Korte verhalen; fictie - Zwarte Kip

on 24 oktober 2015
Hits: 6887

 

 

Kort verhaal

 

Zwarte Kip

 

‘Moe, mag ik naar de buren?’ Sinds kort vond zijn moeder het goed dat hij alleen de honderd meter langs de vaart liep, naar de buren. ‘Als je maar niet te dicht bij het water komt’, riep zijn moeder hem achterna. Ja, ja, anders pakt de bullebak je, vulde hij in gedachten aan. Maar hij riep terug: ‘Jahaa.’ De buren waren twee oude mensjes, die in een nog ouder huisje woonden. Hoge eikenbomen drongen het kleine huisje nog dichter tegen de grond leek het wel. Alles aan het huis was oud en wrak. De dakpannen gingen schuil onder een dikke laag mos. Alleen de voorkant van het huisje was van steen, de achterkant van ruwe planken. De hond gromde lelijk tegen hem, maar hij wist dat die goed vast zat. Hij duwde tegen de kale planken deur opzij van het huis. Die klemde behoorlijk. Hij zette zijn tengere schouder ertegen en stond op de deel van het achterhuis. Die was van vastgestampt leem, had hij pas geleerd van zijn broer. Die wist alles. Maar die was ook veel ouder. Dan moest je ook wel alles weten. De geiten in het hok links mekkerden tegen hem. In het halfduister liep hij erheen en gaf ze wat hooi dat er op een hoop klaar lag. Meteen schoot er ritselend iets weg. Een muis, dacht hij. Of een rat? De geiten vonden het hooi lekker en hij greep ondanks de muis nog een handvol. Hij dacht dat de geiten lachend naar hem keken, maar hij wist ook wel dat geiten altijd zo’n vreemde lach-grimas leken te hebben. 

De woonkamer was nog kleiner dan die bij hem thuis. En het rook er een beetje vreemd. Geen wonder met die geiten, dacht hij. Hij moest er niet aan denken dat hij onder hetzelfde dak moest slapen met vier geiten. Met alleen een deur ertussen. Nou, twee deuren, want de oudjes sliepen in de bedstee in de kamer. En daar zaten ook nog deurtjes voor. ‘Zo’, zei de oude vrouw toen hij de piepende kamerdeur openduwde. De deur ging vanzelf dicht door de veer die er boven aan vast zat. Die maakte dan altijd zo’n leuk muzikaal geluid. Zo’n veer aan de deur hadden ze thuis niet, dacht hij met spijt. ‘Ben jij daar? Kom je Nieuwjaar winnen? Dat is goed, dat is goed’, herhaalde de oude vrouw. De man stond stram op uit zijn stoel en trok een grote leunstoel onder de grote spiegel wat dichterbij. ‘Ga hier maar zitten jonkie.’ De stoel veerde prettig. Hij kon net met zijn tenen bij de vloer. ‘Ja, gelukkig Nieuwjaar’, zei hij. ‘Ja, ja, dat hopen we dan maar weer hè’, kraakte de oude vrouw. Ze droeg als altijd een grote, morsige schort met grote bloemen die de meeste vlekken camoufleerden. Daaronder zwarte kleren tot op de enkels. Hij had wel eens gezien dat ze daaronder dikke zwarte kousen aan had. De grijze haren zaten in een knotje op haar achterhoofd. Op haar kin een grote wrat waarop drie lange haren stonden. Naar die wrat moest hij altijd kijken, of hij wilde of niet. In een sprookjesboek had hij de heks zo afgebeeld gezien. Maar buurvrouw was geen heks. Ze was juist heel aardig. Nou waren heksen misschien in het begin ook wel aardig, maar later in een verhaal niet. Heksen waren eng. Maar de oude buurvrouw vertrouwde hij. Altijd als hij kwam, kreeg hij wat lekkers. De beide oudjes waren altijd erg aardig voor hem. 

‘Je lust zeker wel een paar nieuwjaarsrolletjes, hè?’ Hij knikte. Ja, die lustte hij wel. Hij wist dat ze die hier zelf bakten, met een groot ijzeren wafelijzer. Dat was heel zwaar. Hij had wel eens mogen helpen. De nog warme wafel rolde je dan met een glad, vettig gemaakt houten stokje tot een rolletje. Als de wafel droog was, was hij heerlijk knapperig en zoet. Als ze nog warm waren, smaakten nieuwjaarswafels hemels. Bij hem thuis bakte zijn moeder knieperties. Die waren ook heel lekker, maar zo’n rolletje was toch… tja, spannender. De oude vrouw kwam met een schoteltje met daarop drie rolletjes. Zo, dacht hij. Drie! 

De oude vrouw rook wat vreemd als ze dichtbij je kwam. Waar zouden ze zich wassen, bedacht hij. In dat kleine lage keukentje hiernaast, waar alleen een koperen kraan uit de muur stak? Hij zelf mocht op zaterdag in de wasteil, in de winter knus bij de snorrende kachel. Maar buurvrouw in de wasteil kon hij zich niet voorstellen. Hij moest in zichzelf lachen bij de gedachte. Dat moest dan wel een heel grote wasteil zijn, dacht hij al fantaserend. Zo groot maakten ze die vast niet. De oude buurman spoot een straal bruin tabakssap uit zijn mond in een bak die schuin onder de tafel stond. Het meeste kwam wel in de driehoekige bak terecht. De oude man kauwde op pruimtabak. Langs zijn kin liep nog een klein straaltje sap op zijn blauwe trui. Met zijn mouw veegde hij het geroutineerd weg. De mouw van de trui had naast blauw allerlei onbestemde kleuren. 

Maar de rolletjes smaakten goed. De vrouw stond tevreden met de handen op haar brede heupen te kijken hoe hij de rolletjes wegwerkte. ‘En wat wil je nog hebben jong?’ vroeg de oude baas. ‘Geef de jongen maar een glaasje Zwarte Kip’, zei hij tegen de vrouw. De vrouw knikte instemmend. ‘Ja, dat lust je toch wel?’  Hij had wel eens gezien dat zijn tante een glaasje van die gele pudding kreeg als zijn vader of moeder jarig waren. Met een lepeltje was ze dan een hele tijd bezig voor ze dat kleine glaasje leeg had. Hij dacht wel eens: zou ze de pudding na het avondeten ook zo langzaam eten? ‘Ik weet niet’, zei hij. ‘Ik heb het nooit gehad. Ik weet niet of moe dat ehh…’ ‘Ach, jong, een glaasje advecoat is goed voor je. Goed tegen de kou. Want koud is het, toch?’ Ja, op de vaart lag het eerste ijs van deze winter. En de modder van het zandpad erlangs was vannacht in lelijke ribbels en bobbels hard geworden. Je verzwikte bijna je voet als je er verkeerd op stapte. Koud was het. 

‘Nou, dan.’ De oude vrouw schommelde naar een kast en haalde daar een fles uit die nog half vol gele pudding was. Op het etiket zag hij een kip. Een zwarte kip. Zo zwart waren de kippen van de buren niet, die waren bruin. De vrouw schroefde de dop eraf. Er zat wat donkergeel verdroogd spul langs de rand van de fles. De dop was een beetje vast gaan zitten. Ze hield met een enigszins bevende hand de fles boven het glaasje. Er kwam niets. ‘Ach’, zei ze, ‘ik pak een theekopje. Dat gaat beter.’ ‘Kom’, zei de oude man, ‘laat mij maar even schudden. Je moet altijd eerst schudden, dat weet je toch.’ Daarna kwam de gele pudding er met kloddertjes uit en ze vielen bijna allemaal in het theekopje. Tot er niet meer bij kon. Een klodder viel ernaast op het tafelzeiltje. De oude vrouw streek het met haar bruine vinger op en likte het gele eraf. ‘Hier’, zei de vrouw, ‘een lepeltje erbij. Eet maar lekker op, jonkie.’ Hij pakte het kopje van het tafelzeiltje; het plakte een beetje, het zeiltje kwam even mee omhoog. Het spul smaakte zoet en zacht in zijn mond, en ook een beetje prikkelend. De oude man en zijn vrouw zaten goedkeurend toe te kijken. ‘Ja, dat gaat er wel in hè?’ zei de oude baas met een vriendelijke glimlach. 

De kat sprong spinnend op zijn schoot. Gelukkig was het kopje bijna leeg. Hij zette het weer op het plakkerige tafelzeiltje. Hij krauwde de poes onder zijn kop. Het dier had het naar zijn zin, het begon hard te spinnen. Zijn gedachten dwaalden af. Thuis hadden ze geen dieren. De buren aan de andere kant wel. Konijnen en kippen. Hij voerde de beesten graag. Voor de konijnen zocht hij brede weegbreebladeren en de kippen waren dol op gras maar nog meer op muur. Nou, dat groeide volop op het grote erf. Dieren waren leuk. Hij vond het jammer dat de hond hier altijd zo tekeer ging. Anders zou hij die ook wel eens willen aaien. 

‘Ik heb er nog wat in gedaan hoor, jonkie. Je vond het lekker, toch?’ Hij zag het kopje op tafel. Het was weer helemaal vol. ‘Nou, ik weet niet ehh…’ aarzelde hij. Hij had het vage vermoeden dat zijn moeder het niet goed vond als hij nog een kopje van dat prikkelende spul opat. ‘Mijn moe…’ begon hij. ‘Och, je bent toch al een grote jongen? Je gaat toch al naar de grote school?’ ‘Ja, al een poosje’, zei hij. ‘Ik zit in de eerste klas. Bij juffrouw Groenewegen.’ ‘O, da’s een goeie juf’, zei de oude man, goedkeurend knikkend. ‘Die is er al heel lang.’ Hij knikte. Ja, hij vond de juf aardig. Met de herfst had hij een grote bos dahlia’s voor haar meegenomen. De hele vensterbank van het klaslokaal had vol gestaan met dahlia’s, want hij was niet de enige die de juf aardig vond. En die dahlia’s in de tuin had. 

‘Hier, neem dan ook nog een rolletje, dan valt het er beter in. Toe maar.’ Hij kwam er niet onderuit. Hij begon te lepelen. Raar was dat. Het eerste kopje smaakte beter dan dit. Maar hij lepelde net zo lang tot het theekopje weer leeg was. Toen hij voorover boog om het kopje op tafel te zetten, werd hij even duizelig leek het wel. Gelukkig draaide de kamer weer in de goede positie terug. 

‘Zo’, zei hij, ‘en nou ga ik naar huis.’ Hij stond op uit de grote leunstoel maar zakte meteen terug. Zijn ogen deden raar. En zijn benen ook, zo leek het wel. Hij lachte. Waarom wist hij zelf niet. Zeker omdat de wereld om hem heen ook een beetje raar deed. De spullen in huis stonden niet vast op hun plaats, leek het.  ‘’t Was lekker buurvrouw. Dank je wel. Ik kom morgen nog even de schillen brengen voor de geit.’ Met onzekere stappen bereikte hij de deur. Buiten leek de prikkelende koude vrieslucht zijn gloeiende wangen wat te koelen. Op het pad langs het water, waar een dun laagje ijs op lag, moest hij zijn ogen goed op het pad houden. Het leek wel of zijn benen ergens anders heen wilden dan zijn ogen. Bijna viel hij om toen hij verkeerd op een bevroren zandhobbel stapte. Hij vond het wel grappig. Hij werd er zo vrolijk van dat hij begon te zingen. Een liedje dat de juf hun had geleerd. Eerst zong hij zachtjes voor zich uit, maar hij hoorde zijn stem allengs luider worden. Vreemd, hij zong anders niet vaak hardop, thuis. 

Moeder keek hem verbaasd aan toen hij het achterhuis binnenkwam. Daar was het behaaglijk warm. Het fornuis stond te snorren. De warmte omhulde hem als een warme deken. Maar de warmte bracht hem van zijn stuk, leek het wel. Buiten in de kou voelde hij zich beter.  Hij zeeg neer op een stoel. ‘Wat is er met jou?’, vroeg zijn moeder verbluft. ‘Waar ben je geweest? Was jij dat die daar zo liep te zingen? Wat is er gebeurd?’ Zoveel vragen, dacht hij en kreunde, het duizelde hem. ‘Pudding’, zei hij. ‘Lekkere gele pudding gehad. En nieuwjaarsrolletjes. En de poes. En konijnen en kippen.’ Zijn moeder keek hem niet begrijpend aan. ‘In vredesnaam’, riep ze. ‘Wat heb je gehad bij Olde Jaante?’ ‘Nou, pudding’, bracht hij nog eens uit. ‘Pudding, gele pudding!’ riep zijn moeder verontwaardigd. ‘Heb je soms advocaat gehad?’ ‘Ja, ja, advecoat’, zei hij. ‘Er stond een zwarte kip op het papiertje op de fles’, murmelde hij. Blij dat hij het goede antwoord wist. ‘Zie je wel!’ zei zijn moeder. ‘Zwarte Kip advocaat. Voor een jongen van net zes. En hoeveel wel dan?’ ‘Nnnou, een glaasje. Een kopje’, verbeterde hij aarzelend. ‘Een kopje?!’ Zijn moeder werd steeds opgewondener. Hij begon te vermoeden dat dit niet goed af ging lopen. ‘Enneh… toen nog eentje. Want dat moest van Olde Jaante.’ 

‘Dat moest! Dat moest!’ herhaalde zijn moeder, nu boos wordend. ‘Je bent toch wel goed! Je bent nog een kind!’ Hij wilde dat ze ophield met haar vragen. Hij wilde eigenlijk het liefste liggen. Zijn hoofd was zo vol dat zijn ogen er niet meer in leken te passen. Plotseling begon zijn maag ook nog vreemd te draaien. Het was hier ook zo warm. Wie stookt er nou de kachel ook zo heet op, dacht hij. Hij voelde dat het niet goed ging. Het leek wel of-ie ineens ziek werd. ‘Moe… ik moet geloof ik overgeven’, bracht hij uit. Moeder greep in de gauwigheid naar het afwasteiltje. Ze drukte het hem in handen. De rolletjes en de gele pudding kwamen in een golf naar boven. Schokkend leegde hij zijn maag. Zijn moeder keek toe. Hij voelde zich ellendig maar deze keer leek zijn moeder geen medelijden te hebben. Niet zoals toen hij een poosje geleden de mazelen had. Ze keek hem onderzoekend aan. Maar in haar ogen dacht hij toch ook een glimmertje te zien. ‘Zo!’ zei ze spottend. ‘Dat zal je wel leren advocaat te eten!’

 

naar boven