden. En de bok, dat wist hij niet, hoe ze die weer boven water hadden gekregen. Het was een enorme strop geweest. Geen wonder dat vader het stapelen zelf wilde doen en nu nog eens goed keek of hij het goed had gedaan. En geen wonder dat hij er niet over mocht praten. Gebeurd is gebeurd, het bracht alleen maar kwaad als je het weer over het drama ging hebben. Misschien later, nu niet. Gelukkig leek het nu allemaal in orde met de turfstapels. 

Verder gingen ze weer, want de vrachtauto moest leeg. Dat duurt even als je elke turf in handen moet hebben. In drie paar handen, dacht hij.  Hij werd moe van het bukken, pakken, omdraaien, gooien, en weer bukken, pakken, omdraaien, gooien, en weer, steeds weer. Warm werd het ook. De zon kwam hoger en hoger en nu en dan liep er een druppel zweet in zijn ogen die hij met de rug van zijn hand probeerde weg te vegen. Dan zat er een zwarte veeg op zijn hand en waarschijnlijk ook op zijn gezicht. Dat gaf vandaag niks, vandaag mocht hij vuil worden. Hij vond het juist leuk, kon moe straks zien dat hij echt gewerkt had. 

Eindelijk was de laadbak leeg en de bok was van voor tot achter vol gestapeld met donkere turf. Het was een mooi gezicht, al die rijen en stapels donkerbruine blokjes. Vader parkeerde de vrachtwagen een eindje verderop en toen werd het touw losgemaakt waarmee de bok vastgelegd was. Vader en broer namen een vaarboom, een flinke stok, en duwden daarmee de bok voorzichtig van de kant en door het water. Hij zat achter boven op de turflading. De oever gleed langzaam voorbij. Va en broer moesten vaak bomen, want ze konden niet van voor naar achter lopen op de bok; die stond immers vol turf. Vader stond voor op de kleine plecht te bomen en z’n broer achter. Daar was nog net ruimte om te staan achter de stapel turf. Geluidloos gleed de volle bok door het kalme water. Hier en daar zag hij kikkers wegschieten en eenmaal werden ze opgeschrikt door twee eenden die met luid misbaar opeens vlak bij hen uit de hoge planten aan de oever opvlogen. De rust keerde weer en hij had het gevoel alsof er geen eind aan deze kalme tocht zou komen. Hij deed even zijn ogen dicht en genoot van de zon op zijn gezicht. Wat was de wereld mooi.  

De dag was tot leven gekomen op de wal, hier en daar stak een boer de hand op. En riep ‘Moi’. ‘Moi’ riepen ze terug. Ze naderden hun huis. Langzaam lieten ze de boot uitdrijven, zijn broer sprong op de kant en legde de bok vast met een touw aan een ijzeren pin die hij in de oever stampte met zijn hak. Vader legde een plank op de wal en op de bok. Zo konden ze de kruiwagen meteen op de bok vullen, al viel dat nog niet mee. Anders moesten ze eerst de turven stuk voor stuk op de wal gooien en daar alsnog in de kruiwagen stapelen. Met de eerste vrachtjes moest het wel zo, want er moest eerst ruimte komen, achter op de bok, om de kruiwagen neer te kunnen zetten. 

Moeder kwam aanlopen uit huis. ‘O, zijn jullie daar. Gelukkig dat het allemaal goed is gegaan. Kom eerst maar koffie drinken, jullie zullen wel dorst hebben.’ Ze zaten achter het huis op een ruw houten bank die vader daar getimmerd had en een stoel. Hij kreeg lekker koude melk, koffie lustte hij niet. Vader en broer aten al weer boterhammen. Die konden eten. Opeens moest hij niezen. Drie keer achter elkaar. Hij snoot zijn neus en zag dat het zwart was, wat er uit zijn neus kwam. ‘Allemaal turfstof’, zei z’n moeder. ‘Snuit maar vaak want dat is niet gezond als je dat stof binnen krijgt. Wacht, ik haal even een schone zakdoek.’ 

‘Kom, we moeten zien dat de turf onderdak komt. Voor er weer zo’n onweersbui komt’, zei vader, wantrouwend naar de nu nog wolkeloze lucht kijkend. Vader greep de houten kruiwagen die al klaar stond; van de buren was er nog een kruiwagen. ‘Wat moet ik doen dan?’ vroeg hij. ‘Ga jij maar stapelen in de schuur’, zei vader. ‘Dat komt ook nog precies hoor. Eerst een muurtje bouwen vooraan van vier turven breed. Dan kun je daarachter de turf gewoon op een hoop gooien. Dan blijft het wel liggen. Maar dat muurtje moet heel stevig zijn. Gebruik daarvoor alleen mooie rechte turven.’ 

Hij stapelde en stapelde. Telkens hoorde hij aan het gepiep van het houten wiel van de kruiwagen dat er weer een vrachtje aan kwam. 

Tegen de middag was er al aardig wat turf verplaatst, maar er lag ook nog veel op de bok. Alle turven moesten opnieuw door hun handen. Je moest ze netjes in de kruiwagen stapelen anders was die zo vol en moest je nog vaker lopen. Dan het pad op, steeds opnieuw, en als de kruiwagen leeg gekiept was voorin de schuur, dan was het zijn werk om ze te verwerken in een mooie turfmuur. Algauw kon ik niet opwerken tegen twee kruiwagens tegelijk, en hielp vader een poosje met stapelen. Om twaalf uur aten ze een boterham, buiten, want het was heerlijk zomerweer. Heerlijk, ja, alleen als je turf moest stapelen dan was het wel erg warm. Hij trok zijn bloesje uit en zijn witte hemd. Zo. Dat scheelde wat. Hij vond het wel stoer ook, zo in zijn blote bast. Als z’n broer op het land schoffelde met warm zomerweer, deed die het ook wel eens. Vader niet, die droeg winter en zomer altijd een hemd met lange mouwen. De borstrok ging alleen uit als het hoogzomer was. 

Het liep al tegen het einde van de middag toen de bok helemaal leeg was. Ze veegden het stof op om de bok weer keurig af te leveren. Vader ging hem terug brengen en hij bracht dan meteen de vrachtwagen terug naar de fabriek. In de schuur was een berg turf verrezen, aan de voorkant mooi recht gestapeld en daarachter de grote hoop turven. Mooie harde rechte turven waren het in een mooie rechte muur gestapeld. Zwart en hard. De hele linkerhelft van de schuur was nu gevuld met turf. Hij keek er met een diepe tevredenheid naar. Daar had hij bij geholpen. Ze konden hem niet meer missen. Hij hoorde bij de groten. 

Aan het einde van de middag was het op zijn warmst. Gelukkig maar dat ze nu klaar waren.  ‘En alles mooi droog onder dak gekregen’, merkte moeder tevreden op. Moeder had vroeg in de middag al de grote zinken wasteil buiten gezet op het grasveldje en er water in gedragen met emmers. Nu was het water lekker opgewarmd in de felle zon. Hij mocht er zich in poedelen. Met zijn hoofd op de harde rand en de knieën opgetrokken, zat hij met de ogen dicht te genieten van de rust en het lauwe water om hem heen. Innig voldaan. De turfexpeditie was geslaagd. De turfvoorraad was op peil. Ze konden de winter aan.  

In de verte verschenen de eerste onweerskoppen. Je kon ze zien groeien, wit en grijs omhoog kolkend tegen de nog blauwe lucht. Even later kon hij de donder al horen rommelen. 

 


 

Kort verhaal in het Zuud-Dreins, onderdeel van het Nedersaksisch


Törf


Het was nog pikkedonker ewest. Maor ’t onwèer kwaamp gloepens snel dichterbij. De flitsen maakten het zölfs èempies helder as de dag, zelfs binn’n in de slaopkamer. Dan kun hij de tekst op de zundagsschoelprent lezen: ‘Waar liefde woont gebiedt de Heer zijn zegen’. De deure gunk zachies lös, zien moe schudde hehemm zachies an de scholder.
‘Bi’j al wakker? Ie mut er maor uutkomen.’
‘Is’t al tied dan?’ vrög hij. Hij mus er vandage vrog uut, hiel vrog. ’t Was een belangrieke dag. Veur hem maor ok veur ’t hele gezin. Vandage gung’n ze törf halen. Törf, genog veur de hele winter.
‘Nee’, flusterde zien moe, alsof ze hum nog niet écht wakker wol maken. ‘Nee, maor ’t onwèer. ’t Komp snel op. Ie mut der uut. Kom, trek maor èem een trui en een broek an, aover de pyjama.’ Nog half slaopend wankelde hij naor de stoel woor zien kleren op lagen. Hij kun allent wat zien bij de bliksemflitsen. Het knoppie van elektrisch locht deed ’t niet. Hij wus dat zien va bij onwèer mitiene de stoppe uut de elektrische mèter in de hoek van de kamer dreide. Rap scheut hij in zien broek, eerst per ongelok mit twij bienen in iene piepe, en dan de trui over ’t pyjamajassie. Zo kwaamp hij in de kamer. Hij mompelde een goeie morgn tegen zien breur en zusse. Zij zaten bij de taovel bij een flakkerende pietereulielaampe. Dat ding stunk heel vies. De laampe stund op een olde kraante op het taofelzeiltie en gaf een gelig, wat spookachtig locht.


Va stund bij ’t raam en gluurde langs het gordien naor buuten, de duusternis in.
‘Koomt toch bij dat raam vandaone. ’t Is gevaorlik, dat weet-ie toch.’ Moe klunk meer bange dan kwaod. Va zei niks terogge. Hij löt het gordien terogge vallen en zakte in zien stoel. Gien iene zei wat. Het leek hem of zij alle vieve dachten dat ze deur te spreken de woedende elementen zull’n uutdagen. De bliksemflitsen kwaam’ noe hiel snel achter mekaore en nao de miesten kwaamp een knetterende donderslag. Soms vlak nao de flits. Dan krump hij in mekaar want hij wus dat dat gevaorlijk was. Dat had hij eleerd. Dan was de beuie vlak bij. Deur te tellen en deur drei te delen kun-ie uutrèken’n hoeveule kilomèters de beuie weg was. Maor tussen de flits en de slag was hij nog niet bij vieve. Een paar donderslagen vlak op mekaar deden de roeten in de sponning rinkelen.
‘Nou, dat zal een wonder wezen as dat niet argens ineslaone is.’ Moe keek naor va, mor zei niks. ’t Beste was in stilte dit geweld deurstaon. Va pakte zien leesboek en probeerde wat te lezen bij het zwakke locht. Hij zölf zat te knikkebollen an de taovel. Nao een helepoze werd het geweld minder. Zo snel as hij was op ekoom’ zo snel verdween de beuie. Moe pakte het kissie mit de verzekeringspapiern en zette het terogge in de la van ‘t kabinet. Zien breur gunk buutn kieken. Hij wol mit want nao zoen beuie reuk het altied zo bizunder, zo fris. Maor zien moe stuurde hem mit de oogn naor bedde.
‘Morgenvrog mu’j der heel vrog uut. Ie kunt nog net een uurtie slaopen. Kom, ik stop oe èem in.’ In zien nog warme bedde heurde hij de beuie vlot wegtrekken. Nao een paar slagen, steeds verder weg, slöp hij.


Veur zien gevuul wurd’hij èem later alweer wakker emaakt.
‘’t Is hallef vieve’, flusterde zien moe. ‘Weet ie zeker da’j mit wilt?’ Hij was mitiene wakker.
‘Ja natuurlijk wil ik mit.’ Zo’n kans kreeg-ie niet mitiene weer. Dit gebeurde mar ien keer per jaor. Aandere jaoren had hij het zien gebeuren maor noe mug-ie mit. Veur de eerste keer, naor Schoonebeek, waor de törf nog egraven worde. Daor haalde va een vrachtwagen vol törf vandaon, genog veur ‘hiele jaor. Dat was goekoper dan a’j het kochten bij de kaolenboer, dat begreep hij wel. Mor dat was een heel gedoe. Der gunk een lange dag mit hen, veur de leste törf op zien plekke lag. Veurige jaoren hölp hij mit zien kleine krulewagentie de törven naor de schure te breng’n maor disse keer had hij lang genog ezeurd: hij mug mit op de vrachtwagen, samen mit zien va en oldere breur.
Het elektrisch locht deed het weer. Hij scheut zien kleren an. Moe was in ’t achterhuus wat an’t redderen. Zien breur zat al bij de taovel een plakkie brood mit smolt te èten. Gatsie, smolt op de vrogge morgen, dacht hij.
‘Wil ie echt nie? Ie mut toch wat èten veur zoen lange dag?’ dröng zien moe an. Maor hij kun ’s morgens zo vrog gien hap de de kèel kriegen. Ok wel van de opwiending noe, natuurlijk.
‘Nou, neem dan in ieder geval dit pakkie brood mit. En wel opèten heur!’ Hij was niet zoen grote èter. De schoeldokter vund hem ok wat te licht, maor dat zul wel bèter worden, hadden ze ezegd. Zien breur stund op: ‘Wij mut gaon aanders stiet va dalik te wachten aan de Coevorderstraote.‘ Hij begreep dat dat niet mug gebeuren, va höld van opschieten, zeker op zoen dag as vandage, as der zoveule mus gebeuren. Hij heurde dat moe achter heur de deure weer op de grundel deed.


Buutn was ’t tintelfris nao de zwaore onwèersbeuie van gisteraomd. Of vannacht, wat was’t. De zunne kwaamp net in vlammend rood mit een puntie baom de horizon uut, bij ’t woonwagenkamp in de verte. De veugels fluitten zoals ze de rest van de dag niet meer zull’n doen. Het rök intens naor alles wat er greuide en bleuide in disse warme zomer. Het grös was nog nat van de règen en de dauw. De zunne parelde in de druppels an de kamperfoelie bij de schure. Het verdaampende water bracht allerlei geuren die a’j aanders niet röken. Hij naamp alles in zich op, zag alles. Hij was aanders nooit zo vrog op dus alles was bizunder. Maor hij mus niet treuzel’n. Hij stapte snel achter zien breur an, probeerde zien grote stappen bij te holl’n. Zo nou en dan mus hij èem op een hollegie um weer bij te komen.


‘Loop toch nie zo hard,’ mopperde hij. Zien breur keek umme. ‘Va stiet zo te wachten an de straotweg, dan mudde wij der ok wezen.’ Va was vanmorgen nog veul eerder opestaone en al naor de fabriek efietst, um daor de vrachtauto op te halen. Die was wel gewend an vrog opstaon.
Eerst langs de vaort, het Krakeel, dan bij ’t vonder aover de wieke rechtsaf, langs de wieke aover het smalle hobbelige pad. Hier löp hij elke dag, naor schoele. Het pad was maor smal en worde niet vake gebruukt, eigenlijk allent deur een paar families en dan nog niet elke dag.


Maor noe was’t verkaansie. En ’t was zaoterdag, zien va en breur hoefden niet te warken, dus was der tied veur disse törfexpeditie. Het pad langs de wieke was glibberig mit veule plassen. ’t Had ok zo hard erègend vannacht. Hij probeerde derlangs te loop’m of overhen te springen. Maor dat was lastig, want deur de règen was het hoge grös langs het pad en de botterblomm en zuring zo zwaor dat het gung overhangen dus het pad was nog smaller as aanders. Pats, daor ha’j ’t al. Zien klompe had water eschupt in een plasse die dieper was dan hij edacht hadde. Noe zat-ie mit een natte modderige sokke. Hij had gien tied um derbij stille te staon. Hij keerde allent de klompe èem umme, um ’t water deruut te laoten lopen. Hij mus spurten um zien breur weer in te haal’n. Die was gewoon deur elöpen.


Bij de boer an ’t ende van de wieke was het pad altied een vieze prut. De dunne mest uut de mestbulte vlak naost het pad lekte aover het pad de wieke in, dus noe waren de plassen broen van de mest. ’t Was iene grote stinkende modderprut. Gelokkig had de boer een lange plaanke neerelegd zodat a’j der nog een beetie fersoenlijk langs kunden. Mit zien arms zweide hij um zien èemwicht te bewaren op de plaanke. Het lokte. Gelokkig, want iene natte sokke was genog. A’j hier toch kwamen te vallen! De olderwetse mestvaolte mit veule stro derin reuk niet iens echt smèrig, vund hij. Een beetie zuutig, ok kruudig. Dat was zien moe niet mit hem iens. Zien breur stund al an de straotweg, keek umme waor hij bleef. Gelokkig, de vrachtauto mit va derin stund er nog niet. Saam keken ze de weg of. Langs de twij reien dikke iekenbomen. Der was nog gien verkeer, zo vrog.
‘’t Is zo vief uure, hij zal zo wel koom’,’ mompelde zien breur. Hij mompelde instemmend, keek um zich hen. Hier kwaamp hij elke dag langs, lopend naor de schoele an ’t Noord. Maor zo vrog in de morgen leek alles aanders. Boam de sloten in de weilanden hung een lege mist. In sluiers. De koe’n kwaam der mit heur grote koppen net baomuut. De poten zaag-ie niet. Raar gezichte was dat. De zunne kwaamp noe raozend snel hogerop en de nevel verdwien haoste terwijl a’j dernaor keekn. De koe’n kregen weer poten. Iene luxe auto kwaamp der langs. De bestuurder stök de haand op.


Dan klönk er geronk. Vanuut de richting van t Hoogeveine naoderde een vrachtwagen mit ‘n felrooie cabine. ‘Bakker Beton’ stund er mit grote letters baom de veurroete en op de deure. Veur de cabine zat een grote neuze, daor zat de moter. Dat wus hij want hij vund auto’s machtig interessant. Dat zien va die grote ronkende machine kön besturen! En vandaage mug hij zien hoe dat gunk, in de cabine. Dat was spannend! Hij had er al weken naor uut ekeken. Hij keek eem naor het embleem veurop de moterkappe: een toren in de vorm van een H en een I er middenin. “International” stund er op de ziekaante van de moterkappe. De grote auto kwaamp ronkend en trillend tut stilstaand vlak waor zij stunden. In de cabine zag hij noe zien va. Zien breur stapte op de treeplaanke en trök de rechterdeure lös. ‘Gao-die maor in ’t midden.’ Hij klumde in de cabine, dat was nog een hele toer want ’t was hoge. Hij scheuf naost va. ‘Moi,’ zei die. ‘Moi.’ Zien breur kwaamp naost hem en zei ok ‘Moi’. Mitiene begunde de auto alweer te rieden. Va had haost. Het wur een lange en drokke dag. Al het wark dat mus gebeuren mus in iene dag of. Het belaofde warm te worden. Hiel warm misschien wel. Dat was bèter dan regen, maor as’t zo hiete worde, dan was het wark in de törf best zwaor. Het onwèer van vannacht had de locht wel wat of ekoeld, maor ie vuulden dat het alweer warmer worde. En noe was ’t nog maor vief ure.
Hij zat wel wat krap, zo tussen va en breur maor dat was niet arg want er was zoveule te zien. Natuurlijk eerst alle mèterties en knoppen en hendels. Va höld het stuurwiel stevig vaste. Later wol hij dat ok: zoen groet auto besturen. Het eerste stok herkende hij buten nog wel ien en aander. De buchte in de weg bij het eerste dorp. Daor was de winkel woor hij pas zien bamboe vishangel ekocht had. Mit zoen mooie kleurige dobber. Maor nao de tweide buchte kwamen ze al op veur hem onbekend terrein. Hier kwaamp hij nooit. Langs de weg nog steeds de rijen hoge iekenboom’m en derachter eerappellaand of rogge en zo. Eerappels hadden zij zölf thuus ok wel op ’t laand. Graan niet. Ze hadden wel een groot stok laand, maor ze waren gien boer. De weg was veureerst kaorsrecht en va leut de auto flink vaort maken. De moter mök flink lawaai.


Ze kwamen langs een paar dorpen waor het lè’em nog niet was ontwaakt. Langzamerhaand kwamen ze aander verkeer tegen. Boern die mit de trekker op weg waren naor hun vee of bouwlaand. Een trekker mit een platte wagen vol glimm’nde melkbussen derachter. Een grote autobusse van de DABO, daorveur mus va wat an de kaante van de weg. Het leek haoste niet te passen naost mekaar maor het gung toch goed. De chauffeur stak de haand op en va ok. Gerustgesteld keek hij weer veur zich de weg op.


Nao nog een poze rieden begunde het laandschap te veraandren. In het veld en soms langs de weg stunden hoge bulten törf, hoge donkere bulten in het laand. Het wörden der steeds meer. De laanden waren hier ok niet meer greun maor donkerbroen of zwart. Va minderde vaort. Hij wus niet percies waor hij mus wezen; langzaam reden ze verder. Hier en daor was een oprit naor een verveningsbedrief, törfgravers dus. Ze leken veur hem allemaole op mekaar. Dan stund er een grote transportbaand schief aoverende mit machines derbij. Opiens wus va kennelijk dat wij der waren: wij dreiden een oprit op en dan stund de vrachtauto stille tussen de bulten törf. Wat een boel törf lag hier! Op de grond lag dezelfde törfmolm as thuus op de vloere as de veurraod törf opraakte. Dan bleef er ok zoen laoge zachte molm aover. Va sprung uut de cabine en löp naor een paar kerels die bij de transportbaand stunden. Èem later manoevreerde hij de auto onder de transportbaand. ‘Mag ik er ok uut?’ Dat mug en hij sprung op de zachte törfmolmlaoge. Daor zag hij hoe het verder gung. Het geluud van de auto worde overstemd deur het geratel en gerammel van de baand. Twij man gooide törf van de grote bulte op de baand en va en zien breur probeerden in de laadbak van de vrachtauto het tempo bij te holden, want de törf mus eigenlijk een beetie mooi opestapeld worden. Dan ha’j meer ruumte. In het oranje locht van de warmer wordende zunne zag hij het stof van de vallende törf naor baoven wolken. Soms zag hij de kerels niet iens meer, zoveule stof wolkte der op. Het was hard warken veur iederiene maor hij kun niks doen um te hölpen. Daor was-ie nog te klein veur.


Nao een poze was de laadbak vol, mit een kop derop. Va handelde nog wat of mit de kerels, hij mus zeker betalen veur de lading. Veurdat ze wegreden namen va en breur alvaste een plakke brood en een paar slokken kolde thee ut het blauw geëmailleerde kruukie. Hij zölf had nog gien zin an èten. Dan startte va de moter en gung het terogge op huus an. Ze reden zachter dan hèn. Onderweg stopten ze nog een keer um wat te drinken. Hij mug ok wat kolde zuute thee uut het emaillen kruukie van va. ‘Da’s goed tegen het stof,’ knipoogde va. Het stof zat op zien veurheufd in het opgedreude zwiet. Er worde nog èem gecontroleerd of de törf nog goed lag en verder gung het weer.


Het was een hele poze later op de morgen dat ze weer op –veur hem- bekend terrein kwamen. Hij zag het woonwagenkaamp en dan linksof, daor was de stienen brogge over het Krakeel en de Ienendartigste wieke. Daor stopten ze. Van hier of löp er een zaandpad van een mèter bried langs de vaort naor hun huus en het was veul te ver um dat mit de krulewagen te doen. Dus had va ezorgd dat er onder de brogge een bok klaor lag. Zoen bok die de melkvaarder ok gebruukte. Een bok dat was een zwarte iezeren boot die mit een lange stok, de boom, vurt beweegd worde. Ie muzzen de stok in ’t water douwen tut an de vaste grond en dan duwde-ie de bok veuruut. Dat was een hiele kuunst. Ie begunden te douwen a’j veurop de bok stunden en dan löp ie al duwend naor het achterende. Maor as de bok vol eladen was, dan wol dat natuurlijk niet en mus ie alles achter op de bok staond doen. De melkvaarders waren meisters in het ummegaon mit de bok. Van steigertie tut steigertie laveerden ze en aoveral laadden of lösten ze dan een paar melkbussen. Die volle bussen waren best zwaor en dat dan op zoen schommelende bok! Hij had er grote bewondring veur.
Het völ hem op dat de zunne noe echt warm worde. ’t Was drokkend warm.


‘Ja, dat krie’j nao zoen onwèersbeuie,’ zei va. ‘Al dat water zit noe in de locht.’ Mit zien rooie zakdoek wiste hij zich het zwiet van ’t gezichte. De bok worde vlak onder de brogge elegd. Noe klumde zien breur op de laadbak baovenop de törven. Dat was best wat gevaorlijk want de törven rolden zo onder oen voeten weg a’j niet oppasten. En dan ku’j een lillike smak maken.
Noe mus dus alle törf vanaf de vrachtwagen naor de bok in. Zien breur gooide ze van de laadbak in de bok en va stapelde ze zo netties meugelijk op. Dat kwaamp precies, zowel het gooien as het stapelen. Ie muzzen gooien zo dichte meugelijk bij de stapelaar maor hem natuurlijk niet raken! En het stapelen mus heel precies want as de bok uut zien èemwicht kwaamp, dan kun’t wezen dat een deel van de lading in’t water gleed. Of nog arger: dat de hele bok umme slöt. En doar kun hij bij hölpen, bij dat stapelen, en daor was-ie best wies mit. Hij stund in de bok en gooide de törven naor va toe, die kun dan blieven stapelen. Hij was een extra schakeltie in de ketting, zei zien breur. Nou, dat vund hij mooi.
Maor toen gunk ’t mis. Hij keek niet goed uut of zien breur gooide wat schieve, in ieder geval: hij kreeg een harde törf op zien vingers. Dat deed èem gloepens zeer! Hij mus op zien taanden bieten umme de traonen bin’n te holn. Maor hij höld zich goed. Zien haand worde blauw maor hij zei niks. Zien breur zag wel wat er gebeurd was.
‘Gaot er dan ok niet onder staon!’röp hij. Maor dat betiekende dat hij ermit zat dat het misgung. Het waren goeie harde törven, had zien va vanmorgen bij de lopende baand tevreden ezegd. Want: hoe harder de törf, hoe langer hij lig in de kachel. Die lösse bolstertörfies bint zo weg in ’t vuur. Nou, dissen waren dus wel hard, dat had hij nou evuuld. Hij mus er èem bij gaon zitten; gelokkig namen de aanderen het er ok èem van veur een slok kolde thee. Kun hij èem bijkomen. Aover ’t ongelokkie worde niet meer espreuken. Dat was goed, gebeurd is gebeurd, niet meer aover zeuren. Zo worde hij opevoed.


Va gung op de wal kieken of de lading wel recht opestapeld was op de bok. De lading kun wel aanderhalve mèter baom de boorden uut komen. Ien van de eerdere jaoren was het een keer mis egaone. Hij kun het zich niet herinneren, maor zien zus had ‘t wel ies verteld. Maor hij mug er niet aover praoten, had ze derbij ezegd, want dat was een heel gevuulig punt. Toen de volle bok al dichte bij huus was, was de lading gaon schoeven of zo. Haoste alle kostbare törven waren in ’t water terechte ekomen en muzzen der mit stokken en visschöpnetten en mit de haand uut ehaald worden. En toen weer opnij edreugd worden natuurlijk. Wat een extra wark en dat allemaole umdat de lading niet recht was op estapeld. Gien wonder dat va een paar keer op de brogge gung staon um te kieken of hij ’t wel goed dee. Tja, gebeurd is gebeurd en er weer aover praoten bracht allent maor ongelok. Gelokkig leek het noe allemaole goed te gaon.


Verder gungen ze weer want de laadbak mus leeg en de bok vol. En dat duurt èem, a’j elke törf in de haand mut hebben, en dat dus in drij paar haanden. Hij was langsamerhaand wel muui van het bukken, pakken, ummedrijen en gooien en weer bukken, pakken, ummedrijen en gooien. As een machienechie. De zunne kwaamp steeds hoger en het was mij toch warm! Het zwiet löp mit druppels aover zien gezichte. Hij veegde ze mit de haand weg, en dan schruk hij van het stof dat er kennelijk op zien gezichte zat. Het zat zölfs diepe in zien neuze, bleek, toen hij mus proesten. Vandaage gaf dat niks, zo kun zien moe temeensen zien dat hij hard mit ewarkt hadde.


Eindelijk was de laadbak leeg en de bok van veur tut achter vol mit de donkere lading. ’t Was een mooi gezichte: al die rijen en stapels donkerbroene blokkies. Va parkeerde de vrachtwagen een entie verder langs de weg; die mus hij an ’t ende van de dag weer terogge brengen. Het touw worde lös emaakt, va douwde achterop de bok mit een vaarboom en zien breur veurop. Hij zölf mug baom op de lading zitten. Langzaam gleed de zwaore bok deur het water. Een paar enten die in de lissen langs de waterkaante zaten, maakten mit veul kabaal dat ze weg kwamen. De punteraars muzzen vake douwen want ze kun’n natuurlijk niet aover de bok lopen. Veur en achter was nog net een beetie ruumte um te staon. Zonder geluud te maken gleed de bok op huus an. Hier en daor zaten kikkers te kwaken, die vunden het wel lekker dat ’t zo warm was. Hij wol wel dat er gien ende kwam an disse kalme tocht. Hij deed èem zien ogen dichte en geneut van de zunne op zien gezichte. Wat was de wereld mooi.


Langs de walkaante was het leven op gang ekomen. Ja wat wo’j ok, ’t was ok midden op de dag intussen. Hier en daor steuk een boer de haand op: ‘Moi!’ ‘Moi,’reupen wij dan in koor terogge. Ze naderden hun huus. Er was bij heur huus gien echte anlegplaatse want melkbussen hadden ze niet. Langzaam löten ze de bok uutdrieven, zien breur sprung op de walkaante en legde de bok vaste mit een touw an een iezeren pinne, die hij mit de hakke in het zaand drokte. Va legde een loopplaanke op de wal en op de bok. De buren kwamen an elöpen umme te kieken. ‘Moi!’
‘Moi!’
‘Nou, daormit koo’j de winter wel deur niet?’
‘Jao, temeensen mit wat zakken eierkaolen derbij.’
‘Jao, maor die ku’j zölf niet halen, hè.’
‘Jammer genog niet nee.’


Moe kwaamp ok anlopen. ‘Jonge jonge, bi’j der al. Nou, mooie törf gleuk wel hè?
‘Jao, mooie harde.’ Va keek naor hem mit een dikke knipoge. Hij lachte een beetie zoer terogge. Zien haand död nog wel wat zeer. Maor hij wol ’t niet weten veur moe, hij zei niks.
Noe mus er ruumte komen op de bok. De eerste rijen tórf gooiden ze op de wal, daor gungen ze in de krulewagen en dan naor de schure achter het woonhuus en daor muzzen ze dan netties op estapeld worden. Dat mug hij doen. ‘Maor wel netties hè! Aanders zakt de hele bulte umme en dan ku’j opnij begunn’n.’
‘’t Is al nao de middag,’zei moe. ‘koomt noe eerst maor wat brood èten. Ik hebbe de koffie klaor.’Zij zaten achter het huus veur de schure op de ruwholten baank die va daor etummerd hadde en moe zat op een keukenstoel. Hij kreeg een bèker kolde melk, koffie lustte hij niet. Zien va en breur aten alweer brood, zie kunn’ èten. Opiens mus hij niezen. Drij keer achter mekare. In zien zakdoek zag hij dat het pikzwart was wat uut zien neuze kwaaamp. ‘Allemaole törfstof,’ zei moe. ‘Snuut oen neuze maor wat vaker; ‘t is niet gezond, al dat stof. Wacht, ik hale wel een schone zakdoek.’


Zien va keek wantrouwend naor de wolkeloze locht. ‘Kom,’ zee-die, ‘wij mut zorgen dat de törf onder dak komp. Veurdat er weer zoen onwèersbuie komp. ’t Wèerbericht hef der veur ewaorschowd.’ Va greep de holten krulewagen en zien breur nam die van de buren, die muggen ze leen’n.
‘En wat mud’ik dan doen?’ vreug hij. ‘Gaodie maor stapelen in de schure. Dat komp ok precies heur. Veuran veier rijen heel mooi stapelen, da’j een mooi stevig muurtie kriegt. Dan kunne wij de aandere törven der zo achter gooien. Dan blieft ze mooi liggen. Gebruukt allent rechte törven, dat stapelt het stevigst.’ Hij gung an de slag in de schure. Naost het kaolenhokke woor straks de eierkaolen weer in estort zulln worden, bouwde hij een keurige mure naor de stiele, halverweg de schure. Hij probeerde de krulewagens bij te holden. Telkens as hij het gepiep van het holten wiel van de krulewagen heurde, wus hij dat er weer een vrachie an kwaamp. En dan mus hij de veurige lading weg ewarkt hebben.
Nao een paar ure was er aordig wat törf verplaatst. Wat hadden ze die brokkies veine noe al vake deur de haanden ehad! Ze muzzen vanaf de bok netties in de krulewagen estapeld worden, aanders was die zo vol en muzzie nog vaker lopen. Dan het tuunpad op, steeds opnij, en as de wagen leeg ekiept was in de schure dan was het zien wark um ze mooi te verwarken in de mure en later ze zover meugelijk naor achter te gooien, tegen de mure van de schure. Op een gegeven moment höld hij het niet meer bij. Hij worde muui! Zien hölp hem een poosie mit stapelen.


Um drei ure höln ze rust veur een koppie thee. ’t Was dorstig weer, mit die warmte. Hij trök zien bloessie en hemd uut, net as zien breur. Hij vuulde zich stoer, zo in de blote pochel. Zien va dreug winter en zomer een hemd mit lange mouwen, noe ok. Wat goed is tegen de kolde is ok goed tegen de warmte, zei hij altied.
Het löp al tegen het ende van de middag toen de bok eindelijk leeg was. Zij veegden het stof van de baodem van de bok, um hem weer keurig schone af te lèveren. Va gung hem terogge brengen en dan gung hij mitiene de vrachtwagen terogge brengen naor ’t Hoogeveine, naor de fabriek. In de schure was een barg törf verrezen, an de veurkaante zien mooie gladde törfmure en derachter de grote bulte. De hele linker helfte van de schure was noe helemaole evuld mit törf. Daor kunn’ze de hele winter mit staoken, samen mit de eierkaolen. As’t temeinsen niet zoen hele strenge winter worde. Moe kwaamp kieken en prees hem umme zien mooie mure. Zólf keek hij der ok mit diepe tevredenheid naor. Daor had hij bij hölpen, zij kunn’hem niet meer missen, hij heurde al een beetie bij de groten.


An ’t ende van de middag was het op zien warmst. Gelokkig dat ze noe klaor waren. ‘En alles mooi dreuge onder dak ekregen,’ merkte moe tevreden op. Moe had ’s middags de wassebalie al buten ezet en evuld mit veule ummers water. Dat water was noe lekker opewarmd deur de zunne. Hij mug er zich in poedelen. Mit zien kop op de harde blikken raand van de teile en de knien opetrökken zat hij mit de ogen dichte te genieten. Van de rust, van het kalmerende lauwe water. Innig tevreden. De törfexpeditie was eslaagd. De winter kun komen. Maor dat duurde gelokkig nog een hele tied.


Hij deed de ogen lös en zag dat in de verte de eerste onwèerskoppen al verschienen. Ie könn ze zien greuien, wit en gries tegen de nog blauwe locht. Èem later kun hij de donder al heel in de verte heuren rommelen.

 


 

Kort verhaal

Kristalnacht

 

Toen moeder hem wakker maakte, wist hij dat het geen gewone dag werd. De juffrouw had haar kinderen er al een week op voorbereid: volgende week komt de schooldokter. Sommige kinderen die een broertje of zusje in hogere klassen hadden, wisten van alles te vertellen. Dat ze gingen kijken hoe lang je was en hoe dik en zwaar –of juist licht in zijn geval-, dat de dokter niet alleen je ogen en gehoor testte, maar dat hij ook met een ijskoud apparaatje op je borst en rug zat, en dat hij je beklopte met zijn vingers en handen. Wat hij zich bij dat laatste moest voorstellen, wist hij niet zo goed. Misschien tikte hij wel op je hoofd om te horen of dat wel vol zat. Hij had pas het woord leeghoofd geleerd. Buurman gebruikte dat laatst. Nou, dat was vast niet goed, als je hoofd leeg was. Dus dat zou de dokter dan misschien wel controleren: of je hoofd niet leeg was.


Hij had er zelf wel vertrouwen in, maar zijn buurmeisje met wie hij altijd drie kwartier samen naar school liep, was bang. Zo’n vreemde man aan je, ze vond het maar niks. En ze zeurde er de hele weg over. Of hij haar er nu aan herinnerde dat de juffrouw had gezegd dat er ook een mevrouw bij zou zijn, zo noemde ze dat: “de assistente”, of dat hij zei dat het toch voor je eigen gezondheid was, het hielp niks. Ze bleef zeuren. Hij was blij dat ze door het hek het schoolplein op stapten. Hier gingen ze allebei hun eigen weg, ondanks dat ze bij elkaar in de klas zaten. Aan de andere kinderen merkte hij ook wel dat er iets aan de hand was, vandaag. Het was een onrustige dag, want steeds kwam de vrouw, dat was zeker de assistente, iemand uit de klas halen. De kinderen keken het slachtoffer na alsof ze het niet weer zouden zien. De juffrouw deed luchtig, ze mochten vandaag meer dan anders, want van gedegen werken kwam zo toch niet veel.


Het was na het speelkwartier dat hij aan de beurt was. Even voelde hij toch wel spanning toen hij achter de vrouw de kamer van de meesters en de juffen binnen liep. Hier kwam je anders als schoolkind nooit. Daar dronken de mesters en juffen koffie en had je niets te zoeken. In een oogwenk zag hij dat het meubilair aan de kant geschoven was, om wat ruimte te maken voor een weegschaal, een houten meetlat op een voetstuk, en een tafel met een heel lange strook wit papier erop. Aan de muur hing een kaart met zwarte letters, groot en heel klein. De vrouw had felrode lippen. Dat vond hij heel deftig. Hij kende verder niemand die zulke rode lippen had. Ze noemde zijn naam en knikte vriendelijk naar hem. De dokter was een oude man, zo leek het hem. Hij had een grote bos donkergrijs haar, en zijn waterige oogjes keken hem aan vanonder zware, zwarte wenkbrauwen. Toen hij dichterbij kwam, zag hij dat er haren uit zijn neusgaten en uit zijn oren groeiden. Zelden zag hij iemand met zulke grote haren uit zijn oren. ‘Zo, dus jij bent Arie. En Arie, hoe is het met je? Ben je gezond?’ Zijn stem klonk wel vriendelijk. ‘J-ja,’ zei hij hakkelend, want hij had verwacht dat de dokter hem zou vertellen dat hij gezond was, niet dat hij dat zelf moest zeggen.


‘Zo, nou, dan zullen we eens kijken,’ zei de dokter met een wat rasperige stem. Kennelijk wilden ze het toch wel zeker weten en vertrouwden ze zijn eigen constatering niet. Samen met de vrouw maten ze hoe lang hij was, hoeveel hij woog. ‘Nou,’ zei de vrouw bij dat laatste, ‘daar mag best wat bij. Eet je wel goed?’ ‘Ja juf, eh ja mevrouw’, verbeterde hij meteen. Hij had geen zin om hier te vertellen dat zijn moeder hem een kieskauwer vond, zo noemde ze dat. Een kieskauwer. Zeker iemand die op zijn kiezen kauwt. Maar dat deed toch iedereen, of niet dan? Hij wist het wel: een kieskauwer was iemand die nogal kieskeurig was op eten, die lang niet alles lustte. Hij lustte ook niet alles maar veel dingen vond hij echt wel lekker. Sla zo van ’t land met gebakken nieuwe aardappeltjes, of spinazie, snijbiet, of zondags de bonensoep die moeder zaterdags al kookte. Het restje soep dat hij ’s maandags soms mocht opmaken, was nog lekkerder trouwens. En de koude vanillepudding na, met heel soms wat van die zoete Tova saus erop. Mm, lekker hoor. Ja nou ja, brood, daar vond hij niet veel aan. Nee, hij was geen kieskauwer, echt niet. En die mevrouw met haar rode lippen hoefde zeker niet te weten dat zijn moeder vond van wel.
Kennelijk was hij niet zoveel te licht dat het ernstig was, want ze gingen er niet op door. Gelukkig maar, want hij had wel eens gehoord dat kinderen die echt te licht waren ergens anders moesten gaan wonen, waar ze alleen maar dikke pap en brood met vet spek kregen. En waar je met veel vreemde kinderen op één zaal moest slapen. En nooit naar his mocht. Nee, dat leek hem allemaal maar niks.


Bij de test van zijn ogen had hij moeite met die kriebellettertjes onderaan de kaart. ‘Kun je wel lezen wat de juffrouw op het bord schrijft?’ vroeg de dokter. ‘Ja, meestal wel,’ zei hij wat aarzelend. ‘Hmm, meestal wel. Dus niet altijd. Heb je wel eens hoofdpijn aan het eind van de dag?’ Dat moest hij toegeven, dat had moeder ook gezegd, dat hij dat maar moest vertellen. ‘Je krijgt een briefje mee voor de oogarts,’ zei de vrouw. ‘Moet ik dan een bril?’ vroeg hij benauwd. Want dat leek hem maar niks, een bril. ‘Misschien wel,’ zei de dokter, ‘maar dat is helemaal niet erg toch?’ ‘Nou, toch wel!’ Het ontglipte hem. Die dokter had gemakkelijk praten. Die had geen bril. Er waren niet veel kinderen met een bril in zijn klas. Hij zag er tegenop een van de weinigen te zijn.


‘Zo, nou eens kijken of je oren goed zijn.’ De dokter ging achter hem staan en prevelde woordjes. Hij kon ze allemaal perfect verstaan, met zijn oren was niks mis. ‘Goed,’ zei de dokter. ‘Eens kijken.’ Hij pakte een soort rietje en blies daardoor in zijn oor. Een oorverdovend gedonder was het gevolg. Hij wilde zich afwenden maar dat durfde hij toch ook niet. De oude man blies nog eens. ‘Wat hoor je nu?’ De dokter keek hem onderzoekend aan, met ogen die het antwoord wisten. ‘Onweer,’ zei hij. Dat kwam er het dichtst bij wat hij hoorde, iets anders kon hij zo gauw niet verzinnen. Geen idee wat hij nu verondersteld werd te horen. De dokter blies nog eens, nu iets anders gericht, zodat er naast het gebulder ook een gesnerp in zijn oor klonk. ‘En nu?’ Wat wilde die man, dacht hij. Het was toch logisch dat je gedonder hoorde als iemand zo hard in je oor blies. Dat mocht hij trouwens thuis niet zeggen, gedonder. Moeder zei dat dat vloeken was. Dus had hij het net maar bij onweer gehouden. Je wist niet of de dokter en de rode lippenmevrouw het ook vloeken vonden.
De dokter ging voor hem zitten, boog zich naar hem toe en keek hem vanonder zijn zware wenkbrauwen met priemende ogen aan. ‘Nee, jongen. Wat je hoort is geen onweer, het is veel erger. Het is de Kristalnacht.’ De ogen van de dokter waren nog wateriger dan daarstraks. Maar ze bleven priemen. Hij vond het niet fijn, dat gezicht zo dicht bij het zijne. ‘De Kristalnacht, weet je wat dat is?’ De vrouw, die even op de achtergrond was geweest, kwam in zijn blikveld. Ze legde heel terloops en kort een hand op de schouder van de dokter. ‘Dat heeft de juffrouw van de eerste klas nog niet verteld, denk ik,’ zei ze zacht. ‘Hmm.’ De dokter leek te verzinken in een gepeins. Hij mompelde, voor zichzelf leek het wel. Maar hij verstond de dokter wel. ‘Iedereen moet weten hoe die nacht klonk, hoe het glas van de ruiten klonk toen die ingegooid werden door het losgelaten beest. Van de winkels en huizen van het uitverkoren volk. Hoe het vuur klonk, dat ze aanstaken, de bruinhemden, terwijl de mensen nog in het huis waren. Hoe het huisraad klonk, dat op een hoop op straat gegooid werd en in brand gestoken.’ En het is zo simpel; je hoort het doordat ik in je oor blaas…’ De schooldokter hijgde, alsof hij een zware vracht had gedragen. ‘Vergeet het niet, mijn jongen.


Hij wist niet wat hij moest zeggen. Hij voelde zich heel ongemakkelijk. Hij had zich van het doktersbezoek iets heel anders voorgesteld. Hij keek met een blik vol angst naar het gelaat van de oude dokter. De dokter scheen ook geen antwoord te verwachten. Hij keek hem plotseling aan met een bijna liefdevolle blik. ‘Wees maar niet bang. Jij zult geen Kristalnacht meemaken, m’n jongen. Het is geweest, het is voorbij, het is iets van oude mannen, van een ouwe dokter zoals ik. Trek je er maar niets van aan. Maar wees maar wel je hele leven dankbaar, dat jij geen Kristalnacht zult meemaken. En vergeet het niet, de donder van de Kristalnacht.’
De vrouw met de rode lippen legde nog eens haar hand op de schouder van de oude man. ‘We moeten verder,’ zei ze zacht maar dwingend. Wat er verder nog aan onderzoek gebeurde, ging grotendeels langs hem heen. Hij bleef in de ban van wat er net gebeurd was. Hij begreep niet wat de dokter had gezegd. Maar hij begreep wel, dat het ernstig was, alsof hij iets had gezien wat niet voor hem bestemd was.


Terug in de klas deed hij stoer alsof hij het allemaal heel gewoon vond. De schooldokter, nou en.
Met zijn buurmeisje praatte hij er onderweg naar huis ook niet over, wat hij had meegemaakt. Hij had het gevoel dat het helemaal niet gebeurd was, dat hij in ieder geval het niet kon navertellen. Als je zelf niet snapte wat er gebeurde, hoe kon je er dan over vertellen? Hij schopte een steentje weg, toen zijn buurmeisje giechelig vertelde over het koude ding waarmee de dokter op haar rug en op haar borst voelde. ‘Ik moet misschien een bril’, onderbrak hij haar met tegenzin. ‘Oh, kun je het niet goed zien dan?’ reageerde zijn buurmeisje, net iets te vinnig naar zijn zin. ‘Wat niet goed zien, natuurlijk wel! Ik zie alles heel goed. Ik zie jou en ik zie de bus die daarginds over de weg rijdt.’ ‘Zie je ook ons huis al dan?’ ‘Nee, tja wiedes! Dat kun je hier helemaal niet zien. Jij ook niet.’ ‘O, nou ik wel hoor.’


Kwaad sprong hij over de sloot. ‘Kom, we plukken een paar gele knollen. Die zijn lekker!’ Zo. De aandacht van het meisje was van zijn bril afgeleid. Hij had nog niet eens een bril, en nu had hij er al last van. De knolletjes waren lekker als je het zand er in het gras zo goed mogelijk had afgeveegd. Gele smaakten veel lekkerder, zoeter dan de blauwkoppen. Dat waren lange, witte met een paarse bovenkant. Die prikkelden meer op je tong. Ook wel lekker trouwens. Maar de gele waren heerlijk. Buurmeisje haalde met haar voortanden de schil eraf voor het opeten. Die liet hij zitten, dat maakte de smaak juist zo apart. Gelukkig was de boer in geen velden of wegen te zien. Die vond het niet goed als je een knollen pakte. Wat zou dat nou, die paar knollen op zo’n groot land vol knollen, dacht hij. Maar van hun ouders mocht het ook niet, het was stelen, zeiden die.
Toen moeder bij de thee vroeg wat de dokter had gezegd en hoe het was gegaan, liet hij het briefje voor de oogarts zien. ‘O,’ zei zijn moeder. ‘Dus toch. Ik had het al wel verwacht. Nou dan moeten we daar maar eens werk van maken.’ Van de Kristalnacht zei hij niets.


Maar ‘s avonds onder het eten kon hij het toch niet laten. Het gebeurde bleef rondspoken in zijn hoofd. ‘Moe, va, wat is de Kristalnacht?’ Zijn vader keek even op maar at door alsof hij de vraag niet had gehoord. Moeder keek hem met ontstelde ogen aan. ‘Waarom vraag je dat?’ ‘De schooldokter blies in mijn oor en toen zei hij dat ik de Kristalnacht hoorde.’ Moeder keek hem aan, dacht na over de wonderlijke mededeling die ze net van haar zoon had gehoord. ‘Jongen,’ zei ze toen aarzelend, ‘dat is iets van de oorlog. Iets heel ellendigs. Later zul je het wel op school leren, wat er toen gebeurd is.’ Daar moest hij het maar mee doen.


Op school werd hij in de komende jaren niet wijzer. Ze leerden heel wat over de oorlog, vooral de meesters in de vierde en zesde klas konden er heel mooi over vertellen, maar de Kristalnacht kwam niet voorbij. Hij las veel spannende boeken over oorlog en verzet. “Engelandvaarders” en “Reis door de nacht”. Maar nooit ging het over de Kristalnacht. Het gebeurde in de meesters- en juffenkamer zonk weg in zijn herinneringen.


Pas veel later las hij over wat die nacht van 9 op 10 november 1938 had betekend. Zag hij flakkerende beelden van vuur, geweld, verwoesting. Van haat. Pure haat. Het begin van de ‘eindoplossing van het joodse probleem’, zoals de nazi’s het formuleerden. Toen ineens kwam het bezoek bij de schooldokter hem weer helder voor de geest te staan. Met een schok besefte hij wat de oude schooldokter hem had proberen duidelijk te maken. De man had het waarschijnlijk zelf meegemaakt, was een van de weinige joodse overlevenden van de holocaust. ‘Jij zult nooit een Kristalnacht meemaken,’ had de man liefdevol gezegd. Nee, niet omdat het ondenkbare niet weer zou kunnen gebeuren, hier of ergens anders, daarover had hij niet veel illusies. Maar omdat hij niet tot het uitverkoren volk behoorde. Nog later kreeg hij toch twijfels. Je kon ook al het zwarte schaap worden als je niet dacht zoals de meesten. Als je er anders uitzag, een andere taal sprak. In andere landen zag hij dat gruwelijk misgaan. Overal stonden sterke mannen op, die eenvoudige oplossingen hadden voor ellendige kwesties die mensen zorgen baarden. En dan was er altijd één groep, een minderheid, die de zondebok werd. Hij zag het tafereel weer levendig voor zich, de kop met borstelig haar en priemende ogen onder de zwarte wenkbrauwen, en die zin: ‘Dat donderende geluid dat je hoorde… dat was de Kristalnacht. Vergeet het niet, mijn jongen.’

 


 

 

Kort verhaal

Henriëtte is dood

Na zijn militaire dienst had hij een baantje gevonden op een school voor vmbo. Twintig lesuren gaf hij. Meer uren waren er niet beschikbaar, maar het kwam hem goed uit want hij had ook tijd nodig voor zijn studie. Hij was klassenleraar geworden van een van de zeven brugklassen. Hij had ze alle zeven voor de lessen Nederlands en Kennis der Natuur. Of de directeur het opzettelijk had gedaan of dat het gewoon toeval was dat hij net deze klas 1F kreeg toebedeeld, wist hij niet. Waarschijnlijk dat laatste, maar feit was in ieder geval dat het een heel lieve klas was, de klas waar hij voor het eerst van zijn leven verantwoordelijk voor was. Want zo voelde hij het. Het waren zijn kinderen, alle achtentwintig. De schrijver Bordewijk had de klas vast een bloemenklas genoemd, bedacht hij. De meisjes waren in de meerderheid. Sommigen nog echte basisschoolkinderen, sprietig, met knokige armen en knieën. Een paar al van die echte kindvrouwtjes, met ontluikende vrouwelijke vormen en een oogopslag die je deed vermoeden dat ze zich al van hun mogelijkheden bewust waren. De jongens deden stoer maar de onzekerheid van de ontluikende puberteit deed zich al gelden. Nicole was een lange, stoere meid die ouder leek dan ze was. Ze werd meteen tot klassenvertegenwoordiger gekozen, samen met Gerrit, een wat trage maar heel aardige zittenblijver. De andere klassen die hij lesgaf, waren anders. Meer grauw, meer ‘gewoon’.

Hij vond het heerlijk om met proefjes ze van alles bij te brengen over de beginselen van de warenkennis en de kennis der natuur. Het was geen vak waarin hij verder wilde studeren, maar het lesgeven erin was onverwacht plezierig gebleken. Hij liet de kinderen zetmeel maken uit aardappels, de geraspte stukjes zeven door een nylonkous. Dat alleen al vonden ze spannend. De prut laten bezinken in water en met een verkleuringstestje aantonen dat het echt zetmeel was. Iedereen was ingespannen bezig. Wat nooit voorkwam gebeurde. Hij moest de laatsten het lokaal uitzetten toen de bel was gegaan, want hij wilde wel even koffie drinken. 

Hij bootste de bloedsomloop van de mens na met stangen, slangetjes en buisjes en een rubber knijppompje dat hij in een la van een van de grote kasten in het natuurkundelokaal had gevonden. Het meest verlegen meisje en een stille jongen mochten knijpen in het ‘kunsthart’. De klas zag het water met rode kleurstof zich verplaatsen en onmiddellijk wilde iedereen even pompen. 

In oktober werd de eerste klassenavond georganiseerd. Nicole was enthousiast en actief. Hij hoefde alleen maar wat te begeleiden. Nicole en Gerrit delegeerden en deden de inkopen. Cola en chips, veel meer was niet nodig. Henriëtte wilde eerst niet komen, had ze gezegd. Henriëtte was een sproetig, verlegen meisje met lang sluik haar, dat maar met één vriendin optrok voor zover hij het waarnam. Ze kon met grote, verbaasde ogen de klas in kijken en als hij haar iets vroeg, leek ze zich het liefst te willen verbergen achter de rug van Gerrit voor haar. De laatste weken kwam ze wat meer los. Ze lachte meer en deed actief mee. Hij zag haar ook giechelen met andere meiden. In een paar gesprekjes was hij er langzamerhand achter gekomen dat ze op de basisschool langdurig gepest was. Hier maakte ze een nieuwe start, en ze zei dat ze zich nu gelukkig voelde. Niemand had hier de pik op haar. Ze wist niet wat haar overkwam, vertrouwde ze hem met glanzende ogen toe. Een echte bloemenklas dus, dacht hij. In een extra gesprekje met haar had hij haar weten over te halen om toch te komen op het klassenfeestje. 

De vrijdagavond van het klassenfeestje ging heen met cola drinken en chips eten, plaatjes draaien en daarop dansen. Hij zag hun opgewonden blikken als ze een partner kozen om te dansen. Hij had Henriëtte ten dans gevraagd, en met een blos had ze toegestemd. Met die grote verbaasde ogen keek ze naar hem op. Daarna werd ze door nog twee jongens gevraagd en hij zag dat ze genoot. Gerrit draaide de platen als een volleerd diskjockey. Iedereen had plezier. Ze deden spelletjes die heel spannend waren: “bij de huwelijksfotograaf” waarbij jongens en meisjes heel verliefd “op de foto” moesten, en er was een parodie op een modeshow. Toen om half elf de ouders kwamen om hun spruiten op te halen, vond iedereen het jammer dat het al voorbij was. Henriëtte ook. Dat zei ze met een dankbare blik op hem tegen haar vader. Die nam hem even bij de arm en zei: ‘Bedankt. Henriëtte heeft het in geen jaren zo naar haar zin gehad als hier op school.’ Hij knikte. Van de meeste leerlingen kreeg hij een hand en ze bedankten hem ‘voor alles’. Met een voldaan gevoel nam hij afscheid van de conciërge die kwam afsluiten en fietste fluitend door de donkere avond naar zijn flatje. 

Zaterdagavond ging zijn telefoon. Hij herkende meteen de donkere basstem van zijn directeur. Die was nu nog dieper dan anders. ‘Ik heb vanmiddag een telefoontje gehad over een leerling uit jouw klas’, begon hij. ‘Ik heb helaas geen goed nieuws. Een van de kinderen uit jouw mentorklas 1F heeft een ongeluk gehad. Ze is onder een bus gekomen. Meteen dood. Ja, vanmiddag.’ Het duurde even voor de woorden tot hem doordrongen. ‘Ben je er nog?’ vroeg zijn directeur. ‘Ja, ja’, stotterde hij. ‘In ‘s hemelsnaam…. Om wie gaat het?’ ‘Henriëtte ter Steege’, antwoordde zijn baas. ‘Net dertien. Ik ben vanmiddag al even bij de ouders geweest. Diepe treurnis natuurlijk. Maar ze zouden het wel op prijs stellen als jij ook langskwam. Even. Morgen. Ze vroegen uitdrukkelijk naar je. Ik heb gezegd dat je dat zou doen. Maar ik begrijp dat het moeilijk voor je is. Ik heb Jaap gevraagd of hij met je mee wil en hij komt je morgen tegen twee uur ophalen. Kunnen jullie samen gaan. Kun je dan?’ ‘Ja, ja, natuurlijk’, stotterde hij weer. Zijn keel kneep dicht. ‘Fijn dat u Jaap gevraagd heeft om me te vergezellen’, bracht hij nog uit. ‘Maandagochtend graag om acht uur op school’, ging zijn baas zakelijk door, alsof hij niets gemerkt had van zijn gestotter. ‘Ik ga de collega’s bellen, we moeten overleggen wat we die dag met de klas doen en hoe het verder moet, die week.’ ‘Ja, dat is goed’, bracht hij nog uit. Met trillende handen legde hij de hoorn neer. Henriëtte is dood, zei hij hardop tegen zichzelf. En nog eens. Henriëtte is dood. Het klonk nog ongeloofwaardig. Onmogelijk. Onrechtvaardig vooral ook. 

Jaap was de collega die de godsdienstlessen op school verzorgde. Hij was al wat ouder en had een preekbevoegdheid en ook enige ervaring met het leiden van begrafenissen. Hij was blij dat hij niet alléén naar de ouders hoefde. Wat moet ik in godsnaam zeggen tegen die mensen, vroeg hij zich wanhopig af. Hij had nog nooit een sterfgeval van dichtbij meegemaakt. Niet zo dichtbij. Jaap reed zondagmiddag met zijn Volvo precies op tijd voor. Ze spraken weinig. De rit was maar kort. Met het hart in de keel belde hij aan. De vader deed open. ‘Ik had niet gedacht dat ik u zo snel na vrijdagavond al weer zou zien’, zei de man vriendelijk. Hij zei niets, knikte instemmend. De vrouw zat met dikke, vochtige ogen op de bank. Ze redderde meteen, om maar bezig te zijn. Nerveus. Trillende handen, zag hij. ‘Wilt u thee? Koffie dan?’ Uiteindelijk zat ze weer op de bank, de handen stijf in elkaar geknepen. De vader vertelde. Henriët, zo noemde hij haar, was met een paar meisjes wezen winkelen. Op het kruispunt bij het nieuwe winkelcentrum was het gebeurd. Hoe precies was nog niet duidelijk. Of de buschauffeur een stoplicht had genegeerd, of de kinderen niet had gezien in de dode hoek, de politie had gezegd dat ze het grondig zouden uitzoeken. In ieder geval was ze op slag dood geweest. ‘Ze heeft niet geleden’, zei de man categorisch, met een nadrukkelijke blik naar zijn vrouw. Het vriendinnetje had een zware shock maar was er verder goed afgekomen. 

De woorden kwamen als door een mist tot hem. Hoe kon deze man zo helder over zoiets onzegbaars spreken, dacht hij. ‘U moet weten dat ze drie heel gelukkige maanden gehad heeft op uw school’, zei de moeder met zachte stem, nauwelijks hoorbaar. ‘Henriët vertelde thuis alles van school, ook over de gesprekjes die u met haar had. Ze was vol lof over u en over de klas. Ze was gisteren nog helemaal vol van hoe leuk ze het vrijdag op het klassenfeestje gehad hadden.’ Zijn keel kneep verder toe. Hij knikte maar wat. Probeerde te slikken maar zijn mond was droog. In zijn keel een prop. 

‘Henriët was onze enige dochter’, zei de vader. ‘Haar broertje ligt boven op bed. Hij eet niet, wil niemand zien.’ Collega Jaap sprak troostend bedoelde woorden. Ze klonken hem nogal zalvend in de oren. Was hier niet elk woord dat de pretentie van begrip of verklaring of zelfs troost had, te veel? 

De vader ging niet in op de gesproken woorden. Hij scheen ze nauwelijks te horen. ‘We zullen moeten verhuizen’, zei hij er opeens plompverloren tussendoor. Zijn vrouw keek hem instemmend aan. Ze knikte. Jaap was duidelijk van zijn a propos door de plotselinge wending die de man aan het gesprek gaf. Hij keek naar zijn stilgevallen collega en wendde zich dan tot de vader: ‘Verhuizen?’

De man keek hem berustend aan. ‘Ja’, zuchtte hij, ‘verhuizen.’ ‘Maar wat, waarom…?’ De vader stond op, liep naar het raam. Hij wees naar de overkant van de brede weg. Hoge donkere eiken waarvan het blad juist een sprookjesachtig mooie herfstkleur begon aan te nemen. ‘We wonen al veertien jaar hier’, zei de man. ‘Tegenover de gemeentelijke begraafplaats. Met veel plezier hier gewoond. Maar ik kan niet elke morgen bij het openen van de gordijnen dat uitzicht hebben. Ik zou het niet kunnen verdragen. Te weten dat ze daar ligt, onder de aarde. Terwijl ze hier aan tafel aan het ontbijt zou moeten zitten. Terwijl ze ruzie met haar broertje zou moeten maken. En mijn vrouw ook niet. Ze…  Daarom dus. Verhuizen helpt misschien. Misschien.’ Zijn stem stierf weg. Jaap had zich nog steeds niet hernomen. De vader vond na een lange stilte zijn stem en houding terug. ‘We zouden het fijn vinden, mijn vrouw en ik, als de hele klas erbij zou zijn als ze… als ze… begraven wordt. We weten zeker dat ze dat zelf zo had gewild.’ 

Bij het weggaan bracht de man hen naar de deur. ‘Daar ligt ze over een paar dagen’, mompelde hij met een snelle blik op de hoge eiken. ‘Bedankt dat u geweest bent. Het is voor een jonge leraar als u ook niet gemakkelijk, denk ik’, zei hij speciaal in zijn richting. ‘En nogmaals bedankt voor de mooie maanden die ze bij jullie heeft gehad.’ 

In de auto naast Jaap kon hij maar een ding denken. Henriëtte is dood. Net dertien. 

 


 

 

Kort verhaal

Glimlach

‘Opa kijk eens, zo hoog!’ Hij keek naar de blonde wolk op de schommel. Haar opgewonden gilletjes en schaterlach klaterden tegen de gevel van hun huis, spatten uiteen en vielen in schitterende kristallen voor zijn voeten. De zon in haar lange wapperende haren verblindde hem. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Achter de blonde wolk zag hij opeens weer haar gezicht van vele jaren geleden. De ondoorgrondelijke glimlach die hem destijds had doen smelten. Die hem het gevoel had gegeven dat hij er mocht zijn. Dat hij mocht zijn wie hij was. Maar die haar tegelijk zo onbereikbaar maakte. Zijn Mona Lisa. 

Als de blonde wolk bij hem op schoot kroop was er ongeveer hetzelfde gevoel als toen. De warmte van het lijfje, de geuren van het haar. In de muziekles. Zij was ook blond geweest, bedacht hij met een glimlach. Zij had zogenaamd haar boek vergeten. Hun fijngevoelige muziekleraar had met een begrijpende glimlach het excuus aanvaard. ‘Kijk maar mee met Leo in zijn boek.’ Haar hoofd dicht bij dat van hem. Adem die je van elkaar kon horen. Gefluisterde zinnetjes, elektriserende spanning. Soms een blik die deed blozen. Adem die in de keel stokte. Uit de blokfluit was even geen geluid gekomen. 

Endorfines, feromonen, dacht hij nu, analyserend. Dat kon hij goed, analyseren. Vooral achteraf. Als het in het leven erop aan kwam, liet zijn analyserend vermogen hem vaak in de steek en deed hij maar wat. Liet het er maar op aan komen. Hij zag haar fijne hand een hartje tekenen in zijn agenda. De meest platte clichés raken misschien wel het dichtst aan de kern van het leven dacht hij. De pagina bezat hij nog. Ergens diep in een la moest hij er nog zijn. Maar bereikbaar. In principe. Vergeten deed hij niet. De blonde wolk op de schommel tekende ook hartjes voor hem. 'Voor opa', stond er dan in kromme letters onder. 

Na een jaar was ze uit zijn leven verdwenen zoals zand door je vingers glijdt bij het bouwen van een kasteel op het strand. ‘Tot ziens’, had hij simpel gezegd bij wat het laatste afscheid zou zijn. 

Er was nog een andere glimlach geweest. Jonger, onschuldiger, schalkser. Sensueler ook. Maar beter te lezen. Bereikbaarder. Fonkelende ogen door zwarte haren. Ademloze wandelingen door een fluisterend bos. Zwijgend naast elkaar zitten, alleen hun handen communiceerden. De zilte zoetheid van de eerste tere zoen. ‘We zien elkaar toch nog wel eens?’ vroeg zij bij wat hun laatste ontmoeting zou zijn. 

Kiezen had hij uiteindelijk nooit gekund. ‘Verkiezen is het droefst verliezen’, had hun leraar Nederlands voorgelezen uit zijn lievelingsdichter Bloem. Uiteindelijk leek de vrijheid het aantrekkelijkst. Toen. Ook een keuze, maar dan een waarvoor je geen knoop hoefde door te hakken. Net wat voor hem. Twijfel was altijd zijn laatste houvast geweest.  

Hij had onlangs vernomen dat ze al bijna een halve eeuw geleden naar het buitenland was verhuisd. En dat contact vrijwel onmogelijk was. Niets nieuws dus, dacht hij. Echt contact was toch altijd al onmogelijk geweest. Behalve die glimlach en de geur van haren die prikkelen in je gezicht. ‘Opa, kijk dan!’ 

Hij schrok van zijn eigen gedachten. Een halve eeuw. Die glimlachen in zijn jeugd hadden een kras op zijn ziel gemaakt die soms nog jeukte. Krabben eraan was misschien niet verstandig maar omdat het jeuk was, onvermijdelijk. Pijn deed het allang niet meer. Beide glimlachen zaten in een mapje in zijn geheugen dat soms de neiging had open te vallen. Dan viel er zomaar een herinnering uit. Hij kon er al lang om glimlachen. De herinneringen vielen samen met zon, geur van vers hooi en bloemen. Een gelukkige jeugd, een gezond werkzaam leven. Lieve mensen om je heen. Wat wil een mens nog meer. Dat het water van de tijd wat minder snel zou stromen. Tja. 

Vijftig jaar. Meer al zelfs.  Hij werd echt oud, een sentimentele ouwe zak. Voor wie het verleden in steeds frequenter flitsen voorbij leek te komen. Nu merkte hij met enige schrik dat wat ze altijd zeiden, waar was. Hoe ouder, hoe sterker je jeugd je weer voor ogen staat. Steeds vaker moest hij denken aan die kindertijd. En later. Aan de keuzen die hij had gemaakt, maar meer nog was ontlopen. Het toeval dat je leven meer bepaalde dan je had gewild of nu wilt toegeven. De woorden die hij had bedoeld, maar niet gezegd. De woorden die hij had gezegd, maar niet bedoeld. De ogen waarin hij had gekeken maar dan de blik afgewend. De spijt die er was maar die hij nooit zou toegeven. De dingen die hij wilde doen maar nooit gedaan had. 

En ondanks dat alles was het leven niet karig geweest met geluk. Geluk is voor tevredenen of legen, dacht hij wel eens met een kleine variant op de dichter, die hem dit vast zou vergeven, daar boven. Laat mij dan maar tevreden zijn en leeg. Maar leeg was hij niet. Tevreden wel. Niet hij had het geluk gekozen, maar het geluk hem. Het ging erom dat je het leven kon nemen zoals het kwam, dacht hij. Misschien is het dat wel: geluk. 

De blonde wolk kwam op hem af en sprong in zijn armen. Onvoorwaardelijke overgave. Een glimlach waar hij niets achter hoefde te zoeken. Haar armpjes om zijn nek. De zachte haren prikkelden weer in zijn neus. Haar omarming werd sterker, zijn blik troebel. Endorfines. Feromonen. Achter hem riep zijn liefde voor het eten. Hij draaide zich om en liep met haar aan zijn hand naar het huis. ‘Oma, ik heb heel hoog geschommeld!’



 

Dit verhaal is mede geïnspireerd door dit mooie lied van Daniël Lohues: "Annelie", waaruit ik het slot citeer: 

 

'k Heb heur mar ien keer weer zien,

ien keer in mien leben

En af en toe, oh af en toe,

he'k der nummers over schreben,

't gung heus wel weer over, 

't duurde lang misschien.

'n rij gebreuken harten

bleek het beste medicien.

Ik weet dat 't heur goed giet,

en andersom vast ok.

En 't nou nog vergeten,

dat huuft zo neudig nie.

Want inmiddels moet ik glimlachen,

a'k denk an Annelie.

 

Uit: Daniël Lohues, album Allennig, 2006

 


 

 

 

Kort verhaal

 

Het vervolg 

Hij was expres wat te vroeg gekomen. Dacht hij. Hij wilde haar binnen zien komen. Dan voelde hij zich in het voordeel. Maar toen hij de deur openduwde, zat ze er al. Ze zwaaide naar hem. Ongemakkelijk zwaaide hij terug. Hun eerste contact na zoveel jaren had hem lichtelijk verbijsterd. Ze had hem gevonden op Facebook, die privacy-vreter waar hij uiteindelijk toch aan had toegegeven. Ze had hem gebeld. Er was een afspraak uit voortgekomen. Hij hield een ontmoeting eerst af maar zij drong aan. Nu was hij hier. In dit stuitend gezellige koffietentje. 

Toen hij haar naderde, kwam het weer boven. Ze stond hem nu weer scherp voor de geest. Zij was the belle of the ball, “het mooiste meisje van de klas” geweest. Niet echt heel mooi, maar wel de mooiste. Alles is immers relatief, ook schoonheid, dacht hij met zekere grimmigheid. Onbereikbaar had ze hem altijd geleken. Hij kon als puistige puber zijn ogen niet van haar afhouden destijds, maar zij had nauwelijks oog voor hem gehad. Dacht hij althans. 

Nu omhelsde ze hem alsof ze dikke vrienden waren geweest. Hij wist niet goed hoe hij haar gedrag moest interpreteren, maar hij had geleerd zulke onzekerheden te camoufleren. Hoewel, met vrouwen wist je het nooit, die hadden een fijn afgestelde antenne voor niet bedoelde lichaamstaal. Hij ging wat beduusd tegenover haar zitten, voorzichtig glimlachend. Hij brak de spanning door een dubbele espresso te bestellen. Zij zat achter een cafè latte. ‘Wat fijn dat je gekomen bent!’ ‘Ja’, zei hij en probeerde toch maar mee te gaan in haar enthousiasme. Probeerde dus zijn glimlach vast te houden.

Al snel hoefde hij weinig meer te zeggen. Kennelijk was ze blij eens tegen iemand te kunnen praten. Hij vond het wel goed. Ze had jaren in het buitenland gewoond, hoorde hij, maar sinds kort was ze terug. Ze kon nog niet wennen aan de kneuterigheid die dit land in al zijn verschijningsvormen uitstraalde. Ze schudde haar nog altijd blonde lokken. In dat gebaar herkende hij ineens de zeventienjarige. Ruimte was ze gewend. Ruimte niet alleen om huis, op straat en in de omgeving, maar ook in haar hoofd. Ruimte in je hoofd: aan die moderne gemeenplaatsen had hij zo’n hekel, dacht hij. Waar volgens jou ruimte moet zijn, kunnen beter hersens zitten, dacht hij balorig. Niet helemaal fair, want behalve mooi was ze ook best slim. Altijd geweest: de leraren hielden niet alleen van haar omdat ze haar T-shirt zo kon laten spannen door haar schouders naar achter te halen en haar lange blonde haren te schudden, nee, ze hielden ook van haar slimheid. Dat had hij destijds wel opgemerkt. Ze wond de meeste leraren niet alleen op -maar ook om haar vinger. Kon dingen tegen ze zeggen die anderen tamelijk vrijpostig vonden. Hij ook, herinnerde hij zich. Terwijl zij doorpraatte, dwaalden zijn gedachten af. 

Eens hadden ze het laatste uur van de dag les van de leraar wiskunde gehad. Een gerespecteerde maar tamelijk strenge, wat steile man. Voor ze naar huis gingen was het gewoonte dat de dienstdoende leraar een kort gebed deed met de klas. Zij was opgestaan en had alvast alle lichten uitgedaan. Alleen het voorste licht dat op het bord gericht stond, liet ze aan. De leraar wiskunde stond in de plas licht, de klas was gehuld in het herfstdonker. ‘Zo meneer’, had ze gezegd met die heldere, licht spottende stem van haar. ‘Eindelijk eens echt in de spotlights, hoe voelt dat!’ De leraar wist zo gauw niet te reageren, hij stond niet bekend om zijn humor. Hij keek haar aan en kon een glimlach niet onderdrukken. Door de klas ging een bewonderend gemonkel. Dat ze dat durfde. 

Haar stem drong weer tot hem door. Hier had ze het gevoel dat de wereld letterlijk op haar afkwam, ging ze door. Mensen lopen je op straat bijna omver maar zien je niet staan. Als ze even iets van het nieuws opving, stond ze versteld van de snelheid, de hijgerigheid, de oppervlakkigheid. ‘Heb jij daar geen last van?’ vroeg ze, zonder antwoord af te wachten. ‘Ach nee, natuurlijk niet, jij bent het gewend.’ 

Hij had geen zin haar te vertellen over zijn reizen over de aarde. Voor reportages. Voor bladen van vakbonden en ontwikkelingsorganisaties. Hij had wel iets gezien van de wereld, dat mocht je wel stellen. Iets van de schrijnende ongelijkheid, het brute onbeschaamde machtsmisbruik, dat op veel plaatsen op aarde zo normaal leek. En hij wist dat ze gelijk had. Nergens hadden de mensen het zo goed als hier in het westen, zeker in Nederland was het goed, maar dat mocht je niet zeggen. Nergens werd er met zoveel overgave geklaagd en genavelstaard als hier. Als je niet meezong in dat liedje, maakte je je niet populair. Maar hij zou haar geen gelijk geven. Niet in dit stadium. Niet haar. 

Ze vertelde met een dromerige blik in haar ogen over haar huisje aan het meer. Over haar leven daar. Hoe goed het jarenlang geweest was. Hoe ze beeldende kunst maakte, die nogal succes had gehad. Internationaal zelfs. Had hij er dan nooit over gehoord? Nee, sorry. ‘Geeft niet’, zei ze. ‘Jij bent meer van de letters. Was je toen ook al. Ik hou van beelden. Verbeelden. De natuur, de ruimte.’ De afstandelijkheid van de dorpelingen maar ook tegelijk hun betrokkenheid als je elkaar echt nodig had, mijmerde ze. Ze viel even stil. Roerde in haar koffie. Afwezige blik in haar grijsblauwe ogen. Hij zag een pijnlijke trek over haar gezicht komen. De man met wie ze was, wilde een helemaal nieuw verhaal beginnen, kwam er toen uit. Ze sprak nu met zachte stem. Aarzelend. Ergens anders op de wereld en dat had zij niet zien zitten. Ze verdacht hem ervan dat hij genoeg van haar had en elders een ander lief gevonden had. Of wilde gaan vinden. Ze had niet meer doorgevraagd. Op een gegeven moment deed de waarheid er niet meer toe. Had je het leven maar te aanvaarden zo het kwam. Ze keek hem met een rimpel op haar voorhoofd vragend aan. Toch? Nu moest hij wel wat zeggen. Ze bleef stil. ‘Njaa’, zei hij dan maar. ‘Misschien is dat wel het beste.’ Over gemeenplaatsen gesproken, dacht hij. Je kon toch niet zonder. 

Alleen in het huis aan het meer was wel heel alleen geweest. Het meer was weliswaar trouw maar zei niets terug. Wat ze nooit had gekend, nooit had gedacht te zullen kennen, drong zich nu op. Eenzaamheid. Ze noemde het woord met kennelijke schaamte. Haar mond vertrok licht van bitterheid. Nu was zij terug. Om te ontdekken of het vervolg van haar verhaal misschien hier lag, zo begreep hij uit haar nogal springerig opgediste ontboezemingen. Kennelijk was er voor hem een rol in het verhaal dat ze voor zich zag. Waarom anders zat hij hier, tegenover haar. Waarom anders vertelde ze hem dit hele verhaal. 

Hij had zijn eigen verhaal toch maar verteld. Paar jaar leraar, paar jaar voorlichting, aantal jaren journalist en fotograaf. Inktkoelie, noemde hij het zelf altijd. Maar hij wist dat zijn verhalen goed waren. Redacties gebruikten ze graag. Over zijn relaties bleef hij vaag. Erg opwindend klonk het allemaal niet, daar zorgde hij wel voor en hij had het bewust heel kort gehouden. Zijn verhaal was voor hem zelf, een ander had toch zijn of haar eigen verhaal. Hij trof maar zelden iemand die geïnteresseerd was in een ander verhaal dan het eigen. Bij hem was dat anders. Beroepsmatig interesseerde ieder mens hem. Tenminste, iedereen die hem een verhaal te vertellen had dat hij kon gebruiken, dacht hij er cynisch achteraan. Hij had een nieuwsgierigheid ontwikkeld, die zich bijna automatisch vertaalde in vragen stellen. De meeste mensen voelden zich immers prettig gekieteld als je ze vragen stelde. Belangstellende vragen. En telkens weer stond hij versteld van hoe gemakkelijk en uitgebreid mensen over zichzelf konden vertellen. De meesten hoorden zichzelf heel graag praten. Maar tegenover bekenden schakelde hij dat journalistieke mechanisme meestal uit. Wel kon hij door zijn vragen uitstekend de indruk wekken dat hij luisterde. Hij had vaak gemerkt dat vooral vrouwen dat heerlijk vonden. Daar had hij vaak zijn voordeel mee gedaan, bedacht hij tevreden. 

Met zijn korte verhaal had hij weer een zin toegevoegd aan zijn verhaal. Een zin of zin? Zijn verhaal zoals hij het zich herinnerde maar vooral zoals hij het zich geconstrueerd had. De mens leeft niet zijn leven, maar het verhaal van zijn leven, dacht hij. Als je jong bent, dacht hij, probeer je te zijn wie je wilt zijn; als je ouder wordt, probeer je te zijn wie je was of denkt dat je ooit was, en als je oud wordt, ben je je alleen nog je herinneringen. Tot ook die verdwijnen als je pech hebt. Maar altijd is er het verhaal. Het verandert met je mee, nee, jij verandert misschien wel mee met het verhaal. De mens is zijn brein, wat een onzin, dacht hij. De mens is hooguit wie hij denkt dat zijn brein hem voorspiegelt. Voor zolang het duurt. Misschien was de mens zijn geheugen. En hoe betrouwbaar geheugens zijn, daar kon hij steeds beter over meepraten. 

Hij realiseerde zich met een schokje dat hij al even niet gehoord had wat ze zei. Het leek haar niet te storen. Ze praatte gewoon door. 

Ze boog wat voorover. Ze was best goed geconserveerd. Dat ontging hem niet. Behalve journalist was hij ook fotograaf. Zijn gedachten gingen altijd gepaard met beelden, associaties. Sterk geretoucheerde foto’s uit het verleden, dacht hij, terwijl hij haar observeerde. Wat sympathieke rimpels maar nog steeds een fris, intelligent gezicht. De grijze haren vast goed gecamoufleerd want nog altijd die blonde lokken die haar destijds zo populair maakten. En een nog best aantrekkelijk figuur. Als je haar nu zou zetten tussen de andere klasgenoten van destijds, zou ze waarschijnlijk nog steeds ‘het mooiste meisje’ zijn, bedacht hij. Hij zag zich opeens samen met haar zitten hier in die koffietent. Alsof hij even buiten zichzelf trad. Hij zag zich als in een tekening van Peter van Straaten. Man met buik tegen een onmiskenbaar mokkel op een barkruk: “Mijn vrouw en ik laten elkaar volkomen vrij!” Zoiets. Maar dan anders. Er speelde een glimlach om zijn lippen. 

Ze pakte zijn hand voor hij die terug kon trekken. Ze glimlachte terug. Dacht vast dat hij naar haar glimlachte. ‘Waar dacht je aan? Weet je nog’, zei ze, ‘dat wij in de klas vaak naast elkaar zaten?’ Nee, wilde hij zeggen, dat deden we nooit: naast elkaar zitten, tenminste bijna nooit. Maar zij ging door. ‘Jij was een beetje een shy boy maar dat vond ik juist leuk. Al die andere jongens wilden maar één ding.’ Hij zou nu eigenlijk moeten zeggen dat hij dat ene ding ook wel wilde, maar het nooit had durven laten merken. Niet aan haar in ieder geval. Andere meisjes waren gemakkelijker geweest. Hij vond haar versie van het verhaal wel aantrekkelijk om even in mee te gaan. ‘Jij was authentiek’, zei ze. ‘Ik had bij jou het gevoel dat jij geen rol speelde.’ Ze keek strak in zijn ogen. ‘Puur, echt, dat was je. Ik was best een beetje verliefd op je, weet je dat?’ 

Nee, dat wist hij niet. Nooit wat van gemerkt ook. Puur, authentiek. Ha!  Ze moest eens weten, dacht hij. Rollen spelen was hem een tweede natuur geworden. Hoe had hij anders zijn verlegenheid te boven kunnen komen? Hoe had hij zich anders als journalist staande kunnen houden. ‘Ik vond het jammer dat ik je helemaal uit het oog verloor na onze schooltijd’, vertrouwde ze hem toe met een oogopslag, die hij niet helemaal kon duiden, maar die hem verwarde. Ze boog zich nog verder over het tafeltje naar hem toe. Wat wilde deze vrouw in hemelsnaam van hem? Laat me met rust, dacht hij. Ik wil hier weg. ‘Jaaa’, zei hij met opzet traag. ‘Ik heb ook nog wel eens aan die tijd gedacht.’ Met opzet vermeed hij te zeggen, dat hij nog wel eens aan háár had gedacht. Vaak kon je de waarheid vrij eenvoudig vermijden, zonder te liegen. 

‘Weet je nog die keer dat je me thuis bracht achterop je brommer?’ monkelde ze met een te schalkse blik. Haar warme hand lag nog op die van hem. Ze kneep er zachtjes in. Hij liet het maar zo. Mijn Kreidler, dacht hij. Ja, van die brommer kreeg hij nu nog warme gevoelens. Als je destijds een Kreidler had, dan was je wat. Een Puch was ook goed, misschien nog beter, maar niet voor hem. Het zitje achterop was kort en hard, dus ze had haar armen stijf om zijn middel geslagen. Na een paar onverwacht innige zoenen die hem verwarden in de portiek, was ze het huis in gefladderd. ‘Als ik je toen had binnen gevraagd, was mijn leven misschien wel anders gelopen’, zei ze met een diepe zucht. ‘Nee, niet misschien, zeker.’ Ja, het mijne waarschijnlijk ook, dacht hij. Maar spijt had hij daarover niet. Het idee het leven met één vrouw te hebben moeten delen, kwam hem niet per se als heel aantrekkelijk voor. En zeker niet met deze vrouw, met haar quasi intieme opdringerigheid. Hoe aantrekkelijk ze er ook uitzag. Nog steeds. Hij had een afwisselend leven gehad -en nog. Hij zou niets helemaal anders gaan doen als het leven overgedaan moest worden. Non, rien de rien. 

‘Jij bent ook alleen dus’, polste ze. ‘Nou’, antwoordde hij met tegenzin, ‘nou, alleen… Ik ben niet getrouwd nee, als je dat bedoelt.’ ‘Maar je hebt dus wel een partner, een vriendin?’ Hij keek haar alleen maar aan. Laat het haar zelf maar invullen, dacht hij, dat kan ze zo goed. ‘Mmm, jammer. Anders had je me wat wegwijs kunnen maken. ’t Is wel mijn eigen land, maar na zoveel jaar herken ik bijna niks meer terug, wil je dat geloven? Jullie…. Sorry, de mensen hier zijn zo, zo… Iedereen is zo met zichzelf bezig.’ Hij kon haar geen ongelijk geven, maar dacht dat ze wat dat betreft hier zo weer zou kunnen aarden. Ze had hem in een half uur haar hele leven blootgelegd. Met zichzelf bezig, ha, dat kon je wel zeggen. Ze paste zich vast heel gemakkelijk weer aan in dit land, dacht hij grimlachend. 

‘Kunnen we toch niet nog eens afspreken?’ Ze keek hem aan met een glimlach waarin een lichte vertwijfeling doorschemerde. Ze voorvoelde het antwoord al. Haar grote vochtige ogen deden hem denken aan zijn hond, als die uitgelaten wilde worden maar nog vijf minuten moest wachten tot de baas zo ver was. 

‘Tjaa, zie je… ik weet het niet. Ik heb het nog steeds behoorlijk druk, hoor. Doe nog wat free lance werk en zo.’ Hou het vaag, sprak hij zichzelf in. ‘Maar ik vond het heel fijn je eens weer gezien te hebben’, kapte hij resoluut alle verdere pogingen af. Resoluut, ook om te voorkomen dat hij van gedachten veranderde. Hij had toch even een hekel aan zichzelf toen hij haar gezicht zag betrekken. ‘Vind je het wel goed als ik je nog eens bel? Of liever whatsappen? Heb je whatsap?’ ‘Ja, appen, doe dat maar’, zei hij terwijl hij opstond en wat euro’s op tafel legde. Apjes kon je gemakkelijker negeren. Opzij swipen. Weg tikken. Annuleren. Fijn toch, die moderne communicatietechnieken.

Toen hij buiten op het plein in de motregen ondanks zichzelf nog even achterom keek, zwaaide ze achter de druppels op het raam. 

 

 

naar boven