Korte verhalen; fictie - Henriëtte is dood

on 24 oktober 2015
Hits: 7250

 

 

Kort verhaal

Henriëtte is dood

Na zijn militaire dienst had hij een baantje gevonden op een school voor vmbo. Twintig lesuren gaf hij. Meer uren waren er niet beschikbaar, maar het kwam hem goed uit want hij had ook tijd nodig voor zijn studie. Hij was klassenleraar geworden van een van de zeven brugklassen. Hij had ze alle zeven voor de lessen Nederlands en Kennis der Natuur. Of de directeur het opzettelijk had gedaan of dat het gewoon toeval was dat hij net deze klas 1F kreeg toebedeeld, wist hij niet. Waarschijnlijk dat laatste, maar feit was in ieder geval dat het een heel lieve klas was, de klas waar hij voor het eerst van zijn leven verantwoordelijk voor was. Want zo voelde hij het. Het waren zijn kinderen, alle achtentwintig. De schrijver Bordewijk had de klas vast een bloemenklas genoemd, bedacht hij. De meisjes waren in de meerderheid. Sommigen nog echte basisschoolkinderen, sprietig, met knokige armen en knieën. Een paar al van die echte kindvrouwtjes, met ontluikende vrouwelijke vormen en een oogopslag die je deed vermoeden dat ze zich al van hun mogelijkheden bewust waren. De jongens deden stoer maar de onzekerheid van de ontluikende puberteit deed zich al gelden. Nicole was een lange, stoere meid die ouder leek dan ze was. Ze werd meteen tot klassenvertegenwoordiger gekozen, samen met Gerrit, een wat trage maar heel aardige zittenblijver. De andere klassen die hij lesgaf, waren anders. Meer grauw, meer ‘gewoon’.

Hij vond het heerlijk om met proefjes ze van alles bij te brengen over de beginselen van de warenkennis en de kennis der natuur. Het was geen vak waarin hij verder wilde studeren, maar het lesgeven erin was onverwacht plezierig gebleken. Hij liet de kinderen zetmeel maken uit aardappels, de geraspte stukjes zeven door een nylonkous. Dat alleen al vonden ze spannend. De prut laten bezinken in water en met een verkleuringstestje aantonen dat het echt zetmeel was. Iedereen was ingespannen bezig. Wat nooit voorkwam gebeurde. Hij moest de laatsten het lokaal uitzetten toen de bel was gegaan, want hij wilde wel even koffie drinken. 

Hij bootste de bloedsomloop van de mens na met stangen, slangetjes en buisjes en een rubber knijppompje dat hij in een la van een van de grote kasten in het natuurkundelokaal had gevonden. Het meest verlegen meisje en een stille jongen mochten knijpen in het ‘kunsthart’. De klas zag het water met rode kleurstof zich verplaatsen en onmiddellijk wilde iedereen even pompen. 

In oktober werd de eerste klassenavond georganiseerd. Nicole was enthousiast en actief. Hij hoefde alleen maar wat te begeleiden. Nicole en Gerrit delegeerden en deden de inkopen. Cola en chips, veel meer was niet nodig. Henriëtte wilde eerst niet komen, had ze gezegd. Henriëtte was een sproetig, verlegen meisje met lang sluik haar, dat maar met één vriendin optrok voor zover hij het waarnam. Ze kon met grote, verbaasde ogen de klas in kijken en als hij haar iets vroeg, leek ze zich het liefst te willen verbergen achter de rug van Gerrit voor haar. De laatste weken kwam ze wat meer los. Ze lachte meer en deed actief mee. Hij zag haar ook giechelen met andere meiden. In een paar gesprekjes was hij er langzamerhand achter gekomen dat ze op de basisschool langdurig gepest was. Hier maakte ze een nieuwe start, en ze zei dat ze zich nu gelukkig voelde. Niemand had hier de pik op haar. Ze wist niet wat haar overkwam, vertrouwde ze hem met glanzende ogen toe. Een echte bloemenklas dus, dacht hij. In een extra gesprekje met haar had hij haar weten over te halen om toch te komen op het klassenfeestje. 

De vrijdagavond van het klassenfeestje ging heen met cola drinken en chips eten, plaatjes draaien en daarop dansen. Hij zag hun opgewonden blikken als ze een partner kozen om te dansen. Hij had Henriëtte ten dans gevraagd, en met een blos had ze toegestemd. Met die grote verbaasde ogen keek ze naar hem op. Daarna werd ze door nog twee jongens gevraagd en hij zag dat ze genoot. Gerrit draaide de platen als een volleerd diskjockey. Iedereen had plezier. Ze deden spelletjes die heel spannend waren: “bij de huwelijksfotograaf” waarbij jongens en meisjes heel verliefd “op de foto” moesten, en er was een parodie op een modeshow. Toen om half elf de ouders kwamen om hun spruiten op te halen, vond iedereen het jammer dat het al voorbij was. Henriëtte ook. Dat zei ze met een dankbare blik op hem tegen haar vader. Die nam hem even bij de arm en zei: ‘Bedankt. Henriëtte heeft het in geen jaren zo naar haar zin gehad als hier op school.’ Hij knikte. Van de meeste leerlingen kreeg hij een hand en ze bedankten hem ‘voor alles’. Met een voldaan gevoel nam hij afscheid van de conciërge die kwam afsluiten en fietste fluitend door de donkere avond naar zijn flatje. 

Zaterdagavond ging zijn telefoon. Hij herkende meteen de donkere basstem van zijn directeur. Die was nu nog dieper dan anders. ‘Ik heb vanmiddag een telefoontje gehad over een leerling uit jouw klas’, begon hij. ‘Ik heb helaas geen goed nieuws. Een van de kinderen uit jouw mentorklas 1F heeft een ongeluk gehad. Ze is onder een bus gekomen. Meteen dood. Ja, vanmiddag.’ Het duurde even voor de woorden tot hem doordrongen. ‘Ben je er nog?’ vroeg zijn directeur. ‘Ja, ja’, stotterde hij. ‘In ‘s hemelsnaam…. Om wie gaat het?’ ‘Henriëtte ter Steege’, antwoordde zijn baas. ‘Net dertien. Ik ben vanmiddag al even bij de ouders geweest. Diepe treurnis natuurlijk. Maar ze zouden het wel op prijs stellen als jij ook langskwam. Even. Morgen. Ze vroegen uitdrukkelijk naar je. Ik heb gezegd dat je dat zou doen. Maar ik begrijp dat het moeilijk voor je is. Ik heb Jaap gevraagd of hij met je mee wil en hij komt je morgen tegen twee uur ophalen. Kunnen jullie samen gaan. Kun je dan?’ ‘Ja, ja, natuurlijk’, stotterde hij weer. Zijn keel kneep dicht. ‘Fijn dat u Jaap gevraagd heeft om me te vergezellen’, bracht hij nog uit. ‘Maandagochtend graag om acht uur op school’, ging zijn baas zakelijk door, alsof hij niets gemerkt had van zijn gestotter. ‘Ik ga de collega’s bellen, we moeten overleggen wat we die dag met de klas doen en hoe het verder moet, die week.’ ‘Ja, dat is goed’, bracht hij nog uit. Met trillende handen legde hij de hoorn neer. Henriëtte is dood, zei hij hardop tegen zichzelf. En nog eens. Henriëtte is dood. Het klonk nog ongeloofwaardig. Onmogelijk. Onrechtvaardig vooral ook. 

Jaap was de collega die de godsdienstlessen op school verzorgde. Hij was al wat ouder en had een preekbevoegdheid en ook enige ervaring met het leiden van begrafenissen. Hij was blij dat hij niet alléén naar de ouders hoefde. Wat moet ik in godsnaam zeggen tegen die mensen, vroeg hij zich wanhopig af. Hij had nog nooit een sterfgeval van dichtbij meegemaakt. Niet zo dichtbij. Jaap reed zondagmiddag met zijn Volvo precies op tijd voor. Ze spraken weinig. De rit was maar kort. Met het hart in de keel belde hij aan. De vader deed open. ‘Ik had niet gedacht dat ik u zo snel na vrijdagavond al weer zou zien’, zei de man vriendelijk. Hij zei niets, knikte instemmend. De vrouw zat met dikke, vochtige ogen op de bank. Ze redderde meteen, om maar bezig te zijn. Nerveus. Trillende handen, zag hij. ‘Wilt u thee? Koffie dan?’ Uiteindelijk zat ze weer op de bank, de handen stijf in elkaar geknepen. De vader vertelde. Henriët, zo noemde hij haar, was met een paar meisjes wezen winkelen. Op het kruispunt bij het nieuwe winkelcentrum was het gebeurd. Hoe precies was nog niet duidelijk. Of de buschauffeur een stoplicht had genegeerd, of de kinderen niet had gezien in de dode hoek, de politie had gezegd dat ze het grondig zouden uitzoeken. In ieder geval was ze op slag dood geweest. ‘Ze heeft niet geleden’, zei de man categorisch, met een nadrukkelijke blik naar zijn vrouw. Het vriendinnetje had een zware shock maar was er verder goed afgekomen. 

De woorden kwamen als door een mist tot hem. Hoe kon deze man zo helder over zoiets onzegbaars spreken, dacht hij. ‘U moet weten dat ze drie heel gelukkige maanden gehad heeft op uw school’, zei de moeder met zachte stem, nauwelijks hoorbaar. ‘Henriët vertelde thuis alles van school, ook over de gesprekjes die u met haar had. Ze was vol lof over u en over de klas. Ze was gisteren nog helemaal vol van hoe leuk ze het vrijdag op het klassenfeestje gehad hadden.’ Zijn keel kneep verder toe. Hij knikte maar wat. Probeerde te slikken maar zijn mond was droog. In zijn keel een prop. 

‘Henriët was onze enige dochter’, zei de vader. ‘Haar broertje ligt boven op bed. Hij eet niet, wil niemand zien.’ Collega Jaap sprak troostend bedoelde woorden. Ze klonken hem nogal zalvend in de oren. Was hier niet elk woord dat de pretentie van begrip of verklaring of zelfs troost had, te veel? 

De vader ging niet in op de gesproken woorden. Hij scheen ze nauwelijks te horen. ‘We zullen moeten verhuizen’, zei hij er opeens plompverloren tussendoor. Zijn vrouw keek hem instemmend aan. Ze knikte. Jaap was duidelijk van zijn a propos door de plotselinge wending die de man aan het gesprek gaf. Hij keek naar zijn stilgevallen collega en wendde zich dan tot de vader: ‘Verhuizen?’

De man keek hem berustend aan. ‘Ja’, zuchtte hij, ‘verhuizen.’ ‘Maar wat, waarom…?’ De vader stond op, liep naar het raam. Hij wees naar de overkant van de brede weg. Hoge donkere eiken waarvan het blad juist een sprookjesachtig mooie herfstkleur begon aan te nemen. ‘We wonen al veertien jaar hier’, zei de man. ‘Tegenover de gemeentelijke begraafplaats. Met veel plezier hier gewoond. Maar ik kan niet elke morgen bij het openen van de gordijnen dat uitzicht hebben. Ik zou het niet kunnen verdragen. Te weten dat ze daar ligt, onder de aarde. Terwijl ze hier aan tafel aan het ontbijt zou moeten zitten. Terwijl ze ruzie met haar broertje zou moeten maken. En mijn vrouw ook niet. Ze…  Daarom dus. Verhuizen helpt misschien. Misschien.’ Zijn stem stierf weg. Jaap had zich nog steeds niet hernomen. De vader vond na een lange stilte zijn stem en houding terug. ‘We zouden het fijn vinden, mijn vrouw en ik, als de hele klas erbij zou zijn als ze… als ze… begraven wordt. We weten zeker dat ze dat zelf zo had gewild.’ 

Bij het weggaan bracht de man hen naar de deur. ‘Daar ligt ze over een paar dagen’, mompelde hij met een snelle blik op de hoge eiken. ‘Bedankt dat u geweest bent. Het is voor een jonge leraar als u ook niet gemakkelijk, denk ik’, zei hij speciaal in zijn richting. ‘En nogmaals bedankt voor de mooie maanden die ze bij jullie heeft gehad.’ 

In de auto naast Jaap kon hij maar een ding denken. Henriëtte is dood. Net dertien. 

 

naar boven