Korte verhalen; fictie - Turf

on 24 oktober 2015
Hits: 6883

 

 

Kort verhaal

Turf

Het was nog pikkedonker geweest. Maar het onweer kwam snel dichterbij. De flitsen maakten het zelfs voor een moment helder, binnen in de slaapkamer. Dan kon hij de tekst op de prent aan de muur lezen: ‘Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen.’ De deur ging zachtjes open, zijn moeder raakte hem aan bij de schouder. ‘Ben je wakker? Je moet er maar uitkomen.’ ‘Is het al tijd dan?’ vroeg hij. ‘Nee, maar het onweer… Je moet eruit. Kom, trek maar even je trui en je broek aan.’ Slaapdronken wankelde hij naar de stoel waar zijn kleren lagen. Hij kon alleen iets zien bij het licht van de bliksemflitsen. Het knopje van het elektrisch licht deed het niet. Hij wist dat vader bij naderend onweer meteen de stop uit de “elektrische meter” draaide. Snel schoot hij in zijn broek, eerst twee benen in één pijp, en een trui over het pyjamajasje en kwam de woonkamer binnen. Zijn zus en broer zaten er al, om de tafel bij een flakkerende petroleumlamp. De lamp stond op een oude krant op het tafelzeiltje en gaf een gelig, wat spookachtig licht. 

Vader stond bij het raam en gluurde langs het gordijn naar buiten. ‘Kom toch bij dat raam vandaan. ’t Is gevaarlijk daar, dat weet je toch.’ Vader liet het gordijn terugvallen en zakte in zijn stoel. Niemand sprak. De bliksemflitsen kwamen nu heel snel achter elkaar en na de meeste kwam een krakende donderslag. Soms vlak nadat het geflitst had. Dan kromp hij onwillekeurig in elkaar, dat was gevaarlijk, had hij al geleerd: als er zo weinig tijd tussen zat dan was het dichtbij. Een paar donderslagen kort na elkaar deden de ruiten rinkelen. ‘Nou, ’t zal een wonder zijn als dat niet ergens ingeslagen is.’ Moeder keek naar vader maar zei niets. 

Na een poos werd het minder. Hij zat te knikkebollen bij tafel. Vader pakte een boek en probeerde bij het flakkerende licht wat te lezen. Moeder pakte het platte kistje met waardepapieren en zette het terug in een la van het kabinet. Z’n broer ging buiten kijken. Hij wou mee want na een onweersbui rook het altijd zo lekker, maar moeder stuurde hem met haar ogen. ‘Morgenvroeg moet je er heel vroeg uit. Kom, ik stop je even in.’ In zijn nog warme bed, hoorde hij de bui nu snel wegtrekken. Na een paar donderslagen, steeds verder weg, sliep hij. 

Voor zijn gevoel werd hij even later al weer wakker gemaakt. ‘’t Is half vijf’, zei zijn moeder zachtjes. ‘Weet je zeker dat je mee wilt?’ Hij was meteen wakker. ‘Ja natuurlijk’, ik wil mee.’ Zo’n kans kreeg hij meteen niet weer. Dit gebeurde altijd maar één keer per jaar. En nu was het voor het eerst dat hij mee mocht. Dat kon je niet laten lopen. Het elektrisch licht deed het weer. Moeder was in het achterhuis aan het redderen. Z’n broer zat aan de tafel een plakje brood met smolt te eten. ‘Wil je echt niet, je moet toch wat eten,’ drong zijn moeder aan. Maar zo vroeg kreeg hij geen hap door z’n keel. ‘Nou, neem dan in ieder geval dit pakje brood mee. En wel opeten hè!’ Zijn broer stond op: ‘We moeten gaan.’ Moeder deed de achterdeur achter hen weer op de grendel. 

Het was tintelend fris buiten, de zon kwam net roodachtig boven de horizon uit, boven het woonwagenkamp ergens in de verte. De vogels floten zoals ze de rest van de dag niet meer zouden doen. Het rook intens naar alles wat er groeide in deze weelderige zomer, want alles was nog nat van de onweersbuien van vannacht. De zon parelde in de druppels aan de kamperfoelie bij de schuur. Het verdampende water bracht allerlei geuren in de lucht die je anders niet zo rook. Hij stapte snel achter zijn broer aan, probeerde diens grote stappen bij te houden. Nu en dan moest hij even op een holletje. ‘Loop toch niet zo hard’, mopperde hij. Zijn broer keek even naar hem om. ‘Vader staat dadelijk te wachten op de straatweg, dan moeten wij er wel staan.’

Voor het vonder over de wijk sloegen ze rechtsaf. Het pad langs de wijk lag vol plassen. Hij probeerde eromheen te lopen of overheen te springen, maar dat was lastig, want het hoge gras langs het pad en de kruiden die er tussen groeiden, waren door de regen zwaar gaan overhangen, dus het pad was nog smaller dan anders. Pats, daar had je het al. Zijn klomp had water geschept in een plas die dieper was dan hij ingeschat had. Nu zat hij met een natte modderige sok. Hij had geen tijd om er iets aan te doen, keerde alleen de klomp even om, om het water eruit te laten lopen. Hij moest spurten om zijn broer weer in te halen. 

Bij de boer aan het eind van de wijk was het helemaal een vieze prut. De dunne mest uit de mestvaalt naast het pad lekte altijd al over het pad de sloot in, maar nu waren de plassen bruin van de mest. Het was één grote modderprut. De ouderwetse mestvaalt met veel stro erin rook zwaar zoet en kruidig. Hij probeerde om op de smalle plank te blijven lopen die de boer er had neergelegd om de modder enigszins droog over te kunnen steken. Met zijn armen zwaaide hij om het evenwicht te bewaren. Het lukte. Gelukkig: één natte sok was ook meer dan genoeg. Stel je voor dat je klomp vol drek stond. Hij kon niet even terug naar huis voor schone sokken. 

Z’n broer stond al aan de straatweg, keek om waar hij bleef. Gelukkig, de vrachtauto met vader was er nog niet. Hij wist dat vader niet tegen wachten kon als er werk te doen viel. En dat viel het vandaag. Samen keken ze de weg af, langs de rijen dikke eiken. ‘’t Is zo vijf uur, hij zal zo wel komen’, mompelde zijn broer. Hij zei niets terug, keek om zich heen. Hier kwam hij elke dag langs naar school, maar zo vroeg in de ochtend… het leek wel of alles er nu anders uitzag. Boven de sloten door de weilanden hing een lage mist, in slierten. De koeien kwamen er met hun grote koppen net boven uit. Hun poten zag hij niet. Raar gezicht was dat. De zon kwam verbazend snel hoger en de nevel verdween bijna terwijl hij ernaar keek. De koeien kregen weer poten. Mensen zag je nog niet. Het was zaterdag en nog heel vroeg.  Eén luxe auto passeerde hen. De bestuurder stak de hand op. 

Er klonk geronk. Vanuit de richting van de stad naderde een vrachtwagen met een felrode cabine. ‘Bakker Beton’ stond er op de deur en op de cabine boven de ruit. Het was een vrachtwagen met een neus voor de cabine. Daaronder zat de motor, wist hij. Hij keek even naar het embleem op de motorkap, een toren in de vorm van een H, met een I er midden doorheen. “International”, stond er op de zijkant van de neus. De auto kwam trillend en ronkend tot stilstand vlak voor waar ze stonden. In de cabine zag hij vader zitten. Die stak de hand op. Zijn broer stapte op de treeplank en draaide de rechter deur open. ‘Ga jij maar in het midden.’ Hij klom de auto in en schoof naast vader. ‘Moi’, zei die. ‘Moi’. Zijn broer trok met een klap de deur dicht, zei ook ‘Moi’ en meteen begon de auto te rijden. Vader had haast; het werd een lange, drukke dag. Het werk dat moest gebeuren, moest in één dag af. En het beloofde warm te worden. Heel warm misschien wel. Het onweer van vannacht had de lucht wel wat afgekoeld, maar je voelde dat het al weer opwarmde. En het was nog maar goed vijf uur. 

Hij zat wel wat krap, zo tussen broer en vader ingeklemd, maar dat was niet erg. Er was veel te zien. Natuurlijk eerst de cabine, de metertjes, de handels. Zijn vader hield het stuurwiel stevig vast. Dat wou hij later ook, zo’n grote sterke auto besturen. Buiten herkende hij eerst nog wel wat. De bocht in de weg bij het eerste dorp. Daar links stond de winkel waar hij pas een echte bamboe vishengel had mogen kopen. Maar na de tweede bocht kwamen ze al op voor hem onbekend terrein. Langs de weg nog steeds de hoge eiken, en daarachter landerijen. Aardappels en graan zag hij. In de verte bossen. Aardappels hadden ze thuis ook op het land, graan niet. Ze waren geen boer. De weg strekte zich kaarsrecht uit; de vrachtauto reed met een stevig gangetje. 

Ze passeerden een paar dorpen, waar het leven nog niet was ontwaakt. Langzamerhand kwamen ze wat ander verkeer tegen. Boeren die met een tractor op weg waren naar hun vee, of het bouwland. Een trekker met een platte wagen vol glimmende melkbussen erachter. Een grote autobus van de Dabo. Toen die tegemoet kwam, dacht hij even dat het niet ging passen: hun grote vrachtauto en die bus. Vader remde af, de bus ook, de buschauffeur stak de hand op, vader ook. En het paste prima. Vader wist wat hij deed, dat was duidelijk. Gerustgesteld keek hij weer voor zich de weg op. Na een hele poos rijden en diverse dorpen zag hij dat het landschap veranderde. Langs de wegen stonden stapels turf, hoge donkerbruine bulten in het landschap. Steeds meer werden het er. Het land er omheen was niet groen, maar ook donkerbruin, bijna zwart. Vader minderde vaart. Langzaam reden ze verder. Hier en daar was een oprit naar de verveningsbedrijven, waar soms een grote transportband stond en nog wat machines. Ineens bleek vader te weten dat ze hier moesten zijn. Hij zag zelf geen verschil met de andere stukken land. Ook hier een oprit en op het land erachter stonden de hopen turf. Vader reed het terrein op, en sprong de vrachtauto uit. Bij de transportband waren mensen. Even later was vader terug. Hij manoeuvreerde de laadbak zo dat hij onder de transportband kwam. ‘Mag ik eruit vader?’ Buiten zag hij hoe het ging. Het geluid van de motor van de vrachtauto werd vervangen door het gerammel en geratel van de transportband. Twee mannen gooiden turven op de band. Ze vielen van het uiteinde van de band in de laadbak, waar z’n broer en vader stonden en snel werkten om de turven enigszins op te stapelen. In de warmer wordende zon zag hij het stof van de vallende turf omhoog wolken. Het was hard werken; hij stond ernaar te kijken. Hij was nog te klein om mee te helpen daar boven. Bovendien zou hij in de weg staan in de laadbak, dat begreep hij wel. 

Na een poosje was de laadbak vol met een kop erop. Schotten hielden de turf binnen. Vader en zijn broer klommen naar beneden. Vader handelde nog wat af met de mannen, hij moest zeker voor de turf betalen. Ze klommen weer in de cabine en vader startte de motor. Ze reden voorzichtiger, langzamer dan op de heenweg. Ergens onderweg stopten ze langs de weg om een boterham te eten. Hij mocht wat drinken uit de blauwe emaillen kruik van vader. Daar zat koude, zoete thee in. Het smaakte hem heerlijk. Verder ging het weer. Vader reed voorzichtig, de turf was hoog opgeladen. Zo straks had hij gecontroleerd of alles nog goed lag. 

Het was al wat later in de morgen dat ze weer op bekend terrein kwamen. Bij de stenen brug over het Krakeel stopte vader. Van hieraf liep er alleen een zandpad van een meter breed langs het water naar hun huis. Onder de brug lag al een bok klaar die vader voor dit doel gehuurd had. Een bok was een zwarte ijzeren boot die met een boomstok werd voortbewogen. Je stak de boom in het water tot die vaste bodem had en duwde dan de bok vooruit. De kunst was om te beginnen met duwen terwijl je vooraan op de bok stond en om dan mee te lopen naar de achterkant, terwijl je steeds duwde tegen de stok. De melkvaarders die de melkpullen bij de boeren kwamen ophalen, waren er ware meesters in. Hij keek er altijd met bewondering naar. Zo kon je het meeste effect bereiken met de minste inspanning. En ze stuurden er ook nog mee want de melkbussen stonden aan beide kanten van het water dus ze moesten zigzaggen. Knap hoor. 

Ze stapten alle drie uit de cabine. Meteen viel het hem op dat de zon het al aardig warm maakte. Een beetje zwoel was het. ‘Tja, na al dat water van gisteren met die onweersbui, dan krijg je dat’, zei vader. Met zijn rode zakdoek wiste vader zich het zweet van het voorhoofd. De bok werd vlak onder de brug gemanoeuvreerd. De vrachtauto stond ook goed. Nu klom zijn broer op de laadbak op de lading turf. Dat was best gevaarlijk, want de turven lagen er hoog op een bult. Broer gooide de eerste turven naar beneden, precies in de bok. Daarvoor moest je nog best goed mikken. In de bok pakte vader ze weer op en stapelde ze netjes op, voorin de bok. En daar kwam zijn taak te voorschijn. Nu moest vader steeds een paar meter lopen met de turven. Dat kostte natuurlijk nogal tijd. Zijn taak was nu om de net door z’n broer gegooide turven naar vader te gooien. Dan kon die blijven staan bij het stapelen. Hij was een extra schakeltje in de ketting.  

Het systeem werkte goed. Het enige waar hijzelf en zijn broer op moesten letten dat broer alleen turven gooide als hij niet achter in de bok stond. Dan kreeg hij de harde turven op zijn kop, daar zat hij niet op te wachten. Al met al was het hard werken voor een joch als hij, maar hij genoot ervan. Hij voelde zich trots dat hij zo mocht meedoen met de groten. Een keer ging het een beetje mis. Hij kreeg een turf op zijn hand, hij moest even op zijn tanden bijten om de tranen binnen te houden. De hand werd blauw waar hij geraakt was, maar hij zei niets, hij wist dat het een ongelukje was. Zijn broer riep: ‘Ga er dan ook niet onder staan!’,  maar dat betekende dat hij ermee zat dat hij hem geraakt had. Het waren goeie harde turven, had vader vanmorgen tevreden gezegd toen ze de vracht geladen hadden. Nou, dat klopte, goed hard wáren ze. Hij moest er even bij gaan zitten, even de duizeligheid laten wegtrekken. Gelukkig namen ze het er meteen van om even het zweet weg te wissen en nog een paar slokken van de koude thee te nemen. Kon hij even bijkomen. Over het ongelukje werd niet meer gesproken. Dat was goed. Niet zeuren, dat deden grote mensen ook niet.  

Vader keek staande op de wal eens even of de turven recht op de bok gestapeld stonden. De stapel werd wel anderhalf tot twee meter hoog boven de boorden.  Een van de eerdere jaren was het misgegaan. Hij kon het zich niet herinneren, maar zijn zus had het hem wel eens verteld. Onder voorwaarde dat hij er nooit over zou praten. Toen ze al dichtbij huis waren, was de lading toen wat gaan schuiven of zo, in ieder geval was de bok omgeslagen. En gezonken. Alle kostbare turven hadden in het water gedreven en moesten er met de hand en visschepnetten en stokken uitgehaald worden. Dagen hadden ze weer moeten drogen voor ze de schuur in konden. En de bok, dat wist hij niet, hoe ze die weer boven water hadden gekregen. Het was een enorme strop geweest. Geen wonder dat vader het stapelen zelf wilde doen en nu nog eens goed keek of hij het goed had gedaan. En geen wonder dat hij er niet over mocht praten. Gebeurd is gebeurd, het bracht alleen maar kwaad als je het weer over het drama ging hebben. Misschien later, nu niet. Gelukkig leek het nu allemaal in orde met de turfstapels. 

Verder gingen ze weer, want de vrachtauto moest leeg. Dat duurt even als je elke turf in handen moet hebben. In drie paar handen, dacht hij.  Hij werd moe van het bukken, pakken, omdraaien, gooien, en weer bukken, pakken, omdraaien, gooien, en weer, steeds weer. Warm werd het ook. De zon kwam hoger en hoger en nu en dan liep er een druppel zweet in zijn ogen die hij met de rug van zijn hand probeerde weg te vegen. Dan zat er een zwarte veeg op zijn hand en waarschijnlijk ook op zijn gezicht. Dat gaf vandaag niks, vandaag mocht hij vuil worden. Hij vond het juist leuk, kon moe straks zien dat hij echt gewerkt had. 

Eindelijk was de laadbak leeg en de bok was van voor tot achter vol gestapeld met donkere turf. Het was een mooi gezicht, al die rijen en stapels donkerbruine blokjes. Vader parkeerde de vrachtwagen een eindje verderop en toen werd het touw losgemaakt waarmee de bok vastgelegd was. Vader en broer namen een vaarboom, een flinke stok, en duwden daarmee de bok voorzichtig van de kant en door het water. Hij zat achter boven op de turflading. De oever gleed langzaam voorbij. Va en broer moesten vaak bomen, want ze konden niet van voor naar achter lopen op de bok; die stond immers vol turf. Vader stond voor op de kleine plecht te bomen en z’n broer achter. Daar was nog net ruimte om te staan achter de stapel turf. Geluidloos gleed de volle bok door het kalme water. Hier en daar zag hij kikkers wegschieten en eenmaal werden ze opgeschrikt door twee eenden die met luid misbaar opeens vlak bij hen uit de hoge planten aan de oever opvlogen. De rust keerde weer en hij had het gevoel alsof er geen eind aan deze kalme tocht zou komen. Hij deed even zijn ogen dicht en genoot van de zon op zijn gezicht. Wat was de wereld mooi.  

De dag was tot leven gekomen op de wal, hier en daar stak een boer de hand op. En riep ‘Moi’. ‘Moi’ riepen ze terug. Ze naderden hun huis. Langzaam lieten ze de boot uitdrijven, zijn broer sprong op de kant en legde de bok vast met een touw aan een ijzeren pin die hij in de oever stampte met zijn hak. Vader legde een plank op de wal en op de bok. Zo konden ze de kruiwagen meteen op de bok vullen, al viel dat nog niet mee. Anders moesten ze eerst de turven stuk voor stuk op de wal gooien en daar alsnog in de kruiwagen stapelen. Met de eerste vrachtjes moest het wel zo, want er moest eerst ruimte komen, achter op de bok, om de kruiwagen neer te kunnen zetten. 

Moeder kwam aanlopen uit huis. ‘O, zijn jullie daar. Gelukkig dat het allemaal goed is gegaan. Kom eerst maar koffie drinken, jullie zullen wel dorst hebben.’ Ze zaten achter het huis op een ruw houten bank die vader daar getimmerd had en een stoel. Hij kreeg lekker koude melk, koffie lustte hij niet. Vader en broer aten al weer boterhammen. Die konden eten. Opeens moest hij niezen. Drie keer achter elkaar. Hij snoot zijn neus en zag dat het zwart was, wat er uit zijn neus kwam. ‘Allemaal turfstof’, zei z’n moeder. ‘Snuit maar vaak want dat is niet gezond als je dat stof binnen krijgt. Wacht, ik haal even een schone zakdoek.’ 

‘Kom, we moeten zien dat de turf onderdak komt. Voor er weer zo’n onweersbui komt’, zei vader, wantrouwend naar de nu nog wolkeloze lucht kijkend. Vader greep de houten kruiwagen die al klaar stond; van de buren was er nog een kruiwagen. ‘Wat moet ik doen dan?’ vroeg hij. ‘Ga jij maar stapelen in de schuur’, zei vader. ‘Dat komt ook nog precies hoor. Eerst een muurtje bouwen vooraan van vier turven breed. Dan kun je daarachter de turf gewoon op een hoop gooien. Dan blijft het wel liggen. Maar dat muurtje moet heel stevig zijn. Gebruik daarvoor alleen mooie rechte turven.’ 

Hij stapelde en stapelde. Telkens hoorde hij aan het gepiep van het houten wiel van de kruiwagen dat er weer een vrachtje aan kwam. 

Tegen de middag was er al aardig wat turf verplaatst, maar er lag ook nog veel op de bok. Alle turven moesten opnieuw door hun handen. Je moest ze netjes in de kruiwagen stapelen anders was die zo vol en moest je nog vaker lopen. Dan het pad op, steeds opnieuw, en als de kruiwagen leeg gekiept was voorin de schuur, dan was het zijn werk om ze te verwerken in een mooie turfmuur. Algauw kon ik niet opwerken tegen twee kruiwagens tegelijk, en hielp vader een poosje met stapelen. Om twaalf uur aten ze een boterham, buiten, want het was heerlijk zomerweer. Heerlijk, ja, alleen als je turf moest stapelen dan was het wel erg warm. Hij trok zijn bloesje uit en zijn witte hemd. Zo. Dat scheelde wat. Hij vond het wel stoer ook, zo in zijn blote bast. Als z’n broer op het land schoffelde met warm zomerweer, deed die het ook wel eens. Vader niet, die droeg winter en zomer altijd een hemd met lange mouwen. De borstrok ging alleen uit als het hoogzomer was. 

Het liep al tegen het einde van de middag toen de bok helemaal leeg was. Ze veegden het stof op om de bok weer keurig af te leveren. Vader ging hem terug brengen en hij bracht dan meteen de vrachtwagen terug naar de fabriek. In de schuur was een berg turf verrezen, aan de voorkant mooi recht gestapeld en daarachter de grote hoop turven. Mooie harde rechte turven waren het in een mooie rechte muur gestapeld. Zwart en hard. De hele linkerhelft van de schuur was nu gevuld met turf. Hij keek er met een diepe tevredenheid naar. Daar had hij bij geholpen. Ze konden hem niet meer missen. Hij hoorde bij de groten. 

Aan het einde van de middag was het op zijn warmst. Gelukkig maar dat ze nu klaar waren.  ‘En alles mooi droog onder dak gekregen’, merkte moeder tevreden op. Moeder had vroeg in de middag al de grote zinken wasteil buiten gezet op het grasveldje en er water in gedragen met emmers. Nu was het water lekker opgewarmd in de felle zon. Hij mocht er zich in poedelen. Met zijn hoofd op de harde rand en de knieën opgetrokken, zat hij met de ogen dicht te genieten van de rust en het lauwe water om hem heen. Innig voldaan. De turfexpeditie was geslaagd. De turfvoorraad was op peil. Ze konden de winter aan.  

In de verte verschenen de eerste onweerskoppen. Je kon ze zien groeien, wit en grijs omhoog kolkend tegen de nog blauwe lucht. Even later kon hij de donder al horen rommelen. 

 

 

naar boven