Vroege jeugd en kinderjaren

by Lammert
Hits: 20233

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Herinneringen aan mijn jeugd

Voorgoed voorbij

"Het nu bestaat niet. Het enige wat bestaat, is dat wat geweest is. "  Henning Mankell in "Drijfzand", zijn laatste boek voor hij dit jaar (2015) overleed aan kanker. 

Krakeel

Krakeel. Een niet veel goeds voorspellende naam. Ik ben geboren aan het Krakeel. 'Krakeel' betekent: onenigheid, ruzie. Voor mij betekent het vooral een onbezorgde jeugd omringd door liefhebbende zorgende ouders, en broer en zussen. De horizon was dichtbij, de wereld maar heel klein, maar ik zeg het de kunstenaar Jopie Huisman zaliger uit Workum na:  het had evengoed de hemel op aarde kunnen zijn voor mijn gevoel. 

Nu is het Krakeel een weg, even buiten Hoogeveen, waar de oude huizen vrijwel allemaal ingrijpend zijn opgeknapt of hebben plaats gemaakt voor villa’s en andere nogal luxe huizen. Toen was het Krakeel een opgaande, een vaart die oorspronkelijk deel uitmaakte van het stelsel van kanalen, vaarten en sloten die als een raster over het veengebied ten oosten van Hoogeveen lagen. De vaart begon waar nu de Hoofdstraat is, en liep door de (nu) Van Echtenstraat, een klein stukje Julianastraat, de Linthorst Homanstraat,  rechtdoor tot hij uitkwam vlak bij het voormalige woonwagenkamp in Noordscheschut. De wijk (nu stadsdeel ) Het Krakeel is genoemd naar deze ‘wieke’. De bewoners waren voornamelijk eenvoudige keuterboertjes en arbeiders. In dat milieu spelen mijn jeugdherinneringen.

 

 

 

 

Voor ik u mijn herinneringen vertel, eerst twee motto's voor dit verhaal. 


 

 Voorgoed voorbij

De titel van deze afdeling van mijn website is ontleend aan een gedicht van J.C. Bloem, dat hieronder is opgenomen. De bekende laatste regels van het gedicht staan ook op Bloems grafsteen bij het kerkje in Paaslo. Op een van de vele (culturele) excursies die ik maakte met mijn studievrienden Jan en Theunis, maakte ik er deze foto van: 

 

Herinnering

 

De gloeiende avond in de kleine stad: 

Verlichte ramen stonden ruisend open 

Naar zomertuinen en het langzaam lopen 

Van de geliefden langs het grijze pad. 

Als dit geheime ooit wéér te leven was: 

Hoe dat het zachte licht van een lantaren 

Scheen op de donkere, gedempte blaren, 

Wist het hart, dat het van den dood genas. 

Maar het vergankelijke kent geen keer 

Dan in de opstanding der herinneringen; 

Gistren is even ver als deze dingen: 

In het verleden is de tijd niet meer. 

Toch zullen bij het sluiten van den kring, 

Waarin ons dreef des levens streng beschikken, 

Die als de lucht onhoudbare ogenblikken 

Onze enige eer zijn en rechtvaardiging. 

En zullen we, in de wervling van den tijd 

En de vervoeringen, die niet beklijven, 

Indachtig aan onze oude dagen blijven 

Met onvergankelijke aanhanklijkheid. 

Tot aan het zwichten en het laatst getij, 

Wanneer de wereld één wordt met het duistren, 

En wij de niet te horen woorden fluistren: 

Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij. 

 

J.C. Bloem 

 




 

 

Als tweede motto een wat minder zwaarmoedige tekst van mede-Drent Daniël Lohues:  

 

Herinnerings 

Soms brengt een klank, ’n smaak ’n geur

Joe terug naor wat ooit is gebeurd

Soms weet ie zolfs weer wat veur weer ’t was

Hiele kop vol allemaol herinnerings

 

Hoe ik as kind op stoppellaand

Leup met ’n vlieger in de hand

Die net eben te hard naor beneden kwam

Der bleef niks van over as herinnerings

 

De zunne uut de kindertied

De eerste krassen deur de liefde

Zölfs van wat nooit veurbij zol gaon

Bleef niks van over as herinnerings

 

Zölfs ’t gleuf dat ik geleufde

Ok mien vertrouwen in ’t lot

Het veul mij allemaol kapot

Niks meer van over as herinnerings

 

Soms brengt klank, ’n smaak ’n geur

Joe terug naor wat ooit is gebeurd

Soms weet ie zölfs weer wat veur weer ’t was

Hiele kop vol allemaol herinnerings

Herinnerings, herinnerings

 

(Daniël Lohues)



 

Ten slotte:  

"Het nu bestaat niet. Het enige wat bestaat, is dat wat geweest is. "  Henning Mankell in "Drijfzand", zijn laatste boek voor hij dit jaar (2015) overleed aan kanker. 

 




 

 

 

 


 

VOORGOED VOORBIJ

WATER UNDER THE BRIGDE

Krakeel

Krakeel. Een niet veel goeds voorspellende naam. Ik ben geboren aan het Krakeel. Krakeel is onenigheid, ruzie. Voor mij betekent het vooral een onbezorgde jeugd omringd door liefhebbende zorgende ouders en broer en zussen. De horizon was dichtbij, de wereld maar heel klein, maar het had evengoed de hemel kunnen zijn voor mijn gevoel. 

Nu is het Krakeel een weg, even buiten Hoogeveen, waar de oude huizen vrijwel allemaal ingrijpend zijn opgeknapt of hebben plaats gemaakt voor villa’s en andere nogal luxe huizen. Toen was het Krakeel een opgaande, een vaart die oorspronkelijk deel uitmaakte van het stelsel van kanalen, vaarten en sloten die als een raster over het veengebied ten oosten van Hoogeveen lagen. De vaart begon waar nu de Hoofdstraat is, en liep door de (nu) Van Echtenstraat, een klein stukje Julianastraat, de Linthorst Homanstraat,  rechtdoor tot hij uitkwam vlak bij het voormalige woonwagenkamp in Noordscheschut. De wijk (nu stadsdeel ) Het Krakeel is genoemd naar deze ‘wieke’.

Krakeel betekent dus onder andere ruzie, twist en men vertelde altijd dat die naam kwam van de tijd dat de hoge heren onenigheid hadden over de eigendomsrechten van het veengebied ten oosten van Hoogeveen. Toen ik geboren werd in 1948 was het veen hier al lang verdwenen. Langs het Krakeel woonden voornamelijk arbeiders en kleine boertjes. 

 




Dit artikel bevat, zoals de titel al zegt, herinneringen aan mijn jeugd. Die zijn per definitie subjectief, gekleurd.  Ik heb geen historisch onderzoek gedaan, ik pretendeer niet een controleerbare werkelijkheid of een objectief verslag van het verleden te schetsen. Als u als lezer iets op te merken hebt, dat mijn herinneringen kan aanvullen of anders kan inkleuren, dan zijn uw opmerkingen van harte welkom. Ga daarvoor naar de pagina "Contact". Wellicht leiden uw opmerkingen ertoe dat ik de inhoud aanpas of aanvul. U krijgt in ieder geval antwoord. 




 

  

Eerst wat kaarten die ik op internet vond en waarop het Krakeel aangegeven is. Dan heeft de lezer een idee waar mijn geboortegrond ongeveer was. 

oude kaart van Hoogeveen 

kaart met het veengebied ten oosten van Hoogeveen

 

kaart van 1865

kaart van 1867

    kaart van 1928

Op deze kaart is het raster van sloten, vaarten en kanalen, dat zo typisch is voor een veenafgravingsgebied,  nog goed te zien. Het Krakeel is duidelijk te zien, rechts boven. 

 

Wijken en sloten

Ten zuiden van het Krakeel lag de Krakeelse dijk en ten noorden de Coevorderstraatweg. Die laatste was in mijn jonge jeugd al wel een verharde weg, met zware eikenbomen erlangs en een fietspad dat in mijn herinnering bestond uit betonplaten. Voor mijn tijd liep hier een tramlijn van Hoogeveen richting Emmen. Het Krakeel was in mijn vroege jeugd dus een water. Erlangs liepen aan beide zijden smalle, onverharde paden. Met regen waren ze dus modderig en glad. Om de paar honderd meter had je een ‘wijk’, bij ons een ‘wieke’ geheten, een wat smallere zijvaart. Over de wijken lag een vonder of vlonder, een brugje van slechts twee planken breed, zeg maar dertig, veertig centimeter. Je kon er elkaar absoluut niet op passeren. Nu was dat ook niet nodig want zo druk was het er niet en de mensen hadden bovendien toen nog alle tijd. Er was geen leuning. De plank(en) zwiepten soms wat door als je erover liep en vooral bij regen of sneeuw was het eigenlijk best gevaarlijk. Mijn ouders waarschuwden dan ook altijd voorzichtig te zijn bij het vlonder. 

Toch moesten over deze smalle vlonders ook de melkboer en de bakker, allebei met hun zware transportfietsen! En de huisarts. Dokter De Regt uit Hollandscheveld had een motorfiets, een BMW. Ook die kwam, met de BMW, over de vlonders --als je écht ziek was. 


 

Klompen

Het milieu waarin ik opgroeide was zeer eenvoudig; echte armoede was er nooit –tenminste niet in mijn herinnering. Maar dat ligt er ook maar aan hoe je armoede definieert. Mijn oudere broer en zussen hebben dat voor, in en net na de oorlog nog wel anders meegemaakt, maar er was in mijn tijd geen gebrek, niet aan voedsel, niet aan kleding. Wel werd er heel erg zuinig gedaan met kleding. Als moeder wat kon vermaken, dan werd dat eerst gedaan voor er iets nieuws kwam. Maar ja, kleren vermaken doet mijn vrouw nu ook nog vaak. Nu weliswaar als hobby maar toch. Zeker naar school kreeg ik geen afdankertjes aan. Schoenen in plaats van de door mij zo geliefde klompen. Thuis liep ik graag op klompen, liefst een beetje afgesleten exemplaren. Dan waren ze lichter en platter. Ging een klomp stuk, dan was het meestal het bovendeel dat eraf knapte. Dat werd gerepareerd met een klompenbandje, een ijzeren bandje met uitgestanste driehoekjes; dat bandje sloeg je met een hamer voorzichtig om de klomp, zodat de tandjes vastgrepen. Desnoods nóg een bandje en dan kon de klomp weer een tijd mee. Als het zool-deel was versleten, dan was het einde verhaal. Maar menigeen liep er zo lang op door, tot er een gat in de bodem zat. ’s Winters als er sneeuw lag, dan hoopte de sneeuw zich op onder je klompen. Ze kregen dan een ronde bal onder het loopvlak, zodat je er niet goed meer op kon lopen. Voor ons als kinderen was dat aanleiding om er een spel van te maken. We voelden ons een soort duikelaartjes. 

Aan voedsel was zeker geen gebrek want voor groenten en aardappels en bruine bonen e.d. waren we zelfvoorzienend, met een flinke groentetuin. Daarover verderop meer. Luxe zaken kenden we echter niet of nauwelijks. En ja, wat is dan luxe. Voor ons was het al gauw 'luxe'. Een ijsje bij voorbeeld. Een reep chocola. Een hele reep voor mij alleen, ja dat was pure luxe! Van het eerste beetje zakgeld dat ik kreeg, kocht ik zaterdags wel eens een Kwattareep met het soldaatje achterop en dan gevuld. Dikke blokjes chocola met daar binnenin een zoete kleverige vulling die in de verte smaakte naar wat er op de wikkel stond: aardbei of vanille. Dat laatste was in ons gezin alleen een smaak. Wat vanille eigenlijk was, wisten we niet. 

Maar wat je niet kent, mis je ook niet. Televisie bij voorbeeld, kwam bij ons vrij laat; telefoon nog later; echte vakanties kende ik pas vanaf het laatste jaar van de Mulo. In 1964 (ik was toen zestien) gingen mijn neef (en buurjongen) en ik voor het eerst op de fiets kamperen naar de Veluwe. Met een van Sporthuis Strootman in Hoogeveen gehuurde kampeeruitrusting van tent, luchtbedden en slaapzakken en een gastoestelletje. Toen ik op de lagere school zat, was per jaar één dagje uit met een door mijn vader gehuurde auto een onderneming waar we maanden naar uitkeken en minstens zo lang over doorpraatten. Zo’n fietsvakantie naar de Veluwe moest ik wel gedurende een jaar helemaal zelf bij elkaar sparen en er voor werken in de vakantie. En de fiets en brommer van mijn oudere broer schoonmaken voor een paar kwartjes . Maar dat vond ik normaal en achteraf ben ik blij dat ik op deze manier ben opgegroeid en opgevoed. Niets voor niets, je moet het zelf verdienen en regelen; helemaal niet verkeerd.

Maar nu eerst ...

wat familiefoto's uit diverse albums van mij en mijn familie,  uit mijn gedigitaliseerde verzameling

 


 

FAMILIEFOTO'S UIT VERSCHILLENDE ALBUMS 

     vader  

        

moeder in de huiskamer voor het mahoniehouten kabinet             en een heel oude foto van moeder, nog voor ik geboren was

    

de trouwfoto van mijn ouders                                                Een heel oude foto van moeder, mijn broer, en ik achterop de fiets (aan de Hoofdstraat in Hoogeveen ) Het is de oudste foto van mij die er bestaat.  Dit moet ergens begin jaren vijftig zijn geweest. 

       

De oudste foto die er is van mijn oom en mijn vader, staande voor het huis van mijn grootouders. Die heb ik nooit gekend. Het huis ook niet. Mijn vader en zijn broer hebben samen het nieuwe huis gebouwd waarin ik geboren ben. De foto hierboven is op metaal geplakt, dat is gaan oxyderen. Met digitale technieken heb ik de opname helderder en enigszins toonbaar gemaakt. 

 

       

zus Wou en ik                                                                   zus en moeder

 

 

 

 

zus, ik en moeder op de divan in de huiskamer.   Op de achtergrond de Erres radio waarop je de hele wereld kon ontvangen. Beromünster, Sundsvall, en meer van die exotische namen. Ik zat graag aan de zenderknop te draaien en kwam zo de vreemdste talen en wonderlijkste geluiden tegen, vooral op de korte en ultra-korte golf. 

 

moeder, ik en broer 

op de grond ligt zeil en daarover kokosmatten

 

zus en buurjongens voor het raam van de keuken (1956)

   

mijn broer met z'n fiets naast het huis / op 27 januari 1953; mijn broer is hier vijftien. 

   

broer en ik (1956)                    re: ik bij een jong vruchtboompje 

 

moeder zeemt de ramen

 

ik op de gevelde perenboom

 

 

met zus

 

met broer

 

zomer; moeder leest, buiten bij het brugje over de sloot

  

moeder trots op haar bloeiende hibiscus                                       en buiten in de sneeuw

    

moeder aan het aardbeien plukken                       en een heel oude foto van mijn oom en mijn vader, op het bevroren Krakeel voor hun (ons) huis 

  

twee oude foto's; moeder en ik                                 en vader voor de schuur, waarin bij de deur nog net de witte wasplank te zien is; daarop werd de was geboend vóór de komst van de eerste wasmachine

 

een huiselijk tafereeltje bij avond; moeder en vader en ik, tekenend met de pas gekregen 'ecoline'

     

moeder buiten in de wind                                                  en mijn zus in de huiskamer

 

 

vader achter/ opzij van het huis bij de sloot, klaar om aan het werk te gaan in de grote moestuin hier links achter; op de achtergrond in de verte de huizen van de Coevorderstraatweg, richting Noordscheschut

 

vader voor de oude schuur;

Het erf werd op den duur steeds verder geplaveid met tegels; eerst was alles zand. De schuur werd later van nieuwe planken voorzien. Rechts het portaal dat aangebouwd was aan het huis. Nog weer later kwam daar een douchecel naast gebouwd. Zo zorgde de groter wordende welvaart ook bij ons voor steeds nieuwe, kleine verbeteringen in de woonsituatie. 

 

Man bezig een vrachtauto te laden met stenen bij Bakker's Betonfabriek te Hoogeveen; het zou mijn vader geweest kunnen zijn. De foto is een still uit een webfilm.

  

In de zomer van 1940 werd de bovenstaande foto gemaakt. Het eerste oorlogsjaar. Vader is in 1939 gemobiliseerd geweest bij de Grebbeberg. (Zie de pagina over hem op deze website) Vader is inmiddels thuis teruggekeerd bij zijn gezin en aan het werk. Op een zomerse zondag (?) krijgt de familie bezoek van de oude dienstmaat van vader Jan: Jan Snijders uit Buinen. Die had hij ontmoet tijdens de mobilisatie in de buurt van Doorn bij de Grebbeberg. 

Op de foto v.l.n.r. Jan Snijders, mijn zus Roelie, broer Geert, moeder, zus Wou en vader. Ik was nog niet geboren. Ze staan op het pad voor het huis aan het Krakeel. De foto is gemaakt door een tante, aan de overkant van de vaart. Mijn zus Wou, die deze foto bezit, weet zich nog te herinneren dat de tante wel wat zag in de rijzige Jan Snijders. Mijn oudste zus Roelie staat hier in een warme mantel en een shawl gekleed, want ze had last van de amandelen; die waren net geknipt. Dan moest je oppassen voor tocht en je hals goed warm houden. Het haar van zus Wou zat anders altijd in een vlecht, vandaar de wollige krullende haarbos. De foto dook op in 2016. 

 


 Het dempen  van het Krakeel

 

 

De enige foto die ik bezit van het Krakeel voor ons huis als open water. Jammer eigenlijk wel, dat daar niet meer foto's van zijn. Maar ach, het water van de vaart was natuurlijk zo 'gewoon' dat daar geen dure foto aan werd gewaagd. Als er ijs lag, was het anders: daar zijn wel een paar foto's van (verderop te zien). En toen in 1956 het water gedempt werd, was dat natuurlijk ook reden om daar een paar foto's van te maken. 

   

Foto boven: Het Krakeel als open water; langs de oevers het zandpad met de vonders (vlonders) over de wijken. De foto is genomen vanaf de draaibrug bij winkelier Vos (ongeveer waar nu het tuincentrum van Strijker is). Heel in de verte is al te zien dat het water (het 'opgaande') gedempt is. De schaftkeet is vaag te zien.  We schrijven 1956. 

 

Het Krakeel wordt gedempt. Mijn broer met de hond van de buren voor het treintje waarmee het zand werd aangevoerd vanaf de 31e wijk. De foto is genomen voor ons huis. Het dempen van de vaart was een moment waarop de 'vooruitgang' ineens heel tastbaar werd. Voortaan waren we goed bereikbaar over een degelijke asfaltweg. Tegelijk was het natuurlijk het afscheid van een tijdperk, waarnaar sommigen later wel eens nostalgisch terug verlangden, net als sommige mensen terug verlangden (en nog verlangen) naar de kanalen die destijds door Hoogeveen liepen. Maar al dat water had ook zijn nadelen: er verdronken nogal eens mensen in, het was niet altijd even hygiënisch en tja, dan die slechte bereikbaarheid. Toen de welvaart toenam wilden de mensen een brommer, een autootje. 

 

het treintje met zand;  rechts de huizen met de huisnummers 39, 41 en 43; links mijn nicht Wou en rechts mijn oom Berend. 

 

het lossen van een kiepwagentje

   

Dit is voor ons huis (nr 47); op de achtergrond het huis van de buren op nr. 49

 

De demping van het Krakeel

In 1956 toen ik acht jaar oud was, is het Krakeel gedempt. Men begon vanaf de zijde van de Riegshoogtendijk, waarschijnlijk omdat men daar gemakkelijkst het zand kon aanvoeren. Toen men vorderde, transporteerde men het nodige zand met een treintje over rails, met een DieMa diesellocomotiefje ervoor. Dat trok of duwde een stuk of tien kiepwagons vol zand. Een van de machinisten heette Tieme, weet ik nog. Een dikke, aardige man die naar dieselolie stonk. Een bewoner even verder aan de overkant wilde de werklui en vooral de dragline niet op zijn terrein hebben. Hij werd door Tieme  daarom “Nasser” genoemd, naar de Egyptische president die net in die tijd een conflict over het bezit van en de toegang tot het Suezkanaal liet ontstaan. Het Krakeel vergelijken met het Suezkanaal getuigt warempel van enige fantasie en lef; die buurman heeft nog wel een tijdje Nasser geheten. 

In het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk in Zeeland staat nog de apparatuur uitgestald die ook gebruikt werd bij het dempen van onze vaart. Met een schokje herkende ik de locomotief en de wagons, toen we het museum bezochten tijdens een van onze ‘weekjes Zeeland’. 

 

werktuigen in het Watersnoodmuseum, zoals ze ook werden gebruikt bij het dempen van het Krakeel 

Uiteraard was het dempen voor ons kinderen een extra avontuur, al die bedrijvigheid voor de deur. Een heus treintje, een grote dragline, en een soort bulldozer, denk ik. ’s Avonds als de werklui weg waren en de locomotief stond toevallig in de buurt geparkeerd, dan klom ik wel eens even op de zetel. Het ding rook naar smeerolie, diesel en staal. De bediening leek me verrassend eenvoudig. 

Enerzijds vonden we het wel fijn dat het water voor het huis verdween, want het zou een enorm stuk comfort betekenen als het verkeer ons kon bereiken en wij over een verharde brede weg konden beschikken. Maar we beseften ook wel dat het een stuk kaler en saaier werd. Zo ging het in Hoogeveen later ook. Gaandeweg de tijd zijn daar alle kanalen en vaarten gedempt. De Hoofdstraat en Van Echtenstraat ken ik eigenlijk  niet anders dan als straat, maar eens waren het schilderachtige kanalen en vaarten. Met het water verdween eigenlijk het landschap van mijn jeugd. Maar het comfort werd wel groter. Tegelijk sloop daarmee ook het snellere en jachtigere leven onze wereld binnen. 

De laatste kanalen in Hoogeveen werden trouwens veel later gedempt dan de vaart voor ons huis: Alteveer en Het Kruis pas in de vroege jaren zeventig. 

 

Onderduikershol in het Krakeelse bosje

Bij de Krakeelse dijk kon je komen over een pad door een bosje. Als ik het bosje nu zie (het is er nog, tegenover het volkstuincomplex) is het volstrekt onbeduidend, maar voor ons als kind was het best een groot bos, en een vreemde, spannende wereld. Toen ik klein was, voor de demping in 1956 dus, kon je er niet gemakkelijk komen, want dan moest je eerst het Krakeel oversteken en de eerste brug was een heel eind verderop. Dat was eigenlijk geen brug in huidige zin, maar een ‘dreivonder’, een v(l)onder dat over de breedte van de vaart lag en dat kon draaien om boten door te laten. Hemelsbreed was het bosje dichtbij voor ons maar om er te komen was dat voor kleine kinderen veel te ver. ’s Winters als er ijs lag op de vaart was dat natuurlijk anders. IJs maakte de wereld voor een kind in die tijd dus eensklaps een stuk groter. Pas toen het water was gedempt in de jaren vijftig, gingen we vaker in het bosje spelen. Dat was spannend, want men vertelde dat in de oorlog onderduikers zich er verborgen hadden gehouden. Dus wij waren altijd op zoek naar sporen van een onderduikershol. We hebben het nooit echt gevonden, al waren wat gevonden scherven of een verroest blikje ook al bijzonder. We konden trouwens spelen met niks. Een paar scherven (‘skaoties’) konden al hele werelden oproepen. We voelden ons bijna archeologen als we een verbogen vork of een potscherf ‘opgroeven’.

 Mijn zus Wou wandelt met ons kinderen in het Krakeelse bosje, Ze weet nog dat ze dan spannende verhalen vertelde zodat we haar hand wat steviger gingen vasthouden. Voor een kind was het bosje nog best groot en spannend...

 

Ons huis stond tussen twee wijken in en langs ons huis liep nog ook een sloot, van zo’n anderhalve meter breed, vooraan wel twee meter. Verder het land in werd de sloot smaller en ondieper en stond hij ook meestal droog, zeker toen het Krakeel gedempt was. Er groeiden grote bramenstruiken waar we ’s zomers de zwarte zoete vruchten van plukten. In de droge sloot waren heerlijke speelplekjes. We speelden er ‘huisje’ en ‘winkeltje’ en allerlei andere rollenspelen en konden ons als kinderen er onbespied wanen, vooral als de aardappels hoog stonden. Voor verstoppertje was een plek in de droge sloot ook handig. 

 

broer en ik (half zichtbaar) achter het huis bij de sloot

  

  

De sloot naast het huis met het brugje, en de waslijn. Binnen de afrastering links hield een buurman dieren. 

 

 


 

Koffiezand

Mijn ouders hadden verderop op de wieke nog een groot stuk land. Daarop werden voornamelijk aardappels verbouwd. Je kon er komen via het zandpad langs het Krakeel en langs de wijk. Tussen ons eigen land en dat andere stuk lag namelijk land van een buurman en dat was afgerasterd met prikkeldraad. Soms wurmden we ons als kinderen er toch wel eens langs, heel voorzichtig om geen scheur in de broek te krijgen, want moeder was nooit boos, maar ze zou wel verdrietig zijn om een gescheurde broek. Dus zorgden we ervoor dat het niet gebeurde, die scheur. Al lukte dat natuurlijk niet altijd… We begrepen al wel dat een scheur geld kostte, en zoals ik zei, geld was er genoeg bij ons maar bepaald niet in ruime mate. Aan het eind van dat land was een zandrug van wel meer dan een meter hoog. Men vertelde dat daar in de oorlog ook mensen in een hol verborgen hadden gezeten voor de Duitse bezetter. Toen wij er als kind wel eens speelden, was daar in ieder geval niets meer van terug te vinden. Wel kwam het gele zand daar aan de oppervlakte en daarmee kon je leuk spelen. We zochten vooral naar ‘koffiezand’, dat was een laagje donkerbruin zand tussen het gele. En daar kon je dan als kind van alles mee. Koffie zetten bij voorbeeld. Zoals ik al zei: we konden toen spelen met niks. 

Een zandbak was er niet bij ons thuis, maar er lag wel eens een hoop geel zand ergens op het erf, bij ons of bij de buren, omdat er voor het leggen van een stukje straattegels of zo wat nodig was. Daar speelden we dan natuurlijk ook mee en op. Dat gele zand dolven we zelf. Op de akker achter de schuur zat een laag zwart, vruchtbaar zand van misschien 30, 40 centimeter dikte. Daaronder zat het gele zand. Ik vond het leuk om mee te helpen graven als er geel zand nodig was. En kruien, want vader had voor mij een kleine kruiwagen getimmerd. En in de winter, als het land braak lag, mochten we om te spelen ook wel een gat graven gewoon voor het spelen met zand en water. 

Geuren en stilte

Wat mij opviel in het landschap waarin ik als klein kind opgroeide, waren de stilte en de geuren. Mechanische geluiden waren er nauwelijks, in ieder geval veel minder dan tegenwoordig. De melkpullen van de keuterboeren in de omgeving werden opgehaald met een bok, een ijzeren bootje zonder motor, dat met een stok geduwd voortbewogen werd. Dat maakte dus nauwelijks geluid. ’s Winters als het Krakeel dicht lag met ijs, werden de melkbussen (pullen) naar de Coevorderstraat gebracht, waar een kar ze kwam ophalen en terugbrengen. 

Voor vervoer hadden de mensen een fiets; brommers waren er nog niet in onze buurt. De enige die met een motor kwam, was huisarts De Regt, maar die kwam alleen als het behoorlijk mis was, dus die hoorde je ook nooit. Hij had een stoere BMW motor, door de cardanaandrijving een relatief stille ook nog.  De auto’s en autobussen op de Coevorderstraat hoorde je bij ons nauwelijks: te ver weg. Soms werd de stilte verstoord door een vliegtuig, zo’n trage propellermachine, die hoog in de lucht met een geruststellend sonoor gebrom voorbij trok. 

Mijn broer, die vele jaren ouder is dan ik, herinnert zich die stilte ook. Vooral op zondagmorgen, dan was het enige geluid dat je hoorde, het getik van de plaatselijke visser, die zijn paaltjes, waaraan de netten zaten vastgemaakt, met een klomp de venige bodem in tikte. Door-de-weeks mochten er geen netten of fuiken staan in het Krakeel, maar op zondag, als er geen scheepvaart was, dan mocht het en dan hoorde mijn broer dus dat getik. Ik kan me dit niet herinneren. 

Geuren waren er veel. Veel meer dan nu, zou ik denken. Natuurlijk de boerengeuren van keuterboertjes in de buurt. Maar de stalmest van toen rook altijd nog lekkerder dan de gier van tegenwoordig... Onze buren Pastoor hadden een paar geiten en een varken of twee. Nou, dat geurde behoorlijk. Vooral de bokken, die stonken verschrikkelijk. Geitengeur vind ik – nog steeds-  onaangenaam. Toen ik heel klein was, was er ook nog een mestvaalt bij ons achter het huis. Die heeft er in mijn tijd niet lang gelegen. Al snel kwamen er nieuwe vindingen en inzichten die ook in ons eenvoudige milieu hun sporen trokken. Met de komst van het doorspoeltoilet verdween de noodzaak van de mestvaalt. Lopend naar school kwamen we achter op de wijk langs een boer die wat koeien hield en dus lang een grote mestvaalt heeft gehad. Na veel regen lekte die mest over het pad de wijk in. Wij moesten hinkstapsprongen verzinnen om er droog en schoon langs te komen. De boer had wel wat planken neergelegd, maar die overstroomden bij veel nattigheid en zakten weer weg in de modder. Vreselijk vies vonden we dat. Die geuren vond ik niet zo aangenaam maar ook lang niet zo scherp en indringend als de gierkar van de boeren van tegenwoordig. Oude mest vermengd met stro uit zo’n ouderwetse stal op het land uitgestrooid vond ik niet eens onaangenaam geuren, een beetje zoetig-kruidig. Bovendien associeerde ik die geur vooral met het voorjaar, de mooiste tijd van het jaar. 

  mijn broer en ik in de voortuin

Intens geurend hooi

Maar er waren veel meer geuren. Als kind lag je met spelen vaak in het gras en gras was geen saai gazongras of Engels raaigras, de saaie monocultuur van tegenwoordig, nee, in dat gras stonden allerlei kruiden en bloemen dus die mix rook heel lekker. Als de buren hooiden, was de lucht vervuld van de verse snede en later van het intens geurende hooi. Ik hielp dan ook graag mee met hooien en het binnenhalen van het hooi.  Er zijn weinig geuren als die van vers hooi die me zó terug kunnen katapulteren in mijn kindertijd. Ik heb dat vrij sterk: geuren zijn gekoppeld aan associaties. Als ik nu vers hooi ruik, zie ik mij met de buurkinderen ravotten in het hooi bij de buren, ben ik weer aan het helpen met het binnenhalen van het droge hooi voordat de dreigende onweersbui losbarst. Na het helpen kregen we een glaasje ranja omdat we zo goed hadden geholpen. Feest!

Ook in de moestuin omringden heerlijke geuren je. Wat is er lekkerder dan de geur van aardappelbloemen in de hete zomerzon? Ruiken aardappelbloemen dan? vraagt u misschien. Nou, gaat u maar eens bij een bloeiend aardappelveld uit de auto. En adem diep in, neusvleugels wijd. Heerlijk toch? Zoet en kruidig. Of de geur van de eerste jonge aardappels die je rooide! Van die kleine aardappeltjes met een velletje zo vochtig en zacht dat je het er met je duim kon afvegen. Die moest moeder ook bakken zonder te schillen want dan waren ze het lekkerst en het geurigst. Maar dat wilde ze maar zelden. Aardappels dienden geschild te zijn, of als ze jong waren of niet. Jonge aardappels werden ‘gestampt’ en geschrapt. Stampen deden we in een emmer water, aardappels erin, en dan met een oude klomp erin stampen, De meeste vellen werden daarmee van de aardappels verwijderd. Je hoefde dan alleen nog de ogen er met een mesje uit te pikken. Als aardappels ouder werden, werkte het ‘stampen’ niet meer. Dan moest je echt alles eraf schrapen, en nog later in het seizoen moest je de aardappels schillen. Ik heb dat vaak moeten doen voor moeder. 

Een heerlijke tijd was het als de diverse pruimenbomen, de heel grote perenboom en de diverse appelbomen in bloei stonden. De Reine-Claude pruimenbomen waren dan wit van de bloesem. 

Verse radijsjes

Wonderen waren er genoeg in de tuin voor kinderen. Neem  de fel-oranje worteltjes die wonder boven wonder in die zwarte aarde konden groeien. De worteltjes die we nu in de winkel kopen, hebben hun geur al lang verloren, maar toen rook een vers uit de aarde getrokken worteltje hemels. Ik herinner me de prikkelende geur van verse radijsjes. Aan het ruwe blad zaten een soort brandhaartjes die wat prikten aan de bovenkant van je hand. 

De herfst is meer verbonden met de zware geuren, zoals die van de droge of nog drogende bruine bonen, die ik van de struiken plukte. En met de geur van een hoop aardappelranken die in brand werd gestoken. Het vallende blad van de kastanje geurt indringend. Elke herfst voert nu de geur van het ontbindende blad me wel even terug naar de tijd dat ik het blad van onze grote kastanjeboom in de voortuin met manden vol tegelijk afvoerde. 

Als kind rook ik aan alles en mijn vrouw verwondert zich nog regelmatig als ze me dat nu nog ziet doen. Maar je mist zo veel als je de geur mist! Mijn schoonzoon en ik vinden dat je bij een goeie Highland Single Malt Whisky als bv. de rokerige Lagavulin, alleen al bijna genoeg hebt aan de geur. Bloemen zijn mooi om te zien, maar ik moest er altijd ook aan ruiken. Vaak is het verrassend: niet alleen de narcissen ruiken lekker, dat is bekend,  maar ook de tulpen die later in onze voortuin stonden roken lekker. Niet elke tulp ruikt even sterk, maar vaak is er die echte lentegeur toch wel.
Ik kocht dit jaar een nieuwe klimroos voor onze rozenboog; ik kies er dan wel een met geur. 

Na een dikke onweersbui kon de atmosfeer zo intens ruiken alsof hij gloednieuw geschapen was. Dan was het een feest om naar buiten te gaan. Laarzen aan. De wegstervende donder, de afgerukte takjes op de grond en de zwarte sporen van overvloedig regenwater op de tegels, --maar bovenal die geur! 

Naast blad kwamen er heel veel kastanjes van de grote boom voor in de tuin. De mooiste kastanjes gooide ik natuurlijk niet weg bij het opruimen van het herfstblad, want daar kon je mee spelen. Bij voorbeeld poppetjes maken met lucifers erin of een echt  ‘snörrebot’. 

Snörrebot 

Bijzonder was het maken van een snörrebot. Volgens het “Woordenboek van de Drentse Dialecten“ door dr. G.H. Kocks van het Nedersaksisch Instituut in Groningen (uit. Assen, 1997), deel 2, pag. 1136 zijn er twee varianten. De eerste maakten wij ook wel eens: een touwtje door een knoop of iets anders (bv. een bot, vandaar de naam) met een gat, dat touwtje opwinden en bij het uittrekken van het touwtje ging de knoop of de kastanje draaien en maakte een snorrend geluid. 

Speciaal in en in de buurt van Hoogeveen schijnt volgens Kocks de tweede variant gemaakt te zijn. Ik citeer: “Dwars door een dikke kastanje werd een niet te groot gat gemaakt, waarbij de kastanje zoveel mogelijk werd uitgehold. Door het gat stak men een stokje, dat aan het boveneinde een kop had, die zo dik was dat het stokje niet door het gat kon zakken. Aan het ondereinde van het stokje was een punt, waaraan men een aardappeltje prikte. Aan het stokje was een dun touwtje gebonden op een punt dat binnen in de holle kastanje kwam en dat touwtje stak door een gaatje in de zijwand van de kastanje naar buiten. Door het stokje te draaien, werd het dunne touw opgewonden. Trok men het touw af, dan draaide het stokje. (Daarbij gaf het een gonzend geluid. LM). Door het gewicht van de aardappel draaide het stokje door (en wond de draad weer op en kon men opnieuw trekken, en zo voort. Toevoegingen tussen () van mij, LM).  Het ronddraaien gaf dus het snorrende geluid. Het ding werd ook wel een goezegat genoemd, volgens Kocks, maar dat woord ken ik niet. Ik weet dat ik een keer zo’n snorrebot heb gemaakt, maar dat was nog een heel karwei, en je moest met veel beleid trekken anders was de kastanje zo stuk. Of, als je te hard trok, viel de aardappel van het stokje. Maar trok je niet hard genoeg dan snorde het ding niet. Kortom: de lol was er gauw van af…

Maar als kind had ik wel het gevoel dat ik iets geleerd had dat generaties aan elkaar hadden doorgegeven. En dat klopt gezien deze tekst van Wikipedia, al gaat het daar om een ander ontwerp: “Een snorrebot, hor, bromhout, snorhout, zoemhout of zoemsteen (ook bekend onder de namen bullroarer, rhombus, turndun of Bora-Bora) is een aerofoon muziekinstrument dat sinds de oudheid al gebruikt wordt. Een snorrebot of snorhout bestaat uit een dun plaatje van hout of bot dat aan een koord rondgeslingerd wordt. Door luchtwervelingen gaat het plaatje om zijn as tollen waarbij het een zoemend of snorrend geluid voortbrengt. Hiermee is ook de naamgeving verklaard. De toonhoogte varieert met de snelheid waarmee het snorrebot wordt rondgeslingerd. Snorrebotten en snorhouten werden vooral als ritueel instrument ingezet. In de film Crocodile Dundee gebruikt Mick Dundee een snorrebot om over grote afstand te communiceren.”  Hier wordt dus meer de eerste versie bedoeld, die Kocks noemt. 

 


 

Bakker en melkboer

Het pad langs het Krakeel was vaak modderig want van enige verharding was zoals gezegd geen sprake. Alles kwam over dat vaak glibberige pad en over de vlonders. Niet alleen de bewoners van de huizen, maar ook de bakker en de melkboer. De bakker had een transportfiets met zo’n grote rieten bak voorop, zoals je die nu soms weer ziet, maar toen was-ie groter. Althans in mijn herinnering, maar als je kind bent, lijkt alles groter dan wanneer je het later nog eens terugziet... Ik herinner me de heerlijke geuren die uit die rieten korf ontsnapten. Als ik tegenwoordig met een vers stokbroodje over een Franse camping loop, dan ruik ik diezelfde geur weer en maak ik een sprongetje in de tijd. De bakker had wit, grijs en bruin brood en roggebrood. Dat laatste was een groot blok waar in de keuken een stuk afgesneden werd. Hoe ze dat wogen weet ik niet meer. Met een unster misschien. 

Jans de melkboer kwam ook met een fiets met daaraan een paar melkbussen. Met zo’n mooie glimmende litermaat schonk hij de melk in een pan die mijn moeder hem voor hield. Verder had hij producten in flessen bij zich. Mijn moeder nam vaak karnemelkse pap af. Dat was pap van karnemelk en gort, gepelde gerst. Ze maakte de pap ook wel zelf, met rozijnen erin: die vond mijn zus het lekkerst. Ik was meer van de naturel versie. Ik vond de pap vooral lauw heerlijk; als het maar niet te warm was want dan ging het zuur overheersen en ging het een beetje schiften. Dat vond ik dan weer vies. Op de fles van de melkboer zat een aluminium capsule met een bepaalde kleur: blauw, groen of geel. In flessen met de andere kleur zat yoghurt of karnemelk. Handig voor de melkboer, zo kon je van bovenaf zien wat er in de fles zat. Die capsule moest ik er altijd netjes afpellen zodat hij niet scheurde, want hij moest opnieuw op de fles als die met de rest erin in de kelder werd gezet tot de volgende dag. 

Het Potschip van Jan de Boer of van de familie Zwiers

Bijzonder was de komst van het potschip. Het potschip van Jan de Boer, genaamd De Drijvende Winkel, of het potschip van de fa. Zwiers, het Winkelschip. Ik denk eigenlijk het laatste: die naam klinkt me het bekendst in de oren. Het was in ieder geval een soort drijvende Marskramer/Blokker avant la lettre. Het was een wat groter schip dan er ooit in onze vaart voorbijkwam, het ruim volgestouwd met potten, pannen, serviesgoed, huishoudelijke spulletjes en dergelijke. De hele buurt was dan alert, want alleen al het feit dat het schip er was, was een ongehoorde onderbreking van de orde en de rust. Er was wat te doen! Ik herinner me dat ik het trapje afdaalde het ruim in. Een smal middenpad met aan beide zijden vitrines en stellages vol met glinsterende en kleurige voorwerpen. Ik vond het een regelrecht wonder. Een winkel was tot daar aan toe, ik kwam wel eens met moeder bij Jaap Damming in Hollandscheveld, een soort warenhuis avant la lettre, maar dit was een winkel op het water! Toch wel even een ander verhaal. Overigens kwam het potschip niet vaak door het Krakeel. Die vaart lag wat buiten de normale route; het schip was dan op de terugweg van Hollandscheveld, waar het langer had gelegen, naar Hoogeveen. 

De website “debinnenvaart.nl” vermeldt dat een potschip behalve een scheepstype ook een aardewerkschip was. Dat verstonden wij destijds dus onder een ‘potschip’.  “Diggelschip, aardewerkschip: scheepje, dat langs steden en dorpen voer om aardewerk, potten en pannen, porseleinen snuisterijen, e.d. te verkopen. In het noorden van het land was het vaak een tjalkje: het pottentjalkje. Diggelschip is de Groningse term voor potschip. De term aardewerkschip wordt zelden gebruikt. De handel bleef vaak niet beperkt tot aardewerk of keuken gerief. Soms werd ook in ijzerwaren, lompen en oude metalen gehandeld.”  Het Woordenboek van de Drentse dialecten van Kocks noemt het woord ook in die betekenis: schip met potten en pannen. 

Op YouTube staat een audio-opname uit 1986 waarin Bertus ten Caat een gesprek heeft met Hans de Boer. Die vertelt in 1986 over het potschip waarmee zijn vader -de legendarische Jan de Boer- in de streek Hoogeveen de basis legde voor de latere meubelzaak Jan de Boer! Klik op deze link   Hier staat ook een schets van het potschip, zoals het er moet hebben uitgezien. Er is ook een filmpje waarop een potschip staat in Hollandscheveld.  

Naast het potschip kwamen er wel eens venters langs de deur met garen en band, of een scharensliep of een stoelenmatter. De laatsten woonden vaak op het woonwagenkamp, dat in de bocht van de Coevorderstraat ten oosten van Noordscheschut is geweest. Maar vaak vielen die ons niet lastig (zo voelde mijn moeder dat, geloof ik). Zo dichtbij deden ze kennelijk niet veel zaken. 

Hypotheek

Eens (of twee keer?) per jaar kwam er een heer die als een heer ontvangen werd door mijn ouders. Ik had als kind nooit begrepen wat dat voor man was en wat-ie precies kwam doen, maar later begreep ik dat mijn ouders bij hem geld geleend hadden voor het bouwen van het huis. En dat moest worden afbetaald met rente. Speciaal voor de man werden er een paar sigaren in huis gehaald, want kennelijk hoorde je deze hypotheekverstrekker (of eigenlijk -nemer ) een sigaar aan te bieden. 

Ik ben na het overlijden van beide ouders in bezit gekomen van de originele hypotheekakte. Het is een A-viertje, handgeschreven. Op het laatst kon de tekst er bijna niet meer op en worden de letters kleiner en staan de regels dichter op elkaar. Op 1 augustus 1931 leent mijn vader (van de echtgenote is geen sprake in de akte) een bedrag van vierhonderd gulden van Hendrik Bakker, winkelier te Hollandscheveld. Tegen een rente van ‘vijf ten honderd’, 5 % dus, te voldoen in één termijn, voor het eerst op 1 augustus 1932. Op 1 november 1946 leent mijn vader van Ritzina Geertruide Muk (?) nog eens 450 gulden, nu tegen 4 %. Op 3 november 1952 tekent H. Bakker dat de lening geheel is afgelost. Of en wanneer de eerste lening is afgelost, daarover heb ik geen bewijs. Misschien is de tweede lening ook wel een voortzetting geweest van de eerste. 

   hypotheekaktes

Een andere vaste en regelmatige bezoeker van de streek was Jan de Jonge, die de premie voor het ziekenfonds ophaalde. Hij had elke week hetzelfde 'grapje' tegen ons kinderen: "Kom ies hier dan zal ik oen hoar kamm'n met een kesekorsie" (= Kom eens hier dan zal ik je haar kammen met een kaaskorstje). Waar het op sloeg, hebben wij nooit begrepen. Lachen konden we er ook niet om, maar we vonden het elke keer weer spannend of hij deze week wéér hetzelfde zou zeggen. En ja hoor. Dát was wel lachen. 

Een anzegger

Eén keer heb ik de komst van een “anzegger” meegemaakt. Een anzegger kwam mondeling bericht van geboorte of overlijden brengen, aan de buren van een overledene. Hij was geheel in het zwart gekleed, met een hoge zwarte hoed op. Hij liep statig, zoals dat bij zo’n gelegenheid natuurlijk past. Ik was nog klein, en de verschijning maakte een diepe indruk op mij, dat is een eufemisme voor: ik was bang voor de man. Iemand met zo’n hoge zijden hoed en glimmend zwart pak had ik nog nooit gezien.  Moeder kon mij geloof ik ook niet goed duidelijk maken wat de man kwam doen en waarom hij er zo uitzag. Moeder liet de man in de woonkamer en de man sprak daar met gedragen stem en berichtte dat er iemand in de buurt was overleden en dat men uitgenodigd was voor de begrafenis. Ik begreep er niet alles van maar zat ademloos te kijken en te luisteren. 

 


 

 

 

 

C’est le beton qui fait la musique... Een leven lang in de beton

Nou, die muziek was niet altijd vrolijk. Vader werkte op de “N.V. J.Bakker’s Betonfabrieken Hoogeveen en ter Apel.” “en bouwmaterialenhandel” werd er later aan toegevoegd.  Grote kans dat hij op dit filmpje op Youtube te zien is; de man die in het begin van het filmpje de vrachtauto aan het laden is. KLIK HIER  

Vader was vrachtwagenchauffeur bij deze fabriek. Dat was een zwaar leven. Niet alleen omdat hij altijd met zware materialen te maken had, maar ook door de bijna onmenselijke werktijden. ’s Morgens heel vroeg ging hij op pad en ’s avonds als wij het eten vaak al op hadden kwam hij thuis. In mijn jonge jaren was ook de zaterdagochtend gewone werktijd. Als chauffeur werd van hem verwacht dat hij de vrachtwagen zelf laadde en loste of in ieder geval hielp met laden en lossen. Ook al zou het niet verplicht zijn, vader was wel zo dat hij het werk niet liet doen door anderen, maar die pakte altijd zelf ook aan. Veel moest nog met de hand gebeuren. Hij haalde bouw- en straatstenen en dakpannen van steenfabrieken langs de grote rivieren, vooral de IJssel. Maar ook naar de vestiging in Ter Apel reed hij op en neer met vrachten. En natuurlijk moest hij letterlijk de boer op om bij boeren –en burgers en bedrijven natuurlijk-  de bestelde steen- of betonwaren af te leveren. Hij wist dan ook –zonder navigatie of zelfs een kaart, mind you!-  overal de weg. Niet alleen in de verre omgeving, maar ook in Overijssel, Gelderland en Utrecht, en in Friesland en Groningen. 

 

Op Facebook en op Hoogeveen2000.com gevonden: deze foto van het personeel van Bakker Beton, ergens  in de jaren vijftig. Nr 33 is Jan Metselaar en naast hem 34 is mijn oom en buurman destijds: Berend Metselaar. Bovenste rij: 3e van rechts eigenaar Roelof Bakker; 2e rij v.boven geheel links Berend Bakker. 

In de bibliotheek en het archief van de Historische Kring Hoogeveen vond ik meer foto's, waaronder ook het origineel van bovenstaande, zonder nummers. Die staat hieronder:

Van deze foto maakte ik twee uitsnedes, een van mijn vader met zijn broer Berend en een van vader:

  

In het archief van de Historische Kring Hoogeveen zaten nog meer foto's van het bedrijf van Bakker's Betonfabrieken en Bouwmaterialen. Hieronder plaats ik ze.

 opslag van rioolbuizen

 opslag van stenen

Deze bouwstenen haalde mijn vader van de steenfabrieken langs de IJssel en de Waal/ Rijn. Hij kreeg ze dus twee keer door zijn handen. Heftrucks waren er niet...

 moderne ontwikkelingen

De mortelcentrale en de rijdende betonmolens

  

 

 luchtopname

Op deze luchtfoto is het hele bedrijf te zien. Het lag in de hoek aan de (nu) Kanaalweg, toen het Omkanaal, rechts en het Noord op de achtergrond. Je kijkt dus hier naar het noorden.

Hier kijk je naar het zuiden. Het Omkanaal is nu links, het Noord op de voorgrond en de Bentinckslaan op de achtergrond. In de rechterbovenhoek de gebouwen van het Menso Alting College. 

 

Een kaart van café De Posthoorn in Lemelerveld, aan de doorgaande weg naar Raalte. Het is nog steeds een café-restaurant. Ernaast staat een vrachtauto, truck met oplegger, van Bakker Beton. Het zou zo kunnen dat vader hier even aanstak. Hij kwam hier regelmatig langs, op weg naar de steenfabrieken. Maar anderzijds, vader had zijn eigen brood en kruikje koude thee mee. Die at niet vaak in een café-rest. 

De oudste foto die erbij was. Of mijn vader hier bij staat, kan ik niet zien. Waarschijnlijk niet, want hij was vaak onderweg. 


 

Tijdens de oorlogsjaren met schaarste en gebrek leverden deze ritjes hem en ons gezin nog wel eens wat extra’s op. Boeren hadden geen gebrek en stonden, al dan niet tegen betaling, nog wel eens wat af aan de chauffeur die zo vriendelijk was éven’ te helpen met de duikers, gresbuizen, tegels, putringen, sceptic tanks,  of wat vader dan ook bracht. Ook in de jaren vlak na de oorlog waren dat zeer welkome aanvullingen op wat we zelf verbouwden. Vooral graan was welkom want dat verbouwden wij niet op ons land, en vlees natuurlijk. 

Op 25 augustus 1959 is vader veertig jaar in dienst van de fabriek van Bakker. Er wordt een feestje georganiseerd in de kantine. Ik weet nog dat vader en het gezin werden opgehaald met een luxe auto. Het was een van de eerste keren dat ik in een auto zat. Vader wordt gedecoreerd met een lintje door de burgemeester (dat was toen drs. J.A. Bakker; hij is later minister geworden) en hij krijgt een oorkonde. Wat voor meer substantiële (financiële) beloning er is geweest, weet ik niet. Als die er al was...

Mijn vader was geboren in 1905; als hij in 1959 al veertig jaar bij de baas was, dan is hij daar dus op zijn veertiende begonnen. Bijna ongelooflijk in deze tijd. Toen hij in militaire dienst zat in 1925-26 -(toen was hij twintig) kreeg hij al het verzoek van de baas om na het vervullen van zijn dienstplicht weer te komen werken; hij mocht dan chauffeur worden op een nieuw aan te schaffen vrachtauto. Zie op deze website het artikel dat aan Jan Metselaars militaire loopbaan is gewijd. 

  burgemeester Bakker speldt vader de onderscheiding op

 

  de directeur Bakker (?) biedt moeder een bloemetje aan

 


 

 

Mijn ouderlijk huis

Ons huis was de helft van een dubbel huis, dat door mijn vader en mijn oom samen was gebouwd, met ondersteuning van een plaatselijke timmerman, Allard Everts. Vóór dit huis had er op ongeveer deze plek een huis gestaan waar mijn opa en oma in gewoond moeten hebben, maar noch hen noch het oude huis heb ik gekend. Ik heb er wel één foto van. De foto is op metaal geplakt en zwaar door de tijd aangetast. Met behulp van digitale technieken heb ik hem wat opgefrist. Mijn vader en mijn oom staan voor het huis, beiden met een pet op en klompen aan de voeten, de een in een soort trui, de ander in een kiel. Het huis is een stenen huis, met bovenaan een rieten dak en verder naar onderen zes rijen dakpannen. Er is een voordeur en één raam aan de voorkant. Het is maar een klein huisje. Opzij is het lage dak iets uit gebouwd en daar is nog een deur te zien. Die deur werd altijd gebruikt, denk ik; de voordeur niet. Zo was dat toen. Men zei dat de voordeur alleen voor een begrafenis werd gebruikt om het lijk door naar buiten te dragen, maar dat heb ik nooit kunnen constateren, want toen mijn moeder overleed was de voordeur er niet meer. Bij buren heb ik het (ook) nooit gezien. 

   

Het huis waarin ik ben geboren, was bij dit huisje vergeleken al een hele vooruitgang. Het was een twee-onder-een-kap, symmetrisch gebouwd met beneden zelfs een spouwmuur. De bovenste helft, de zolder was van een halfsteens muur.  Het huis had vooraan in elke helft een voordeur, een groot raam met roetjes zodat er zes ruiten waren, en nog twee uitzetbare bovenramen met een soort matglas erin. In latere jaren gingen de roetjes eruit en werden het twee grote ruiten. Ook de voordeur werd toen vervangen door een raam. Naast de voordeur was nog een raam waarachter de slaapkamer was. Die slaapkamer was vrij groot, de ouders sliepen daar en de kinderen zolang ze klein waren. Het was lange tijd de enige slaapkamer in het huis. Ook in het achterhuis was later een slaapkamertje gebouwd. Toen de twee dochters groter werden, werd daar voor hen een slaapkamer ingericht. Ik herinner me dat nauwelijks. Er was een getimmerd vast bed en heel weinig ruimte. Later kwam op die plaats een soort bijkeuken en halletje met de trap naar boven en er kwam een koelkast te staan. Later toen de kinderen ouder werden, timmerde mijn vader boven op zolder kamertjes, op den duur voor elk van ons één kamer. Omdat mijn oudste zus al het huis uit was, waren drie kamertjes genoeg. 

 

    uitzicht uit het zolderraampje

  

                                                                         het huis van de oostkant gezien, met de grote volière voor tropische vogels van mijn broer er voor

 het huis in latere jaren

achter de ramen boven had ik mijn studeer- en slaapkamer

 

 met de dikke kastanjeboom....

 

... en de brem en seringen                                       rechts op deze foto : de volière                                                             de brem

 

 

het oude huis van de buren; dit huis is niet meer te vinden; het heeft plaats gemaakt voor een klein landhuis. 

     uitzicht vanuit mijn zolderkamer(s)

Li: mijn eerste auto, een Fiat 128, in 1971, '72 , gezien vanuit mijn zolderkamertje; op de linkerfoto rechts is het binnenhok van de volière voor tropische vogels van mijn broer nog net te zien. 

   

 

 

   

Vroeger was er nog de (nooit gebruikte) voordeur. Bij de buren zitten de oude ruiten met roetjes er nog in, in de voorkamer. Rechts de schuur in wintertijd met rijp aan de vlier, en de pruimenbomen en een appelboom op de achtergrond. 

 

Slapen boven de aardappels

Om vanuit de huiskamer (het voorhuis) in de slaapkamer te komen, moest je een trapje met één tree op. Die tree was getimmerd op een luikje dat toegang gaf tot de aardappelkelder onder de slaapkamer. Mijn ouders sliepen dus boven de aardappels. Dat was niet zo gezond omdat aardappels altijd vocht afgeven; toen mijn vader later last kreeg van reumatiek werd dat o.a. aan die aardappels geweten. Het andere bed van de kinderen was in dezelfde kamer boven de kelder. Die kelder was vanuit het achterhuis bereikbaar. Vlak achter de kelderdeur in het achterhuis was een soort provisiekast en een trapje naar beneden. In de provisiekast stonden dingen als maïzena, meel, zout, e.d. Beneden in de kelder stonden de etenswaren die koel moesten blijven. Ook was er een stelling met planken waarop tientallen weckflessen stonden met fruit en groenten die ’s zomers en in het najaar waren geweckt. Ook stonden er op de vloer een paar prachtige Keulse potten, gemaakt van bruin gres aardewerk dat door een dikke glazuurlaag waterdicht was gemaakt. Wij maakten daarin witte kool in met zout dat de kool tot zuurkool transformeerde, en ook wel gesneden sperzieboontjes in het zout. Vooral van die laatste kon ik smullen. 

 

Versleten

In latere jaren van zijn leven kreeg mijn vader last van zijn nek en schouders. Toen werd er al gauw geconstateerd dat de nek versleten was. Dat zou geen wonder zijn, met het zware en lange, harde werken dat mijn vader jarenlang deed als chauffeur bij een betonfabriek. Als chauffeur moest je niet alleen rijden, maar je werd ook geacht te helpen bij het laden en lossen. En als het dan ging om  beton- en steenwaren, was dat, zonder moderne hulpmiddelen, een hels zwaar karwei. Eens kwam er een man langs de deuren die de oplossing pretendeerde te hebben voor reumatiek, versleten nek, hoofdpijn, vermoeidheid, kortom bijna alles wat een mens aan ellende kon overkomen. Het lag allemaal aan de aardstralen. 

Ik tik nu op Google de zoekterm aardstralen in, in de verwachting weinig meer te vinden. Tot mijn verbijstering krijg ik een flitsende website te zien, als eerste hit op Google, weliswaar als advertentie, maar toch. Tegenwoordig gelooft men hier toch niet meer in?! Gelukkig meldt de tweede, normale hit, nl. Wikipedia, dat het hier gaat om een pseudowetenschap. Dit is wat de advertentie meldt:

Aardstralen

 

Aardstralen, wat zijn dat?

Aardstralen zij onderaardse stromingen welke kilometers diep onder de oppervlakte voorkomen. Op plaatsen waar de stromingen elkaar kruisen kan veel energie opgewekt worden. Deze energie wordt aan de oppervlakte voor het grootste deel als negatief ervaren. 

 Aardstralen, wat zijn de gevolgen?

Een groot deel van de mens, dier en plant voelt dit als negatieve energie. Het probleem is dat men dit vaak niet weet. Voor veel kwalen en problemen heeft de reguliere wetenschap vaak geen oorzaak en/of oplossing. Meest voor- komend is: Duizeligheid, verhoogde bloeddruk en bloedsuikers (diabetes), slecht slapen, vermoeidheid, hoofdpijn, spierpijn, rugklachten, huiduitslag(eczeem) en misselijkheid. Dit kan allemaal voortkomen uit aardstralen.

 

Welnu, dit is dus precies wat de man bij ons ook kwam verkondigen. Maar dan wel meer dan een halve eeuw geleden. De man verkocht een kastje, dat de stralen zou neutraliseren en alle negatieve gevolgen zou teniet doen. Mijn vader had al diverse dingen geprobeerd, en had er voorzichtig wel oren naar. Mijn moeder niet. Die vond het hocus-pocus. Maar tegen redelijk grof geld geloof ik, werd er toch een kastje aangeschaft en in de aardappelkelder geïnstalleerd. De man drukte mijn vader wel op het hart, het doosje niet open te maken, want dat zou de werkende kracht verminderen of zelfs tot nul reduceren. Toen na jaren de klachten niet minderden, heeft mijn vader het kastje maar eens open gemaakt. Wat erin zat kan de lezer vast wel raden. 

 

Omdat het aardstralenkastje niet hielp, en de klachten bij vader niet verminderden, werden andere maatregelen genomen. Omdat het probleem voort zou komen uit beknelde zenuwen en fysiotherapie er nog niet was of althans niet binnen bereik van mijn ouders, dacht mijn vader in overleg met de huisarts een constructie uit, die erop neer kwam dat de druk op de nekwervels (tijdelijk) verminderd werd. De constructie werd gemaakt met katrollen aan de zolder van de slaapkamer, een touw, een soort masker, door moeder genaaid, en een zak gevuld met zand. Vader gespte het masker om zijn hoofd en de zak zand trok via de katrollen het hoofd omhoog, zodat de wervels ruimte kregen. 

 


 

 

 

Het fornuis

De voordeur van ons huis werd nooit gebruikt. Die kwam meteen uit in de woonkamer en dat was niet handig. Ik herinner me dat ’s zomers als het heel warm was de deur wel eens werd open gezet, maar dat wilde dan maar moeilijk, omdat de scharnieren vast zaten. Iedereen kwam via de achterdeur binnen. Die achterdeur was overdag nooit op slot. In het begin stond je dan meteen in het achterhuis. De naam keuken mocht het niet hebben en kreeg het ook niet. Een keuken was niet iets voor arbeiders. Die had je alleen in burgermanshuizen. 

In het achterhuis stond een fors fornuis, zwart glimmend met mooi geschilderde details van bloemmotieven. Het werd gestookt op hout en steenkolen, eierkolen genoemd omdat ze min of meer de vorm van een ei hadden. Het fornuis had een vuurpot met daarboven een deksel en een aantal ringen. Verder naar de pijp toe was nog zo’n deksel met ringen. Je kon door die ringen al of niet te gebruiken een pan of ketel dus rechtstreeks op het vuur zetten of iets verder ervan weg om bij voorbeeld te stoven of warm te houden. Bij een grote pan verwijderde je simpelweg tijdelijk een ring. Er was een waterketel die een zodanige vorm had dat die in het gat paste en dan stak het onderste deel van de ketel een eind in de kachel, zodat hij heel dicht bij het vuur stond. Die ketel bevatte de hele dag warm water. Tenminste… als het fornuis aan was. Naast de vuurpot had het fornuis een oven, waarin mijn moeder wel eens brood bakte of later cake, en waarin wij in de herfst appels mochten poffen. Wat was dat heerlijk, zo’n warme appel die naar binnen toe steeds steviger werd. De geur die de appel afgaf was nog lekkerder dan de appel zelf. Het was nog wel een kunst om de appel niet zwart te laten worden en toch redelijk gaar. Als het goed gelukt was, was de schil veranderd in een hard leerachtig velletje, heel dun. Daaronder zat de appelmoes. Ik zoog zelfs het klokhuis leeg, zo lekker vond ik het. De cake werd overigens gebakken in een zogenaamde ‘wonderpan’. Dat was een soort mini-oventje dat op een warmtebron gezet kon worden. Het was een dubbelwandige pan. Op internet worden ze weer nieuw aangeboden, o.a. omdat ze energiezuinig zijn. “Het principe van de wonderpan is heel eenvoudig. De buitenpan is eigenlijk een mini-oven en de binnenpan is de bakvorm. De bodemplaat wordt verwarmd op het fornuis. De warmte stijgt op door het gat in het midden en verlaat de pan weer via de ventilatiegaten. Daardoor wordt de warmte heel gelijkmatig verdeeld, zodat het baksel overal goed gaar wordt.

Een normale oven moet eerst voorverwarmd worden en daarna op een vrij hoge temperatuur worden gehouden. Bij de wonderpan is de bakvorm de oven zelf. De temperatuur in de pan is ook veel lager. Dat kost veel minder energie en het baksel zal niet snel verbranden.” (bron: de wonderpan.nl). 

Het fornuis had daarvoor in de woonkamer gestaan. Daar werd ook gekookt en tevens zorgde het fornuis voor de verwarming. Mijn zus herinnert zich nog dat ze als kinderen ’s winters als het heel koud was, uit school voor het fornuis met de kousevoeten in de oven mochten zitten om op te warmen. 

Eierkolen en nootjes

In de woonkamer stond een soort potkachel in het midden van de kamer, net achter de tafel, tegenover het fornuis. We noemden dat de ‘achterste kachel’. De rookafvoer ging via een grote glimmende kachelpijp langs de zolder naar de schoorsteen boven de schoorsteenmantel. De dag begon voor mijn ouders dan ook met het aanmaken van de kachel. Later kwam er een haard op steenkool (‘nootjes’ gevolgd door een nummer naar gelang de doorsnee van de stukjes). Die eierkolen of nootjes werden tegen de winter gebracht door de kolenboer. In de schuur was een stuk afgeschoten om de brandstof op te slaan. 

De haard stond tegen de schoorsteenmantel die later was opgemetseld en betegeld.  Toen het fornuis er nog stond, was er een hoge schoorsteenmantel. De tegels van de nieuwe schoorsteenmantel waren van een warmbruine tint. Als je goed keek, zag je dat er diverse soorten tegeltjes door elkaar waren gebruikt. Mijn vader was nogal zuinig, en niet voor niets want we hadden het niet breed, en op de fabriek kon hij goedkoop aan overschotten komen. Maar die overschotten waren niet allemaal van dezelfde tegeltjes. Qua kleur pasten ze prima bij elkaar, maar het dessin was niet altijd gelijk, al moest je goed kijken om het te zien. Ik vond het als kind een spel om te zien welke tegels ‘echt’ bij elkaar hoorden en welke van een andere soort waren. 

Later verhuisde het fornuis dus naar het achterhuis en kwam er een kolenhaard in de woonkamer. De potkachel met de pijp door de kamer verdween toen. 

Werken voor je warmte, de turfexpeditie

En turf natuurlijk. Heel veel turf werd er gestookt. Niet meer in de haard, maar wel vroeger in het fornuis. Die turf haalde mijn vader zelf. Hij charterde dan op een zaterdag of op een dag in de vakantie van één week de vrachtwagen van de baas. Een groot avontuur was het, dat jaar dat ik voor het eerst mee mocht. Om vier uur ’s morgens op, en dan in de ronkende en schuddende vrachtwagen naar Schoonebeek. De vrachtwagen kon natuurlijk niet bij ons huis komen. Het dichtst bij, was waar het Krakeel ophield bij de Riegshoogendijk, tegenover waar nu het woonwagenkamp van Noordscheschut is. Dat heette destijds de ‘derde wieke’. Waar de eerste twee waren, is ons niet bekend. Daar liepen we dus eerst heen. Ik zat nooit in een auto, dus in zo’n ronkende vrachtwagen, dat was nog eens spannend! Later mocht ik een enkele keer wel eens een dag mee met vader. Zo herinner ik me vaag een rit naar steenfabrieken langs de IJssel. 

In Schoonebeek keek ik mijn ogen uit. Daar werd de turf toen nog gewonnen, in dagbouw. Zo ver je kon kijken stonden er enorme stapels turf. Wat je nu, of tot voor kort in ieder geval,  nog wel ziet/zag in Duitsland, net over de grens. Hoe mijn vader wist waar hij moest wezen, geen idee. Alle onafzienbare velden leken voor mijn idee op elkaar. Maar het lukte, en met wat manoeuvreren stond de auto goed en werd de lopende band aangezet. Op de laadbak moest goed gestapeld worden, dat spreekt voor zich. Na een poos keihard werken was de auto geladen. 

 

  een foto van "noordelijktransport.nl": het met de hand laden van een vrachtauto met turven.

  zo zou het in ons geval ook gegaan kunnen zijn...

Op de voorgrond een 'bok'. Vanuit de laadbak van de vrachtauto moest alle turf in de bok gestapeld worden.

  bokken van "melkvaarders" bij de melkfabriek in Hoogeveen aan Alteveer

Een bok was een ijzeren vaartuig dat voortgeboomd werd d.m.v. een vaarboom, de lange stok die je hier op de foto ook ziet.    (foto van internet)

 

De terugtocht was dezelfde weg naar het punt waar onze vaart eindigde bij de weg, de Riegshoogendijk . Daar moest de turf gelost worden en in een eveneens geleende of gehuurde bok overgeladen worden. Weer alle turven twee keer door je handen. Het was nog precies werk ook, want je moest stevig stapelen en er mochten geen kostbare turven in het water vallen. De stapel was toch wel zo’n meter hoog.  Toen dat karwei klaar was, had ik even rust. De bok werd gepunterd door het Krakeel naar ons huis en daar moest het vaartuig gelost worden. Ik moest niezen van het stof en snoot eens even mijn neus. Ik schrok: het was pikzwart in mijn zakdoek. Pas na een paar keer snuiten was het zwart verdwenen. 

Weer alle turven stuk voor stuk door de handen. In een paar kruiwagens kruiden we de turf naar de schuur. Daar moest de kruiwagen gelost worden en de turf in de schuur opgestapeld. Ook weer stevig stapelen alsjeblieft, anders komt ons van ’t winter de hele boel naar de oren, waarschuwde vader steeds. Als je eenmaal een stevige ‘buitenmuur’ had gestapeld van turf, dan werd daarachter de turf wel grofweg gewoon neergegooid. Dan bleef het wel liggen. Maar het werd een hele stapel. 

Wat ik me niet herinner, maar mijn (oudere) zus wel, is dat een keer een bok met turf gekapseisd is. Kennelijk was de turf niet goed opgestapeld. De bok zonk en alle turven in het water. De turf die maandenlang had liggen drogen op het veld bij Schoonebeek en waar ze zo veel moeite voor hadden gedaan was drijfnat. Een geluk bij dit niet geringe ongeluk was nog dat het gebeurde vlak voor ons huis. Zo kon de turf snel uit het water gevist worden en opnieuw te drogen worden gelegd. Een enorme tegenvaller was het natuurlijk. 

Werken voor warmte

Tegenwoordig als ik hout zaag en kloof voor onze open haard, zegt een buurman wel tegen me: je kunt je er zo twee of zelfs drie keer aan warmen. Nou, aan de turf konden wij ons vele malen meer warmen. Maar we hadden dan ook wel goede harde turven. Die liggen veel langer dan die half zachte exemplaren, die meer uit bolster lijken te bestaan. Daarvan nam vader er wel wat mee trouwens. Die dienden voor het aanmaken van de kachel. Zo kreeg ik zelfs verstand van turf. ’s Avonds was iedereen kapot, natuurlijk. Vader moest bovendien de vrachtwagen nog weer naar de fabriek brengen en terugfietsen. Maar wat gaf het een voldoening: zo te kunnen werken voor je toekomstige warmte. Het klinkt misschien vreemd, maar op zulke momenten voelde ik me intens gelukkig. Zulke geluksmomenten ken ik niet meer als ik nu de thermostaat hoger zet. Zelfs dat hoeft nu al niet meer, het dagritme is geprogrammeerd en de thermostaat is zelf-lerend. 

Later kwam er een gashaard in de plaats van de antraciethaard. En turf werd in latere jaren al helemaal niet meer gebruikt. Ik heb de hele turfexpeditie geloof ik maar twee of drie keer meegemaakt. 


 

 

‘t Huusie

In het achterhuis was een deur waarachter het toilet was, ‘t huusie. Dat was heel in het begin van mijn herinneringen nog een houten bank met een gat erin dat afgesloten werd met een houten deksel. Eronder stond een soort ton, waarin de excrementen werden opgevangen. Om de zoveel tijd werd die ton geleegd op de mestvaalt achter de schuur. Maar in het voorjaar werden de rabarberstruiken ermee verrast want rabarber groeit daar extra goed van. Verder was er een koudwaterkraan boven een gootsteen. Een pomp hebben we niet gehad in mijn tijd. Stromend water was er zolang ik me kan herinneren. 

Revolutionaire veranderingen

Al toen ik vrij jong was, kwamen er revolutionaire veranderingen in onze woonsituatie. Ik weet al niet anders of we hadden elektrisch licht. Maar de komst van het aardgas gaf pas echt de komst van een minder Spartaans leven dan daarvoor. En de komst van een toilet met waterspoeling en de installatie van een sceptic tank in de grond achter het huis was ook een enorme verbetering. Toch heb ik bij de volkstelling in begin jaren zeventig nog wel een huis bezocht achter Hollandscheveld, waar men geen elektriciteit had. Zelfs toen nog niet. 

Het aardgas maakte een gasgeiser mogelijk zodat we zomaar warm water uit de keukenkraan konden tappen. Een wonder! Verder timmerde mijn vader een soort brede plank naast het stenen aanrecht en daarop kwam een driepits gasfornuis. Eronder stond de ruisende gasmeter, waarop ik als kind gefascineerd keek naar de optellende cijfertjes. Het grote fornuis bleef nog lang in gebruik  voor de verwarming, maar werd met de jaren al minder gebruikt. Nu kon je immers a la minute vuur maken om op te koken, en je kon het vuur simpel regelen met een knop. Wat een luxe! Op het fornuis was dat regelen veel lastiger; al naar gelang waar de pan stond ging het sneller of langzamer. En je moest er constant bij in de buurt zijn om het vuur aan te houden. 

Mijn moeder moest er wel aan wennen, aan die nieuwigheden, maar al gauw waren het voorzieningen die, zoals ik zei, het leven wat minder Spartaans maakten en waar we heel blij mee waren. 

Teil

Als we vroeger op zaterdag gewassen moesten worden, dan mochten we zo nu en dan in de teil (als het heel koud was in de woonkamer bij de kachel) met een paar keteltjes warm water bij het koude. De wekelijkse wasbeurt was een hele onderneming. Maar wat een feest, zo gezellig onder het lamplicht bij de kachel poedelen. Daarna voelde je je helemaal rozig. 

Later bouwde mijn vader achter het huis eerst een portaal voor de klompen en om de kou beter buiten te houden, en nog weer later kwam daaraan vast gebouwd een uitbouw waarin een heuse betegelde douche werd aangelegd. Ook weer met een keur aan kleurige tegeltjes die net niet helemaal bij elkaar pasten.  Die werkte op de geiser die in de keuken boven het aanrecht hing. Dat daarmee nooit ongelukken zijn gebeurd, mag een groot wonder heten, want de geiser had geen afvoer naar buiten. We kregen een elektrische ventilator in het keukenraam die aangezet moest worden als je ging douchen, maar die ook wel eens vergeten werd. Het koolmonoxide en de waterdamp van de gasvlam kwamen dus voor een groot deel binnen terecht. Het vocht hing dan aan de dakbetimmering en de ramen waren kletsnat. Het is gelukkig altijd goed gegaan. 

Waterspoeling

De komst van het toilet met waterspoeling herinner ik me nog goed. Binnenshuis moest er verbouwd worden. Je moest dat aanvragen bij de gemeente en die eiste dat er voor het toilet nog weer een ruimte werd geschapen zodat de deur van het toilet niet meteen uitkwam in het achterhuis, dat toen al iets meer op een ‘keuken’ ging lijken en ook zo ging heten. Mijn vader vond het maar onzin, maar achteraf begrijp ik de eis wel. In de jaren na de oorlog kreeg men steeds meer oog voor hygiëne en dat was natuurlijk een goede zaak. 

Buiten waren de werkzaamheden nog veel ingrijpender want daar moest onder het pleintje achter het huis een enorme sceptic tank in de grond worden gegraven. Het toilet ging namelijk afwateren op de sloot naast ons huis, maar dat mocht natuurlijk niet rechtstreeks. Het afvalwater moest gezuiverd worden. Werd de ton daarvóór gewoon geleegd op de mestvaalt of op het land in het voorjaar vóór het ploegen, nu werden de hygiënische eisen binnen korte tijd een stuk strenger. 

Mijn vader was chauffeur bij een betonbedrijf, Bakker Beton, in Hoogeveen en hij kon dus via het bedrijf voordelig (neem ik aan)  aan een grote betonnen tank en de nodige buizen en leidingen komen. Alles werd uitgevoerd in eigen beheer met hulp van buren en familie. Ik weet nog dat het een enorme klus was voor de tank in het gat stond en alle leidingen erop waren aangesloten en het hele systeem werkte en goed afwaterde. Ons werden de nieuw regels scherp ingeprent: geen krantenpapier meer om je achterste af te vegen want dat verteerde niet en als het systeem verstopt zou raken zou dat een enorme hoop werk en ellende opleveren. Het is wel eens gebeurd dat men de tussenputjes open moest leggen om vandaar uit de leidingen door te prikken. 

In de schuur

Zolang ze met het karwei binnen en buiten bezig waren, en dat was niet in een paar dagen bekeken, konden we naar ’t huussie in de schuur. Daar hadden mijn vader en broer provisorisch een stukje afgeschoten met wat planken en schotten en daar stond nu de ton met een plank erboven. De schuur stond een paar meter achter ons huis. Een houten bouwsel met asbest golfplaten als dak. Eens in de zoveel tijd moest het houtwerk in de carbolineum worden gezet. Dat is milieutechnisch gezien een vervelend goedje dat niet meer verkocht mag worden. Bij timmerman Allard Everts aan het Krakeel haalde ik een emmertje of blik vol. Hij had een vat naast het huis staan, waaruit het spul getapt werd. Met een bokkenpoot bracht ik het spul op. De carbolineum rook, vond ik, wel lekker, maar je moest de lucht niet te lang inademen, dat was niet gezond. Later is het verboden en vervangen door wat mensvriendelijker alternatieven. Overigens: het pand waarin Everts woonde, staat er nog, net aan het westelijke begin van het Krakeel. Er zit nu een winkeltje in, met allerlei snuisterijen. Heel lang is het huis in de oude staat bewaard gebleven, met bedsteden en al. 

 links de oude schuur

  broer voor de schuur

 

De kniepliende

In die schuur stonden de fietsen en onder andere de spullen om de was te doen zoals de wassebalie, het wasanker en de wringer. De wringer was zo’n houten geval met twee rollen en een slinger. Door te draaien aan die slinger wrong je het wasgoed tussen de twee rollen door en liep het water eruit. Je moest het wasgoed goed over de breedte verdelen, want anders werd het draaien te zwaar of bleef een deel veel te nat. Het wassen zelf ging toen ik klein was, op een wasplank, met de hand dus. Een wasmachine kwam bij ons pas veel later.  Een prachtig geel-wit uitgebleekte plank, en daarop boende mijn moeder dan het wasgoed met een wasborstel. Nadat het ergst vuile goed een nacht in de week had gestaan. Overalls van mijn vader en broer waren het zwaarste karwei. Dan spoelen en nog eens spoelen, en na het wringen werd het opgehangen aan de waslijn. Dat kon met wasknijpers, zoals mijn vrouw die nu aan de droogmolen en op onze droogzolder nog gebruikt, maar we hadden ook een kniepliende, dat was een waslijn die elke keer opnieuw gespannen moest worden, want hij was gemaakt van hennep(?)touw. De lijn bestond uit twee kabels die in elkaar waren gedraaid. Met enige moeite (de lijn moest niet te strak staan) kon je een ruimte maken tussen de twee kabels en daar het wasgoed tussen vastmaken. Als je daar handigheid in had, ging het ophangen sneller en gemakkelijker dan met wasknijpers. 's Winters kreeg je daar heel zere vingers van weet ik nog wel. Ik herinner me dat ik wel eens de was moest binnen halen voor moeder, die dan helemaal stijf bevroren was. Lange onderbroeken stonden stijf uit, ik vond het een komisch gezicht. Ik moest ze eerst in de keuken laten dooien want als ik ze bevroren zou vouwen, zouden ze stuk gaan, dacht mijn moeder. Terecht, waarschijnlijk. 

 


 

 

 

 

De schuur, kolenhok en turfopslag

En een groot deel van de schuur was gereserveerd voor het kolenhok en de turfopslag. Later kwam er ook een motor te staan die mijn broer had aangeschaft. Een Ariël. Ik had voordien nog nooit van het merk gehoord, maar het was een beul van een machine, 500 cc, en heel zwaar. Hij zag er heel stoer uit. Aan het stuur zaten allerlei handles. Ik kon hem nauwelijks in evenwicht houden. Ik denk dat mijn broer hem in een soort opwelling heeft aangeschaft, want hij heeft er maar een paar keer op gereden, en verder stond hij daar maar in de schuur. Stof te verzamelen. Ik heb een enkele keer als er niemand in de buurt was wel eens geprobeerd de machine aan te trappen. Dat ging ook al heel zwaar, en je moest vaak trappen voor de motor aansloeg. Het is me ook een keer gelukt, maar erop rijden mocht ik niet. De motor gaf een enorm doordringend geluid. Nee, dat was geen goede aankoop. 

    twee google afbeeldingen van een Ariel motor

 

Op de Sparta brommer die mijn broer later kocht, heeft hij wel veel gereden. Later kon ik die overnemen. Ik ging erop naar het station het laatste jaar van de kweekschool, en in militaire dienst reed ik –als het zomer was- op het ding heen en weer naar de kazerne in Havelte. 

  de Sparta brommer; eigenlijk hoorde je toentertijd een Puch of een Kreidler te rijden als je erbij wilde horen maar daar had ik geen geld voor (over) 

 

Een keer kreeg ik pech onderweg. Bij de tweetaktmotortjes had je destijds nog wel eens last van een vervuilde bougie. Dan zat er aanslag op de contactpuntjes en dan vonkte de bougie niet goed meer. Gelukkig had ik altijd een bougiesleutel en een koperen borsteltje bij me, zodat ik het ongemak onderweg vrij snel weer verholpen had. Een pak van mijn hart, want wat moest je anders. Mobiele telefonie bestond zelfs nog niet in science fiction, een Anwb dienst voor tweewielers was er ook niet, en mijn route liep door dun bevolkt gebied, weilanden en natuurgebieden (waaronder het nog steeds wonderschone Landgoed Reebruggen tussen Ansen en Diever). 

Steeds een kamer erbij

Toen de kinderen groter werden, timmerde mijn vader op zolder slaapkamers. Drie stuks in de loop van de tijd. Mijn oudste zus was het huis uit maar op een gegeven moment sliepen we met z’n drieën op zolder. Mijn tweede zus, mijn broer en ik. Er kwam een houten trap in plaats van de ladder. De trap werd van het achterhuis afgescheiden en in die ruimte stonden op den duur een koelkast en een wasmachine en centrifuge. Boven bestonden de slaapkamertjes voornamelijk uit plaatwerk: hardboard en ik geloof ook wel asbest. Het dak werd simpel afgetimmerd, ook met hardboardplaten. Van isolatie had niemand gehoord. De zolder was origineel afgewerkt met kippengaas tegen een soort asfaltpapier, en daar boven zaten de dakpannen. De muur was beneden wel met een spouw maar boven was het slechts een halfsteens muurtje. Geen wonder dus dat het binnen ongeveer even warm –of koud-  was als buiten… 

IJskristallen op de muur

’s Winters sliepen we diep onder een dikke laag dekens. Wollen AaBe dekens en een 'gestikte deken'. Koud heb ik het geloof ik niet gehad. Als het erg was, mocht je een kruik mee, of die werd tevoren in bed gelegd zodat het een beetje opgewarmd was als je onder de dekens kroop. Maar het was vrij normaal om ’s morgens als je wakker werd de muur te zien glinsteren van het ijs dat erop was gevormd van je adem. Op de deken bij je gezicht was het dan wit van de rijp van je bevroren adem. De ramen konden niet meer open want overal zat ijs tussen. Dat was wel goed tegen de tocht. Tja, het lijkt me nu bijna onvoorstelbaar dat we dit toen gewoon vonden: nou ja, we kenden niet anders. Wat leven wij dan nu in een luxe, denk ik nog vaak. Alleen al om de vanzelfsprekende aanwezigheid van centrale verwarming en in overvloed beschikbaar drinkbaar water en in het hele huis warm water. Op onze reizen zien we nog regelmatig situaties dat de mensen het zonder stromend water moeten doen, laat staan dat ze warm water hebben. Thuisgekomen kan ik dan weer extra genieten van de dingen die bij ons nu zó gewoon zijn. 

Twee kamers

Toen mijn zus en broer op den duur het huis uit gingen, kreeg ik de beschikking over hun beide kamers. Voortaan had ik een slaap- èn een studeerkamer. Wat een luxe vond ik dat. Het derde kamertje stond vanaf toen leeg, maar werd spoedig gebruikt voor het drogen van de bruine bonen en voor het overwinteren van geraniums, fuchsia’s  en dat soort dingen. Jarenlang heb ik mijn studeerkamertje verwarmd met een petroleumkachel, een soort voorloper van de nu bekende Zibro-kachels, maar lang niet zo luxe. Ook dat was niet zo gezond want de vlam stond in open verbinding met de lucht in de kamer. Gelukkig waren er kieren genoeg zodat er automatische ventilatie was. Later werd het beter. Er werd een gasleiding naar boven aangelegd en ik kreeg een wandkacheltje op aardgas met een afvoer via een pijpje in het dak. Ik was er de koning te rijk mee. Ik kreeg een bureau dat mijn vader op de kop had getikt op het bedrijf. Ik knapte het op en had er een ruim bureau aan. Later heb ik het nog een paar keer opgeknapt, een keer alle verf eraf gehaald en toen gebeitst. Toen ik naar de flat verhuisde, maakte ik er een grote nieuwe dekplaat op van 2,5 cm dit massief grenen. Aan dat bureau zit ik deze tekst te maken. 

Verder had ik een paar eenvoudige rieten stoelen, en toen mijn getrouwde zus nieuw meubilair aanschafte, kreeg ik twee zit/leunstoelen. Zo kon ik comfortabel ‘wonen’ in mijn twee kamers, terwijl moeder voor de huishoudelijke taken zorg droeg. Zo heb ik vrij lang bij mijn ouders gewoond. 

 


 

 

 

Buiten

Buiten spelen hoorde bij mijn kinderleven als eten en drinken. Naast ons woonde dubbele familie: mijn oom was een broer van mijn vader en mijn tante was een zus van mijn moeder. Vandaar dat in beide gezinnen dezelfde voornamen voorkwamen, zodat we in voorkomende gevallen altijd toevoegden: ‘XX van hiernaast’ (van iernoast). Mijn nichtje R was ongeveer even oud als ik en mijn neef B wat ouder. We speelden heel vaak met elkaar. Verder speelden we soms met kinderen van buren verderop. Maar ook alleen kon ik me goed vermaken. Achter de schuur was een flink stuk land waarop mijn ouders aardappels, groenten en fruit verbouwden. Ook naast de huizen was nog ruimte dus wij kinderen waren veel buiten. We deden spelletjes als knikkeren, hinkelen en verstoppertje, maar we verzonnen ook zelf spelletjes en eigenlijk hele ‘werelden’. Verstoppertje was vooral spannend als in het voor- en najaar je na het avondeten nog even buiten mocht spelen omdat het dan nog -of weer- licht was. Daar keken we de hele winter naar uit: nog even buiten spelen na het avondeten. In dat schemeruurtje was elk spelletje extra spannend. 

 buurmeisje voor de schuur zittend, waarschijnlijk bezig met bonen 'punten'

 

Vissen

Vissen deden we ook. Immers, er was stromend water vlakbij waar wel vis in zat. Als kinderen deed je dat destijds niet met een echte hengel. Die was er niet. Mijn broer had later wel een echte bamboe hengel. Die ging ook wel verder weg om te vissen en om te ‘snoeken’. Als kind maakte je zelf een hengel met een zo veel mogelijk rechte stok uit het bos of van de elzen of wilgen die langs de sloot groeiden. Je knoopte er een draad van handgaren aan dat je van moeder had losgepraat. De dobber maakten we ook zelf. Een stukje kurk, plat afgesneden van een grote kurk. Daar doorheen een luciferstokje of een wat groter dun houtje als je ‘t kon vinden. Je werd vroeger vanzelf vindingrijk. Het enige wat we niet zelf konden maken was het haakje. Want met een kromme spijker wilde het vissen toch niet echt goed. Haakjes kon je voor een paar cent kopen bij voorbeeld  bij de fietsenwinkel op de hoek van het Zwarte Dijkje in Noordscheschut. 

Toen ik wat groter werd, mocht ik een echte hengel kopen. Met drie bamboestukken, verbonden door een twee buisjes, waardoor je de stukken in elkaar kon passen. Als draad echt nylon, een echte dobber en een paar haakjes om te kunnen variëren. Wat een feest was het om te kiezen uit de doos met dobbers! De ene nog kleuriger en vrolijker dan de andere. 

Toen ik wat ouder werd, ging ik ook wel verder weg met de fiets. Toen het Krakeel gedempt was, moesten we dat ook wel natuurlijk. Ik ging alleen of samen met mijn buurjongen. We zaten wel eens langs de Hoogeveense vaart, maar nog liever aan het Linthorst Homankanaal. Daar was praktisch geen verkeer en kon je rustiger zitten. Vangen deed ik vaak niet eens zo veel, maar ik genoot alleen al van het zitten in het hoge gras aan de waterkant. Tenminste als het mooi zomerweer was. Ik was trouwens een typische mooiweervisser. De rust, het niets doen en toch het idee hebben dat je zinnig bezig was, ja, dat zat er toen al in…

Als we wat gevangen hadden, moest de vis schoon gemaakt worden. De schubben eraf, de kop en de ingewanden verwijderd. Daarvoor lag er achter het huis een aparte, daarvoor gereserveerde platte veldkei. Moeder wilde natuurlijk geen ‘stinkvis’ in huis en ik kon dat wel respecteren. Het was ook wel een gedoe, vooral die schubben spatten alle kanten op. De ingewanden werden opgegeten door de kat van de buren. Eenmaal gebakken leverde het visje (voorn of baars) voornamelijk teleurstelling op. De smaak was nogal eens gronderig en altijd zat er een grote hoeveelheid graat in, die je maar moeilijk verwijderd kreeg. Nee, het ging bij mij meer om het spel dan om de knikkers in het geval van vissen. 

Spelen

Er was een zandbak, de buren hadden kippen die je kon voeren en een poes waarmee je kon spelen. We konden als kind overal mee spelen; we vonden overal wat en konden alles gebruiken. Een oude afgedankte kinderwagen, mijn nichtje en ik speelden er vadertje en moedertje mee. Later toen de bak helemaal afgetakeld was, heb ik zelf op het onderstel een nieuwe houten bak getimmerd van wat oud hout dat altijd wel ergens achter de schuur te vinden was. Ik spijkerde er een paar gekleurde blokjes op van een weggegooide pannenonderzetter die je kon verdraaien: de richtingaanwijzers, en had zo een eigen vrachtwagen waar ik mee door het aardappel- en bonenland scheurde en van alles ‘vervoerde’. Onkruid van het land halen, gerooide aardappels. Van een oud fietswiel maakten we een hoepel. Die moest je wel met de hand bewegen, want een stok bleef steeds steken tegen de bobbels van de spaken. Of in de gaten als je de spaken eruit haalde. Een tol kochten we maar de zweep maakten we natuurlijk zelf. Met een oude veter aan een stok ging het heel goed. 

Op onze fiets maakten we aan het spatbord met wasknijpers een stuk stevig karton vast. Als je reed, ratelden de spaken langs het karton. De klank kon je variëren door verschillende soorten karton te gebruiken. En door de lengte van het stukje karton.  Zo bootsten we een motor na waarmee we om het huis scheurden, zolang onze ouders er niet gek van werden en het voor een poosje verboden. Vooral in juni rond de TT in Assen reden we rond ons huis, ons identificerend met John Surtees. Deze coureur was ons idool, want in Assen won hij ‘altijd’.  (Om precies te zijn zeven keer kampioen volgens Wikipedia). 

Verboden werd ons overigens weinig of niets. We mochten veel, mijn buurkinderen en ik. Alleen bij het water moesten we wegblijven. Zo leerden we al spelenderwijs enorm veel, zo realiseer ik me nu. Niet allen jezelf vermaken met praktisch niets en daar toch heel voldaan en gelukkig mee zijn, maar ook werd je vindingrijk. Onze fantasie werd voortdurend geprikkeld. Roken net als de groten bijvoorbeeld, dat deden we al heel jong. We zochten in de vlierstruiken die overal op de erven stonden, een dood takje. Als je dat afpelde, hield je een stukje binnenste over. Dat was wit,rubberachtig, flexibel. Het leek met wat fantasie wel op een (dunne) sigaret. Daarmee liepen we dan tussen de lippen en aapten de gebaren van de volwassenen na. Gezonder ‘roken’ bestaat niet. 

Radio

De radio was belangrijk. TV kwam bij ons pas vrij laat. Ik heb bij buren wel eens gekeken. Maar de radio was er altijd. In de oorlog had mijn vader de radio niet ingeleverd, maar verstopt onder de vloer. Hij speelde op accu's. Daar luisterden ze dus met het oor bij de vloer naar Radio Oranje in Londen. Klaar om het luik dicht te doen en de mat er weer over te gooien bij onraad. Spannende tijden toch. 

De vroegste herinneringen die ik aan de radio heb, zijn van "Kleutertje luister" o.l.v. Herman Broekhuizen en Lily Petersen. Later luisterden we naar Snip en Snap en andere zaterdagavondshows, en vooral hoorspelen vond ik fantastisch: Paul Vlaanderen en het Margo-mysterie. Ik bleef ervoor thuis en kwam ervoor naar binnen. 's Morgens vond ik de waterstanden intrigerend. Ik begreep er niets van maar de sonore stem die in een gedragen ritme de plaatsen en standen oplepelde vond ik boeiend. "Eefde beneden de sluis". Toen ik mijn vrouw leerde kennen, zag ik in Eefde wat dat betekende. 

We luisterden niet zomaar overal naar. De NCRV natuurlijk, dat was per definitie goed, de AVRO kon er ook mee door, de KRO als het maar geen mis of anders herkenbare Roomse stof was. En de VARA werd ook zeer kritisch beluisterd: als de Vara-haan kraaide werd die meteen weggedraaid. 

Dan waren er de politieke commentatoren. Er werd bij ons goed naar geluisterd. Daarvandaan heb ik misschien wel mijn politieke belangstelling meegekregen. Henk Neumann hoorde ik zelf wel graag. In ons gezin was Prof. mr. dr. I.A.Diepenhorst geliefd. Alleen al om zijn stem zat ik geboeid te luisteren. Dat gold ook voor 's zondagsmiddags: mr. G.B.J. Hilterman met zijn "De toestand in de wereld" werd nooit gemist en daar werd niet doorheen gepraat. De bronzen stem die naar mijn idee eigenlijk altijd sombere berichten had, intrigeerde mij. De manier waarop Hilterman het bewonderend had over Charles de Gaulle en hoe hij die naam uitsprak! Prachtig.  Maar ach, ook dr. Fop I. Brouwer over de natuur, de vrolijke piano van de ochtendgymnastiek,  allemaal waardevolle herinneringen. Van de Vara mocht wel het programma van Ate Doornbosch: "Onder de groene linde" over volksverhalen en volksliedjes. Met 37 jaar is dat een van de langst bestaande programma's geweest (tot 1994).  


 

 

Boodschappen halen bij de winkel van Vos

De kruidenierswaren haalden we bij de winkel van Vos. Die was toen ter hoogte van waar nu de grote plantenwinkel van Tuincentrum Strijker zit. Daar lag een brug over het Krakeel en konden we de vaart dus oversteken. Tegenover was een smal ‘dijkje’ van Krakeel naar Coevorderstraatweg. Dat dijkje is er trouwens nog, al moet je goed zoeken als de struiken in blad staan. Het asfalt is hier en daar weg; er is in geen jaren onderhoud aan het wegje van nog geen meter breed gepleegd. Maar goed, daar was dus de kruidenierswinkel. Mijn moeder had een opschrijfboekje waarin alle noodzakelijke aanschaffen werden genoteerd. 

Eens per week werden de boodschappen gebracht. Moeder schreef wat ze nodig dacht te hebben de komende week op in een boekje, het boodschappenboekje. Dat bracht je naar de winkel en dan werden de bestelde waren thuis bezorgd. 

 Tussendoor had moeder ook wel eens wat nodig en dan werd ik of werden wij, buurmeisje en ik, naar de winkel gestuurd. ’t Was een eind lopen. Als je de winkel binnentrad ging er een bel, die aan een gebogen strip metaal boven de deur hing. Zelfbediening was er natuurlijk niet bij. Achter de toonbank waren er voorraadbakken met spullen. Zaken als rijst en suiker waren niet voorverpakt maar kreeg je mee in bruinpapieren zakken. Koekjes idem. Ik was verzot op krakelingen en Arnhemse meisjes (de koekjes heetten zo!). De laatste waren van bladerdeeg gemaakt, met een heel dun laagje stroop erop en grove suiker. Heerlijk. 

Voorraad

Thuis gingen de losse waren in voorraadbussen en –potten. In een ondiepe kast in de huiskamer stonden die. Daarin stonden ook de borden en kopjes en dergelijke. De kast heette bij ons dan ook de ‘koppieskaste’. Koffie werd bewaard in een heel grote metalen bus, die onderin de kleerkast stond, die ingebouwd was aan de andere kant van de woonkamer. Als die bus openging, rook het heerlijk naar koffie. Als er koffie opgeborgen of juist te voorschijn gehaald moest worden, deed ik dat graag. Om die geur natuurlijk. Opmerkelijk vond ik altijd dat moeder een hele voorraad koffie aanhield. Ik moest dan altijd goed oppassen dat ik het oudste pak pakte. Ik denk dat het houden van die voorraad te maken had met de oorlog. Op het platteland in Drenthe was de nood met etenswaren nooit zo hoog geweest als in het westen, maar koffie was ook daar natuurlijk zeer schaars geworden. Hoewel het jaren na de oorlog was, denk ik dat mijn moeder er onbewust nog steeds rekening mee hield dat koffie ineens weer op de bon zou zijn. Mijn oudere zus herinnert zich van die tijd in en net na de oorlog dat vader nog wel eens iets kreeg van de boeren bij wie hij door zijn werk als chauffeur kwam. Een paar pond rogge of tarwe. Maar iets extra’s als een koekje, een snoepje of zelfs een banaan of sinaasappel was er nooit bij. 

Of zo’n trekje  van “bang zijn dat de voorraad op zou raken” erfelijk kan zijn, weet ik niet, maar misschien is het toch doorgegeven: ik heb het ook wel een beetje. Van mijn espresso moet er altijd een pak méér zijn dan ik die week eigenlijk nodig heb. Als dat niet zo is, voel ik een soort onzekerheid. Idioot eigenlijk. 


 

 

 

 

 

IJsforten

’s Winters bouwden we hele ijsforten waaromheen we veldslagen uitvochten. Er werd gegooid met sneeuwballen, die, als de sneeuw wat zacht werd, tot keiharde ballen konden worden gekneed, zodat ze wel ‘aankwamen’ als je ermee geraakt werd. Sneeuwpoppen maken deden we ook. Als het ging dooien en de greppels zich langzaam vulden met sneeuwpap en dooiwater stonden we in onze laarzen met ijskoude tenen in dat water om ‘beton’ te maken waarmee we ook weer dingen bouwden. Bij voorbeeld een dam in de greppel om het water tegen te houden. Schaatsen deden we ook als er ijs was. Ik had een paar Friese doorlopers, eenvoudige schaatsen met een leren teen- en hielstukje. Dat werd bijeen gebonden om je voet met van dat oranjekleurige stoffen band. Het zat nooit strak genoeg, het band was al ras doorweekt en bevroor dan weer. Met ijskoude vingers probeerde je dan om de schaatsen beter onder te krijgen maar een succes vond ik het niet. De schaatsen waren van vroeger van mijn zussen geweest. Mijn broer had ‘bootjes’, maar daarop kon ik niet rijden. Nieuwe schaatsen, nee dat was er niet bij. 

 

WINTER en  IJS                  Eerst wat foto's.

   twee buurjongens en ik op het ijs van het Krakeel

   broer in militair uniform op het inmiddels gedempte Krakeel

Ik tussen drie buurmeisjes op het ijs van het Krakeel, voor ons huis

 met buurkinderen/ nicht en neef op de schaatsen op het ijs van een 'wieke', dat is een zij-sloot van het Krakeel 

 

 oude foto van buurman/ oom en mijn vader op het ijs van het Krakeel, voor het huis

 

Winter

Op het ijs van het Krakeel kon je schaatsen, tenminste als de bok van de melkvaarder het ijs niet had vernield vlak voordat de vorst doorzette. Op de wijken was het ijs altijd intact want daarin werd niet gevaren. Maar daar staken weer veel planten door het ijs. Viel je daar weer over. Het spannendst aan ons gekrabbel vond ik dat je de wereld uit een heel ander perspectief zag. Je kwam op plaatsen waar je anders nooit kwam. Zo konden we in strenge winters helemaal over het ijs in de wijken naar school. Zelfs het Noord, de Hoogeveense vaart, was soms dichtgevroren en dan kon je zo de vaart oversteken. Dat gaf een iets kortere weg, maar vooral het avontuur van “het andere” trok natuurlijk. In de middagpauzes mochten we dan ook schaatsen. Ik kan me nog herinneren dat er een incident was met een schipper die, terwijl er al stevig ijs lag, er toch nog door voer. Hij werd door de schooljeugd bekogeld met alles wat ze konden vinden. Het keeshondje aan boord werd helemaal gek. Ik had er niet aan meegedaan, want iets zei me dat dat niet goed was. Die schipper deed ook maar zijn werk, dat snapte ik al wel. De schipper deed zijn beklag bij ons schoolhoofd en de kinderen werden er door het schoolhoofd, meester Renema, ernstig over onderhouden. De ene helft van het kanaal was onbruikbaar geworden om te schaatsen. Langs de kanten bleef er nog redelijk wat glad ijs over. Maar als je al schaatsend op de ijsschotsen (schollen, noemden wij die) terecht kwam, hield je het meestal niet in de benen. 

Mijn oudere zus herinnert zich dat opoe van moeders kant tegenover ons huis woonde, aan de andere kant van het Krakeel. ’s Zomers moest je bijna een paar kilometer omlopen via het ‘dreivonder’, de draaibrug bij de winkel van Vos, om er te komen, maar ’s winters met ijs konden ze zo oversteken. 

 

Paasvuur

Het paasvuur bouwen was een traditie waarin wij buurkinderen al graag van harte aan meededen. We verzamelden in het najaar en de winter bij iedereen in de buurt de gesnoeide takken. Die sleepten we naar ons huis, achter op het land dat in de winter toch braak lag, afgezien van een stukje met boerenkoolstruiken. De hoop groeide en groeide. Op den duur moesten we erop klauteren via een laddertje. Op goede jaren was de hoop toch wel een meter of drie hoog denk ik. Goed stapelen was belangrijk, want de paasbult moest ook in herfst- en winterstormen blijven staan natuurlijk. 

Op tweede paasdag, de maandag na Pasen, werd de hoop in brand gestoken. Bij dat aansteken kwamen volwassenen in actie, dat mochten we zelf niet. Met wat oude kranten en petroleum werd het vuur aangemaakt. Dat deed je aan de windkant, want anders zou de bult niet goed opbranden. De buurt kwam kijken en wij als buurkinderen waren natuurlijk gespannen hoe het vuur zou gaan. In de lucht rook het naar vuur, want natuurlijk waren wij niet de enigen in de omtrek die een paasbult hadden gebouwd. 

   twee (vage) foto's van ons paasvuur 1965

 

Als de vuurzee op zijn hoogtepunt was, moest je meters afstand bewaren, want de hitte scheen je fel in je gezicht. De vonken vlogen omhoog en het vuur knetterde en bromde. Wij verbrandden alleen takken en wellicht wat sloophout, maar geen dingen die tegenwoordig op de hopen gegooid worden als oude meubels en zo. Die verbrandde je niet in die tijd!  Langzaam brandde de hoop op. Op den duur was er alleen nog de gloeiende hoop sintels en houtskool. De volgende dag waren we er als de kippen bij, want de hoop as was dan nog zo warm dat je er aardappels en appels in kon poffen. Daar waren we uren mee zoet. 

De foto’s zijn van het paasvuur van 1965, toen ik zeventien jaar was. Van vuren van  eerdere jaren zijn geen foto’s. Op de foto rechts is (denk ik) in de verte een flat van de Helios te zien...

 


 

Helpen op het land

Helpen op het land moest je als kind al vrij vroeg, maar dat vond ik geen straf. Integendeel. In het voorjaar werd het land door een bevriende buur met een ploegapparaat gescheurd en gekeerd. Zo’n ploegapparaat zagen mijn vrouw en ik enkele jaren geleden nog wel op het platteland in China en Vietnam. Een motor op twee wielen en een groot stuur waarachter je kunt lopen. Het ding maakte een ongelooflijke herrie maar het werkte vrij goed. Toen ik heel klein was, werd het ploegen nog met een paard voor de ploeg gedaan, door een boer uit de buurt. Die kwam met zo’n enorme ‘Belg’ het erf op. Was ook een belevenis.  Maar daarna begon het werk pas. De grove kluiten moesten worden fijn geharkt om de aardappels te kunnen poten. Dat ging helemaal met de hand. En dat was best zwaar werk. In de schuur had mijn vader kistjes met poters, pootaardappels,  voorgetrokken, zodat er mooie stevige blauw-paarse kiemen aan zaten. Overdag moesten die bakjes buiten, en ’s nachts weer naar binnen, om ze af te harden en niet te laten bevriezen. Die aardappels moest je stuk voor stuk met de hand in het pootgat zetten met de beste kiemen naar boven. Voor iedere aardappel door de knieën. De aardappels voor de latere oogst kon je gewoon staande in het gaatje mikken. Zand erover en de volgende voorde. Een lijntje uitzetten, met de spade kuiltjes maken op de juiste afstand. Met het zand van het nieuwe kuiltje vulde je het gat van de net gepote aardappels. 

Ik vond het fijn werk. Maar nog mooier vond ik het aanleggen van de moestuin. Elk jaar op een ander gedeelte om wisselteelt te bevorderen. Alleen de grote rabarberplanten en natuurlijk de bessenstruiken bleven op één plek staan. We hadden rode, witte, zwarte bessen en kruisbessen. 

Groen emaillen pannetje

Voor de tuinzaden moest de grond nog fijner geharkt worden. De ruimte deelde mijn vader in, in bedden. Al in de winter waren de tuinzaden besteld uit een catalogus van Zaadhandel Van der Wal in Hoogeveen. Ik vond het fijn om al die plaatjes in kleur te zien van alle groenten en bloemen die je kon bestellen.  In het voorjaar kwam er dan een pakketje met daarin de zakjes met zaden. Verrassing was altijd dat er een gratis pakje bloemenzaad in zat. Het intrigeerde me dat je met zo’n klein pakje met zakjes zaden een hele moestuin vol kon laten groeien met lekkere groenten. En soms ook nog wat bloemen. Het zaaien deed mijn vader zelf want dat kwam heel precies. Spinazie mocht ik wel eens zaaien, dat zijn grovere zaden. Maar bij voorbeeld worteltjes zaaien was een delicaat karwei. Worteltjeszaad is heel fijn. Je ziet het nauwelijks en met een beetje wind waait het weg als je niet oppast. Mijn vader had speciaal voor dit doel een oud groen emaillen pannetje en daarin deed hij wat scherp zand (rivierzand, noemden wij het) en daar doorheen werden de fijne zaadjes gemengd. Samen strooide mijn vader het dan in de langs een touw met de punt van de harkstok getrokken voorde. Je kon dan aan het gele zand zien waar je was geweest en bovendien werden de zaadjes goed over de hele lengte verdeeld. Als je te dicht zaaide, moest je later veel plantjes uittrekken en dat was zonde. Bij bietjes kon je nog wel eens een plantje verplanten naar een plaats waar het zaad was uitgebleven. We verbouwden verder snijbiet, sla, radijsjes, winter- en zomerwortels, prei, andijvie en rode en witte kool en boerenkool. Andijvie moest als het een beetje plant was, stuk voor stuk uitgeplant worden. Dat verbouwden we veel, want we vonden, althans ik vond het lekker en het kon ook goed geweckt worden. Dus voor de wintervoorraad was het een ideale groente. Een deel van de andijvie lieten we zo lang mogelijk op het land staan in de herfst, want vers is natuurlijk het lekkerst. En dan konden we nog even van de wintervoorraad afblijven.

Aanpoten en napoten

Toen ik een jaar of veertien was, besteedde ik een groot deel van mijn zomervakantie aan de tuin. En ik vond het –meestal-  leuk werk.  Behalve bonen poten, dat vond ik wat minder leuk. Het kwam precies: drie bonen in een gaatje of op de juiste onderlinge afstand als we ‘op regels’ pootten. Niet te diep, anders duurde het zo lang voor ze bovenkwamen. En niet te ondiep, want dan verdroogden ze of werden uit de aarde gepikt door vogels. Die pikten trouwens vaker aan de boogjes waarmee de bonen boven kwamen. Ze denken, zei mijn vader, dat zo’n boogje een wormpje is. Dat klopte wel, dacht ik, want met de bonen deden de vogels niks. Die bleven gewoon boven op de aarde liggen. Maar je moest er wel weer bij langs op je knieën om die bonen opnieuw te poten. Na een late nachtvorst moest je ‘napoten’. Bonen zijn erg gevoelig voor nachtvorst. Of stukken waar de bonen niet opkwamen door te veel regen of droogte, ook die moest je napoten. 

Mien tuuntie

(kopje geleend van Ede Staal, zaliger)

Ik kreeg als lagere schoolkind al snel een stukje grond waar ik mijn eigen tuintje mocht inrichten.  Dat stukje grond was van mijn zus geweest die er ook een tuintje had. Op een gegeven moment ging zij voor de werkweek het huis uit, om te werken in de huishouding in Hoogeveen, waar ze dus intern was, en toen kreeg ik het stukje grond. Ik was er zeer verguld mee.  

Ik had er bloemen als goudsbloemen en gekroonde ganzenbloem. Toen wist ik niet dat die laatste plant zo heette en niemand bij ons thuis wist dat. Wij noemden de plant heel doeltreffend en efficiënt gèèln en wittn, omdat de bloem een geel hart heeft en naar buiten toe witte bloemblaadjes. Sommige waren helemaal geel. Toch noemde ik die ‘gele en witte’. Merkwaardig. Ze roken heel kruidig, vooral het zaad rook sterk, en dat klopt wel want tegenwoordig zet men thee van de bloemen en blaadjes. Dat kwam vroeger niet in ons hoofd op. Ik had altijd zo veel zaad en zo weinig grond dat ik ze bloemen veel te dicht zaaide. Dan moest ik ze weer uitdunnen om ze niet te sprietig te laten worden. 

In het najaar oogstte ik het zaad en droogde het en bewaarde het de hele winter. Later kreeg ik nog een stukje grond dat wat meer in de zon lag en had ik ook wat vaste planten en heel soms mocht ik, als ik met moeder naar de markt was, een paar plantjes kopen. Duizendschoon deed bij mij goed. Dat vond ik fijn want duizendschoon ruikt zo heerlijk zoet en kruidig! Het zaad is goed te verzamelen en het komt goed op. En goudsbloemen en akelei, en startpannechies, dat was Oost-Indische kers. Het ging eigenlijk altijd om planten die goed te vermeerderen en over te houden zijn met zaad. Geld om planten of bloemenzaad te kopen was er niet of het werd onzin gevonden om daaraan geld uit te geven. Ik was trots en voldaan als de planten groeiden en bloeiden en het goed deden. Het was spannend als na een week ongeveer de grond brak en de kiemplantjes begonnen te groeien. Je zou ieder kind dit soort geluk gunnen. Als het een droge schrale oostenwind was, begoot ik dagelijks de gezaaide bedden en regels. 

 

FOTO'S VAN MIJN TUINTJE(S) 

 

Hier sta ik uitgedost in feestkleren bij gelegenheid van de herdenking van de Bevrijding in 1960 in mijn tuintje dat ikzelf mocht onderhouden. Zie ook: "Mijn jaren op de lagere school" op deze site. Ik heb een overal aan en een band met 'BS' erop. Mijn vader had in de oorlog deel uitgemaakt van de BS , de Binnenlandse Strijdkrachten, een soort verzetsorganisatie die o.a. onderduikers hielp. In jeugdboeken had ik erover gelezen. Vandaar dat ik deze band om wilde. 

 Ik in de morellenboom om de zure vruchten te plukken

 op de gevelde appelboom; op de achtergrond mijn tuintje;  mei 1961 

 

Perzikboom

Een enkele keer kochten we perziken op de markt. Ik vond het heerlijke vruchten. Wat zou het mooi zijn als ik die zelf kon telen, bedacht ik. Ik pootte dus een paar pitten in de aarde in een oude bloempot en uit de ene pit kwam inderdaad een mooie plant groeien, die in een paar jaar een echt boompje werd. Hij bloeide in het voorjaar met tere rose bloesem. Ik volgde het proces elke dag.  De bloemen bleken bevrucht want er kwamen vruchtbeginsels die langzaam uitgroeiden tot echte perziken. Helaas werden de vruchten in ons koude klimaat niet rijp. Ze bleven klein, groen en hard.  Ik had het kunnen weten natuurlijk. Maar het was een leuk experiment. 

 

ik, trots bij mijn jonge perzikboompje dat beschermd wordt door een oude wasketel zonder bodem 

 

   

Diverse foto's van mij in " mien tuuntie "

  

  vader in de voortuin, leunend tegen de dikke kastanje

 in de voortuin

 

 

 


 

Kruid en onkruid

In de zomer was er veel werk in de tuin. Als het droog was moest je water uit de sloot geven. Moest je oppassen dat er geen eendenkroos meekwam.  Later kregen we een tuinslang op de waterleiding en werd het ‘begieten’ een stuk gemakkelijker. Er moest gewied worden en geschoffeld tussen de bonen en de aardappels. De kunst was om vlak langs de plantjes te schoffelen zodat je die net niet raakte maar wel alle onkruid. Soms ging dat natuurlijk mis, en kreeg je opmerkingen want vader kon zo zien dat er een plant in de rij miste. Het onkruid dat te dicht op de plantjes stond, moest je met de hand wieden. Regels bietjes en bedjes radijs en zo moesten toch al met de hand gewied worden. Op de knieën zittend trok je heel voorzichtig het onkruid weg. Dat was precisiewerk want de bieten- of spinazieplantjes mochten niet loskomen anders zouden ze verdrogen. Uren lag je zo op je knieën te wieden. Als het mooi weer was, vond ik het niet eens vervelend werk. Zeker als de zon scheen genoot ik ervan. 

Melde en knoppiesgoed

Als de aardappels groot waren, moesten we melde trekken. Melde is een hoge plant die sterk uitzaait als je hem niet op tijd opruimt. Melde opruimen vond ik wel leuk: de plant was tussen de aardappels zo hoog dat je nauwelijks hoefde te bukken, en als je tussen de aardappels liep, wat anders natuurlijk absoluut niet mocht, dan rook dat lekker. Niet alleen de bloemen van de aardappel geuren heerlijk, maar het blad (van sommige soorten?) rook ook lekker, vond ik. Ook moesten we soms tussen de aardappels op jacht naar coloradokevers. Dat vond ik niet zo leuk. Het doodtrappen van de kevers en larven liet ik graag aan een ander. 

Knoppiesgoed was irritant, het groeide overal tussen en met schoffelen kreeg je het bijna niet weg. Je moest er echt met de hand bij. Het ergste was de kweek. Die moest je al voordat er gepoot en gezaaid werd verwijderen. Later lukte dat niet meer. Dan zat het overal tussen gegroeid. Met de mest- of spitvork zeefde ik de grond en gooide de kweek op een hoop om te verbranden. Elk wit stukje wortel dat je over het hoofd zag, liep weer uit als de bonen en aardappels groot werden en vormde al snel weer een hele bos als je niet uitkeek. Voor kweek waren we beducht. 

Voortuin

In de tuin voor het huis stond een grote kastanjeboom. Daarvoor had er een appelboom gestaan, maar dat was voor mijn tijd. Er was een gazon en een paar borders. In het gazon stonden wat krokussen en in de borders in het voorjaar een pol narcissen, en verder duizendschonen en dergelijke sterke boerenbloemen, waarvan we vaak de naam niet eens kenden. Zo hadden we een prachtige trollius zonder de naam ooit te weten. Van die dikke dotterbloemen lijken het wel, maar dan hoger. Ik denk dat wij ze aanzagen voor een soort van ‘tamme boterbloemen’. Maar ook eenjarigen als goudsbloemen, asters, en zo. Ik heb eens van een stekkie van de fuk-fuk-fuchsia een grote plant gekweekt en die stond in de schaduw net achter de heg. Die bloeide dat het een lust was en ik was er terecht trots op dat ik die had opgekweekt uit een enkel stekje. 

Voor langs de weg stond een ligusterhaag. Toen ik groter was, mocht ik die knippen. Ehh, moest ik die knippen. Ik weet nog dat ik de grote bol aan het eind bij de sloot eerst heb laten uitbloeien. De bloemen vond ik te mooi om af te knippen en vooral de geur vond ik zo heerlijk, die is voor mij zo verbonden geraakt aan de zomer en aan een onbezorgde jeugd. Als ik nu op een camping of in een Frans of Italiaans dorp langs een liguster loop dan ruik ik hem al op afstand en kan ik niet laten een trosje bloemen te plukken en mee te nemen op mijn wandeling en er zo nu en dan even aan te ruiken. De zomers van vroeger zijn dan even terug. 

Oogst

Als ik in de vroege zomer mocht zorgen voor het dagelijkse maaltje nieuwe aardappels genoot ik. Die geur van jonge aardappels zo uit de grond, het is een van de lekkerste geuren die ik ken. Net als jonge worteltjes, die ruiken ook heel lekker maar niet zoals vroege aardappeltjes. De aardappels deed ik in een zinken emmer, water erop en dan stampen met een oude klomp. Dan was het grootste deel van het vel er al af. De rest moest ik met een mesje eraf schrappen. Dat was een viezig karweitje: de velletjes kleefden om je vinger, je kreeg er heel bruine vingers van, maar ook hier: het rook wel weer lekker! Een beetje prikkelend in je neus. 

Rotte aardappel

Later in het seizoen gaan aardappels wat muffig ruiken als je ze rooit. Dat is niet lekker. We waren wat groenten en aardappels betreft vrijwel het hele jaar zelfvoorzienend. De aardappels werden in de herfst gerooid of gekrabd en in een schepelsmand gestort om te meten hoe de oogst was. Dan werden ze voorlopig aan een hoop op het land gestort met aardappelranken eroverheen en wat zand. Tegen dat de eerste stevige vorst kwam, moesten de aardappels natuurlijk van het land en dan werden ze in de kelder onder de slaapkamer gestouwd. Moeder belegde dan het achterhuis en het voorhuis met oude kleden en dan brachten mijn vader en mijn broer, later ik ook, de aardappels van het land in de kelder. Ik moest ’s winters wel in die kelder duiken om voor een paar dagen aardappels ‘boven water’ te halen. Ik paste goed door het kleine luik. Dat vond ik geen fijn werk. Zo lekker ik jonge aardappels vind ruiken, zo vies vind ik de geur van een aardappelkelder in de winter. Als je pech had, greep je dan in het halfduister in een rotte aardappel. Erger stank is er nauwelijks denk ik. Zelfs als je je handen daarna drie keer had gewassen, stonken ze nog. Ik gruwde ook van het gevoel, als je in zo’n natte rotte aardappel greep. 

  


 

 

Wormpies

Het oogsten van radijsjes en gele raapjes ( ‘knollen’) was weer heel leuk. Het kind in mij verwonderde zich erover hoe in die vochtige zwarte grond een vruchtje kon groeien dat zulke fijne witte en paars-rode kleuren kon hebben als een radijsje. Ik genoot, en dan had ik ze nog niet eens geproefd. Jammer was wel dat er vaak wormpjes in zaten. Hoewel mijn vader niet zuinig was met bestrijdingsmiddelen, moest je toch elk radijsje controleren. Mijn moeder gooide een ‘aangestoken’ radijs al snel weg maar ik vond een paar bruine gangetjes niet zo’n probleem. Daar kon je toch omheen eten of het wegsnijden? Toch zonde om dan de hele radijs weg te gooien? Ook de kleine gele rupsjes in de wilde frambozen (hemerties) die achter in de slootwal groeiden vond ik niet griezelig of zo. Alles wat je zo kunt plukken en eten, ik genoot ervan. En dan moet je maar niet te krek kijken. 

Het drukst was, na het voorjaar, de nazomer en het najaar want dan moest alles van het land. De sperziebonen werden geweckt, gedroogd aan slingers of in het zout ingelegd in de Keulse pot. Hele middagen zat je dan te draaien aan de slinger van het tafelmolentje. Mijn zus deed op haar schaarse vrije dagen ook veel thuis. Er was heel wat nodig in een gezin van zes personen. In de winter waren er alleen de groenten van het seizoen, dat wil zeggen, de groenten die je zelf kon conserveren. Groente kopen deden we weinig. 

Zo’n bonenmolentje was een gietijzeren geval met twee gaten aan de voorkant waar de bonen in konden en daarachter een draaischijf met messen die je met een slinger rond moest draaien. Vandaar dat het een molentje heette. 

Draaien aan het molentje

De een draaien, de ander boontjes insteken in de twee gaten die daarvoor bedoeld waren. Het molentje zat aan de keukentafel geklemd of als het mooi weer was buiten aan een plank boven de wasteil. We ‘maalden’ wel een grote wasteil vol. Het werd een sport om te proberen steeds de twee gaten gevuld te houden, zodat de draaier constant kon doordraaien. Maar dan moest je wel hard werken. En oppassen dat je je vinger niet in het gat stak. Dat dan ook nog. 

Voor het wecken moesten de bonen gepunt worden en moeder was er scherp op dat je geen boontjes met een bruin plekje of een rot stukje doorliet want dat kon betekenen dat het weckproces niet lukte. Dan ging de fles na het koken open en moest die binnen een dag of zo opgemaakt worden. En daar deed je al het werk niet voor. Wecken deed mijn moeder met veel spullen uit de tuin. Ook gesneden en gezouten sperziebonen gingen in de weck en ook andijvie. Een diepvries bestond niet, althans niet bij ons.  Tientallen potten geweckte andijvie stonden er in de kelder tegen de winter. Ook andijvie werd zorgvuldig gecontroleerd op mankementen en gewassen en nog eens gewassen en nog eens tot er geen zandkorreltje meer op de bodem van de teil lag na de laatste keer wassen. Het kostte allemaal enorm veel tijd en energie. 

Voedsel en waardering

De bruine bonen bleven op de stam op het land staan tot de plant helemaal dood was. Of ze werden op een stuk kippengaas gelegd om te drogen. Ze kleurden dan helder licht gelig met soms mooie rode adertjes erdoor. En ze kraakten en ritselden dan zo lekker. 

Als het dan op een zaterdag mooi droog weer was, werden ze geoogst. De struiken uit de grond trekken, alle bonen eraf trekken en in een mand gooien. Deels werden de bonen ‘gedorst’ maar deels ook in de schil bewaard op zolder. 

Als ik eraan denk hoeveel tijd we toen besteedden aan ons voedsel en hoe gemakkelijk we het tegenwoordig daarmee hebben, dan denk ik wel eens dat mensen weer eens wat meer tijd aan het zorgen voor voedsel zouden moeten besteden. Dat zou voor onze waardering voor eerlijk vers voedsel veel goed kunnen doen. Wij stonden toen heel dicht bij het voedsel, je was ervoor afhankelijk geweest van het weer en had er heel veel werk in gestopt, en mede daarom werd er nauwelijks iets verspild. Als je er zoveel moeite in hebt zitten, gooi je het niet weg en waardeer je het veel meer. Er werd toch al weinig of geen voedsel weggegooid. Er werd niet gerefereerd aan de oorlog, toen mensen in Nederland echt honger leden, maar ik voelde wel dat mijn ouders dat uitstraalden: voedsel gooi je niet weg. Punt. Bij mijn vrouw thuis was dat hetzelfde en ook nu wordt er bij ons thuis praktisch geen voedsel weggegooid. 

Gedroogde boontjes

In het achterhuis stond een ladder, die toegang gaf tot de zolder, waar net als in de kelder etenswaren werden bewaard. Daar hingen de strengen aangeregen ‘dubbelwit’, dat waren sperzieboontjes (angerijgde boonn heetten die, met een zwak vervoegd werkwoord). ’s Zomers zaten we met naald en draad bonen aan te rijgen, die in de zon gedroogd werden tot ze helemaal ineengeschrompeld waren en keihard. Niet om aan te zien eigenlijk. Eerst waren ze nog droog-groen, maar aan het eind van de winter waren ze bruin. Ook deze boontjes hadden een speciale geur, heel zwaar. Ze waren heel goed te bewaren op die manier. Bij koud en vochtig weer hingen de strengen bonen ook wel binnen te drogen, boven het fornuis of aan de kachelpijp. Of zelfs in de oven.  Moeder klaagde dan wel, want als de boontjes niet snel genoeg droogden gingen ze schimmelen en was al het werk voor niets geweest.  ’s Winters werden de droge harde boontjes dan van de draad gehaald, lang in water geweekt en vervolgens bereid. Het was geen licht verteerbaar voedsel, maar ik vond het wel heel smakelijk. Ook op het bord zat de zware zoete geur nog aan de rimpelige boontjes. 

Ook lagen er op zolder gedroogde appels en niet te vergeten de bruine bonen. Die werden deels in de schil bewaard als ze buiten niet gedroogd konden worden. Later moest je die dan doppen om ze te kunnen eten. Dat was niet zo’n fijn werk vond ik, want de droge schillen waren hard en scherp. Bij ons thuis verbouwden ze veel bruine bonen want we waren allemaal dol op de bonensoep die mijn moeder altijd ’s zaterdags kookte voor de zondag. Een verse worst erin en de tweede dag pas eten. Dan is de soep het lekkerst. Ik hoopte ’s zondags altijd dat er wat soep overbleef, dan kreeg ik die ’s maandags nog wel eens. Nog dikker en nog lekkerder. 

Na de soep was er dan elke zondag de vanillepudding. Ook die kookte mijn moeder zaterdags. Het hele huis rook dan naar vanille. De volle kom werd in de kelder gezet om te koelen en op te stijven. Zondag stond er dan een flesje Tova op tafel, dat was een in-zoete aardbeiensaus. Ik vond het op de pudding wel lekker. Tot mijn verbazing blijkt het merk nog te koop, nu eigendom van Hero. 

 

 


 

 

Blaartrekkend zuur

We hadden een paar morellenbomen. Morellen zijn heel zure kersen en die van ons waren volgens mij extra klein en vreselijk zuur maar in de weck met flink suiker waren ze ’s winters wel lekker. Verder weckten we kruisbessen, zwarte en rode bessen, later ook aardbeien. De kruisbessen werden geschift in grote en kleine. De kleintjes kwamen niet in de weckpot maar daar kookte mijn moeder jam van. Rode bessen in de weck vond ik zelf geen succes: ze werden heel bleek door het koken (aardbeien trouwens ook maar die bleven wel lekker) en waren ook met suiker ’s winters nog blaartrekkend zuur. Moeder deed ze zondags wel eens op de vanillepudding en dan waren ze iets beter te pruimen. Als ik dan een heel gebleven bes doorbeet, schoten me de tranen bijna in de ogen, zo zuur vond ik dat. Pas veel later, onder invloed van mijn vrouw denk ik, ben ik zure smaken meer gaan waarderen. 

Reine Claude

Kersen hadden we alleen toen ik nog heel klein was. De boom werd gerooid omdat hij ziek was. Ik heb er hevig tegen geprotesteerd want er kwamen toch nog van die heerlijke meikersen aan: geel met een rode blos. Maar mijn protesten mochten niet baten, de boom werd omgezaagd. Pruimen hadden we ook. Eén boom met blauwe pruimen en enkele met witte pruimen. Dat waren Reine Claudes, maar dat wisten wij toen niet dat ze zo heetten. Bijna groene pruimen, die bij het rijp worden een beetje geel worden. Heerlijk. Er was soms zo veel van dat we ze aan de weg zetten om  gratis mee te nemen. We hebben er zelfs een keer een mozaïek mee gelegd in het gras in de voortuin. Daar lagen ze tot ze verrotten. We konden het echt allemaal niet op in een goed pruimenjaar, en aan de weck-capaciteit van mijn moeder kwam ook een keer een eind. Omdat ze er wel eens helemaal klaar mee was (denk ik, zoiets zei mijn moeder nooit, ook niet in andere bewoordingen), maar ook omdat er gewoon geen weckglazen meer over waren. 

  mozaïek van overschietende pruimen

Keulse pot

Witte kool werd geschaafd en in de Keulse pot gedaan: laagje kool, laagje zout, laagje kool, enz. Eroverheen kwam een rond, wit uitgebeten plankje, daarop een zware steen en ten slotte een schone doek. Ik vond de geur misselijk makend vies maar de zuurkool smaakte wel goed. Prei en boerenkool bleven zo lang mogelijk op het land staan. De prei werd afgedekt met wat ruigte en was zo heel lang buiten houdbaar. Ik weet nog wel dat ik soms met de schop door de bevroren grond moest steken om voorzichtig een paar preien los te peuteren. 

Boerenkool is pas lekker na een nacht vorst zegt men en dat is ook zo. Ze is dan zoeter. Smakelijker. Door de vorst zijn er suikers gevormd.  De boerenkool kon veel hebben maar als de kale winter langer duurde, werden onze boerenkoolstruiken kaal gevreten door de houtduiven. Een diepvries hadden we toen natuurlijk niet en wecken kon niet met boerenkool. Zo kregen de duiven dus ook wat om de koude winter te overleven. 

Appels en peren

Opzij van het huis stonden een appelboom en een perenboom. De perenboom was een flinke. Aan de appelboom kwamen heerlijk zoete appeltjes. Klein maar o zo fijn. Beide bomen werden later ziek, althans zo werd me verteld, en beide zijn ze omgehakt. Net als de meikersenboom. Dat vond ik zo zonde, want de dikke gele kersen met een rode blos waren zo van de boom al heerlijk en in de weck ‘s winters zo mogelijk  nog lekkerder. ik vond het een feestje als moeder een pot geweckte kersen opende, meestal bij gelegenheid van een verjaardag.  En ook van de appeltjes en de kleine ronde peertjes vond ik het zonde om de bomen zomaar om te zagen. De perenboom had zo’n dikke stam, dat de boom een hele tijd in de tuin heeft gelegen voor hij werd opgeruimd. Toen was het, zonder motorzaag, een vermoeiend karwei om zo een dikke stam door te zagen en in stukken te kloven. 

 wijlen de appelboom

De appeltjes, vooral de zure, werden in de herfst in plakjes gesneden en gedroogd aan een draad. ’s Winters werden ze wel als groente gegeten. 

Tja, dat wecken van groenten en vruchten, mijn moeder was er druk mee. In een grote wasketel op een industriebrander, zo’n vierkante simpele gasbrander met grote pit, werden de literflessen en soms halve liters net onder water aan de kook gebracht en dan na een tijdje was de lucht eruit en konden de flessen afkoelen. Dat moest altijd onder een schone theedoek. Je mocht er niet onder kijken. Dat waren voor mij onverklaarbare rituelen, maar mijn moeder geloofde heilig dat als de doek niet schoon was, of voortijdig opgelicht werd, de flessen hun vacuüm zouden verliezen. Tja, zo met dat ‘vacuüm’ zei ze het natuurlijk niet. Altijd een spannend moment als de beugels eraf gingen want dan ging blijken of de fles dicht zat of dat er toch lucht bij gekomen was en er geen vacuüm was ontstaan. In dat laatste geval werd de inhoud meteen of de volgende dag opgegeten. Meestal ging het wel goed. Maar soms was de rubber ring kennelijk toch wat te oud… 

Toen ik getrouwd was, hebben mijn vrouw en ik ook nog jaren vruchten geweckt. Vooral kruisbessen uit mijn eigen volkstuin en later uit die van mijn zwager vonden we ’s winters heerlijk. 

 


 

 

Buren

Naast ons in de dubbele woning woonden dus de buren die dubbele familie waren en aan de andere kant, wel 70 meter verderop op nr. 49, woonden een oud echtpaar met twee ongetrouwde zoons in huis. Ik kon goed met ze opschieten als kind. Toen ik wat groter werd mocht ik er zelf heen lopen. Ze hadden een hond die aan een ketting en een stang zat. Die hond ging enorm tekeer tegen iedereen die het erf opkwam, ook tegen mij. Ik was er bang voor. Toch heb ik mezelf wel eens gedwongen om naar de hond toe te gaan en hem te aaien. De buren woorden in een huis, waarbij vergeleken ons huis een paleis was. Er was een piepklein keukentje, een kleine kamer en daarin de bedsteden. Het rook er altijd benauwd want in het achterhuis huisden de geiten en varkens. En erg schoon waren de mensen ook niet op zichzelf, zo had ik toen al de indruk. Maar ze waren altijd heel aardig. Ik kreeg altijd een snoepje of een koekje en vaak meer dan één. Dat moest mijn moeder niet weten want die vond dat niet goed. De ene zoon was bevriend met mijn broer en ze hadden beiden dezelfde hobby: tropische vogels. Bij de buren werd een grote volière gebouwd met allemaal tropische vogeltjes erin. Fascinerend vond ik ze, vaak met felle kleuren waarbij de lokale vogels maar saai afstaken. Een pauw hadden ze ook. Die kon je in de verre omtrek zijn naam horen schreeuwen: pááuw, pááuw. Later bouwde mijn broer naast ons huis ook een volière, met een verwarmbaar nachthok en allerlei tropische vogels en eenden. 

 de oude buurvrouw en buurman Pastoor

 het oude huis van de buren op nr. 49

 

  

    één jaar was er een geweldige wateroverlast  in de buurt

 Toen er sprake van kwam dat het oude huisje op nr. 49 plaats zou moeten maken voor een modern nieuw huis, maakte ik voor de buurman een fotoserie van het oude huisje. 't Was schilderachtig maar o zo oncomfortabel. 

    

de enorme eiken drukken het stulpje nog meer tegen de aarde, lijkt het wel. 

 

  

     

Nieuwjaar winnen

Met nieuwjaar ging ik altijd naar de oude mensen om ‘nieuwjaar te winnen’. Alle buren gingen toen op nieuwjaarsdag even bij elkaar langs om “nieuwjaar te winnen”. Je wenste elkaar dan een gelukkig nieuwjaar en je kreeg daarvoor wat te drinken, de volwassenen een ‘schone’ (jonge) jenever en nieuwjaarsrolletjes of knieperties te eten. Eens als vrij jong kind heb ik bij de oude buren  advocaat gekregen. Buurvrouw kon nogal aandringen. Dus ik advocaat eten. Op? Nog een glaasje! Kom, dat kan geen kwaad, je bent toch al een grote jongen? Ik ben nog nooit zo beroerd geweest van advocaat en heb het spul in geen jaren meer aangeraakt. Wat heb je bij de buren gehad dan?, vroeg mijn moeder achterdochtig toen ik ziek werd. Toen moest ik het wel opbiechten dat ik wel drie glaasjes advocaat had gehad. Eigen schuld dat je ziek bent, zei mijn moeder hardvochtig. Dat was een goede les. Ik ben later nog maar één keer dronken geweest en dat was in militaire dienst. Maar daar hoor je als jonge kerel toch wel een keer dronken te zijn, toch? Daarover later.

In latere jaren werden de buurman en zijn vrouw wel erg oud. Buurvrouw begon langzamerhand dementieverschijnselen te vertonen. Ze begon weg te lopen. Haar schoondochter was er heel vaak en mijn moeder ging ook vaak even kijken overdag, als de zoons er geen van beide waren. Ik heb toen nog een keer een belsysteem aangelegd. Telefoon had nog niemand in onze buurt. En de buren wisten dat ik wel eens wat experimenteerde met elektriciteit. Via een trafo, dat dan weer wel. Dwars door het land en over de sloot heb ik twee draden aangelegd met een trafo en een belletje bij ons en een knop bij de buren. Als buurvrouw dan moeilijk werd, drukte de zoon of de schoondochter op de knop en haastte mijn moeder zich ernaartoe. Burenhulp en mantelzorg avant la lettre. 


 

 

 

Volière

Mijn broer ging dus ook tropische vogels houden. Naast ons huis werd een nachtverblijf gebouwd met drie grote kooien, waar je in kon lopen en staan. Er stond een oude oliekachel om het ’s winters vorstvrij te kunnen houden. En daaraan vast gebouwd  kwam buiten een grote volière, helemaal met speciaal fijnmazig gaas omheind en bedekt. Erin kwam een vijver, want er kwamen ook tropische eenden, waaronder Mandarijneenden. De buitenren werd helemaal beplant en van zitstokken e.d. voorzien. Al spoedig was de volière een bezienswaardigheid en stapten langsfietsende mensen ’s zomers af om een kijkje te nemen. Een paar keer heb ik een paar weken voor de vogels mogen zorgen, als mijn broer op vakantie was. Daar kreeg ik geld voor, maar ik vond het ook wel leuk werk. Al die kwetterende vogels om je heen als je kwam voeren of water verversen, leuk hoor.

 

Mijn broer ging tropische vogels houden; niet zomaar een paar maar veel en in een gigantische volière die best bekijks trok.Hieronder wat beelden van de grote vliegkooi.  

  

  

 

 

Onweer

In het geheugen van de meeste mensen waren de onweersbuien vroeger in iemands jeugd altijd erger dan ze nu zijn. Dat is denk ik bij mij ook wel het geval, en of het een wetenschappelijk feit is, weet ik niet. (In de bergen hebben we later ook wel heel erg onweer meegemaakt. In Vic-sur Cère in de Cevennen sloeg de bliksem in op de camping: ramen uit een camper geblazen en een disselbak van een caravan geknald. Onze dochter sliep hier gewoon doorheen, maar mijn vrouw en ik zaten wel even te bibberen bij wijze van spreken, hoewel je weet dat je in de caravan veilig zit.)

Maar wel was het zo dat onweer vroeger gewoon veel meer impact had. Als kinderen werden wij uit bed gehaald als er nachtelijk onweer was. Gauw wat kleren aan en dan in de kamer om de tafel wachten tot de knetterende slagen voorbij waren. Op tafel stond een petroleumlamp, zo’n stormlamp, met een glas dat je moest optillen om de pit aan te steken. De geur van petroleum is dan ook met mijn jeugd verboden. Het elektrisch werd afgesloten, mijn vader haalde de stop uit de meterkast die in de huiskamer in de hoek zat, en zette de hoofdschakelaar om. Op tafel stond een kistje met daarin de papieren, denk ik. Wij mochten daar nooit bij, maar ik denk de verzekeringspolis van het huis, de hypotheekakte en dat soort dingen. Dat moest je bij de hand hebben voor het geval het misging. Je hoorde en las wel van boerderijen die afbrandden na blikseminslag en van koeien die ‘dood sloegen’ door de bliksem. Slaapdronken zat je dan te wachten, maar vader las rustig wat bij het flakkerende licht. Heerlijk vond ik het om na de bui nog even buiten te kijken. Als de ozon nog in de lucht hing, rook het zo bijzonder. 

Tingelingeling, de ijscoman

Tingelingeling... Dat was de bel van de ijscoman. Als het hoogzomer was, kwam de ijscokar wel eens langs. Niet vaak, want we woonden natuurlijk in het buitengebied. Wij kinderen waren meteen gealarmeerd als de bel klonk, en stormden naar binnen om een stuiver, of liever nog een dubbeltje natuurlijk, van moe te bedelen om een ijsje te kunnen kopen. Voor een dubbeltje had je net wat groter wafeltje. De witte fietskar met twee van die glimmende, bolle deksels op de bak intrigeerde natuurlijk bovenmate. Thuis was er geen koelkast laat staan een vriezer. We hadden een kelder om alles fris te houden. Dus ijs was een heel bijzondere traktatie. Wat later kwam er aan de Coevorderstraat bij Noordscheschut een timmerman die een loket opende waar je patat –ook zoiets nieuws- en ijs kon kopen. Toen ik eenmaal een fiets had, racete ik op een mooie zomeravond wel eens daar heen om ijs te halen. Dan nam ik ook meteen voor de buren mee. De ijscokar had eigengemaakt ijs, maar hier aan het loket verkochten ze fabrieksijs aan een plat houten stokje, met een wikkel eromheen. Dat stokje smaakte vies, dus je moest het niet te schoon likken… Eerst was er het simpele ijsje in de smaak vanille, later kwam er aardbeismaak bij en weer later met een laagje chocolade.  En toen de luxe steeds verder ging, kwamen er ook kuipjes ijs met wat aardbeienjam erbij. Ach, je kon de toenemende welvaart aflezen aan de ijsjes die we kochten. 

 


 

 

 

 

Kerk 

Mijn moeder en wij kinderen gingen naar de kerk op het Noord. Daar aan de noordkant van het kanaal stond het Wijkgebouw Noord, op de plaats tegenover het Schooldijkje dat loopt van het noord naar de Coevorderstraatweg, waar nu bedrijventerrein is aan de Stephensonstraat. Daar was een draaibrug. In het wijkgebouw preekten meestal dominees uit Hoogeveen. Mijn moeder was sterk religieus; vader ging niet naar de kerk, maar bracht moeder later, toen het wijkgebouw er niet meer was, wel naar de kerk in Hoogeveen met het Fiatje 600. We gingen meest lopend naar de kerk. Dat was wel een hele tippel. Maar naar de lagere school was het nog weer een klein kilometertje verder langs het Noord. 

 

Op deze foto (van Bertus ten Caat op www.hoogeveen2000.com) is de draaibrug over het noord te zien. Rechts nog een restant van het Wijkgebouw, dat hier net wordt afgebroken. (Jaren zestig) Deze brug staken wij altijd over om naar de lagere school aan het Noord te gaan. 

 

Als kleine jongen zat ik natuurlijk naast moe, maar later zat ik bij de grotere jongens op de achterste bank. Ik weet nog dat er ( bij ds. Noordmans meen ik) niet zo veel publiek was, en de voorste rijen waren nooit bezet. De dominee nodigde iedereen uit om vooraan te komen zitten, dan hoefde hij niet zo hard te spreken en leek het ook wat voller. De mensen aarzelden eerst nogal om in beweging te komen.  Wij zijn toen als jongeren helemaal op de eerste rij gaan zitten. Daarna kwamen meer mensen naar voren. Dominee vond het wel gaaf,  geloof ik, dat wij daar helemaal vooraan gingen zitten.

 Ds. Taverne

In Hoogeveen was, toen ik drie jaar was, dominee Taverne gekomen. Deze rechtlijnige predikant kreeg onenigheid met het kerkbestuur over de nieuwe kerkorde en richtte op den duur (in 1954, ik was toen zes) zijn eigen ‘kerk’ op: de Presbyteriaal Hervormde Kerkgemeenschap. De dominee was niet alleen strijdvaardig zoals in de Veenmol 2015-3 staat, maar ook zeer rechtlijnig. Hij was, en ik baseer mij hiermee op het genoemde Veenmol-artikel van G. Koopmans, tegen de emancipatie van de vrouw, voor rassenscheiding, tegen radio en televisie, tegen verplichte verzekeringen en tegen het ouderdomspensioen van ‘Vadertje Drees’. Heel merkwaardig vond ik dat hij van de kleine kring getrouwen die hem omringde, wel een nieuwe auto, een Daf 44, wilde ontvangen. De tv was een duivelse uitvinding maar de auto was kennelijk maar wat gemakkelijk.  'Principes', ja ja. 

Een deel van mijn familie was ook volgeling van deze merkwaardige dominee. Wat ik me ervan herinner (ik was een lagere schoolkind)  is niet allemaal zo christelijk. De dominee groette anders gelovigen niet en verbood ook zijn volgelingen om om te gaan met mensen, ook familie, die niet tot de kring van zijn volgelingen hoorde. Dat heeft sommigen in onze familie veel verdriet gedaan. 

Overigens heb ik op de Hervormde Mulo in Hoogeveen in de klas gezeten met een zoon van ds. Taverne, Frans. Een sympathieke, aardige jongen. Helaas is hij in 1981 bij een auto-ongeluk in België omgekomen. 

Baard

Nu had ik hier en daar toch wel merkwaardige familie. Bij een oom en tante haalde ik ’s zaterdags altijd eieren. In een bruin karbiesje. Ik zie het nog zo voor me. Op de (oude dames-)fiets, later een echte ‘herenfiets’ met een stang, reed ik naar het dijkje waar de mensen woonden in een klein keuterboerderijtje. Ik werd altijd hartelijk ontvangen, en zat altijd even te kletsen voor ik weer heel voorzichtig met mijn karbiesje vol eieren terug fietste. Dat heb ik jaren gedaan. Maar toen ik naar de kweekschool ging en mijn beginnende baard liet staan, bekeken mijn oom en tante me alsof ik een ontsnapte gevangene was. Ik kreeg te horen dat, zo lang ik die baard droeg, ik niet meer welkom was. Dat was voor mij natuurlijk des te meer reden (op die leeftijd!) om me voor te nemen mijn baard nooit weer af te scheren. En dan de toorn van die oom en tante maar voor lief te nemen.  Tot op heden heb ik me aan dat voornemen om mijn baard te laten staan, gehouden. Met mijn relatie tot de oom en tante is het niet meer goed gekomen, dat zal duidelijk zijn. 

Zondagsschool, jeugdverenigingen  en uitjes

’s Zondags was er de zondagsschool. Je moest daarvoor een psalmversje leren (net als op de gewone school ook trouwens) en je kreeg een verhaal uit de Bijbel te horen. Met twaalf jaar ging je naar de Knapenvereniging en nog later was er de Jongelingsvereniging. Tegen de tijd dat ik daar aan toe was, liep dat allemaal niet meer zo. Ik ging er ook niet vaak heen; ik was druk met de kweekschool. De knapenvereniging was wel leuk. Je ging er niet in de eerste plaats heen voor de catechismus die je geacht werd te leren, voor een deel uit je hoofd, maar vooral voor de contacten met andere jongeren. Dat was wel spannend. Kalverliefdes, krassen op de ziel, zoals Daniël Lohues dat zo mooi noemt in zijn weemoedige lied “Annelie”.  Eens per jaar gingen we met de jeugdvereniging(en) een dagje uit met een bus. Naar een speeltuin en dat soort dingen. Ik herinner me ook dat we eens naar een predikant zijn geweest die uit Hoogeveen/ Noord was vertrokken. De leiding moest zo nodig bij die beste man langs. Daarover was de jeugd niet erg te spreken. Maar meestal waren de uitjes wel leuk. In de bus terug werd er wel eens een zoen gestolen. 

In juni 1965 ging de tocht via de Afsluitdijk en de marinewerf van Den Helder naar de Hondsbosse Zeewering en het Noordzeestrand. In IJmuiden bekeken we de sluizen. 

Met kerst was er een speciale kerstviering voor de jeugd. Je mocht dan een Bijbeltekst die je uit je hoofd had geleerd, opzeggen. Als dat lukte, en ik vond dat allemaal niet zo moeilijk,  dan kreeg je een mooie zoete plaat met een Jezus die eruit zag als Arie Boomsma in zijn beste jaren, met een lammetje op zijn schouder. Dat werk. Toen was ik er wel mee ingenomen als ik zoiets kreeg. Nu nauwelijks meer voor te stellen. Later toen ik een van de oudsten was op de jongelingsvereniging heb ik ook wel eens een kerstverhaal verteld. Ja, als je naar de kweekschool ging, dan kon je dat. Ik vond het ook wel leuk om te doen. Een keer heb ik er dia’s bij laten zien, met een gehuurde projector. Dat was helemaal bijzonder in die tijd. 

  

   

 


 

Hobby’s

Ik deed van alles als hobby. Eens kwam mijn broer thuis met een praktisch compleet pakket voor het bouwen van een zweefvliegtuig van balsahout. Iemand wilde er vanaf. Ik heb het vliegtuig gebouwd en beplakt met speciaal heel dun papier dat meegeleverd was. Het was een enorm karwei want al zou je het niet zeggen: het model bestaat uit heel veel houten onderdelen! Het ding heeft ook nog 'gevlogen'. 

Elektriciteit

Knutselen met elektriciteit was een van mijn hobby’s. Natuurkunde vond ik een interessant vak op school en in de beginjaren van de Kweekschool (eigenlijk de latere havo-onderbouw met nog niet beroepsgericht onderwijs) wist mijn natuurkundeleraar mij over te halen een abonnement te nemen op Archimedes, een blaadje waarin natuurkundige weetjes en artikelen stonden maar ook soms proefjes die je kon nadoen en dingen die je kon bouwen. (Archimedes, tijdschrift natuurkunde, scheikunde en sterrenkunde). Zo heb ik eens een periscoop gebouwd, simpel met een paar goedkope scheerspiegeltjes en karton. Daarmee kon je om een hoekje kijken. Je had er niks aan, maar ’t was leuk als het bleek te werken. 

In de schuur achter ons huis bewaarde mijn vader van alles wat hij niet weg kon gooien. En dat was heel wat.  Ik heb dat trekje vast van hem geërfd overigens. Ik vond daar koperen klemmetjes die, zo vertelde mijn vader, in de oorlog gebruikt werden om batterijen aan elkaar te koppelen voor de clandestiene radio die ze destijds onder de vloer bewaarden. Over die radio heb ik helaas nooit veel gehoord; over de oorlog werd eigenlijk nooit gesproken in de na-oorlogse jaren. Of ik heb het gemist als kind, dat kan ook. Maar ik dacht over die klemmetjes: wat toen kon, kan nu ook. Dus ik kocht een stuk of vier platte Witte Kat batterijen. Zo’n batterij bestond eigenlijk uit drie 1,5 V cellen aan één gesloten in serie dus de batterij leverde 4,5 V. Als je vijf van zulke batterijen parallel verbond, dus alle gelijke polen met elkaar, dan kreeg je een forse stroomsterkte. Ik zaagde en lijmde er een passend bakje voor van triplex en zo had ik een aardige stroombron. 

In die schuur vond ik ook twee oude trafo’s. De ene bleek nog te werken. Voor het zo ver was, was de stop beneden in de elektriciteitsmeter (die zat pontificaal in de woonkamer!) wel een paar keer doorgebrand, maar na wat opnieuw isoleren en schoonmaken bleek het ding goed te werken. Je kon zelfs verschillende voltages kiezen. Daarmee heb ik veel geëxperimenteerd. 

Een zelfgebouwde elektromotor

  

Met uiterst simpele materialen bouwde ik een elektromotor die, zoals je op de foto hieronder ziet, nog steeds snort als een naaimachientje.

 

 

De andere trafo was kapot. In “Archimedes” had ik gelezen dat je zelf een elektromotor kon bouwen. Ik moest wel improviseren, want het mocht niets kosten. Zakgeld had ik maar heel weinig. Nu had ik voor een elektromotor het belangrijkste onderdeel te pakken: het dunne koperdraad. Ik sloopte de trafo en begon de dunne koperdraad af te winden. Dat was een lastig karwei want het dunne koperdraad draaide en kringelde alle kanten op als je het afwond. Je moest er nog voorzichtig mee zijn ook, want de isolatie bestond uit een uiterst dun laagje van een soort lak. Als dat beschadigde was mijn draad waardeloos. Het is me gelukt om de vele meters draad af te winden. 

Eerst construeerde ik nu een elektromagneet, gewoon om te kijken of dat werkte. Een heel dikke spijker, omwonden met het dunne koperdraad. Stroompje erdoor en het werkte als een… echte magneet. Spijkertjes vlogen er op af.  

Dan de motor. Daarvoor kwam wat meer improvisatietalent en inventiviteit kijken. 

Met behulp van onderdeeltjes van mijn meccanodoos monteerde ik op een asje een paar 

└------┘vormige metalen strips. Daaromheen wond ik de koperdraad, het zo uit mikkend dat op elke van de vier uiteinden ongeveer even veel koperdraad kwam te zitten. Dat lukte bij benadering. De beide uiteinden van de draad maakte ik geïsoleerd vast tegen het asje. Rechtop staand, simpel met wat plakband.  Ik had in mijn meccano- en knutseldoos twee stukken permanente magneet liggen. Die had mijn broer eens gevonden bij de VAM toen hij daar werkte. Kennelijk onderdeel geweest van een grotere elektromotor. Die beide stukken magneet monteerde ik op een paar plaatjes met behulp van meccano-onderdelen. Nu moest ik het asje met de windingen nog in een soort lager kunnen laten draaien. Dat heeft een paar dagen geduurd voordat ik daar een oplossing voor had. Een metalen knopje van een oude balpen dat net om het asje heen paste, een plastic voetje dat ik ergens vond, waar dat knopje weer in paste. Wat plakband en een heel klein kogeltje uit een balpen dat weer net in het metalen hulsje paste; dat alles samen vormde een bruikbaar ‘lager’. Nu moest ik de stroom (gelijkstroom van de batterijen) nog door de windingen zien te krijgen. Langs de bovenkant van het asje spande ik twee draden die van de batterijen kwamen, met een ongeïsoleerd stukje dat net tegen de twee uiteinden van de spoeldraad kwam. Dat waren als het ware de koolborstels die de stroom van de vaste draden in de windingen op de spoel moesten brengen. 

de overbrenging van de stroom uit de vaste draad naar de draaiende spoel; uiterst simpel maar het werkt!

 het 'lager'

 de magneet en de batterijen  

Het was een spannend moment, toen ik de stroom aansloot. De eerste keer gebeurde er niets. Alles nog eens langs gelopen. De constructie moest toch kloppen. Toen ik het asje met de hand wat draaide, vonkte het ineens tussen de draden. Dan was het alleen een kwestie van misschien wat smeren, wat beter afstellen, de magneten nog wat dichter bij de windingen manoeuvreren. Nog eens geprobeerd. Het draaide! Ik moest het asje met de spoel wel even over het dode punt helpen, maar eenmaal over dat dode punt (het lager werkte niet optimaal natuurlijk) draaide het motortje als een tierelier. Je hebt er niks aan, maar het feit dat ik dit zelf had uitgedacht en gebouwd, én dat het werkte, vervulde me met grote voldoening. 

De helemaal zelf uitgedachte en gebouwde elektromotor staat nog steeds op mijn studeerkamer en hij werkt nog steeds prima. 

Zo heb ik ook eens geprobeerd een microfoon te bouwen met minimale middelen. Twee membranen van folie van zilverpapier uit een pakje sigaretten waar ik het papier af had gebrand. Koolstofpoeder had ik geschaafd van de koolstofstaafjes die ik uit oude batterijen had gesloopt, en dan een elektrische stroom erdoor. Aansluiten op een luidspreker. De bedoeling was ongeveer dat geluid het koolstofpoeder zou vervormen; daardoor zou de stroom die daardoor ging ook veranderen, wat dan in een luidspreker hoorbaar gemaakt zou moeten worden. Maar dat werkte niet. Dit was duidelijk een brug te ver. 

Simpeler dingetje was een bel, waarmee mijn moeder me kon roepen voor het eten of ’s morgens kon wakker maken. Knopje beneden, belletje en trafo boven op mijn kamer. Kon moeder niet roepen dan? Of had je geen wekker? Jawel, maar dit was leuker. 

Toen de buurvrouw meer zorg nodig had, legde ik een belsysteem aan tussen hun woning en de onze. De afstand was wel 50 meter. De draad groeven we in de grond; het was maar zwakstroom. Het heeft goed gewerkt; de buren hoefden maar op de knop te drukken en bij ons ging een belltje. Een paar keer heeft het systeem mijn moeder op tijd gealarmeerd om de mantelzorg bij de buurvrouw te verlenen. 

 


 

Gaatjescamera

Zo heb ik naar aanleiding van het natuurkundeblad zelf met minimale middelen een gaatjescamera gebouwd. De werking van een gaatjescamera berust op het principe dat licht dat door een heel klein gaatje valt een beeld kan maken. Zonder lens dus. De scherpte hangt af van de grootte van het gaatje en van de afstand tussen het gaatje en de film (of tegenwoordig de beeldchip). Over het algemeen geldt dat hoe kleiner het gaatje is hoe scherper het beeld is. 

Een kartonnen margarinedoos maakte ik lichtdicht, en afsluitbaar met een nauwsluitend eveneens lichtdicht deksel. Aan één kant maakte ik een vierkant gaatje in de doos van 1x1 cm waarvoor ik een stukje lichtdicht schutpapier van een 6x6 rolfilm plakte. Daarin moest je met een speld een gaatje prikken dat een doorsnee had van minder dan een millimeter, afhankelijk van de afstand van het gaatje tot de achterkant van de doos. Met een millimeterliniaal schatte ik de doorsnee van het piepkleine gaatje. Over het papier met het gaatje plakte ik nog weer een stukje lichtdicht papier dat je zo weg kon buigen. Dat was de ‘sluiter’. Op de achterkant van binnen in de doos plakte ik dan een stuk lichtgevoelige 6x6 rolfilm. Dat moest allemaal in het absolute donker in een verduisterde kamer op de tast. Hannesen met plakband. Opkrullende film. Als er een glimp licht bij kwam mislukte de hele onderneming. Als de film was geplaatst en de doos dichtzat, kon je een voorwerp voor het gaatje zetten en het schutpapiertje voor het gaatje verwijderen en dan moest je ongeveer een uur of nog langer belichten. 

Voor de tijden, afstanden, maten en verhoudingen had ik een bouwtekening en gegevens uit een semiwetenschappelijk jongerentijdschrift ‘Archimedes’. Inderdaad is het me gelukt om op deze manier een bloemengieter min of meer herkenbaar af te beelden. Zonder lens dus. Zie in Wikipedia onder ‘gaatjescamera’. Daar staat een foto van een gewone spiegelreflex camera; die kun je natuurlijk ook gebruiken als gaatjescamera. Dan heb je alleen nog een stukje lichtdicht papier nodig waarin je een speldenprik geeft. Dat ga ik nog eens proberen! Tegenwoordig heet dit ‘lowtech fotografie’. Op de pagina “Over mij” op deze website staat een stuk over mijn fotografiehobby en daar staat ook de ‘foto’ van de bloemengieter. Stel je er niet te veel van voor. Maar het feit dat het enigszins lukte, gaf wel een kick. Ik had niet het geduld en de tijd om het nog eens en nog  eens over te doen. Zoiets lukt niet in één keer goed, natuurlijk. Alleen de belichting is al een kwestie van uitproberen. Meer info over het bouwen van een simpele gaatjescamera op  deze link    en deze voor lowtech fotografie

  mijn foto van de Keulse Dom (zie hieronder) gemaakt met de zelfgebouwde gaatjescamera

 


 

 Langzamerhand kocht ik een fotouitrusting. Het eenvoudige tubuscameraatje werd vervangen door een tweedehands gekochte Praktica PL nova I, een Oost-Duitse spiegelreflex, nog zonder lichtmeter. Die kocht ik er los bij. Later kocht ik ook een paar objectieven erbij. Tweedehands, andere kon ik niet betalen. En een set tussenringen zodat ik kon experimenteren met macrofoto's. 

     

de losse lichtmeter, een statief, tussenringen en een paar objectieven, w.o. een tele- en een groothoek. Re de Praktica.

  mijn studeerkamer op zolder met de ouwe Adler typemachine, gekocht uit  de dump van het Amerikaanse leger in Duitsland. 

De petroleumkachel en links de kerk in lucifers 

 mijn bureau met de taperecorder ('n Grundig) en de Domkerk

  

 


 

Keulse Dom in afgebrande lucifers

Mijn broer was een keer op vakantie naar Duitsland geweest en had toen Keulen bezocht. Uit die stad nam hij voor thuis een klein model mee van de Keulse Dom, de enorme kathedraal met de twee iconische torens. Ik weet niet meer hoe ik erop ben gekomen, maar op een gegeven moment heb ik het plan opgevat om de Keulse Dom na te bouwen op schaal, in karton en dan bekleed met afgebrande luciferhoutjes. Eerst had ik een paar onderzetters voor de keuken gemaakt met afgebrande lucifers, om te oefenen. Dat gaf wel een leuk effect. Toen ben ik karton gaan zoeken en afgebrande lucifers gaan sparen. Iedereen in de omgeving ging voor mij sparen. Niemand had toen piëzo-ontsteking op het gasstel, dus iedereen gebruikte nogal wat lucifers. ‘Zwaluw’ gebruikten we thuis. Het mooiste was dat de andere mensen ook dat merk aanleverden, want sommige merken waren net iets langer of dikker, dunner, en voor de modelbouw was dat natuurlijk lastig. Maar ik kon ze altijd wel ergens gebruiken want ik moest ook heel veel houtjes breken (snijden) om ze op de gewenste lengte te krijgen. 

Het kleine model op een piepklein asbakje dat mijn broer meebracht, diende als voorbeeld. Het beeldje was slechts een cm of 5 hoog en lang. Ten opzichte van dat asbakje-model werd mijn model 10 keer groter. Ten opzichte van de werkelijke Dom moet het ongeveer een schaal van 1: 400 zijn, had ik berekend. De hoogte van ‘mijn’ torens is plm. 40 cm. In werkelijkheid zijn ze 156 meter. 

  

    

Ik heb er 4220 lucifers in verwerkt. In de vrije uren na het huiswerk op de Mulo maakte ik het model. Ik begon ermee begin januari 1964 (ik was toen nog 15) en op 21 februari was het werkstuk klaar. Op een soort voetstuk stond het, ook gemaakt van karton, bekleed met bruin kaftpapier. Ik werkte met wat voorhanden was…

Iedereen die op bezoek kwam, bewonderde het werkstuk. Het was natuurlijk maar heel grof nagebouwd, maar het effect met de afgebrande koppen tegen het blanke hout en de ritmes die erdoor ontstonden, spraken mensen wel aan. Ik werd geprezen om mijn fantasie. ‘Hoe kom je erop?!’ vroegen veel mensen. Later maakte ik er ook nog verlichting in met een fietslampje. 

Het heeft jaren lang op een kast gestaan in het ouderlijk huis. Later nam ik het mee bij verhuizingen. Ik bezit het model nog steeds. In de loop van de jaren is het hout natuurlijk heel donker bruin verkleurd, zoals blank hout doet. Ik had het wel behandeld met blanke lak, ook omdat het daardoor veel minder kwetsbaar werd. En minder stof verzamelde… Maar blanke lak verkleurt zelf ook, dus het is nu tamelijk donker bruin. Nu staat het bij ons nog steeds bij ons boven, op een Lundia boekenkast op de logeerkamer. Naast het modelletje dat mijn broer in 1963 uit Keulen meebracht. 


Kamperen was de enige manier voor mij om op vakantie te gaan, dat was betaalbaar. 

Na een keer huren kocht ik zelf een kampeertent van zelf verdiend geld. ik was toen een jaar of zeventien, achttien. 

     

    de hele uitrusting moest mee op de fiets

 

In het vierde jaar van de kweekschool zette ik mijn tent op, op het land van de buren. Daar lag ik dan te leren en te lezen. 





 

Over mijn kampeerhobby en de vroege kampeervakanties schrijf ik t.z.t. een apart artikel. 

 

 

 


 

Lezertje

Een lezertje was ik altijd al. In ons gezin werd ook veel gelezen. Achteraf denk ik wel eens dat ik erg geboft heb met het gezin waarin ik mocht opgroeien, want hoewel het een eenvoudig milieu was, - mijn ouders hadden geen van beiden meer dan lager onderwijs genoten, waren er altijd wel boeken. Eerst las ik wat er voorhanden was: een paar oude boekjes waaronder een uit elkaar liggend exemplaar van Pietje Bel; van de zondagsschool kreeg ik boekjes met kerst en zelfs van de Postspaarbank –waar ik elke week een klein bedragje spaarde via de school- kreeg je elke week een paar bladen tot het boekje compleet was. Ik kreeg boeken op mijn verjaardag en ik haalde later ook boeken van de bibliotheek. Eerst was dat van een particuliere bibliotheek op Noordscheschut, net tegenover de sluis. Daar fietste ik elke week heen en kwam weer met een paar nieuwe boeken thuis. De mevrouw van het bibliotheekje kende mij al snel en wist wat ik zocht. Oorlogsboeken, boeken over geschiedenis, maar ook de boeken van J. Nowee over Arendsoog en Witte Veder gingen erin als koek. Uit die reeks kreeg ik er ook een paar op de verjaardag en daar was ik heel zuinig op. Trouwens zuinig was ik op alle boeken. Ik bezit de meeste uit mijn jeugd nog en de verzameling is natuurlijk enorm gegroeid. Ik denk dat ik nu zo’n veertig, vijftig strekkende meter bezit. Ik koop nu voornamelijk e-boeken, omdat ik geen ruimte meer heb voor fysieke boeken…

Een andere reeks die ik verslond, was die van de Kameleon, over Hielke en Sietse Klinkhamer en Gerben. Ook daarvan verzamelde ik er een aantal. Ik maakte kennis met het betere genre jeugdboeken door hoorspelen op de radio. Zo luisterden we naar het spannende "Lawines razen", en daarvan kreeg ik later het boek. Het was ‘het’ kinderboek van 1954,  geschreven door An Rutgers van der Loeff-Basenau. Zo kwam ik meer titels op het spoor. 

Oorlogsboeken en historische verhalen was ik ook verzot op. Snuf de hond, van Piet Prins (Piet Jongeling), de boeken van  K.(Klaas) Norel. Engelandvaarders las ik meerdere malen met rode oortjes. Net zo smulde ik van Scheepsmaat Woeltje, 1948 (trilogie met Stuurman Aart en Schipper Wessels). Wat was ik verguld toen ik op mijn verjaardag de dikke pil van alle boeken in één band van "De reis door de nacht" van Anne de Vries kreeg. De Duisternis in; De Storm steekt op; Ochtendgloren; en De Nieuwe Dag. Dagenlang was ik helemaal verzonken in zulke boeken. Ik las ze achter elkaar uit. En later herlas ik ze nog wel eens. Ook de al wat oudere boeken over de boerenoorlog in Zuid-Afrika  van L. Penning las ik graag. "De leeuw van Modderspruit, De held van Spionkop en De overwinnaar van Nooitgedacht". 

Later haalde ik boeken uit de bibliotheek achter de kerk in Hollandscheveld. Dat was een ‘echte’ bieb, ik meen een filiaal van die in Hoogeveen. Nog weer later haalde ik mijn boeken in Hoogeveen, in de bieb in de oude Beatrixstichting. Maar toen was ik het huis al lang uit. Langzamerhand kwam ik toen minder in de bieb, omdat ik zelf een vrij omvangrijke bibliotheek aan het opbouwen was. Daar in het oude gebouw van de Beatrixstichting haalde ik ook platen die ik thuis op een bandrecorder overnam. Op die manier heb ik een flinke muziekverzameling opgebouwd, van klassieke muziek tot klassieke en wat modernere jazz, van country tot easy listening, maar ook wel wat rock en blues. 

Innerlijke beschaving

Mijn vader en moeder lazen beiden vrij veel. Ik denk dat, als mijn moeder in een andere tijd was geboren en (dus) meer kansen had gekregen, zij wel meer dan lager onderwijs had kunnen volgen. Ze had een zekere innerlijke beschaving, zo zei een latere klasgenoot van de Kweekschool over haar. Ik denk dat hij dat goed geobserveerd had. Mijn moeder was zelden of nooit boos en hoefde zelden haar stem te verheffen tegen mij of de anderen. Ze stuurde ons kinderen met de ogen. Niet dat ik zo braaf was, maar ik liet het gewoon uit mijn hoofd om iets te doen wat moeder niet zou willen. Vader was overdag altijd weg naar het werk, dus de opvoeding is eigenlijk helemaal door haar gebeurd. 

De Bullebak

Daar stond tegenover dat ik een eigenlijk heel vrije opvoeding heb gehad. Zelden werd er mij als kind expliciet iets verboden. Ja, bij het water komen, dat mocht absoluut niet. Daarvoor gebruikte moeder een beeld dat in onze streken vaker gebruikt werd, namelijk dat van de Bullebak. De Bullebak huisde in de sloot en in de vaart. Als je te dicht bij kwam, greep hij je en was je verloren. Ze kon dat kennelijk zo beeldend vertellen dat als kinderen wij geloofden in de Bullebak. Veel later kwamen mijn vrouw en ik met onze dochter toen die nog kind was bij de bakker in Zwiep. Die heeft een soort themapark in het klein aangelegd over Achterhoekse sagen, vooral over de Witte Wieven. Daar op het terrein is ook een kuil met water waar een bord bij staat dat daar de Bullebak in woont. Aanleiding voor ons om het verhaal van de Bullebak door te geven aan de volgende generatie. (* In 2015 is er geloof ik maar weinig meer over van alle gekkigheden op dat terrein; de bakkerij heeft een nieuwe eigenaar, die er niet zo mee bezig is, denk ik. )

Maar verder mochten we veel als kinderen. Ik kan me één keer herinneren dat mijn moeder en daarom ook mijn vader boos was op mij als kind. Het was voorjaar/ zomer, we speelden nog tot laat buiten en ik had niet gehoord ze me riepen om binnen te komen. Ik kwam dus veel te laat binnen. Ze dachten dat ik het met opzet had gedaan, dat ik ze negeerde, en dat vond ik nog het ergste. Ik had ze echt niet gehoord.  Dat ze me niet vertrouwden, zo voelde het toen even. Gelukkig was dat zo’n zeldzaamheid dat ik het me nu nog voor de geest kan roepen. 

 


 

 

 

Jaarlijkse uitjes

Hoeveel dagen mijn vader in de zomer vakantie had, weet ik niet, maar het waren er niet veel. Een van die vrije dagen huurde hij dan een auto, ik denk van Jelle Kip in Hoogeveen, en dan gingen we een dagje toeren. ’s Morgens al vroeg weg, en dan richting de Veluwe of Arnhem. Burgers dierenpark en het Openluchtmuseum hebben we wel eens bezocht. Dat waren toch wel werelden die open gingen… Nu onvoorstelbaar, hoe klein onze wereld was, en hoe fijn het was om één dag in het jaar ‘op reis’ te gaan. Ik herinner me ook een bezoek aan het voormalige paleis van de Duitse keizer in Doorn. Ik denk trouwens dat we het alleen van de buitenkant hebben gezien, maar dat herinner ik me niet goed meer. 

De geur van de auto, een mengsel van benzine, olie, leer en nog zo wat, vond ik al opwindend. Maar natuurlijk al die andere plaatsen. Voor het eerst zag ik dat de wereld groter was dan mijn eigen kleine omgeving. 

Ford Zephyr Six 

We waren een keer op stap met een prachtige zwarte Ford Zephyr Six met een chic wit dak. Een zescylinder, en mijn vader was heel trots ermee te rijden. Ik ook. Of het met deze auto was of met een andere in een ander jaar, ik weet het niet meer, maar ik herinner me dat een jaar het uitje niet goed begon. 

Mijn vader kwam aanrijden op de Coevorderstraat. Daar stonden wij al te wachten. De auto kon immers niet bij ons huis komen, daar was geen weg, alleen een zandpad langs de vaart. Opgewonden zag ik de auto naderen. Ik had er zin in en stapte alvast in. Maar vader moest nog draaien want we moesten weer richting Hoogeveen. Moeder zou even aangeven hoe ver pa nog kon, voor hij tegen de dikke eik aan zat, die hier ook toen al langs de straatweg stonden. Enfin, daarbij ging het mis; moe zei te laat ho! Of va remde te laat, geen idee, maar de auto reed met de achterbumper tegen de boom. Er zat een deukje in, zo groot als een vuist.  Nou, het heeft even een paar kilometer geduurd voor de stemming er weer in zat…

 

 

Naar het dierenpark in Emmen

Daarnaast gingen we een enkele keer wel eens met de bus van de Dabo-Eds naar Emmen. Ook daarvoor liepen we eerst naar de Coevorderstraat. Van die uitjes herinner ik me niet veel details meer. De dierentuin was altijd het doel. Ik herinner me de ijsberen, die hadden ze toen nog. En de kamelen en olifanten. De olifanten zijn altijd mijn favoriete dieren gebleven. Wat was ik gelukkig toen ik in Kenia ze op de savanne in het echt zag. Maar ook de giraffen en het nijlpaard vond ik prachtig. En tegen dat we weggingen, kregen we dan een ijsje. Een dag waar je weer een jaar op kon teren als kind in die tijd. 

Ook fietsten wij met buurkinderen en vrienden wel naar Giethoorn, om daar een dag te gaan punteren. 

  uitje met jeugdverenigingen (in Urk) 

  

met buur- en andere meisjes en buurjongen fietsten we in de zomervakantie wel eens naar Giethoorn om daar een dag te punteren. 

   

 


 

Werken voor het vakantiegeld

Ik ging in de zomervakanties werken om vakantiegeld te verdienen. Sperziebonen plukken in de buurt. De hele dag op je knieën tussen de onafzienbare rijen bonenstruiken, of het nu nat was of niet. Bij een bui kon je soms schuilen onder een boom maar daarna werd je toch nog nat van de natte struiken. Zodra de emmer vol was kon je die legen in je kist die bij het begin van de akker stond. Als de kist vol leek, ging je hem wegen op de bascule. ’s Avonds werden de kisten nog een keer gewogen door de boer: of ze wel echt zwaar genoeg waren. Als de kisten flink doornat geregend waren, wogen ze natuurlijk meer, dus dat was meegenomen. Maar je had ook boeren die vonden dat je dan een pond extra moest plukken.

Aardbeien plukken heb ik ook gedaan. In de streek tussen Hollandscheveld en Elim had je toen boeren die aardbeien teelden. Dat was secuurder werk dan bonen plukken, want aardbeien kneep je fijn als je te snel wilde en dan had je nog niks. ’s Morgens eerst een eind fietsen, dan de hele dag op je knieën door de rijen en tussen de middag een staande gegeten meegebrachte boterham. Dan was ik het ’s avonds wel zat. 

Op de blikfabriek Drenthina, later Thomassen en Drijver

Ik heb ook twee jaar veertien dagen in een fabriek gewerkt in Hoogeveen. De blikfabriek Drenthina kon vakantiewerkers gebruiken. In de Hoogeveensche Courant stond een advertentie. Op de aangekondigde middag meldde ik me in de kantine. Daar werd wat informatie gegeven en kon je je opgeven. Ik heb dat toen gedaan. Je draaide mee als een volleerd arbeider, compleet met prikklok-kaart en sociale voorzieningen, zoals pensioen. In 2014 heb ik het pensioen bij het metaalpensioenfonds afgekocht. Dat leverde eenmalig een uitkering van iets van acht euro op. Mijn vrouw en ik hebben er dus uitgebreid van gedineerd. Eén toetje konden we ervan betalen. Het verwonderde mij al dat ze mij nog weer gevonden hadden, na twee verhuizingen die ik nooit heb doorgegeven. Geen georganiseerder land als Nederland. 

Maar goed, ’s morgens dus vroeg op, en het waren lange dagen. In de fabriek hing een –uiteraard- metalige geur, maar soms ook schroeierig, de vage geur van soldeer. Waar ik erg aan moest wennen dat was het lawaai. Vooral in sommige afdelingen was het erg. In de afdeling waar uit de grote platen blik de ruwe vorm werd gestanst dreunde het lawaai zelfs door de grond. Op andere plaatsen was het rumoer juist schel en ,ja, blikkerig, bijv. waar kleine blikjes als peperbusjes verder werden bewerkt. 

  (foto van internet)

aan de lopende band 

In de fabriek werd allerlei verpakkingsblik gemaakt. Van nootmuskaatbusjes met zo’n leuk draaideksel tot grote blikken voor melkpoeder met Arabische opschriften. De eerste week werd ik aan een lopende band gezet. Ik kreeg een kruk aangewezen aan een korte lopende band. Links van mij zaten op ooghoogte lange gasbranders aan beide zijden van de lopende band gemonteerd. Van rechts kwamen op de lopende band de blikken voor olie of melkpoeder of zo. Daar bovenop moest een handvat vast gesoldeerd worden. Links van mij stond een bak met handvatten. Aan de voetjes van de handvatten zat al soldeer. Mijn taak was om een handvat te pakken, het in een bak met soldeerwater op een spons te drukken en het handvat vervolgens precies op de juiste plaats op het langskomende blik te zetten. Op het blik waren twee minieme deukjes: daar moesten de voetjes op gezet worden. Vervolgens liepen de blikken tussen de gasvlammen door waardoor de handvatten vast gesoldeerd werden. Het tempo waarin de blikken langs kwamen deed mij denken dat ik dat nooit zou kunnen bijbenen. Dat viel mee, maar het was hard werken. 

Zette ik een handvat er wat scheef op, dan liep de band vast want de ruimte tussen de beide gasvlammen was natuurlijk beperkt. Dan raakte een handvat de gasbrander, het blik kwam klem te zitten. De daarop volgende blikken werden platgedrukt tegen het vastzittende blik. Geschreeuw en gevloek. De band werd stilgezet met een druk op de rode knop, de ravage opgeruimd en daarna konden we weer verder. Gelukkig is me dit slechts één keer overkomen. Mijn werktempo werd bepaald door de man die de blikken op de band zette, rechts van mij. Die werkte snel want we werkten deels op stukloon: als we voldoende blikken maakten kregen we wat extra geld. Als ik een blik miste, dan moest de man die de blikken van de band haalde, die er tussenuit halen, wat natuurlijk weer onacceptabele vertraging gaf. Ik heb het allemaal volgehouden, een week, maar toen heb ik gevraagd of er ook nog ander werk was. Ik werd daar een beetje gestoord naast die gasvlammen tussen de stinkende soldeer-walmen. En van het duizenden malen per dag dezelfde handeling uitvoeren en niet één keer mogen missen. Het was wel een heel leerzame tijd. Ik kon me nu een beetje voorstellen wat het was om in  zo’n fabriek te werken. De mannen met wie ik werkte deden dat hun leven lang. 

Modern times

De tweede week werd ik in het magazijn geplaatst. Ten eerste was daar frisse lucht en ten tweede was het werk een stuk afwisselender. We moesten vrachtwagens laden of lossen. Of goederen door de fabriek verplaatsen, met zware steekwagens. Op een heftruck mocht ik helaas niet. Wel moest je steeds op de snelle heftrucks verdacht zijn. Daar zijn diverse bijna-ongelukken mee geweest; gelukkig geen echte in de week die ik er werkte. Maar je kon wat meer je eigen werktempo bepalen en wat was dat alleen al een zegen! En je kon ook wel eens even een kwartiertje gedwongen rust hebben als de vrachtwagen niet op tijd was. 

Het tweede jaar dat ik bij Drenthina werkte, heb ik o.a. aan de machine gestaan die nootmuskaat- (en andere kruiden- en specerijen)-busjes voorzag van een draaideksel. De busjes kwamen bij ons aan in grote stapels in dozen. Aan een soort hark prikte je tien of meer busjes en zetten die in het begin van de machine. Het was zo’n machine zoals je ze in Modern Times van Charlie Chaplin zag. De busjes gingen een hele weg, deels door de lucht, en al die busjes en het stansen van een randje in het busje en het monteren van het deksel zodat het kon draaien, maakten een hels kabaal. De bodem werd erin gemaakt in de specerijenfabriek. Ik herinner me niet dat ik gehoorbeschermers droeg maar daar wil ik af zijn. Het werk was minder erg dan het plaatsen van de handvatten op blikken. Bovendien draaide de machine regelmatig vast en hadden we gedwongen pauze. In die pauzes keek ik wel eens wat rond in de fabriek. Dat moest wat onopvallend want het was natuurlijk niet de bedoeling dat personeel op excursie ging in de fabriek. Zo ben ik wel eens in de stans-afdeling geweest, waar je bijna bang werd van het bedwongen geweld van de dreunende en sissende machines, die bij voorbeeld ronde bodems uit platen blik stansten. Dan was ik extra blij als ik weg kon en helemaal was ik blij als ik ’s avonds de poort uit fietste. Nog blijer toen ik er na veertien dagen af was en het loon kon incasseren. Ik weet niet meer hoeveel ik verdiende, maar het hielp in ieder geval om ermee op fietskampeervakantie te kunnen. 

KLIK voor een film over Blikfabriek Drenthina Hoogeveen

 

naar boven