Mijn tijd in militaire dienst - De tijd in Breda

on 20 oktober 2015
Hits: 9483

 

 

 

 

 

 

Eerste grijs

Het eerste weekend moesten we ‘binnen’ blijven en mocht er ook geen bezoek ontvangen worden. Nu was dat laatste voor mij toch niet aan de orde. Maar een heel weekend ‘binnen’ vond ik wel zwaar. Je mocht overdag wel de poort uit, maar in uniform, je ‘eerste grijs’, het uitgaanstenue, zeg maar. Door de weeks liep je in gevechtskleding. Alles was groen, ook je ondergoed. Er waren jongens die vanaf het begin weigerden een groene, wijde legeronderbroek te dragen, maar daar zat ik niet mee. Die groene kon je namelijk gewoon door de ‘dienst’ laten wassen en ‘eigen’ onderkleding moest je thuis laten wassen. Dat was ik niet van plan: als je me zo nodig wilt, moet je me ook goed verzorgen. 

De regeltjes rond kleding waren aan het veranderen in de tijd dat ik diende. De eerste acht weken (dus mijn hele tijd in Breda) moest je altijd in het legergroen. Maar was het dragen van burgerkleding tot kort daarvoor nog verboden tijdens de avondmaaltijd, als ik dien, is dat ‘al’ toegestaan buiten de diensturen, dus ’s middags na vijf uur. En dus ook tijdens de avondmaaltijd. Als je zondagsdienst had (eens in de zoveel weken was je paraat in de kazerne) mocht je bij alle maaltijden in burger. Het eerste wat we na vijf uur deden, was dan ook even opfrissen en verkleden. Het is gek, maar je voelde je ook anders in je eigen kleren. Ik las kort geleden dat mannen in pak beter zijn in overzicht en grote lijnen en abstract denken dan wanneer ze in casual kleren lopen. Het verbaast me niets. Al eeuwen is het spreekwoord ‘kleren maken de man’; men bedoelde daarmee vooral dat je er beter uitzag als je verzorgde kleren droeg, maar het bijgaande psychologisch effect is voor mijzelf in ieder geval duidelijk. Het verrast me niet. 

 

  in gevechtstenue met de Uzi: Roy, Henk, Piet, Martijn, Rob en zittend Pierre

 

PSU

We hadden van de foerier een hele uitrusting gekregen, onze Persoonlijke Standaard Uitrusting. Kleren dus, maar ook (patroon)tassen, koppel, waterfles, gasmasker, schoenen en natuurlijk een wapen. Wij kregen de 9 mm pistoolmitrailleur Uzi uitgereikt met twee magazijnen. Het wapen had een inklapbare kolf zodat het redelijk te hanteren was. Dat wapen diende je op oefening altijd (dat is dus altijd, geen uitzondering) bij je te dragen. Vrijdagsmiddags moest het wapen altijd ingeleverd worden in de wapenkamer bij de foerier. Vanaf het moment dat je het wapen ingeleverd had, begon het weekend al een beetje. De hoge schoenen moesten ingelopen worden. Wel, daar werkte de pelotonscommandant aan mee want hij liet ons een paar stevige marsen lopen. Sommigen gaven de schoenen een ‘behandeling’ om ze soepeler te maken en vooral om ze ouder te laten lijken. Die behandeling bestond bij voorbeeld uit: er flink op trappen, er met een hamer op slaan of ze tussen de deur klemmen… Wat oude motorolie er stevig in wrijven hielp ook. 

 

 in eerste grijs, het uitgaanstenue: v.l.n.r. ik, Henk en Piet

 

Bollen en ouwe stompen

Ik kom daarmee op een gevoelig punt. Op een kazerne liepen ze door elkaar: mannen die net opgekomen waren, en zij die op afzwaaien stonden. Vooral bij de parate troepen, in Havelte in mijn geval, was dat het geval. Ook op onze kamer liep dat daar door elkaar. Er was in principe om de twee maand verversing. Het laatste wat een soldaat wilde, was aangezien worden voor ‘bol’ of ‘bolle’, (een nieuwe net ingekomen soldaat die nog van niks weet). Laat staan op die manier aangesproken worden. Een enkele keer hoorde je in mijn tijd ook nog ‘oliebol’. Maar dat was toen al wat verouderd, maar leuk was het niet om die naam te horen. De term bol of bolle is afgeleid van de vorm van de baret. Als je de baret als nieuwe rekruut ontvangt, is hij nog stijf en …bol. Die baret werd dus zodanig mishandeld tot hij er vaal uitzag en vooral plat op je hoofd te vouwen was. We stonden dan ook ’s ochtends voor het appel allemaal even voor de spiegel om te kijken of-ie wel voldoende plat zat. Nog eens met de vlakke hand stevig naar rechts wrijven en nog eens. De echte ‘ouwe stomp’ had een baret die enigszins vuil was, en verkleurd en vooral dus plat op de rechterkant van het hoofd plakt. En niet er boven op staat, zoals eerst bij ons groentjes het geval was. Hoe meer de baret naar rechts op het hoofd hangt, hoe oudere stomp je voor je hebt. 

Voor de schoenen gold iets vergelijkbaars. Nieuwe schoenen dragen was een kwelling, niet alleen omdat ze knelden. Maar vooral omdat ze zo glad en nieuw waren. Kamergenoten sloegen dus met de schoenen op de punt van de brits, om krassen en blutsen in het leer te maken. Ze klemden ze tussen de deur en de deurpost. Dat de schoenen al deze agressie overleefden, zei iets over de kwaliteit ervan. Een oncomfortabele waarheid was wel, wat onze opper altijd zei: de schoenen veel poetsen helpt ook. 

Niet te pop tegen de ouwe!

Helaas heb ik destijds geen aantekeningen gemaakt over ons taalgebruik. Ik herinner me zo nog wel wat:  'vreetschuur' voor de eetzaal, 'afknijpen' voor het afzeiken van 'bollen', nieuwkomers dus. 'Balen' natuurlijk, voor ergens genoeg van hebben, of je stierlijk vervelen. 'Bunkeren' voor flink eten, in de vreetschuur, dus. Een 'eenpitter' was een wachtmeester eerste klas. De 'hospik' was van de Geneeskundige Troepen. 'Meuren' was slapen, of in je bed liggen, maar ook: stinken. Hij ligt in z'n bed te meuren. De 'meurbaal' was dan ook de slaapzak.  'Messtins': Twee in elkaar passende rechthoekige metalen blikken met elk een inklapbaar handvat. Het was de bedoeling dat uit deze blikken gegeten werd in het veld. 'Organiseren'en 'ritselen' deed je als je iets buiten de regels om deed, zorgde dat je het goed had, zonder je om de officiële regels te bekommeren. Wat je dan deed of maakte, was 'niet organiek'. Iemand die later opgekomen was dan jij, moest niet te veel praatjes hebben, niet te bijdehand doen, anders kreeg hij te horen: 'Hé. Niet te pop tegen de ouwe stomp, hè!'  'Pop' is een afkorting van 'populair', wat weer stond voor té bijdehand. 'Zeg, ben jij nou van de pot gerukt' zei je tegen iemand die je iets flikte of probeerde te flikken. 

Meer over soldatenjargon op: http://nl.wikipedia.org/wiki/Gebruiker:Spraakverwarring/Militair_jargon

 

 little old me in vol gevechtstenue, klaar voor het bivak. In januari. In een pubtentje. In de sneeuw. 

 

Vrijheid

De hele PSU moest in een grote plunjezak kunnen, maar in de metalen kast naast je brits moest het vooral keurig en volgens de regels opgeborgen en opgestapeld worden. Norm daarbij was de lengte van je mes. Breder of smaller mocht niet. Als een hemd op een verkeerde plank lag, of als het een halve centimeter uit de stapel stak, had je kans dat je een berisping kreeg, en als de man die de inspectie deed een slechte bui had, haalde hij met één haal je kast leeg en mocht je alles opnieuw opvouwen en opstapelen. Als je recidiveerde, moest je op rapport bij de kapitein. Die kafferde je dan ook nog eens uit en dreigde met intrekken van verlof als je het nog gekker maakte, dus dan wilde je voortaan wel keurig stapelen. Minder fijn bij dit alles was, dat sommige onderofficieren er een kennelijk genoegen in schepten om rekruten te treiteren. Als je een onderofficier niet had gegroet, of anderszins te na was gekomen, kan hij zo je te grazen nemen: door je hele kast leeg te halen.  

Verlof was voor ons het allerbelangrijkste. We keken er de hele week naar uit. Ik denk dat het toch komt doordat je het gevoel hebt dat je vrijheid is afgepakt. We hadden het namelijk helemaal niet slecht, vond ik tenminste, maar dat anderen steeds voor je bepalen wat je doet en laat, dat benauwde wel. En dan vooral als het ging om volstrekt belachelijke regeltjes als de groetplicht. Mensen doen vaak lacherig over het afpakken van vrijheid in de vorm van gevangenschap, (‘het lijkt in Nederland wel een hotel’) maar ik realiseer me heel goed dat vrijheid iets is wat je pas héél erg gaat waarderen als je het mist. Neem vrijheid nooit voor vanzelfsprekend aan, nam ik me voor in Oost-Berlijn, (nog maar zo kort geleden dan!), en in dienst neem ik het me opnieuw voor. 

Extremen

Op mijn kamer lagen jongens uit alle hoeken van het land en vooral ook van volstrekt verschillende achtergrond. Ik kwam uit het beschermde wereldje van toch tamelijk gelijkgezinden van de kweekschool. Daar waren natuurlijk verschillen tussen ons jongeren, maar de extremen waarmee ik nu te maken kreeg, lagen toch wel verder uit elkaar. Er was een nogal timide jongen uit Gelderland maar ook jongens die gepokt en gemazeld en streetwise waren geworden in de grote stad, Amsterdam, Den Haag. Die spraken bij voorbeeld over uitgaan met meisjes en wat ze dan met ze deden, alsof het over voorwerpen ging. Ik wist me denk ik toch redelijk snel aan te passen aan de gemengde groep en kon met iedereen goed opschieten. 

Voor overdag was er een druk programma dat de hele dag vulde. Je zat als het ware weer op school maar dan met andere vakken dan opvoedkunde en Nederlands. Het grootste deel van de lessen was gewijd aan het leren besturen van de jeep. Ik werd chauffeur! Dat vond ik nog niet zo verkeerd; mijn rijbewijs had ik nog niet en als ik het hier gratis kon halen, leverde deze kostbare diensttijd financieel toch nog iets op. Mijn eerste vraag tijdens de lessen was dan ook of je hier behaalde rijbewijs ook gold voor de burgermaatschappij. Dat was niet zo, maar je kon aan het einde van de opleiding wel je dienstrijbewijs laten overschrijven naar een burger exemplaar. Dat was mooi. 

Jipsingboermusselvaltermondsekanaal

Eerst waren er veel theorielessen, verkeer maar ook autotechniek, over de werking van motor, versnellingsbak, hoge en lage gearing, enz. Ik vond het allemaal wel interessant. Ik had altijd al wel een zekere interesse voor techniek gehad, altijd al willen weten hoe dingen werken en er van binnen uitzien, dingen zelf bouwen, enz. Maar daarnaast was er natuurlijk het puur militaire. We moesten leren exerceren, marcheren, omgaan met het wapen en het leren demonteren, schoonmaken en weer monteren. Dan was er het in de blanco zetten van de patroontassen en je koppel, dat was je riem. Het exerceren was voor onze groep geen succes. Iedereen probeerde zich er een beetje van af te maken. Sommige wachtmeesters of oppers gingen daarin mee -tot op zekere hoogte, maar we hadden ook wel eens een fanatieke. Een oudere Groningse opper vonden we allemaal wel sympathiek. Hij was een soort strenge maar uiteindelijk ook wel gemoedelijke vaderfiguur. Van hem heb ik jaren later nog een uitdrukking gebruikt over waar we in het weekend allemaal naartoe gingen. Naar huis, waar ook in het land: “En dan moet je vanavond niet het laatste varken naar Jipsingboermusselvaltermondsekanaal missen anders moet je daar wéér lopen!” 

Het minste vond ik –uiteraard voor wie me een beetje heeft leren kennen- de sportonderdelen. De stormbaan was het wel het ergste. Maar domweg rondjes lopen om het sportveld kon mij evenmin bekoren. Het allerergste was het zwemmen. Ik heb een redelijke watervrees, liever “bodemloos-vrees”, maar erger nog was: hier moest je voor zwemmen om vijf uur op. Dan op een open drietonner door de stad naar een zwembad, dan terug. Buiten vroor het en er lag sneeuw. Ik vernikkelde daar achterop die laadbak. Terug mocht je aanschuiven voor het ontbijt. Nou, leuk hoor! Goed, de drietonner had wel een dekzeil maar was van achteren open. Je zat dus echt buiten. In januari. 

Poetsen

Het eerste weekend dat we naar huis mochten, vergde een diepgaande voorbereiding. Er moest worden gepoetst op emblemen en op het koper van de koppelriem, en op de schoenen. De emblemen op de revers hoefden gelukkig niet met koperpoets gedaan worden, die waren gecoat. Of van een soort kunststof. Aan het eind van de vrijdag stonden we met onze weekendtas voor de voeten op appel. Onze opper en een kapitein bekeken dan man voor man of we er toonbaar uitzagen. Is je haar goed kort getrimd? Zitten je knopen er aan. Schoenen glanzend? Glanzend genoeg beter gezegd, want ‘glanzend’ bleek een rekbaar en multi-interpretabel begrip. Wat wij prima vonden, vindt een kapitein in een slechte bui waardeloos. Dat kostte je dan een uur en een kostbare treinverbinding. Als om vijf uur het sein ging, en iedereen goedgekeurd was, stormden we de poort uit, richting station. En begon voor mij de urenlange treinreis naar Hoogeveen. 

Nekaf-jeep

Het was zo weer zondag en dan moest ik vroeg in de avond al weer terug, om met de laatste trein in Breda aan te kunnen komen. Al snel begonnen ook de praktijklessen voor het jeep-rijbewijs. We reden in de Willy’s Overland, hier te lande gebouwd door Nekaf. Het was waarschijnlijk een Willys M38A1. Nekaf kreeg in 1955 een order voor de assemblage van vierduizend stuks hiervan, die in Nederland als ‘Nekaf Jeep’ bekend zouden worden. Het was een robuuste jeep van plaatstaal met twee zitplaatsen voor en twee kleine plaatsen achter. De bestuurder zat op de benzinetank. Het dashboard was eenvoudig. Om te starten had je een grote contactsleutel nodig die je in een houder rechts op het dashboard draaide. Daarmee draaide je de auto op of los van de stroomketen via de massa meen ik. Op de bodem zat dan de startknop, die je met de voet moest bedienen. Eerst het gaspedaal een keer goed intrappen kon ’s winters bij de koude start wel helpen. De ruitenwissers die (uitzonderlijk) bovenaan de ruit waren bevestigd, werkten niet op elektrisch maar op vacuüm. Er liepen luchtleidingen naartoe, die vacuum zogen en zo zorgden voor een heen en weer draiiende beweging. Het ging gepaard met een zuigend geluid. Het werkte niet geweldig. Bij sneeuw of zware regen zag je niet veel. Gelukkig was onze les-jeep wel voorzien van een opbouw, een canvas dek dat over twee beugels bevestigd was. Het tochtte natuurlijk aan alle kanten maar je zat –redelijk- droog. Verwarming was er niet. Omdat het winter was, was het vrij pittig, dat lessen. Vaak had ik handschoenen aan, maar dat stuurt niet lekker. 

  

De Nekaf Willy's M 38; beelden van internet, maar zo zag de S7 van mij er ook ongeveer uit. 

  

 

Double clutch en tussengas

De Nekaf-jeep had drie versnellingen vooruit en een achteruit. Van die drie vooruit was de eerste niet gesynchroniseerd. Dat betekent dat, als je wilde schakelen (en met slechts drie versnellingen moet je in de stad heel veel schakelen van 1 naar 2 en terug) en je probeerde dat op de ‘normale’ manier te doen, dan hoorde je een enorm gekraak en schakelen lukte niet. Opschakelen deed je met dubble clutch: twee keer koppelen tussen het schakelen, uit en in. Dat was nog eenvoudig te leren. Terugschakelen vergde wat meer oefening. Het was een van de eerste dingen die we leerden bij het lessen. Je rijdt in 2, koppeling in, pook in vrij, koppeling opkomen en een dot ‘tussengas’ geven, koppeling weer intrappen en dan zo snel mogelijk de pook in 1. Hoeveel tussengas je moest geven hing af van je snelheid. Als je praktisch stilstond, ging het bijna zonder tussengas. Deze procedure  maakte het rijden in de Nekaf wel sportief. Net als de afwezigheid van luxe als stuur- en rembekrachtiging en zo. 

  Het instrumentarium van de Nekaf. De drie pookjes en de diverse meters. Helemaal rechts de opening waar de contactsleutel in moest om het voertuig te kunnen starten. 

Dan had je in het terrein in het mulle zand ook nog het pookje voor de vierwielaandrijving (tegenwoordig vrij normaal op duurdere auto’s en SUV’s) en voor de lage gearing was er een derde pook. Hiermee maakte je eenvoudig gezegd met een aparte versnellingsbak de versnellingen als het ware ongeveer de helft kleiner. De topsnelheid werd dan natuurlijk veel geringer maar de kracht nam navenant toe. In zijn 1 in de lage gearing reed je met de handrem erop nog weg in het mulle zand! Met de aanhangwagen erachter.  Ik heb het een keer (per ongeluk) geprobeerd. Loeisterk was die jeep. 

VVDM

Ik bofte met mijn rij-instructeur. We kregen namelijk een vaste instructeur toebedeeld. In mijn geval was dat een dienstplichtige wachtmeester die pas afgestudeerd was in de rechten. Het was een sympathieke vent, heel wat leuker dan de meeste nogal nurkse beroepsinstructeurs. Dat hoorde ik wel aan de verhalen van anderen. Wij gingen soms even gezellig een kopje koffie drinken met zijn drieën. Je was namelijk met twee leerlingen en een instructeur. Hij was op dat moment een belangrijke figuur in de VVDM, de Vakbond voor Dienstplichtige Militairen, samen met nog een tweede dienstplichtige instructeur die ook bij ons onderdeel zat. Binnen de kortste keren was ik natuurlijk lid van de VVDM, dat begrijp je. “De vereniging organiseerde begin jaren zeventig spraakmakende acties over de groetplicht, de vrije haardracht en compensatieregelingen, en telde op haar hoogtepunt in de jaren zeventig meer dan veertigduizend leden. Dat was toen bijna 80% van alle dienstplichtigen. De VVDM werd in 1971 landelijk bekend door acties tegen de verplichte korte haardracht in het Nederlandse leger. In 1973 schafte de minister van defensie Henk Vredeling de groetplicht in het Nederlandse leger af, na jaren actievoeren van de VVDM. De VVDM voerde o.a. actie door het houden van jaarlijkse "Nationale Groetdagen" waarop de dienstplichtigen niet alleen hun meerderen groetten maar iedereen die zij tegenkwamen. Dienstplichtigen waren tot dat tijdstip verplicht om als onderdeel van de krijgstucht iedere meerdere in rang die zij tegenkwamen, op elk moment te groeten.”(bron Wikipedia). 

Onze ‘wedde’ zoals de soldij vanaf 1967 heette, (=de financiële vergoeding) bedroeg fl. 161 netto per maand. Dat was al heel wat meer dan een aantal jaren eerder, maar als ik het vergelijk met wat een collega kweekscholier verdiende die meteen na de kweekschool kon gaan werken, schoot ik er duizenden guldens bij in. En dat omdat ik Het Vaderland diende en hij niet. Daarover gingen diverse discussies bij ons op de kamer en in de jeep. Het was in onze ogen een grove onrechtvaardigheid en rechtsongelijkheid. 

Groetplicht en haardracht

In de jeep hadden we hele gesprekken over deze onderwerpen. Het ging over dingen die ons rechtstreeks aangingen en die ons ergerden. Het verplicht groeten van elke meerdere die je tegenkomt, stuitte ons tegen de borst. Eenmaal bij de parate troep in Havelte werd daar vrij soepel mee omgegaan, maar ik ben wel eens “op rapport” geweest omdat ik een hoge pief niet had gezien en gegroet. De korte haardracht werd in Breda nog vrij strikt gehandhaafd maar bij de parate troepen was dat ook al wat soepeler. Misschien ook omdat commandanten inzagen dat ze deze strijd toch gingen verliezen. Maar het bleef een constant ‘grenzen opzoeken’. Voor mij was het niet zo’n halszaak, maar voor een van onze kamer in Havelte, met een prachtig volle haardos, was het elk weekend weer aftasten tot hoever hij kon gaan met zijn lange haren. 

Ik droeg een baard, al sinds geruime tijd. Dat heeft nog heel wat voeten in de aarde gehad dat ik die mocht blijven dragen. Ik heb het schriftelijk moeten aanvragen bij de batterijcommandant, een kapitein geloof ik, en die aanvraag moest degelijk gemotiveerd zijn. Ik heb er zoiets van gemaakt dat de baard een deel van mijn persoonlijkheid was geworden in die paar jaar dat ik hem droeg. Dat ik er zelfs in de DDR moeilijkheden om had gehad. Ik dacht: dat argument zal ze wel overtuigen want ze willen hier toch niet ‘roomser’ zijn dan de DDR. Ik moest op rapport bij de kapitein. Mijn verzoek toelichten. De kapitein luisterde naar mijn pleidooi, dacht na en besloot me de baard toe te staan. Maar hij waarschuwde me ernstig. Als je straks een gasoefening krijgt, dan weet je dat je gasmasker niet aansluit op je gezicht. Dat gaat dus lekken! Ik antwoordde dat ik dat risico dan maar nam. Als er ooit echt stront aan de knikker kwam met de Russen dan kon ik alsnog de baard afscheren. 

Gas!

Tja, die gasoefening kwam natuurlijk. Daar ging het behoorlijk mis, maar dat lag niet aan mijn baard. Tenminste niet alleen en niet in de eerste plaats. Op het terrein moesten we verzamelen bij een bunker. Buiten mochten we nog een keer oefenen met opzetten van het masker. Ik had voor deze gelegenheid mijn eigen bril verwisseld voor het ‘dienstfietsje’, een flexibel montuur met kleine, ronde glazen. Dat paste beter in het gasmasker. De ABC-instructeur legde uit wat de bedoeling was. ‘Pas als ik GAS! Roep, mogen jullie je masker uit de tas halen en opzetten’, zei hij. ‘Niet eerder.’ Hij kon een grijns bijna niet onderdrukken. Hij zou die bollen eens even lekker te grazen nemen. Wij de bunker in. De deur gaat dicht. De instructeur, zelf al met gasmasker op,  trekt een gaspatroon met traangas open, roept enkele seconden daarná pas GAS! en ja, dan weet je het wel in zo’n kleine ruimte. Voordat je dan dat masker uit de tas hebt en opgezet hebt… Vreselijk, wat een rotgoedje is dat traangas. Het masker houdt op deze manier niets tegen want ook achter het masker zit natuurlijk het gas. Dus de meesten rukken het masker weer af en schelden en tieren dat de deur open moet. Na nog even genoten te hebben maakte de instructeur inderdaad de deur open, tuimelden we naar buiten en konden we gezonde buitenlucht inademen. Maar de tranen en zere ogen en complete ellende waren dan nog niet voorbij. 

Bivak in de sneeuw

In februari lag er sneeuw en was het bitter koud. Of het al langer gepland stond, of dat men het erom heeft gedaan, weten we niet, maar net toen moesten we op bivak. We werden met drietonners naar een bos gebracht en daar moesten we een kamp maken en zien te ‘overleven’. Nou viel dat natuurlijk wel mee, maar lekker was het niet. Allereerst moest je natuurlijk je tentje opzetten. Je had de helft van een puptentje. Met een maat samen had je een hele tent en die moest je dan in de sneeuw zien op te zetten. Je regencape diende als grondzeil. Die combinatie was natuurlijk allesbehalve dicht. De twee helften zaten met knopen aan elkaar en die knopen zaten in de nok, dus dan kun je wel nagaan. We hadden het dus koud en vochtig, hoewel de slaapzak van goede kwaliteit was. Als je daar eenmaal in lag, dan ging het wel. Het eten ging met noodrantsoenen uit blik. We kregen elk een pakket. Daarin zaten een paar blikken, meestal met iets van witte bonen in tomatensaus, wat crackers, sigaretten, snoepjes en een blik met spiritusgelei. De bedoeling was dat je die aanstak, en daarop dan je hap warm maakte in een ‘messtin’. Dat was een aluminium bakje met een handvat; zo had je ook een aluminium mok met handvatten. Daarin kreeg je naar kamfer smakende thee. Smerig. Men vertelde dat ze kamfer door de thee deden om je libido te verlagen. Nou, als ik later op oefening moest dan zorgde ik wel dat ik mijn eigen verse en geurige thee kon zetten. 

 

 klaar maken voor het bivak

 

 Bivak in de sneeuw

  

wat wazige foto's van het bivak,  in het Mastbos, meen ik. Pubtentjes die je maakte door twee helften aan elkaar te knopen met je maat samen. De slaapzak was goed en zolang je daar in lag, was er niets aan de hand. Maar voor -en nadat- het zover was....   Noodrantsoen in blik (witte bonen in tomatensaus was nog het best te 'kanen') moest je warm maken op een blikje spiritusgelei; thee kreeg je bij de mess-tent in je blikken mok. (foto links) Later in dienst kon je van alles 'regelen' maar hier moest alles 'echt', vandaar die spiritusgeleibrander. Later nam ik gewoon een klein campinggasbrandertje mee in mijn jeep...

 joligheid op het plein van de Trip van Zoudtlandt kazerne

Geslaagd in één keer

Goed, wij reden dus wat af in Breda en omgeving. Oosterhout, het Mastbos, en we mochten zo nu en dan ook terreinrijden. Ik kreeg er steeds meer vaardigheid in, hoewel ik het extra diploma terreinrijden niet zou halen. Je moest dan namelijk over de kleine heuveltjes rijdend ondertussen ook nog kunnen schakelen van bijv. 1 hoog naar 2 laag en terug en dat lukte mij niet zo snel. Voor het ‘gewone’ examen werden we goed voorbereid. Zo was er in de binnenstad tegen het voetgangersgebied aan een viersprong waar je maar één kant op mocht. Het gerucht ging, dat als je hier vroeg aan de examinator: ‘welke kant op?’ dat je dan gezakt was. Ik slaagde in één keer voor mijn rijbewijs en dat was toch maar mooi meegenomen. 

In de maanden januari en februari tot begin maart dat ik in Breda verbleef, viel natuurlijk carnaval. Ik had dat als noordeling nog nooit meegemaakt en ging een avond de stad in, in uniform, want dat moest. Ik heb die avond dank zij dat ‘pakkie’ geen consumptie hoeven te betalen want ze werden me veel meer aangeboden dan ik kon verwerken. Ik was toen -en ben nog- geen echte bierdrinker. Als ik ’s avonds door de straten terugloop naar de kazerne, plakken mijn zolen aan de straatstenen, zoveel bier is er gemorst, en overal hangt de zware geur van pils. De mensen zijn allemaal heel aardig tegen me, maar ik hoef de volgende avond niet weer. Carnaval is aan mij niet zo besteed. 

naar boven