Korte verhalen; fictie - Kikvorsen

on 24 oktober 2015
Hits: 6889

 

 

 

Kort verhaal

Kikvorsen

Hij stapte over het smalle zandpad langs het water. Om hem heen hing de lome warmte van een zomerdag. Het gras stond hoog, rood pluimde de zuring er bovenuit. Spikkels boterbloemen pronkten met hun vette glans. Uit het water naast hem kwam het oorverdovende gekwaak van kikkers. Dat zulke beestjes een zo opdringerig lawaai konden produceren! Hij stond stil en probeerde ze te lokaliseren. Kikkers tussen eendenkroos, je zag ze pas als ze bewogen. Ja, daar, eentje met zijn kop opgeblazen tot twee witte ballen. Toen hij beter keek, zag hij er meer. Egypte, de Nijl. Uitslovers, rotbeesten, dacht hij onwillekeurig. Hij had het niet meer zo op kikkers. 

Gisteren had moeder na de sperziebonen en de karnemelkse pap voorgelezen van Mozes en Aäron. Samen tegen de farao. “Ga tot Farao en zeg tot hem: zó zegt de Here. Laat mijn volk gaan, om Mij te dienen; indien gij weigert het te laten gaan, zal Ik uw hele gebied met kikvorsen teisteren. De Nijl zal wemelen van kikvorsen, zij zullen komen opzetten en in uw huis en slaapkamer binnendringen, ja op uw bed, in uw bakovens en baktroggen.” 

‘Wat zijn dat, kikvorsen? Zijn dat kikkers?’ had hij moeder gevraagd. Hij proefde het woord op zijn tong. Kikkers voelde al iets minder dreigend dan kikvorsen. ‘Ja’, zei moeder. ‘Dat zijn kikkers.’ ‘Net als die bij ons in de sloot? En die zaten overal, ook in het bed?’ ‘Ja’, bevestigde moeder resoluut, want die had nooit twijfels over wat de Bijbel zei. Ze zag de afschuw in zijn ogen, en voegde eraan toe: ‘Maar dat was in Egypte hoor. Hier blijven de kikkers in de sloot.’ ‘En wij zijn de farao niet’, voegde ze er met gevoel voor verhoudingen aan toe. 

Baktroggen, wat dat dan ook waren, hadden ze niet bij hem thuis, maar bedden wel. Hij zag het voor zich. Slijmerige kikkers, wellustig over en door elkaar wriemelend daar waar hij altijd zijn holletje onder de dekens maakte. Dat holletje waar hij zich zo veilig voelde als moe nog even bij hem kwam en ze samen het gebedje opzegden. ‘Ik ga slapen ik ben moe.’ Als moe dat zegt, klopt het, dacht hij dan altijd. Kikkers? Daar? Hij gruwde ervan en schudde rillend even met zijn hoofd van intense afkeer. 

’s Avonds hadden ze verstoppertje gespeeld. In de zomervakantie mocht hij heel lang opblijven. Daar hield hij van, lange zomerdagen waar geen eind aan kwam en dan tegen de schemer nog even verstoppertje spelen. Verstoppertje spelen lag hem. Het liefst ‘was’ hij hem niet, want als je ‘hem was’ moest je zoeken, opsporen. Nee, hij verborg zich liever. Achter de schuren waren schuilplekjes genoeg.

Hij lag plat op zijn buik achter de rij rabarberplanten. Het gras kriebelde tegen zijn blote benen en geurde opdringerig in zijn neus. Hondsdraf. De grote rabarberbladeren zouden hem wel even verbergen voor zijn buurmeisje. Ze riep in de verte, ‘ik zie je wel hoor’, maar daar trapte hij niet in. Hij drukte zich nog wat platter onder het grote blad. Hij sloot even de ogen en genoot van het moment. De nog hangende zomerwarmte, de intense geuren om hem heen. Ergens hoog in de lucht het geruststellend sonore geluid van een vliegmachine. De volstrekte veiligheid die hij ervoer hier in zijn kleine wereld. 

Opeens hoorde hij iets anders. Kwam zijn buurmeisje dichterbij? Hij keek op. En keek recht in de waterige oogjes van een grote dikke groene kikker. Het beest zat nog geen halve meter van zijn gezicht. Hij zag de vochtige slijmerige keel op en neer zwoegen. Het beest trok traag een poot bij. Wat een monster. 

Met een kreet sprong hij overeind. Een rilling ging door hem heen. Zijn buurmeisje riep triomfantelijk ‘nou heb ik je echt gezien’, maar hij hoorde het niet eens. Het bloed liep uit zijn hoofd naar zijn benen. Hij moest even gaan zitten. Zonder een woord tegen zijn buurmeisje ging hij het huis in. ‘Kom je nou al binnen?’ vroeg zijn moeder. ‘Ben je niet lekker? Je ziet helemaal bleek.’ Hij ontweek een eerlijk antwoord, mompelde wat over geen zin meer. 

En nu zat daar die kikker in dat kroos opgeblazen te doen. Rotbeest. En al die andere kikkers die daar met trage bewegingen door het kroos zwommen. Het waren er veel. Te veel. Hij keek om zich heen, zocht een stok. Een eindje terug onder hun heg, daar had hij laatst een stok gelegd. Met de stok liep hij naar de plek van de kikkers. Hij hief met gestrekte armen de stok boven het water. Als Mozes en Aäron èn alle magiërs van Egypte de kikvorsen konden oproepen met een stok, dan kon hij misschien de kikkers wel laten verdwijnen. Met zijn stok. Het kwam aan op het gebaar. Er gebeurde niets. Wel hield het luide gekwaak op. Kijk, dat was al iets. Nu hoorde hij tenminste zijn eigen ademhaling weer. 

Voorzichtig deed hij een stapje vooruit. Voelde met zijn voet waar het land zacht werd. Hij dacht aan zijn moeder die hem waarschuwde voor de bullebak in het water. Die je kwam grijpen als je te dichtbij kwam. Dat was toen hij nog klein was en zelf wat rond het huis mocht scharrelen. Nu wist hij wel dat de bullebak niet bestond. Verhalen van grote mensen om je bij het water weg te houden. Onzin. Hier kon hij nog staan. Weer hief hij met een zwaai zijn stok. De kikkers schrokken van de schaduw en doken onder het kroos. Een gevoel van grote opluchting daalde over hem. Ze waren weg. Hij moest snel achteruit stappen om zijn evenwicht te bewaren. 

Neuriënd liep hij verder. Even een praatje maken met de oude buurman. Die zat als gewoonlijk op de krakkemikkige bank voor het lage huisje. Uren kon hij daar zitten. Kijken naar hoe het leven aan hem voorbij trok. Hun gesprekken waren kort en gingen nergens over maar op een of andere manier voelde hij zich rustig bij de oude man. Ze konden ook gerust een poos zitten zonder woorden. Na een poosje zei hij dan: ‘Nou, ik ga maar eens weer.’ Altijd hetzelfde vertrouwde ritueel. Ook dat hoorde bij de veiligheid van zijn wereldje. 

Terug lopend langs het water wilde hij niet kijken of zijn wonder nog werkte. Bang dat de kikkers toch weer opgedoken waren. Zich klaar maakten om aan land te komen. In optocht op weg naar zijn bed. Maar natuurlijk kon hij het niet laten. Wat hij zag, was stil eendenkroos. Geen beweging te zien. Ook geen stapels dode kikkers, zoals in de Bijbel. Maar je kon niet alles hebben. Dit was genoeg wonder. Een last viel van hem af. Vanavond kon hij weer veilig in zijn eigen holletje onder de dekens kruipen. Als moeder na een laatste aai over zijn hoofd weg was, kon hij gaan dromen. Het holletje werd een schip, een vliegtuig. Overal kon hij naartoe. En kikkers waren er niet. 

 

naar boven