Vroege jeugd en kinderjaren - Blaartrekkend zure morellen

by Lammert
Hits: 20247

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

 

 

Blaartrekkend zuur

We hadden een paar morellenbomen. Morellen zijn heel zure kersen en die van ons waren volgens mij extra klein en vreselijk zuur maar in de weck met flink suiker waren ze ’s winters wel lekker. Verder weckten we kruisbessen, zwarte en rode bessen, later ook aardbeien. De kruisbessen werden geschift in grote en kleine. De kleintjes kwamen niet in de weckpot maar daar kookte mijn moeder jam van. Rode bessen in de weck vond ik zelf geen succes: ze werden heel bleek door het koken (aardbeien trouwens ook maar die bleven wel lekker) en waren ook met suiker ’s winters nog blaartrekkend zuur. Moeder deed ze zondags wel eens op de vanillepudding en dan waren ze iets beter te pruimen. Als ik dan een heel gebleven bes doorbeet, schoten me de tranen bijna in de ogen, zo zuur vond ik dat. Pas veel later, onder invloed van mijn vrouw denk ik, ben ik zure smaken meer gaan waarderen. 

Reine Claude

Kersen hadden we alleen toen ik nog heel klein was. De boom werd gerooid omdat hij ziek was. Ik heb er hevig tegen geprotesteerd want er kwamen toch nog van die heerlijke meikersen aan: geel met een rode blos. Maar mijn protesten mochten niet baten, de boom werd omgezaagd. Pruimen hadden we ook. Eén boom met blauwe pruimen en enkele met witte pruimen. Dat waren Reine Claudes, maar dat wisten wij toen niet dat ze zo heetten. Bijna groene pruimen, die bij het rijp worden een beetje geel worden. Heerlijk. Er was soms zo veel van dat we ze aan de weg zetten om  gratis mee te nemen. We hebben er zelfs een keer een mozaïek mee gelegd in het gras in de voortuin. Daar lagen ze tot ze verrotten. We konden het echt allemaal niet op in een goed pruimenjaar, en aan de weck-capaciteit van mijn moeder kwam ook een keer een eind. Omdat ze er wel eens helemaal klaar mee was (denk ik, zoiets zei mijn moeder nooit, ook niet in andere bewoordingen), maar ook omdat er gewoon geen weckglazen meer over waren. 

  mozaïek van overschietende pruimen

Keulse pot

Witte kool werd geschaafd en in de Keulse pot gedaan: laagje kool, laagje zout, laagje kool, enz. Eroverheen kwam een rond, wit uitgebeten plankje, daarop een zware steen en ten slotte een schone doek. Ik vond de geur misselijk makend vies maar de zuurkool smaakte wel goed. Prei en boerenkool bleven zo lang mogelijk op het land staan. De prei werd afgedekt met wat ruigte en was zo heel lang buiten houdbaar. Ik weet nog wel dat ik soms met de schop door de bevroren grond moest steken om voorzichtig een paar preien los te peuteren. 

Boerenkool is pas lekker na een nacht vorst zegt men en dat is ook zo. Ze is dan zoeter. Smakelijker. Door de vorst zijn er suikers gevormd.  De boerenkool kon veel hebben maar als de kale winter langer duurde, werden onze boerenkoolstruiken kaal gevreten door de houtduiven. Een diepvries hadden we toen natuurlijk niet en wecken kon niet met boerenkool. Zo kregen de duiven dus ook wat om de koude winter te overleven. 

Appels en peren

Opzij van het huis stonden een appelboom en een perenboom. De perenboom was een flinke. Aan de appelboom kwamen heerlijk zoete appeltjes. Klein maar o zo fijn. Beide bomen werden later ziek, althans zo werd me verteld, en beide zijn ze omgehakt. Net als de meikersenboom. Dat vond ik zo zonde, want de dikke gele kersen met een rode blos waren zo van de boom al heerlijk en in de weck ‘s winters zo mogelijk  nog lekkerder. ik vond het een feestje als moeder een pot geweckte kersen opende, meestal bij gelegenheid van een verjaardag.  En ook van de appeltjes en de kleine ronde peertjes vond ik het zonde om de bomen zomaar om te zagen. De perenboom had zo’n dikke stam, dat de boom een hele tijd in de tuin heeft gelegen voor hij werd opgeruimd. Toen was het, zonder motorzaag, een vermoeiend karwei om zo een dikke stam door te zagen en in stukken te kloven. 

 wijlen de appelboom

De appeltjes, vooral de zure, werden in de herfst in plakjes gesneden en gedroogd aan een draad. ’s Winters werden ze wel als groente gegeten. 

Tja, dat wecken van groenten en vruchten, mijn moeder was er druk mee. In een grote wasketel op een industriebrander, zo’n vierkante simpele gasbrander met grote pit, werden de literflessen en soms halve liters net onder water aan de kook gebracht en dan na een tijdje was de lucht eruit en konden de flessen afkoelen. Dat moest altijd onder een schone theedoek. Je mocht er niet onder kijken. Dat waren voor mij onverklaarbare rituelen, maar mijn moeder geloofde heilig dat als de doek niet schoon was, of voortijdig opgelicht werd, de flessen hun vacuüm zouden verliezen. Tja, zo met dat ‘vacuüm’ zei ze het natuurlijk niet. Altijd een spannend moment als de beugels eraf gingen want dan ging blijken of de fles dicht zat of dat er toch lucht bij gekomen was en er geen vacuüm was ontstaan. In dat laatste geval werd de inhoud meteen of de volgende dag opgegeten. Meestal ging het wel goed. Maar soms was de rubber ring kennelijk toch wat te oud… 

Toen ik getrouwd was, hebben mijn vrouw en ik ook nog jaren vruchten geweckt. Vooral kruisbessen uit mijn eigen volkstuin en later uit die van mijn zwager vonden we ’s winters heerlijk. 

 

naar boven