Korte verhalen; fictie - Glimlach

on 24 oktober 2015
Hits: 7257

 

 

Kort verhaal

Glimlach

‘Opa kijk eens, zo hoog!’ Hij keek naar de blonde wolk op de schommel. Haar opgewonden gilletjes en schaterlach klaterden tegen de gevel van hun huis, spatten uiteen en vielen in schitterende kristallen voor zijn voeten. De zon in haar lange wapperende haren verblindde hem. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. Achter de blonde wolk zag hij opeens weer haar gezicht van vele jaren geleden. De ondoorgrondelijke glimlach die hem destijds had doen smelten. Die hem het gevoel had gegeven dat hij er mocht zijn. Dat hij mocht zijn wie hij was. Maar die haar tegelijk zo onbereikbaar maakte. Zijn Mona Lisa. 

Als de blonde wolk bij hem op schoot kroop was er ongeveer hetzelfde gevoel als toen. De warmte van het lijfje, de geuren van het haar. In de muziekles. Zij was ook blond geweest, bedacht hij met een glimlach. Zij had zogenaamd haar boek vergeten. Hun fijngevoelige muziekleraar had met een begrijpende glimlach het excuus aanvaard. ‘Kijk maar mee met Leo in zijn boek.’ Haar hoofd dicht bij dat van hem. Adem die je van elkaar kon horen. Gefluisterde zinnetjes, elektriserende spanning. Soms een blik die deed blozen. Adem die in de keel stokte. Uit de blokfluit was even geen geluid gekomen. 

Endorfines, feromonen, dacht hij nu, analyserend. Dat kon hij goed, analyseren. Vooral achteraf. Als het in het leven erop aan kwam, liet zijn analyserend vermogen hem vaak in de steek en deed hij maar wat. Liet het er maar op aan komen. Hij zag haar fijne hand een hartje tekenen in zijn agenda. De meest platte clichés raken misschien wel het dichtst aan de kern van het leven dacht hij. De pagina bezat hij nog. Ergens diep in een la moest hij er nog zijn. Maar bereikbaar. In principe. Vergeten deed hij niet. De blonde wolk op de schommel tekende ook hartjes voor hem. 'Voor opa', stond er dan in kromme letters onder. 

Na een jaar was ze uit zijn leven verdwenen zoals zand door je vingers glijdt bij het bouwen van een kasteel op het strand. ‘Tot ziens’, had hij simpel gezegd bij wat het laatste afscheid zou zijn. 

Er was nog een andere glimlach geweest. Jonger, onschuldiger, schalkser. Sensueler ook. Maar beter te lezen. Bereikbaarder. Fonkelende ogen door zwarte haren. Ademloze wandelingen door een fluisterend bos. Zwijgend naast elkaar zitten, alleen hun handen communiceerden. De zilte zoetheid van de eerste tere zoen. ‘We zien elkaar toch nog wel eens?’ vroeg zij bij wat hun laatste ontmoeting zou zijn. 

Kiezen had hij uiteindelijk nooit gekund. ‘Verkiezen is het droefst verliezen’, had hun leraar Nederlands voorgelezen uit zijn lievelingsdichter Bloem. Uiteindelijk leek de vrijheid het aantrekkelijkst. Toen. Ook een keuze, maar dan een waarvoor je geen knoop hoefde door te hakken. Net wat voor hem. Twijfel was altijd zijn laatste houvast geweest.  

Hij had onlangs vernomen dat ze al bijna een halve eeuw geleden naar het buitenland was verhuisd. En dat contact vrijwel onmogelijk was. Niets nieuws dus, dacht hij. Echt contact was toch altijd al onmogelijk geweest. Behalve die glimlach en de geur van haren die prikkelen in je gezicht. ‘Opa, kijk dan!’ 

Hij schrok van zijn eigen gedachten. Een halve eeuw. Die glimlachen in zijn jeugd hadden een kras op zijn ziel gemaakt die soms nog jeukte. Krabben eraan was misschien niet verstandig maar omdat het jeuk was, onvermijdelijk. Pijn deed het allang niet meer. Beide glimlachen zaten in een mapje in zijn geheugen dat soms de neiging had open te vallen. Dan viel er zomaar een herinnering uit. Hij kon er al lang om glimlachen. De herinneringen vielen samen met zon, geur van vers hooi en bloemen. Een gelukkige jeugd, een gezond werkzaam leven. Lieve mensen om je heen. Wat wil een mens nog meer. Dat het water van de tijd wat minder snel zou stromen. Tja. 

Vijftig jaar. Meer al zelfs.  Hij werd echt oud, een sentimentele ouwe zak. Voor wie het verleden in steeds frequenter flitsen voorbij leek te komen. Nu merkte hij met enige schrik dat wat ze altijd zeiden, waar was. Hoe ouder, hoe sterker je jeugd je weer voor ogen staat. Steeds vaker moest hij denken aan die kindertijd. En later. Aan de keuzen die hij had gemaakt, maar meer nog was ontlopen. Het toeval dat je leven meer bepaalde dan je had gewild of nu wilt toegeven. De woorden die hij had bedoeld, maar niet gezegd. De woorden die hij had gezegd, maar niet bedoeld. De ogen waarin hij had gekeken maar dan de blik afgewend. De spijt die er was maar die hij nooit zou toegeven. De dingen die hij wilde doen maar nooit gedaan had. 

En ondanks dat alles was het leven niet karig geweest met geluk. Geluk is voor tevredenen of legen, dacht hij wel eens met een kleine variant op de dichter, die hem dit vast zou vergeven, daar boven. Laat mij dan maar tevreden zijn en leeg. Maar leeg was hij niet. Tevreden wel. Niet hij had het geluk gekozen, maar het geluk hem. Het ging erom dat je het leven kon nemen zoals het kwam, dacht hij. Misschien is het dat wel: geluk. 

De blonde wolk kwam op hem af en sprong in zijn armen. Onvoorwaardelijke overgave. Een glimlach waar hij niets achter hoefde te zoeken. Haar armpjes om zijn nek. De zachte haren prikkelden weer in zijn neus. Haar omarming werd sterker, zijn blik troebel. Endorfines. Feromonen. Achter hem riep zijn liefde voor het eten. Hij draaide zich om en liep met haar aan zijn hand naar het huis. ‘Oma, ik heb heel hoog geschommeld!’



 

Dit verhaal is mede geïnspireerd door dit mooie lied van Daniël Lohues: "Annelie", waaruit ik het slot citeer: 

 

'k Heb heur mar ien keer weer zien,

ien keer in mien leben

En af en toe, oh af en toe,

he'k der nummers over schreben,

't gung heus wel weer over, 

't duurde lang misschien.

'n rij gebreuken harten

bleek het beste medicien.

Ik weet dat 't heur goed giet,

en andersom vast ok.

En 't nou nog vergeten,

dat huuft zo neudig nie.

Want inmiddels moet ik glimlachen,

a'k denk an Annelie.

 

Uit: Daniël Lohues, album Allennig, 2006

 

naar boven