Vroege jeugd en kinderjaren - Winterpret

by Lammert
Hits: 20228

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

 

 

 

 

 

IJsforten

’s Winters bouwden we hele ijsforten waaromheen we veldslagen uitvochten. Er werd gegooid met sneeuwballen, die, als de sneeuw wat zacht werd, tot keiharde ballen konden worden gekneed, zodat ze wel ‘aankwamen’ als je ermee geraakt werd. Sneeuwpoppen maken deden we ook. Als het ging dooien en de greppels zich langzaam vulden met sneeuwpap en dooiwater stonden we in onze laarzen met ijskoude tenen in dat water om ‘beton’ te maken waarmee we ook weer dingen bouwden. Bij voorbeeld een dam in de greppel om het water tegen te houden. Schaatsen deden we ook als er ijs was. Ik had een paar Friese doorlopers, eenvoudige schaatsen met een leren teen- en hielstukje. Dat werd bijeen gebonden om je voet met van dat oranjekleurige stoffen band. Het zat nooit strak genoeg, het band was al ras doorweekt en bevroor dan weer. Met ijskoude vingers probeerde je dan om de schaatsen beter onder te krijgen maar een succes vond ik het niet. De schaatsen waren van vroeger van mijn zussen geweest. Mijn broer had ‘bootjes’, maar daarop kon ik niet rijden. Nieuwe schaatsen, nee dat was er niet bij. 

 

WINTER en  IJS                  Eerst wat foto's.

   twee buurjongens en ik op het ijs van het Krakeel

   broer in militair uniform op het inmiddels gedempte Krakeel

Ik tussen drie buurmeisjes op het ijs van het Krakeel, voor ons huis

 met buurkinderen/ nicht en neef op de schaatsen op het ijs van een 'wieke', dat is een zij-sloot van het Krakeel 

 

 oude foto van buurman/ oom en mijn vader op het ijs van het Krakeel, voor het huis

 

Winter

Op het ijs van het Krakeel kon je schaatsen, tenminste als de bok van de melkvaarder het ijs niet had vernield vlak voordat de vorst doorzette. Op de wijken was het ijs altijd intact want daarin werd niet gevaren. Maar daar staken weer veel planten door het ijs. Viel je daar weer over. Het spannendst aan ons gekrabbel vond ik dat je de wereld uit een heel ander perspectief zag. Je kwam op plaatsen waar je anders nooit kwam. Zo konden we in strenge winters helemaal over het ijs in de wijken naar school. Zelfs het Noord, de Hoogeveense vaart, was soms dichtgevroren en dan kon je zo de vaart oversteken. Dat gaf een iets kortere weg, maar vooral het avontuur van “het andere” trok natuurlijk. In de middagpauzes mochten we dan ook schaatsen. Ik kan me nog herinneren dat er een incident was met een schipper die, terwijl er al stevig ijs lag, er toch nog door voer. Hij werd door de schooljeugd bekogeld met alles wat ze konden vinden. Het keeshondje aan boord werd helemaal gek. Ik had er niet aan meegedaan, want iets zei me dat dat niet goed was. Die schipper deed ook maar zijn werk, dat snapte ik al wel. De schipper deed zijn beklag bij ons schoolhoofd en de kinderen werden er door het schoolhoofd, meester Renema, ernstig over onderhouden. De ene helft van het kanaal was onbruikbaar geworden om te schaatsen. Langs de kanten bleef er nog redelijk wat glad ijs over. Maar als je al schaatsend op de ijsschotsen (schollen, noemden wij die) terecht kwam, hield je het meestal niet in de benen. 

Mijn oudere zus herinnert zich dat opoe van moeders kant tegenover ons huis woonde, aan de andere kant van het Krakeel. ’s Zomers moest je bijna een paar kilometer omlopen via het ‘dreivonder’, de draaibrug bij de winkel van Vos, om er te komen, maar ’s winters met ijs konden ze zo oversteken. 

 

Paasvuur

Het paasvuur bouwen was een traditie waarin wij buurkinderen al graag van harte aan meededen. We verzamelden in het najaar en de winter bij iedereen in de buurt de gesnoeide takken. Die sleepten we naar ons huis, achter op het land dat in de winter toch braak lag, afgezien van een stukje met boerenkoolstruiken. De hoop groeide en groeide. Op den duur moesten we erop klauteren via een laddertje. Op goede jaren was de hoop toch wel een meter of drie hoog denk ik. Goed stapelen was belangrijk, want de paasbult moest ook in herfst- en winterstormen blijven staan natuurlijk. 

Op tweede paasdag, de maandag na Pasen, werd de hoop in brand gestoken. Bij dat aansteken kwamen volwassenen in actie, dat mochten we zelf niet. Met wat oude kranten en petroleum werd het vuur aangemaakt. Dat deed je aan de windkant, want anders zou de bult niet goed opbranden. De buurt kwam kijken en wij als buurkinderen waren natuurlijk gespannen hoe het vuur zou gaan. In de lucht rook het naar vuur, want natuurlijk waren wij niet de enigen in de omtrek die een paasbult hadden gebouwd. 

   twee (vage) foto's van ons paasvuur 1965

 

Als de vuurzee op zijn hoogtepunt was, moest je meters afstand bewaren, want de hitte scheen je fel in je gezicht. De vonken vlogen omhoog en het vuur knetterde en bromde. Wij verbrandden alleen takken en wellicht wat sloophout, maar geen dingen die tegenwoordig op de hopen gegooid worden als oude meubels en zo. Die verbrandde je niet in die tijd!  Langzaam brandde de hoop op. Op den duur was er alleen nog de gloeiende hoop sintels en houtskool. De volgende dag waren we er als de kippen bij, want de hoop as was dan nog zo warm dat je er aardappels en appels in kon poffen. Daar waren we uren mee zoet. 

De foto’s zijn van het paasvuur van 1965, toen ik zeventien jaar was. Van vuren van  eerdere jaren zijn geen foto’s. Op de foto rechts is (denk ik) in de verte een flat van de Helios te zien...

 

naar boven