Mijn tijd in militaire dienst - Op de Johannes Post-kazerne in Havelte

by Lammert
Hits: 6656

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

 

 

 

Naar de Johannes Post Kazerne in Havelte

Ik had in de loop van mijn tijd in Keizersveer natuurlijk een verzoek ingediend om bij de parate club te mogen dienen in een plaats dichter bij mijn woonplaats. Zo kwam ik in Havelte terecht, op de Johannes Post Kazerne. Dat was en is een grote kazerne met een enorme oppervlakte. Van de poort lopen naar de achterste garages en opslagplaatsen kostte je wel een kwartier denk ik. In de winter ging ik met de trein naar Meppel en dan naar de legerplaats met een bus. Dat was wel een goede verbinding, maar ’s zomers ging ik toch liever met mijn brommer. Dat was ongeveer een uur rijden, denk ik. Maar langs een prachtige route, o.a. door het landgoed Rheebruggen bij Uffelte. Ik hield dat zo lang mogelijk vol, in verband met het weer. Mijn ouwe brommer liet me gelukkig nooit in de steek, afgezien van zo nu en dan een vervuilde bougie. 

 de Sparta brommer diende mij trouw

 

 Bert, Dick en sergeant Sijtze op oefening bij Elspeet op de Veluwe.

 

119 ava

Ik werd in Havelte ingedeeld bij de mobiele gemotoriseerde veldartillerie en wel bij de 119 afdeling veldartillerie, afgekort “119 ava”. Ik leerde al snel dat dit een bijzondere afdeling was. Een van de weinige die in staat was een raket af te vuren die een nucleaire lading kon dragen. De raket heette de Honest John. 

De Honest John in Nederland (bron: Wikipedia, hier verkort)

“De Honest John was de eerste nucleaire grond-grondraket waar het Amerikaanse leger over beschikte. De ongeveer acht meter lange niet-geleide raket werd voor het eerst in 1951 getest en vervolgens in 1953 aan het arsenaal van de Verenigde Staten toegevoegd. De Honest John is van 1959 tot 1978 in gebruik is geweest bij de Koninklijke Landmacht. De raket kon zowel van conventionele als nucleaire lading worden voorzien. 

 

       Bivak. meligheid alom; links Sijtze en rechts ik

 

 

In de wapenwedloop tussen het Warschaupact en de NAVO gedurende de Koude Oorlog kreeg Nederland eind jaren 50 van de vorige eeuw kernwapentaken. De Koninklijke Landmacht gaf hieraan invulling door, gesteund door de Verenigde Staten, in 1959 de Honest John in te voeren, in 1960 gevolgd door nucleaire granaten bij de veldartillerie. Omdat de Honest John zowel qua mobiliteit, reikwijdte als toepassing vergelijkbaar was met conventionele veldartillerie, werd het bij de veldartillerie ingedeeld.

De 119 Afdva werd op 1 november 1960 opgericht met standplaats Steenwijkerwold/ Havelte.  De afdeling bestond uit een stafverzorgings- en een lanceerbatterij. De laatste bestond uit vier lanceerinrichtingen en een assemblage- en transportpeleton. Ik zat bij de stafverzorgingsbatterij. 

Kernkoppen

De acht meter lange raket was in drie delen opgebouwd: een ladingkop, een middelstuk met voortdrijvende lading en een staartstuk. Na op de lanceerinrichting te zijn geplaatst werd deze in stelling gereden en de raket afgevuurd. In 1960 arriveerden de eerste kernkoppen voor de Honest John. Het duurde tot 1962 voordat de eerste nucleaire Honest John operationeel was. De nucleaire raketkoppen voor de Honest John lagen opgeslagen op een Amerikaanse nucleaire basis op de grens van Darp en Havelterberg, die werd bewaakt door Amerikaanse en Nederlandse militairen (Van Heutsz). De basis was herhaaldelijk doelwit van protesten van de vredesbeweging in Nederland.

  

Lancering op een oefening in Duitsland van een van 'onze' Honest John's. Het projectiel werd gelanceerd vanaf een mobiele lanceerwagen. Die hadden ze bij de A-batterij van de 119e AVA in Havelte. (eigen foto)                                                                                                                                Rechts foto van internet: raketsysteem Honest John tijdens een parade.

 

  

Een voertuig met een raket erop van de 119 AfdVA; rechts een Honest John raket op lanceervoertuig in het legermuseum in Soesterberg. 

   

Lancering van een Honest John raket; beelden van internet.

 

Het afvuren van een Honest John raket is te zien in dit Youtube-filmpje 

 

In de voortdurende nucleaire wapenwedloop raakte de Honest John steeds meer verouderd. In 1978 werd de Honest John dan ook vervangen door de Lance-raket.” Dit laatste was er de oorzaak van dat ik nooit op herhalingsoefening hoefde. Ik leverde bij het afzwaaien alle psu enz. in en ging op groot verlof. 

    

Bivak.  Ik bij en in mijn "Staf 7 (S7)", de Nekaf-jeep die ik een jaar lang bestuurde

      Sijtze en ik bij mijn S7

 

De sectie 3, S-7

Ik was ingedeeld bij de staf/verzorgingsbatterij. Ik kreeg een eigen jeep, ook weer een Nekaf, met op de bumper in witte tekens links: 119 AVA en rechts: S-7. Dat laatste wilde zeggen dat ik het hoofd van de sectie 3 rondreed. De Sectie 3 is de stafafdeling die zich bezighoudt met de operaties, dus ook met de oefeningen. “Mijn” majoor, de baas van deze sectie bij onze batterij, had dus de algehele leiding bij oefeningen en ook bij de ‘echte’ oefening in Duitsland, op de Lüneburger Heide.  Twee keer per jaar trok de batterij met de hele mikmak voor een aantal dagen daar naartoe en vuurde daar dan enkele raketten af. Geladen met dummies natuurlijk, maar alles werd wel zo echt mogelijk nagespeeld. En omdat de raket bedoeld is voor nucleaire ladingen, waren bij een oefening in Duitsland Amerikaanse militairen niet weg te denken. Het leek mij soms wel dat ze ‘in charge’ waren. Mijn baas moest in het holst van de nacht soms op pad, naar een lanceerbatterij. En dan moest ik klaarstaan en hem zo nodig overal heen rijden. Als ik dan in een lekker warme tent bij een kop koffie zat, klonk opeens de wat barse stem van de majoor: ‘Metselaar! Rijden!’ En dan reden we. 

Unheimisch

Nu had je op dat oefenterrein in Duitsland hele stukken totaal onbewoond gebied; daar kon de raket dus afgeschoten worden. Visselhövede, Walsrode, Bad Fallingbostel zijn plaatsnamen die me in de herinnering komen. Het was een beetje unheimisch hier en daar: er waren verlaten dorpen, waar de oorlog niet ver leek. Door het gebied heen liepen wegen, soms bedekt met grote betonplaten. Nu liep er door zo’n weg een naad. Daar kon je je wat op oriënteren; witte strepen waren er niet. Overdag ging dat prima. Maar ’s nachts werd het een stuk minder. En dan werden wij ook nog geacht om met oorlogsverlichting te rijden. Dat zijn twee kleine pitjes voor op het spatbord, ook nog eens afgeknepen doordat er maar letterlijk een streepje open was in het metaal. Ik zag dus helemaal niks. Oriënteerde bij het maanlicht op de naad van de betonblokken. Nu lopen de betonblokken rechtdoor, ook in een bocht van de weg. Op een gegeven moment zat ik dus naast de weg. Wat doe je nou, riep de majoor. Tja, ik legde de situatie uit. Hij ging driftig mee zitten kijken en zo manoeuvreerden wij door de nacht naar de A-batterij. Daar kon ik dan uren wachten, bij mijn jeep, of als het te koud werd, in een tent die altijd wel ergens stond. De majoor moest natuurlijk wel weten waar ik was. Dat waren lange uren. 

Band om de arm

Maar het afschieten gebeurde maar een paar keer. De raketten waren duur en het ermee oefenen dus ook. Bij het afschieten zelf mocht ik niet dichtbij komen. Ik heb er wel een paar foto’s van. Een grote vuurstraal en een enorm kabaal. Het leven in een kamp in de mooie natuur van de Lüneburger Heide  was best leuk. Ik had bij de jeep een aanhangertje. Daarin lagen spullen van de radio, camouflagenetten en dergelijke. De netten kon ik niet gebruiken, omdat ik altijd meteen op pad moest kunnen met mijn jeep. De majoor had me dus vrijgesteld van camoufleren. Ook had ik hem zo ver gekregen dat hij me een band om de arm bezorgde. Die band was een teken dat je op oefening was vrijgesteld van het dragen van een wapen. Ik vond het zo lastig, steeds die Uzi bij me. En ik had toch al niks met wapens. Dus na enig aandringen, kreeg ik een band van de majoor. Daar waren sommigen, ook onderofficieren en zelfs officieren wel een beetje jaloers op, zo was mijn indruk. Een enkele onderofficier sprak me er wel eens op aan dat ik geen wapen droeg. Ik wees dan simpel op mijn band en als dat niet genoeg was, zei ik: vraag het maar aan majoor Spikerman. Dat hielp altijd meteen. 

Slapen in het aanhangertje

Slapen werd je op oefening geacht te doen in een puptentje.  Een puptent was een tent die bestond uit twee identieke aan elkaar te verbinden helften. Niet met een rits, maar met knopen!  Elke parate Nederlandse militair van de landmacht had een helft van de tent als deel van zijn PSU als gevechtsuitrusting. Als grondzeil kon de regencape dienen. Bij elke helft waren vier houten groene tentharingen en drie groene tentstokken en een scheerlijn inbegrepen. In de praktijk zocht de soldaat een maat met wie hij de tent deelde. Samen werden de twee helften aan elkaar geknoopt, de 2x drie stokdelen in elkaar geschoven tot twee tentstokken en kon de tent worden geplaatst met behulp van de acht tentharingen en de twee scheerlijnen. Na het plaatsen van de tent diende deze alsnog te worden gecamoufleerd. Ik had dus ook wel zo’n halve tent, maar ik vond het niks. Ik moest te pas en te onpas weg dus,… nee. Ik had bedacht dat ik wel in mijn aanhangertje kon slapen. Dat was net zo lang als ik, ietsje langer. Probleempje was de hoogte. Die was maar gering namelijk. Maar met enig inschikken, letterlijk, paste ik net in de wagenbak onder het zeiltje. Als ik me omdraaide zat ik wel met mijn neus tegen het canvaszeil. Gelukkig trof ik het dat het met het instappen en eruit komen droog was. Ik spreidde het camouflagenet zo goed en zo kwaad het ging een beetje vlak onder over de vloer. Dat lag wel hobbelig maar redelijk zacht. Zo bewees het net toch nog zijn diensten. 

   in zo'n aanhangertje sliep ik tijdens oefeningen in Duitsland...; liever dan in een pubtentje. 

Scheurvlag

 

Ik had in mijn persoonlijk toegevoegde psu ook een campinggas brandertje mee en van thuis had ik echte zwarte Engelse thee meegenomen. Ik had dus mijn eigen smakelijke thee, in plaats van de smerige kamferthee die je in de mess kreeg. Mijn majoor stond er wel van te kijken dat ik dit allemaal zo regelde, en hij mompelde wel iets van ‘eigenlijk verboden’ maar maakte er verder geen werk van. Hij scheen er wel de aardigheid van in te zien. Zeker toen ik aanbood hem ’s morgens een kop echte thee te bezorgen. 

Zo kregen we een goede verstandhouding. Majoor Spikerman was alom gevreesd bij de manschappen en ook wel bij de officieren en onderofficieren, want hij was uiteindelijk op oefening de eindverantwoordelijke. Maar ik kon best met hem opschieten. Zo mocht ik als we in colonne over de Duitse Autobahnen naar de Lüneburger Heide reden, de “scheurvlag” op de jeep zetten. Ik hoefde dan met mijn “Staf 7” niet in de colonne te blijven, maar mocht inhalen en eromheen ‘dwalen’. Dat was best leuk. 

De tweede oefening kwamen we terug uit Duitsland en ik had verteld waar ik woonde bij mijn ouders. We kwamen op enige afstand daarlangs. Ineens bood hij aan: neem de afslag maar en rij maar even langs je ouders. Nou, dat was stoer natuurlijk. Daar kwam ik voor rijden, met de Nekaf, een grote zwiepende antenne achterop. Het leek net echt. De majoor wilde niet mee, bleef in de jeep zitten, dus ik ben maar even wezen dag zeggen. Maar dat de man dat aanbood, vond ik heel sympathiek. 

Lange dagen gevuld met verveling

Maar als er geen oefeningen waren, moesten we de dagen zien door te komen. Hier geen opleidingsprogramma, alleen sport, onderhoud, en nog eens onderhoud. In het magazijn aan de radioapparatuur of op de parkeerplaats aan de jeep en de aanhanger. Eens had ik echt alles gedaan in het magazijn; de opper kwam langs om te kijken hoe het ging. Onze opper was een gemoedelijke man, zolang je gewoon deed wat er van je verwacht werd. Ik zei dat ik echt niks meer te doen had. Alle schroeven vastgedraaid? Ja opper. Dan draai ze maar los en dan weer vast! Hij wist natuurlijk ook niets beters te verzinnen. We kochten dan maar een paar kranten in de kantine in de pauze, zodat we na de pauze in het verre magazijn (helemaal achter op het grote kazerneterrein) dan wat te doen hadden. We zaten als het mooi weer was ook wel buiten lekker in de zon. 

Gedonder over een affiche

  het affiche  onze versie

Ontwapenend

Natuurlijk waren wij kinderen van de jaren zestig en meestal gemoedelijk maar soms ook wel eens er op uit om het gezag uit te dagen, vooral als dat gezag regels stelde waarvan wij het belang niet vermochten te doorzien. Zo was er de regel dat er op de kamers geen politieke prenten en ook geen ‘seksueel expliciet beeldmateriaal’ mocht hangen. De grenzen van deze regels zijn uiteraard nogal vaag en willekeurig. Meestal kon er wel aardig wat op onze kamers.

Toen kwam de politieke partij de PSP (Pacifistisch Socialistische Partij)  met het beroemde affiche van het blote meisje in de wei staand voor een koe, met de tekst: “PSP ontwapenend”. Tot op heden is dat een iconische afbeelding gebleven. Wij knipten de onderkant van het affiche, zodat alleen het blote meisje voor de koe overbleef. Geen politieke affiche, en een hoeveelheid bloot die je op sommige kamers wel minstens geëvenaard zag. Toch mocht het niet. Er kwam zelfs gedonder van. Waarom weet ik niet, maar toen de batterijcommandant, ik meen een kapitein, een gesprek over dit onderwerp wilde werd ik uitverkoren om op rapport te komen. Ik verdedigde onze keuze met de hiervoor genoemde argumenten. En ook bracht ik in, dat de regels over affiches nogal willekeurig waren. De kapitein bracht er tegenin dat ook zonder de tekst het affiche een duidelijk politieke boodschap had; het affiche was overal te zien in verkiezingstijd en zeer bekend geraakt. Ook zonder de tekst, meende hij, was de tendens meteen duidelijk.  Hij had daarin wel enigszins gelijk, ik kon ook wel billijken dat een kamer in een kazerne niet de meest geëigende plek is voor propaganda voor een pacifistische partij, dus na enige discussie op de kamer hebben wij het affiche verwijderd. Eerlijk gezegd: niemand van ons had zin om een weekend binnen te blijven, want zo’n maatregel kon je verwachten. Maar het proberen alleen al bleef een wapenfeit waarmee wij enige roem en bewondering oogsten bij de maats op andere kamers. 

 

 

 

  

Als ik thuis was in de weekenden mocht ik wel eens rijden in mijn vaders Fiatje 500, om mijn rijkunst bij te houden. Op de foto links  met vader en zwager Bertus en zoon.  Verder luisterde ik veel naar muziek en nam ik ook muziek op, op een nieuw aangeschafte Sony stereotaperecorder. Onder andere bij Sijtze nam ik muziek op: jazz en folk. 

   

 

De kunst van het jeeponderhoud

Het onderhoud van de jeep was nog wel wat werk. Vooral als je voertuig “op inspectie” moest. Die inspectie werd gedaan door een stuk of wat knorrige korporaals, bij de garages achter op het terrein. Waar je in ieder geval op moest letten, was dat er om elke smeernippel een cirkel was geverfd met rode verf. Een smeernippel is een metalen onderdeel waardoorheen smeervet onder druk in een lagerbehuizing kan worden geperst met een vetspuit. Bij de wielen en de koppelingen in de assen zaten ze bij voorbeeld. Je moest ze allemaal weten te zitten en er geen overslaan met verven, want dan had je een probleem. Het vet inspuiten deden ze overigens in de garage. Dat deden we zelf niet. Als ze dat daar in de garage deden, zou je zeggen, dan weten ze die nippels toch ook te vinden zonder mijn rode verf?! Maar dat is niet militair genoeg gedacht. Zou je trouwens de nippel zelf raken met de verfkwast dan was het ook mis. Op de nippel mocht geen spatje verf zitten. 

Zo waren er meer van die “puntjes”. De carrosserieën van de Nekafs waren soms al redelijk aan het roesten. Daar deed je natuurlijk niets aan, maar we smeerden er gewoon groene verf overheen, zodat het nog wel wat leek. De canvas huif moest lekker vet in de blanco (spreek uit blenko) zitten. Met een bokkepoot brachten we die dus flink vet op. Je pukkel (ransel, rugtas) en patroontassen en koppelriem moesten er ook mee behandeld worden. Maar dat brachten we wat minder vet op. Verder moest je natuurlijk zorgen dat alle oliepeilen op orde waren. Motorcarter, versnellingsbakken. Bandenspanning en nog zo wat. De dag van de voertuiginspectie was altijd spannend. Gelukkig heb ik er nooit moeilijkheden mee gehad. 

De Dutch Swing College Band wil niet opgenomen worden

’s Avonds was er een enkele keer wel eens wat te doen op het terrein in de vorm van een activiteit van de Welzijnszorg. Meestal was het niet mijn smaak wat er op het programma stond. Maar eens zou Peter Schilperoort komen met de Dutch Swing College Band. Hoewel dixieland niet mijn favoriete jazz-vorm was, vond ik het toch wel leuke vrolijke muziek. Het leek me leuk om het optreden op te nemen op band. Ik overlegde met de adjudant van de Welzijnszorg en die zag er geen probleem in. Dus ik had twee microfoons een beetje verdekt opgesteld en de taperecorder achter de coulissen. Schilperoort zag toch de microfoons en eiste dat die eerst verwijderd werden anders konden ze niet spelen. Hij legde uit dat hij het leuk vond dat er zoveel belangstelling was voor hun muziek maar dat hun manager en platenmaatschappij dit niet tolereerden. Zeker niet als het met zulke “professionele” apparatuur gebeurde. Nou, nou, zo professioneel was het nou ook weer niet, maar ik haalde gauw het spul weg en we hebben genoten van een spetterend optreden van de DSC band. Sinds ik de boeken van Bob Evers las en dan vooral ‘Stampij om een schuiftrompet’, was ik al fan van de band. 

Studeren

Een andere activiteit van de Welzijnszorg is dat ze de mogelijkheid boden om te studeren tegen gereduceerde prijs. Ik vroeg informatie aan bij de LOI en weldra arriveerde het eerste pakket studiemateriaal. Dat was niet mis. En omdat alles schriftelijk ging, was het veel werk. Al snel was ik ’s avonds dus een regelmatige bezoeker van het PMT, het Protestants Militair Tehuis. Er was ook een KMT (katholiek) en een HMT (humanistisch) zelfs, maar het PMT had de mooiste studiezaal, de lekkerste sorbets en een aardig uitbatersechtpaar. De gebouwen stonden op een rijtje langs de oprijlaan naar de kazernepoort. Met een kop koffie zat ik daar dan te blokken. Als ik het hele pakket had afgewerkt (grammatica, letterkunde, en nog zo wat onderdelen) stuurde ik het via de Welzijnszorg op en kreeg weer een nieuw pakket en het oude gecorrigeerd terug. De beoordelingen waren meestal gunstig, zodat ik er wel aardigheid in had. Mijn kamergenoten hadden wel ontzag voor mijn discipline om elke avond weer te gaan, geloof ik. Ik vond het heerlijk om na een dag van tamelijk hersenloos bestaan bezig te zijn met iets wat een uitdaging vormde. 

Studeren tijdens diensttijd

De opper had natuurlijk ook lucht gekregen van mijn studie. Toen we het er eens over hadden, suggereerde hij dat ik een verzoek zou kunnen indienen bij de kapitein van de stafverzorgingsbatterij om ook overdag te kunnen studeren. Ik had hem verteld van mijn ambitie om uit dienst zo ver te zijn dat ik dan het eerste jaar studie achter de rug zou hebben en in het tweede jaar kon instromen bij een zogenaamde C-Cursus. Aan mijn oude Pedagogische academie (vroeger de kweekschool) zou dat kunnen. Ik had mijn oude leraar Van Dalfsen een brief gestuurd met mijn plannen en vragen. Ik was een keer op bezoek bij hem thuis geweest, en hij verzekerde mij dat ik het zo moest doen. Ik zou het kunnen, ik zou het vast leuk vinden en wat hem betreft zou het op de cursus zo geregeld kunnen worden. De opperwachtmeester kreeg er zelf ook plezier in had ik de indruk. Hij deed een goed woordje voor me bij de kapitein. Op rapport bij deze officier kreeg ik toestemming, mits de dienst het toestond en ik garandeerde dat mijn jeep en radio perfect onderhouden bleven, en dat  ik alle oefeningen uiteraard gewoon zou meedraaien. Ik zou voortaan op de kamer mogen studeren na de middag. Dat was iets tamelijk ongehoords geloof ik. Er was nog wel eens kamerinspectie van een onderofficier die niet op de hoogte was, en als die mij dan op de kamer aantrof, begon hij meestal al uit te varen wat ik hier deed tijdens diensttijd enz. Als ik dan rustig uitlegde wat de afspraken waren, bond men in. Dat vond ik wel cool. Hoewel dat woord toen nog niet bestond. 

Uiteindelijk zou mijn ambitie lukken. In augustus 1971 begon ik in het tweede jaar aan de C-cursus van de Ped. Academie en nauwelijks twee jaar later in juni 1973 haalde ik mijn MO-A akte al. 

 

 de bemanning van kamer V20 Staf2 en Staf3 groep VRC

Westerveen. Meyer, Kelder, De Weert en Van Gijn

      mijn plekje in de hoek van kamer V20

 

Oefeningen, schieten, bivak

Tussen de alledaagse bezigheden door was er wel eens, niet vaak, een oefening in het veld. Soms meerdaags, compleet met een bivak, keuken, kadi (kantinedienst die je op de locatie van kano’s en koffie voorzag), en alles wat erbij hoort. Soms ook een dag, in de fraaie natuur dicht bij de legerplaats Havelte. Op de grotere oefeningen had ik dezelfde gewoonten als in Duitsland, wat betreft slapen, thee zetten e.d. Op oefening kwam ik Sijtze nog wel eens tegen. Hij was ook gelegerd in Havelte, maar bij de Geneeskundige troepen. Ik heb een paar foto’s waar we samen op staan. Als het weer een beetje mee wilde zitten, waren oefeningen best leuk. Het was een leuke afwisseling in het toch wel erg voorspelbare leven op de kazerne. 

Schieten deden we ook nog wel eens. Bij de legerplaats was een schietbaan.  Je kreeg dan een aantal patronen scherpe munitie. En dan maar mikken. Ik was er niet goed in, het interesseerde me ook niet. Op oefening kregen we losse flodders. Patronen die alleen knalden. Dan moest er een ‘berenlul’ op je Uzi, dat was een beeldend woord voor een rode stopper die je voor op de loop draaide. Ik gaf mijn losse flodders meestal weg. Afnemers genoeg. Al dat geknal, waar was het goed voor. Sommigen vonden het echter geweldig. 

    

In het magazijn brengen we veel tijd door. er wordt onderhoud gepleegd, maar als dat klaar is en er geen bezoek valt te verwachten, lezen we er uitgebreid de kranten. In het rek staan de nodige spullen die mee moeten op oefening, in de aanhangwagen bij de Nekaf-jeep. Camouflagenetten (hier in het magazijn gebruikt als zitzak om de krant te lezen), kabelhaspel, antenne, gereedschapskist, en natuurlijk de radioset. 

   

Een paar maats op de parkeerplaats en (re) voor het magazijn. 

  

Ik in de drietonner van het vuurleidingsysteem; rechts plezier in het magazijn met een paar dienstplichtige wachtmeesters  van het vuurleidingssysteem erbij. Die kon je er goed bij hebben. 

 op oefening

  zó is het wel uit te houden op oefening

 

 lancering van een Honest John in Duitsland, op halfjaarlijkse oefening

 ik bij een van de spookboerderijen in het oefengebied van de Lüneburgerheide

 li: uiterst recht zit ik 

 

Volkstelling

Een afleiding van heel andere aard was de volkstelling, die op 28 februari 1971 werd gehouden. Het was een telling waar nogal wat verzet tegen was. Ik vernam dat je drie dagen verlof kon krijgen als je je als vrijwilliger opgaf om mee te tellen. Ik was er natuurlijk als de kippen bij. Ik werd goedgekeurd om in de gemeente Hoogeveen mee te doen. Op de avond dat er voorlichting werd gegeven was ik een beetje te laat, want ik moest op de brommer uit Havelte komen. De belangrijkste informatie kreeg ik geloof ik nog wel mee. In ieder geval een pak formulieren, een route en instructies. Uit die laatste: 

“Bij het eerste bezoek dient u  vast te stellen welke personen voor telling in aanmerking komen; voor elke persoon die voor telling in aanmerking komt een vragenlijst aan te leggen; op elk adres een aantal gegevens te verzamelen over het woonverblijf; de aangelegde vragenlijsten ter verdere invulling achter te laten.

Dit laatste is noodzakelijk omdat voor het verkrijgen van zo juist mogelijke gegevens over onderwijs en beroep iedereen zoveel mogelijk zelf de gevraagde bijzonderheden moet invullen.

Bij het tweede bezoek dient u de achtergelaten vragenlijsten weer op te halen; de opgehaalde vragenlijsten op volledigheid van invulling te controleren en zo nodig ter plaatse aan te vullen en te verbeteren.”

Bron: http://www.volkstelling.nl/nl/documentatie/1971/hoofdstuk_2_instructie/instructie_woning.pdf

 

Ik had een gebied tussen Elim en Hollandscheveld toegewezen gekregen. Daar waar nu het recreatiegebied Schoonhoven is. Toen nog vrij achteraf, zandpaden langs wijken, huizen soms vrij ver van de verharde weg. Een gezin had nog geen aansluiting op het elektriciteitsnet. Het enthousiasme om mee te doen aan de volkstelling hield in dit gebied niet over, om het maar zacht te zeggen. Ik moest herhaaldelijk uitleggen dat ik ook maar gestuurd was. Dat was dus niet helemaal waar, ik had me opgegeven, maar niet omdat ik zo enthousiast over de telling was, maar voor het verlof. Maar dat vertelde ik allemaal niet, natuurlijk. 

Ik liet de formulieren achter en moest ze een paar dagen later weer ophalen. Uiteindelijk deden de meesten weliswaar morrend toch wel mee. Ik vond het wel een leuke ervaring, niet alleen om de vrije dagen, maar ook omdat ik op plaatsen en in huizen kwam waar ik anders nooit kwam. 

 

 

Afzwaaifeest

Twee maanden voordat ikzelf zou afzwaaien, zou een maat uit Sneek, Friesland afzwaaien. Hij riep al weken dingen als Hier de ouwe stomp hoor! Bekijk het maar! Er mocht een afscheidsavondje op de kamer gegeven worden. Hij kwam vooraf vragen wat ik wilde drinken, want hij wist dat ik niet zo van het pils was. Ik zei een beetje uit de gek: doe maar whisky. De bewuste avond stond er een fles whisky op tafel en een krat pils eronder. De pils was voor iedereen, de whisky voor mij. Ik dronk wel eens een glaasje, maar die avond kwam ik er niet onderuit om met de rest mee te doen. Het is de enige keer geweest dat ik echt dronken ben geweest. Vreselijk. Het ergste was de volgende ochtend natuurlijk. De houten kop en de spijker zijn bekende metaforen in dit verband en ze zijn vrij treffend gekozen, kan ik u zeggen. Maar een ander effect kende ik nog niet. Ik had een ontzettende dorst ’s morgens. Dus even in de wasgelegenheid wat water drinken. Ik werd op dat moment toch wel zo ziek. Je blijkt tijdens excessief alcoholgebruik veel te moeten drinken, water bedoel ik nu. Wist ik veel. Je lichaam wordt namelijk, als je dat niet doet,  door de alcohol volledig gedehydrateerd. Als je dan water drinkt, word je weer opnieuw dronken…niet mooi meer. 

Maar er was wel appèl om acht uur. Als je daar niet stond, moest je je ziek melden. Dat deed ik dus maar. Even later stond onze opper op onze kamer. Die had natuurlijk allang door wat er aan de hand was. Hij was keihard – en terecht. Jij bent niet ziek, je hebt een kater, maar ’s avonds een grote vent, ’s morgens ook een grote vent. Dus hup, naar het magazijn! Aan het werk. Geen mietjesgedoe. 

Ik ben naar het magazijn gestrompeld, waar we gelukkig met rust gelaten werden. Er waren er meer van onze kamer die niet zo lekker waren. Ik ben daarna nooit weer dronken geweest. Wel eens wat tipsy, maar dronken, nee. Mij niet gezien. Tja, daarvoor moet je kennelijk toch in dienst hebben gezeten om dit mee te maken –en ervan te leren. 

   

 eindelijk in burgerkloffie, een van de laatste dagen

  zwemmen in de plas tegenover de kazerne... op de laatste dagen kan er veel.

Wat anders doen

Alles greep ik aan om eens wat anders te doen. Zo heb ik me op het laatste moment eens opgegeven voor het bijwonen van een treffen met Duitse militairen die de kazerne bezochten. Ze hadden kennelijk niet genoeg Nederlandse vrijwilligers om de Genossen gezelschap te houden. De opper kwam vragen of ik zin had om op te draven. ’t Moest wel op korte termijn: vanmiddag! Wat kletsen, een gezamenlijke maaltijd. Ik zei meteen ja. Dus eerste grijs aan en in een van de bijgebouwen meegedaan aan het programma. Ah dat was wel leuk. 

Zo waren er ook wel eens ritjes met mijn majoor. Zo moest ik wel eens met hem naar Darp, naar de site waar de kernkoppen waren opgeslagen, die op onze Honest John raket zouden moeten. Strenge toegangscontrole. Amerikaanse militairen.  Ik moest bij het voertuig blijven. Heb dus weinig of niets van het complex gezien. 

De laatste dagen

De dagen kwamen dat ook Bricky (een bijnaam van mij) een echte ouwe stomp werd. De ‘oudste’ van de kamer samen met een maat die gelijk met mij was gekomen. Ik genoot van die laatste dagen. Het was mei en mooi weer. Mijn maat en ik gingen naar het PMT onder diensttijd, een lekkere sorbet eten. Met een andere maat ging ik ’s middags zelfs naar het zwemmeer in het natuurgebied tegenover de kazerne. Bij ons voertuigenpark liet ik me met de maten fotograferen. Dan het moment dat de hele PSU ingeleverd moest worden. En het wapen. Merkwaardig gevoel: die lege kast naast het bed. Ook wij gaven natuurlijk een feestje op de kamer. Ik werd niet weer dronken…

En dan die laatste dag. Na 16 maanden onder de krijgstucht neem ik afscheid van de maten en van de opper en de majoor. Niet dat het me speet, maar ik voelde toch iets van weemoed. Weer een periode afgesloten, die nooit weer komt. Ik had ervan gebaald, maar ook ervan genoten. Van de vriendschappen, de verbondenheid in hetzelfde lot. Maar de vrijheid smaakte toch ook wel heerlijk. De laatste dag toen ik de poort uitgereden was met mijn brommer nog even afscheid genomen met een kop koffie van het beheerdersechtpaar van het PMT. Daar was ik immers elke avond kind aan huis geweest. En dan door de ontluikende lente in het landgoed Rheebruggen voor het laatst de route naar huis. 

Na een lange vakantie, zal het werkende leven in augustus beginnen. 

 met Westerveen die ook afzwaait, genieten van een sorbet bij het PMT

   kast leeg, alles ingeleverd, klaar voor definitief vertrek naar huis

 

   

naar boven