Korte verhalen; fictie - Kristalnacht

on 24 oktober 2015
Hits: 7251

 

Kort verhaal

Kristalnacht

Toen moeder hem wakker maakte, wist hij dat het geen gewone dag werd. De juffrouw had haar kinderen er al een week op voorbereid: volgende week komt de schooldokter. Sommige kinderen die een broertje of zusje in hogere klassen hadden, wisten van alles te vertellen. Dat ze gingen kijken hoe lang je was en hoe dik en zwaar –of juist licht in zijn geval- , dat de dokter niet alleen je ogen en gehoor testte, maar dat hij ook met een ijskoud apparaatje op je borst en rug zat, en dat hij je beklopte met zijn vingers en handen. Wat hij zich bij dat laatste moest voorstellen, wist hij niet zo goed. Misschien tikte hij wel op je hoofd om te horen of dat wel vol zat. Hij had pas het woord leeghoofd geleerd. Buurman gebruikte dat laatst. Nou, dat was vast niet goed, als je hoofd leeg was. Dus dat zou de dokter dan misschien wel controleren: of je hoofd niet leeg was. 

Hij had er zelf wel vertrouwen in, maar zijn buurmeisje met wie hij altijd drie kwartier samen naar school liep, was bang. Zo’n vreemde man aan je, ze vond het maar niks. En ze zeurde er de hele weg over. Of hij haar er nu aan herinnerde dat de juffrouw had gezegd dat er ook een mevrouw bij zou zijn, zo noemde ze dat: “de assistente”, of dat hij zei dat het toch voor je eigen gezondheid was, het hielp niks. Ze bleef zeuren. Hij was blij dat ze door het hek het schoolplein op stapten. Hier gingen ze allebei hun eigen weg, ondanks dat ze bij elkaar in de klas zaten. Aan de andere kinderen merkte hij ook wel dat er iets aan de hand was, vandaag. Het was een onrustige dag, want steeds kwam de vrouw, dat was zeker de assistente, iemand uit de klas halen. De kinderen keken het slachtoffer na alsof ze het niet weer zouden zien. De juffrouw deed luchtig, ze mochten vandaag meer dan anders, want van gedegen werken kwam zo toch niet veel. 

Het was na het speelkwartier dat hij aan de beurt was. Even voelde hij toch wel spanning toen hij achter de vrouw de kamer van de meesters en de juffen binnen liep. Hier kwam je anders als schoolkind nooit. Daar dronken de mesters en juffen koffie en had je niets te zoeken. In een oogwenk zag hij dat het meubilair aan de kant geschoven was, om wat ruimte te maken voor een weegschaal, een meetlat op een voetstuk, en een tafel met wit papier erop. Aan de muur hing een kaart met zwarte letters. De vrouw had felrode lippen. Dat vond hij heel deftig. Hij kende verder niemand die zulke rode lippen had. Ze noemde zijn naam en knikte vriendelijk naar hem. De dokter was een oude man, zo leek het hem. Hij had een grote bos donkergrijs haar, en zijn waterige oogjes keken hem aan vanonder zware, zwarte wenkbrauwen. Toen hij dichterbij kwam, zag hij dat er haren uit zijn neusgaten en uit zijn oren groeiden. ‘Zo, dus jij bent Arie. En Arie, hoe is het met je? Ben je gezond?’ Zijn stem klonk wel vriendelijk. ‘Jja’, zei hij hakkelend, want hij had verwacht dat de dokter hem zou vertellen dat hij gezond was, niet dat hij dat zelf moest zeggen. 

‘Zo, nou, dan zullen we eens kijken’, zei de dokter met een wat rasperige stem. Samen met de vrouw maten ze hoe lang hij was, hoeveel hij woog. ‘Nou’, zei de vrouw, ‘daar mag best wat bij. Eet je wel goed?’ ‘Ja juf, eh ja mevrouw’, verbeterde hij meteen. Hij had geen zin om hier te vertellen dat zijn moeder hem een kieskauwer vond, zo noemde ze dat. Een kieskauwer. Zeker iemand die op zijn kiezen kauwt. Maar dat deed toch iedereen, of niet dan? Hij lustte niet alles maar veel dingen vond hij echt wel lekker. Sla en gebakken nieuwe aardappeltjes, of zondags de bonensoep die moeder kookte. Het restje soep dat hij ’s maandags soms mocht opmaken, was nog lekkerder trouwens. En de koude vanillepudding na. Mm, lekker hoor. Nee, hij was geen kieskauwer. En die mevrouw met haar rode lippen hoefde zeker niet te weten dat zijn moeder vond van wel. 

Kennelijk was hij niet zoveel te licht dat het ernstig was, want ze gingen er niet op door. Bij de test van zijn ogen had hij moeite met die kriebellettertjes onderaan de kaart. ‘Kun je wel lezen wat de juffrouw op het bord schrijft?’ vroeg de dokter. ‘Ja, meestal wel’, zei hij wat aarzelend. ‘Hmm, meestal wel. Dus niet altijd. Heb je wel eens hoofdpijn aan het eind van de dag?’ Dat moest hij toegeven, dat had moeder ook gezegd, dat hij dat maar moest vertellen. ‘Je krijgt een briefje mee voor de oogarts’, zei de vrouw. ‘Moet ik dan een bril?’ vroeg hij benauwd. Want dat leek hem maar niks, een bril. ‘Misschien wel’, zei de dokter, ‘maar dat is helemaal niet erg toch?’ ‘Nou, toch wel!’ Het ontglipte hem. Die dokter had gemakkelijk praten. Die had geen bril. Er waren niet veel kinderen met een bril in zijn klas. Hij zag er tegenop een van de weinigen te zijn. 

‘Zo, nou eens kijken of je oren goed zijn.’ De dokter ging achter hem staan en prevelde woordjes. De jongen kon ze allemaal perfect verstaan, met zijn oren was niks mis. ‘Goed’, zei de dokter. ‘Eens kijken.’ Hij pakte een soort rietje en blies daardoor in zijn oor. Een oorverdovend gedonder was het gevolg. Hij wilde zich afwenden maar dat durfde hij toch ook niet. De oude man blies nog eens.  ‘Wat hoor je nu?’ De dokter keek hem onderzoekend aan, met ogen die het antwoord wisten. ‘Onweer’, zei de jongen. Dat kwam er het dichtst bij, iets anders kon hij zo gauw niet verzinnen. De dokter blies nog eens, nu iets anders gericht, zodat er naast het gebulder ook een gesnerp in zijn oor klonk. ‘En nu?’ Wat wil die dokter? dacht hij. Het was toch logisch dat je gedonder hoorde als iemand in je oor blies. Dat mocht hij trouwens thuis niet zeggen, gedonder. Moeder zei dat dat vloeken was. Dus had hij het net maar bij onweer gehouden. 

De dokter ging voor hem zitten, boog zich naar hem toe en keek hem vanonder zijn zware wenkbrauwen met priemende ogen aan. ‘Nee, jongen. Wat je hoort is geen onweer, het is veel erger. Het is de Kristalnacht.’ De ogen van de dokter waren nog wateriger dan daarstraks. Maar ze bleven priemen. Hij vond het niet fijn, dat gezicht zo dicht bij het zijne. ‘De Kristalnacht, weet je wat dat is?’ De vrouw, die even op de achtergrond was geweest, kwam in zijn blikveld. Ze legde heel terloops en kort een hand op de schouder van de dokter. ‘Dat heeft de juffrouw van de eerste klas nog niet verteld, denk ik’, zei ze zacht. ‘Hmm.’ De dokter leek te verzinken in een gepeins. Hij mompelde, voor zichzelf leek het wel. Maar hij verstond de dokter wel. ‘Iedereen moet weten hoe die nacht klonk, hoe het glas van de ruiten klonk toen die ingegooid werden door het losgelaten beest. Hoe het vuur klonk, dat ze aanstaken, de bruinhemden, terwijl de mensen nog in het huis waren. Hoe het huisraad klonk, dat op een hoop op straat gegooid werd en in brand gestoken.’ En het is zo simpel; je hoort het doordat ik in je oor blaas…’ De schooldokter hijgde, alsof hij een zware last gedragen had. 

Hij wist niet wat hij moest zeggen. Hij voelde zich heel ongemakkelijk. Hij had zich van het doktersbezoek iets heel anders voorgesteld. De dokter scheen ook geen antwoord te verwachten. Hij keek hem plotseling aan met een bijna liefdevolle blik. ‘Jij zult geen Kristalnacht meemaken, m’n jongen. Het is geweest, het is voorbij, het is iets van oude mannen, van een ouwe dokter zoals ik. Trek je er maar niets van aan. Maar wees maar wel je hele leven dankbaar, dat jij geen Kristalnacht zult horen.’ 

De vrouw met de rode lippen legde nog eens haar hand op de schouder van de oude man. ‘We moeten verder.’ Wat er verder nog aan onderzoek gebeurde, ging langs hem heen. Hij bleef in de ban van wat er net gebeurd was. Hij begreep niet wat de dokter had gezegd. Maar hij begreep wel, dat het ernstig was, alsof hij iets had gezien wat niet voor hem bestemd was. 

Terug in de klas deed hij stoer alsof hij het allemaal heel gewoon vond. De schooldokter, nou en. 

Met zijn buurmeisje praatte hij er onderweg naar huis ook niet over, wat hij had meegemaakt. Hij had het gevoel dat het helemaal niet gebeurd was, dat hij in ieder geval het niet kon navertellen. Als je zelf niet snapte wat er gebeurde, hoe kon je er dan over vertellen? Hij schopte een steentje weg, toen zijn buurmeisje giechelig vertelde over het koude ding waarmee de dokter op je rug en op je borst voelde. ‘Ik moet misschien een bril’, onderbrak hij haar met tegenzin. ‘Oh, kun je het niet goed zien dan?’ reageerde zijn buurmeisje, net iets te vinnig naar zijn zin. ‘Wat niet goed zien, natuurlijk wel! Ik zie alles heel goed. Ik zie jou en ik zie de bus die daarginds over de weg rijdt.’ ‘Zie je dan ook ons huis al?’ ‘Nee, dat kun je hier helemaal niet zien.’ ‘O, nou ik wel hoor.’ 

Kwaad sprong hij over de sloot. ‘Kom, we plukken een paar gele knollen. Die zijn lekker!’ Zo. De aandacht van het meisje was van zijn bril afgeleid. Hij had nog niet eens een bril, en nu had hij er al last van. 

Toen moeder bij de thee vroeg wat de dokter had gezegd en hoe het was gegaan, liet hij het briefje voor de oogarts zien. ‘O’, zei zijn moeder. ‘Dus toch. Ik had het al wel verwacht. Nou dan moeten we daar maar eens werk van maken.’ Van de Kristalnacht zei hij niets. 

Maar ‘s avonds onder het eten kon hij het toch niet laten. ‘Moe, va, wat is de Kristalnacht?’ Zijn vader at door alsof hij de vraag niet had gehoord. Moeder keek hem met ontstelde ogen aan. ‘Waarom vraag je dat?’ ‘De schooldokter blies in mijn oor en toen zei hij dat ik de Kristalnacht hoorde.’ Moeder keek hem aan, dacht na over de wonderlijke mededeling die ze net van haar zoon had gehoord. ‘Jongen’, zei ze toen aarzelend, ‘dat is iets van de oorlog. Iets heel ellendigs. Later zal je het wel op school leren, wat er toen gebeurd is.’ Daar moest hij het maar mee doen. 

Op school werd hij in de komende jaren niet wijzer. Ze leerden heel wat over de oorlog, maar de Kristalnacht kwam niet voorbij. Later las hij spannende boeken over oorlog en verzet. Maar nooit ging het over de Kristalnacht. Het gebeurde zonk weg in zijn herinneringen. Pas veel later las hij over wat die nacht van 9 op 10 november 1938 had betekend. Zag hij flakkerende beelden van vuur, geweld, verwoesting. Van haat. Pure haat. Het begin van de ‘eindoplossing van het joodse probleem’, zoals de Nazi’s het formuleerden. Toen ineens kwam het bezoek bij de schooldokter hem weer helder voor de geest te staan. En hij besefte wat de oude schooldokter hem had proberen duidelijk te maken. ‘Jij zult nooit een Kristalnacht meemaken.’ Nee, niet omdat het ondenkbare niet weer zou kunnen gebeuren, hier of ergens anders, daarover had hij niet veel illusies. Maar omdat hij niet tot het uitverkoren volk behoorde. En hij zag het tafereel weer voor zich, de kop met borstelig haar en priemende ogen onder de zwarte wenkbrauwen, en de zin: ‘Dat donderende geluid dat je hoorde… dat was de Kristalnacht.’ 

 

naar boven