Korte verhalen; fictie - Het vervolg

on 24 oktober 2015
Hits: 7254

 

 

 

Kort verhaal

 

Het vervolg 

Hij was expres wat te vroeg gekomen. Dacht hij. Hij wilde haar binnen zien komen. Dan voelde hij zich in het voordeel. Maar toen hij de deur openduwde, zat ze er al. Ze zwaaide naar hem. Ongemakkelijk zwaaide hij terug. Hun eerste contact na zoveel jaren had hem lichtelijk verbijsterd. Ze had hem gevonden op Facebook, die privacy-vreter waar hij uiteindelijk toch aan had toegegeven. Ze had hem gebeld. Er was een afspraak uit voortgekomen. Hij hield een ontmoeting eerst af maar zij drong aan. Nu was hij hier. In dit stuitend gezellige koffietentje. 

Toen hij haar naderde, kwam het weer boven. Ze stond hem nu weer scherp voor de geest. Zij was the belle of the ball, “het mooiste meisje van de klas” geweest. Niet echt heel mooi, maar wel de mooiste. Alles is immers relatief, ook schoonheid, dacht hij met zekere grimmigheid. Onbereikbaar had ze hem altijd geleken. Hij kon als puistige puber zijn ogen niet van haar afhouden destijds, maar zij had nauwelijks oog voor hem gehad. Dacht hij althans. 

Nu omhelsde ze hem alsof ze dikke vrienden waren geweest. Hij wist niet goed hoe hij haar gedrag moest interpreteren, maar hij had geleerd zulke onzekerheden te camoufleren. Hoewel, met vrouwen wist je het nooit, die hadden een fijn afgestelde antenne voor niet bedoelde lichaamstaal. Hij ging wat beduusd tegenover haar zitten, voorzichtig glimlachend. Hij brak de spanning door een dubbele espresso te bestellen. Zij zat achter een cafè latte. ‘Wat fijn dat je gekomen bent!’ ‘Ja’, zei hij en probeerde toch maar mee te gaan in haar enthousiasme. Probeerde dus zijn glimlach vast te houden.

Al snel hoefde hij weinig meer te zeggen. Kennelijk was ze blij eens tegen iemand te kunnen praten. Hij vond het wel goed. Ze had jaren in het buitenland gewoond, hoorde hij, maar sinds kort was ze terug. Ze kon nog niet wennen aan de kneuterigheid die dit land in al zijn verschijningsvormen uitstraalde. Ze schudde haar nog altijd blonde lokken. In dat gebaar herkende hij ineens de zeventienjarige. Ruimte was ze gewend. Ruimte niet alleen om huis, op straat en in de omgeving, maar ook in haar hoofd. Ruimte in je hoofd: aan die moderne gemeenplaatsen had hij zo’n hekel, dacht hij. Waar volgens jou ruimte moet zijn, kunnen beter hersens zitten, dacht hij balorig. Niet helemaal fair, want behalve mooi was ze ook best slim. Altijd geweest: de leraren hielden niet alleen van haar omdat ze haar T-shirt zo kon laten spannen door haar schouders naar achter te halen en haar lange blonde haren te schudden, nee, ze hielden ook van haar slimheid. Dat had hij destijds wel opgemerkt. Ze wond de meeste leraren niet alleen op -maar ook om haar vinger. Kon dingen tegen ze zeggen die anderen tamelijk vrijpostig vonden. Hij ook, herinnerde hij zich. Terwijl zij doorpraatte, dwaalden zijn gedachten af. 

Eens hadden ze het laatste uur van de dag les van de leraar wiskunde gehad. Een gerespecteerde maar tamelijk strenge, wat steile man. Voor ze naar huis gingen was het gewoonte dat de dienstdoende leraar een kort gebed deed met de klas. Zij was opgestaan en had alvast alle lichten uitgedaan. Alleen het voorste licht dat op het bord gericht stond, liet ze aan. De leraar wiskunde stond in de plas licht, de klas was gehuld in het herfstdonker. ‘Zo meneer’, had ze gezegd met die heldere, licht spottende stem van haar. ‘Eindelijk eens echt in de spotlights, hoe voelt dat!’ De leraar wist zo gauw niet te reageren, hij stond niet bekend om zijn humor. Hij keek haar aan en kon een glimlach niet onderdrukken. Door de klas ging een bewonderend gemonkel. Dat ze dat durfde. 

Haar stem drong weer tot hem door. Hier had ze het gevoel dat de wereld letterlijk op haar afkwam, ging ze door. Mensen lopen je op straat bijna omver maar zien je niet staan. Als ze even iets van het nieuws opving, stond ze versteld van de snelheid, de hijgerigheid, de oppervlakkigheid. ‘Heb jij daar geen last van?’ vroeg ze, zonder antwoord af te wachten. ‘Ach nee, natuurlijk niet, jij bent het gewend.’ 

Hij had geen zin haar te vertellen over zijn reizen over de aarde. Voor reportages. Voor bladen van vakbonden en ontwikkelingsorganisaties. Hij had wel iets gezien van de wereld, dat mocht je wel stellen. Iets van de schrijnende ongelijkheid, het brute onbeschaamde machtsmisbruik, dat op veel plaatsen op aarde zo normaal leek. En hij wist dat ze gelijk had. Nergens hadden de mensen het zo goed als hier in het westen, zeker in Nederland was het goed, maar dat mocht je niet zeggen. Nergens werd er met zoveel overgave geklaagd en genavelstaard als hier. Als je niet meezong in dat liedje, maakte je je niet populair. Maar hij zou haar geen gelijk geven. Niet in dit stadium. Niet haar. 

Ze vertelde met een dromerige blik in haar ogen over haar huisje aan het meer. Over haar leven daar. Hoe goed het jarenlang geweest was. Hoe ze beeldende kunst maakte, die nogal succes had gehad. Internationaal zelfs. Had hij er dan nooit over gehoord? Nee, sorry. ‘Geeft niet’, zei ze. ‘Jij bent meer van de letters. Was je toen ook al. Ik hou van beelden. Verbeelden. De natuur, de ruimte.’ De afstandelijkheid van de dorpelingen maar ook tegelijk hun betrokkenheid als je elkaar echt nodig had, mijmerde ze. Ze viel even stil. Roerde in haar koffie. Afwezige blik in haar grijsblauwe ogen. Hij zag een pijnlijke trek over haar gezicht komen. De man met wie ze was, wilde een helemaal nieuw verhaal beginnen, kwam er toen uit. Ze sprak nu met zachte stem. Aarzelend. Ergens anders op de wereld en dat had zij niet zien zitten. Ze verdacht hem ervan dat hij genoeg van haar had en elders een ander lief gevonden had. Of wilde gaan vinden. Ze had niet meer doorgevraagd. Op een gegeven moment deed de waarheid er niet meer toe. Had je het leven maar te aanvaarden zo het kwam. Ze keek hem met een rimpel op haar voorhoofd vragend aan. Toch? Nu moest hij wel wat zeggen. Ze bleef stil. ‘Njaa’, zei hij dan maar. ‘Misschien is dat wel het beste.’ Over gemeenplaatsen gesproken, dacht hij. Je kon toch niet zonder. 

Alleen in het huis aan het meer was wel heel alleen geweest. Het meer was weliswaar trouw maar zei niets terug. Wat ze nooit had gekend, nooit had gedacht te zullen kennen, drong zich nu op. Eenzaamheid. Ze noemde het woord met kennelijke schaamte. Haar mond vertrok licht van bitterheid. Nu was zij terug. Om te ontdekken of het vervolg van haar verhaal misschien hier lag, zo begreep hij uit haar nogal springerig opgediste ontboezemingen. Kennelijk was er voor hem een rol in het verhaal dat ze voor zich zag. Waarom anders zat hij hier, tegenover haar. Waarom anders vertelde ze hem dit hele verhaal. 

Hij had zijn eigen verhaal toch maar verteld. Paar jaar leraar, paar jaar voorlichting, aantal jaren journalist en fotograaf. Inktkoelie, noemde hij het zelf altijd. Maar hij wist dat zijn verhalen goed waren. Redacties gebruikten ze graag. Over zijn relaties bleef hij vaag. Erg opwindend klonk het allemaal niet, daar zorgde hij wel voor en hij had het bewust heel kort gehouden. Zijn verhaal was voor hem zelf, een ander had toch zijn of haar eigen verhaal. Hij trof maar zelden iemand die geïnteresseerd was in een ander verhaal dan het eigen. Bij hem was dat anders. Beroepsmatig interesseerde ieder mens hem. Tenminste, iedereen die hem een verhaal te vertellen had dat hij kon gebruiken, dacht hij er cynisch achteraan. Hij had een nieuwsgierigheid ontwikkeld, die zich bijna automatisch vertaalde in vragen stellen. De meeste mensen voelden zich immers prettig gekieteld als je ze vragen stelde. Belangstellende vragen. En telkens weer stond hij versteld van hoe gemakkelijk en uitgebreid mensen over zichzelf konden vertellen. De meesten hoorden zichzelf heel graag praten. Maar tegenover bekenden schakelde hij dat journalistieke mechanisme meestal uit. Wel kon hij door zijn vragen uitstekend de indruk wekken dat hij luisterde. Hij had vaak gemerkt dat vooral vrouwen dat heerlijk vonden. Daar had hij vaak zijn voordeel mee gedaan, bedacht hij tevreden. 

Met zijn korte verhaal had hij weer een zin toegevoegd aan zijn verhaal. Een zin of zin? Zijn verhaal zoals hij het zich herinnerde maar vooral zoals hij het zich geconstrueerd had. De mens leeft niet zijn leven, maar het verhaal van zijn leven, dacht hij. Als je jong bent, dacht hij, probeer je te zijn wie je wilt zijn; als je ouder wordt, probeer je te zijn wie je was of denkt dat je ooit was, en als je oud wordt, ben je je alleen nog je herinneringen. Tot ook die verdwijnen als je pech hebt. Maar altijd is er het verhaal. Het verandert met je mee, nee, jij verandert misschien wel mee met het verhaal. De mens is zijn brein, wat een onzin, dacht hij. De mens is hooguit wie hij denkt dat zijn brein hem voorspiegelt. Voor zolang het duurt. Misschien was de mens zijn geheugen. En hoe betrouwbaar geheugens zijn, daar kon hij steeds beter over meepraten. 

Hij realiseerde zich met een schokje dat hij al even niet gehoord had wat ze zei. Het leek haar niet te storen. Ze praatte gewoon door. 

Ze boog wat voorover. Ze was best goed geconserveerd. Dat ontging hem niet. Behalve journalist was hij ook fotograaf. Zijn gedachten gingen altijd gepaard met beelden, associaties. Sterk geretoucheerde foto’s uit het verleden, dacht hij, terwijl hij haar observeerde. Wat sympathieke rimpels maar nog steeds een fris, intelligent gezicht. De grijze haren vast goed gecamoufleerd want nog altijd die blonde lokken die haar destijds zo populair maakten. En een nog best aantrekkelijk figuur. Als je haar nu zou zetten tussen de andere klasgenoten van destijds, zou ze waarschijnlijk nog steeds ‘het mooiste meisje’ zijn, bedacht hij. Hij zag zich opeens samen met haar zitten hier in die koffietent. Alsof hij even buiten zichzelf trad. Hij zag zich als in een tekening van Peter van Straaten. Man met buik tegen een onmiskenbaar mokkel op een barkruk: “Mijn vrouw en ik laten elkaar volkomen vrij!” Zoiets. Maar dan anders. Er speelde een glimlach om zijn lippen. 

Ze pakte zijn hand voor hij die terug kon trekken. Ze glimlachte terug. Dacht vast dat hij naar haar glimlachte. ‘Waar dacht je aan? Weet je nog’, zei ze, ‘dat wij in de klas vaak naast elkaar zaten?’ Nee, wilde hij zeggen, dat deden we nooit: naast elkaar zitten, tenminste bijna nooit. Maar zij ging door. ‘Jij was een beetje een shy boy maar dat vond ik juist leuk. Al die andere jongens wilden maar één ding.’ Hij zou nu eigenlijk moeten zeggen dat hij dat ene ding ook wel wilde, maar het nooit had durven laten merken. Niet aan haar in ieder geval. Andere meisjes waren gemakkelijker geweest. Hij vond haar versie van het verhaal wel aantrekkelijk om even in mee te gaan. ‘Jij was authentiek’, zei ze. ‘Ik had bij jou het gevoel dat jij geen rol speelde.’ Ze keek strak in zijn ogen. ‘Puur, echt, dat was je. Ik was best een beetje verliefd op je, weet je dat?’ 

Nee, dat wist hij niet. Nooit wat van gemerkt ook. Puur, authentiek. Ha!  Ze moest eens weten, dacht hij. Rollen spelen was hem een tweede natuur geworden. Hoe had hij anders zijn verlegenheid te boven kunnen komen? Hoe had hij zich anders als journalist staande kunnen houden. ‘Ik vond het jammer dat ik je helemaal uit het oog verloor na onze schooltijd’, vertrouwde ze hem toe met een oogopslag, die hij niet helemaal kon duiden, maar die hem verwarde. Ze boog zich nog verder over het tafeltje naar hem toe. Wat wilde deze vrouw in hemelsnaam van hem? Laat me met rust, dacht hij. Ik wil hier weg. ‘Jaaa’, zei hij met opzet traag. ‘Ik heb ook nog wel eens aan die tijd gedacht.’ Met opzet vermeed hij te zeggen, dat hij nog wel eens aan háár had gedacht. Vaak kon je de waarheid vrij eenvoudig vermijden, zonder te liegen. 

‘Weet je nog die keer dat je me thuis bracht achterop je brommer?’ monkelde ze met een te schalkse blik. Haar warme hand lag nog op die van hem. Ze kneep er zachtjes in. Hij liet het maar zo. Mijn Kreidler, dacht hij. Ja, van die brommer kreeg hij nu nog warme gevoelens. Als je destijds een Kreidler had, dan was je wat. Een Puch was ook goed, misschien nog beter, maar niet voor hem. Het zitje achterop was kort en hard, dus ze had haar armen stijf om zijn middel geslagen. Na een paar onverwacht innige zoenen die hem verwarden in de portiek, was ze het huis in gefladderd. ‘Als ik je toen had binnen gevraagd, was mijn leven misschien wel anders gelopen’, zei ze met een diepe zucht. ‘Nee, niet misschien, zeker.’ Ja, het mijne waarschijnlijk ook, dacht hij. Maar spijt had hij daarover niet. Het idee het leven met één vrouw te hebben moeten delen, kwam hem niet per se als heel aantrekkelijk voor. En zeker niet met deze vrouw, met haar quasi intieme opdringerigheid. Hoe aantrekkelijk ze er ook uitzag. Nog steeds. Hij had een afwisselend leven gehad -en nog. Hij zou niets helemaal anders gaan doen als het leven overgedaan moest worden. Non, rien de rien. 

‘Jij bent ook alleen dus’, polste ze. ‘Nou’, antwoordde hij met tegenzin, ‘nou, alleen… Ik ben niet getrouwd nee, als je dat bedoelt.’ ‘Maar je hebt dus wel een partner, een vriendin?’ Hij keek haar alleen maar aan. Laat het haar zelf maar invullen, dacht hij, dat kan ze zo goed. ‘Mmm, jammer. Anders had je me wat wegwijs kunnen maken. ’t Is wel mijn eigen land, maar na zoveel jaar herken ik bijna niks meer terug, wil je dat geloven? Jullie…. Sorry, de mensen hier zijn zo, zo… Iedereen is zo met zichzelf bezig.’ Hij kon haar geen ongelijk geven, maar dacht dat ze wat dat betreft hier zo weer zou kunnen aarden. Ze had hem in een half uur haar hele leven blootgelegd. Met zichzelf bezig, ha, dat kon je wel zeggen. Ze paste zich vast heel gemakkelijk weer aan in dit land, dacht hij grimlachend. 

‘Kunnen we toch niet nog eens afspreken?’ Ze keek hem aan met een glimlach waarin een lichte vertwijfeling doorschemerde. Ze voorvoelde het antwoord al. Haar grote vochtige ogen deden hem denken aan zijn hond, als die uitgelaten wilde worden maar nog vijf minuten moest wachten tot de baas zo ver was. 

‘Tjaa, zie je… ik weet het niet. Ik heb het nog steeds behoorlijk druk, hoor. Doe nog wat free lance werk en zo.’ Hou het vaag, sprak hij zichzelf in. ‘Maar ik vond het heel fijn je eens weer gezien te hebben’, kapte hij resoluut alle verdere pogingen af. Resoluut, ook om te voorkomen dat hij van gedachten veranderde. Hij had toch even een hekel aan zichzelf toen hij haar gezicht zag betrekken. ‘Vind je het wel goed als ik je nog eens bel? Of liever whatsappen? Heb je whatsap?’ ‘Ja, appen, doe dat maar’, zei hij terwijl hij opstond en wat euro’s op tafel legde. Apjes kon je gemakkelijker negeren. Opzij swipen. Weg tikken. Annuleren. Fijn toch, die moderne communicatietechnieken.

Toen hij buiten op het plein in de motregen ondanks zichzelf nog even achterom keek, zwaaide ze achter de druppels op het raam. 

 

 

naar boven