Mijn jaren op de Hervormde Kweekschool Assen

on 20 oktober 2015
Hits: 11027

Kweekschool 1964-1969

Na de Mulo ga ik naar de Kweekschool. In het laatste jaar van de Mulo moet er een moment geweest zijn dat die keuze werd gemaakt, maar helaas weet ik me dat moment niet te herinneren. Ongetwijfeld is het zo dat de leraren mijn ouders aangeraden hebben mij verder te laten studeren. De heer Bootsma, de directeur van de Hervormde Mulo in Hoogeveen, heeft gezegd dat hij zou het zonde vinden als ik die kans niet zou krijgen. Voor mijn ouders is het toch wel een hele beslissing geweest. Van de vier kinderen ben ik een nakomertje, en geen van de anderen had echt mogen doorleren. De tijden waren er niet naar. Financieel zagen mijn ouders er ook tegenop, neem ik aan, want de Kweekschool was alleen per trein bereikbaar en dat alleen al ging natuurlijk veel geld kosten. En dan die boeken die je zelf moest aanschaffen. Ik weet nog best dat zulke overwegingen een grote rol speelden. Ik was er dus diep van doordrongen dat ik een kans kreeg die bijzonder was, en dat ik die niet mocht verprutsen. 

"Van Dulmen Krumpelman leert ons tekenen. Nu vond ik dat in ieder geval al leuker op de lagere school dan zingen, maar een talent ben ik ook hierin nooit geweest. Van Dulmen heeft ook, net als Makkes, de gave om slapende talenten in iemand wakker te roepen. Ik krijg er plezier in, niet in alle opdrachten, maar soms… Ik maak op een keer een ‘schilderij’ met nogal kubistische figuren in een orgie van kleuren. Ik smeer veel kleuren door elkaar, zodat het “een sfeer van vuil, van grote stad, van verleiding en verderf” oproept. Ik geef het de titel: Rolling Stones. De kwalificaties hiervoor tussen aanhalingstekens zijn niet van mij. Het is wat Van Dulmen mijmerend, bijna voor zichzelf, zachtjes mompelt als ik met mijn creatie bij zijn tafel sta. Ik groei, ik gloei. Dit is het helemaal, zegt hij. Zo moet je verder gaan. Hij weet me het gevoel te geven dat ik wat kan. En dan blijk je inderdaad vanzelf wat te kunnen. Heel soms, moet ik erbij zeggen, want tekenen, nee, die vaardigheid heb ik niet. Helaas.  Ik kijk met jaloezie naar anderen die schijnbaar moeiteloos echt mooie dingen maken."

     

 

 

 

Na de Mulo ga ik naar de Kweekschool. In het laatste jaar van de Mulo moet er een moment geweest zijn dat die keuze werd gemaakt, maar helaas weet ik me dat moment niet te herinneren. Ongetwijfeld is het zo dat de leraren mijn ouders aangeraden hebben mij verder te laten studeren. De heer Bootsma, de directeur van de Hervormde Mulo in Hoogeveen, heeft gezegd dat hij zou het zonde vinden als ik die kans niet zou krijgen. Voor mijn ouders is het toch wel een hele beslissing geweest. Van de vier kinderen ben ik een nakomertje, en geen van de anderen had echt mogen doorleren. De tijden waren er niet naar. Financieel zagen mijn ouders er ook tegenop, neem ik aan, want de Kweekschool was alleen per trein bereikbaar en dat alleen al ging natuurlijk veel geld kosten. En dan die boeken die je zelf moest aanschaffen. Ik weet nog best dat zulke overwegingen een grote rol speelden. Ik was er dus diep van doordrongen dat ik een kans kreeg die bijzonder was, en dat ik die niet mocht verprutsen. 

Gelukkig krijg ik hulp van de heer Bootsma, die me helpt bij het aanvragen van een studietoelage of –beurs. Ik moet de cijfers die ik op het Mulo-examen gehaald heb, opsturen naar het ministerie (destijds van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, OK&W). 

Op 14 juli onderga ik een medische keuring bij dokter Rijkeboer in Hoogeveen. Ik weeg 55 kg en ben 1.76 lang. Dat laatste getal klopt nog steeds, het eerste getal is nu 'wat' hoger.  Ik krijg van hem een paar dagen later het bewijs dat ik niet lijd aan een ziekte die me ongeschikt maakt voor het beroep van onderwijzer. Tja, zo heette dat in ambtenarentermen. De volgende dag moet ik me op het consultatiebureau in Hoogeveen laten ‘doorlichten’, zo noemden we dat. Er wordt een röntgenfoto gemaakt en je krijgt een Mantoux-prikje, om tbc uit te sluiten. Dat alles is nodig om toegelaten te worden op de kweekschool en om in het onderwijs te mogen lesgeven. Het Mantoux- prikje heb ik later nog wel eens gehad geloof ik, maar in latere jaren was tbc ineens overwonnen, en was het niet meer nodig. 

  ik in 1964

Dubieuze keuze

De keus van welke school valt op de Hervormde Kweekschool in Assen. Sommigen in mijn omgeving vinden dat een dubieuze keuze want de school staat bekend als niet erg orthodox in de leer. En ik ben opgegroeid in een nogal orthodox milieu, dus… Maar je moet ook praktisch zijn, tenminste dat vond ik: de school in Assen was het gemakkelijkst te bereiken.

Ik heb er maar liefst vijf jaren doorgebracht en dat is een heel belangrijke en heel leuke tijd voor mij geweest. De eerste twee jaren waren een soort voorbereiding op de beroepsopleiding, een soort van havo-top (de ‘eerste leerkring’). In het derde jaar begon de eigenlijke kweekschool ( de ‘tweede leerkring’) en het vijfde jaar was het jaar voor de hoofdakte. Je kon na vier jaar stoppen, maar als je nog verder wilde studeren was de hoofdakte wel een vereiste. Het stond voor mij eigenlijk vanaf het begin vast dat ik dat zou doen. Verder studeren leek me interessant, een uitdaging die ik graag aanging. 

Ik kom in Assen niet alleen in aanraking met jongens en meiden uit voor mij weer nieuwe milieus, maar ook de docenten hebben een grote rol in mijn ontwikkeling naar volwassenheid gespeeld. De lessen Cuma (Cultuur- en maatschappijleer), de lessen godsdienst (waarin ik er onder meer achter kom dat je ook religieus kan zijn zonder te geloven dat elke letter in de Bijbel echt gebeurd is), de lessen Nederlands, de kennismaking met de literatuur, met kunst, met muziek, ze zijn allemaal belangrijk voor me. Door wat ik leer en lees en meemaak komt mijn ontwikkeling pas goed op gang. Ik maak kennis met de jazz en met de Amerikaanse country-muziek. En niet te vergeten de protestsong-cultus uit die tijd, met Donovan, Joan Baez, en anderen.  In de lessen tekenen en kunstgeschiedenis leer ik beeldende kunst waarderen. In mijn fotografiehobby heb ik daar nog steeds gemak van want ik leerde daardoor ook ‘kijken’. De lessen psychologie vind ik zeer interessant. Ik heb zelfs een tijd overwogen om psychologie te gaan studeren, maar mijn docent waarschuwt me voor de grote hoeveelheid wiskunde en statistiek die je dan óók moet verstouwen en daarom zie ik er –wijselijk denk ik achteraf- uiteindelijk maar van af. 

Liefde voor de literatuur

Onze leraar Nederlands Van Dalfsen weet de liefde voor de literatuur in mij wakker te maken. Ik spaar en koop van mijn schaarse zakgeld Salamander- en Meulenhoff- en andere pockets en raak in de ban van schrijvers als Hubert Lampo. Tot mijn docent me attent maakt op schrijvers met meer kwaliteit. Elsschot ga ik lezen. Zijn hele verzamelde werk. Ik wil alles van die man hebben, en over hem lezen. Ik maak in de vijfde een werkstuk over Elsschot. Ik raak in de ban van het sociale realisme van Louis Paul Boon en denk een tijdje (gelukkig slechts kort) dat er na “De voorstad groeit” en “De Kapellekensbaan” niets meer geschreven zou hoeven worden. De boeken wekken mijn gevoel voor rechtvaardigheid en mijn afschuw van machtsmisbruik. Ik word gegrepen door de boeken van Bordewijk. “Karakter” en “Bint”. En zovele auteurs meer. En ik ontdek ‘de grote vier’ van die tijd: Hermans, Wolkers, Reve en Mulisch. Ik ontdek ook dat ik taal, vooral de Nederlandse, erg interessant vind, en dat ik zelfs plezier kan vinden in grammatica. Ik geniet van het Middelnederlandse epos Vanden Vos Reynaerde. Zo, dat ik voor mijn klassen  die ik later lesgeef, de navertelde versie van Paul Biegel aanschaf en die met de kinderen ga lezen. Ze vinden het prachtig. 

Ik ben bezig een aardig eigen bibliotheekje op te bouwen, maar er gaat wel veel geld in zitten. En geld is er bij ons thuis weliswaar ‘genoeg’ maar niet in ruime mate, als iemand begrijpt wat ik bedoel. Eddy Slingenberg van de gelijknamige boekhandel in Hoogeveen kent mij al snel en ziet mijn probleem en mijn verlangen. Hij heeft naast de nieuwe boeken in zijn winkel ook tafels vol met gerepareerde boeken. Van twee of drie boeken waar wat mee is, maakt hij één goede en verkoopt die voor minder dan de helft. Omdat de leuke dingen er soms net uit zijn, mag ik ’s zaterdagsmorgens op de zolder van het pand aan de Hoofdstraat grasduinen en zelf de boeken die ik graag wil bezitten, uitzoeken en klaar zetten. Soms een doos vol. Een week later zijn ze dan ‘gerepareerd’ en kan ik weer een paar nieuwe titels op de plank zetten. Veel moderne literatuur heb ik zo goedkoop aangeschaft. 

Voorkomend behandeld

Midden juli 1964 ben ik met mijn vader eens wezen kijken in Assen waar de school stond en we bezoeken de boekhandel Iwema, om mijn studieboeken te bestellen. We worden er opvallend voorkomend behandeld. Dat mag ook wel, schrijf ik in mijn aantekeningen, want alles bij elkaar gaan de boeken ongeveer tweehonderd gulden kosten. Dat is in die tijd een enorm bedrag, voor een boekhandel, maar zeker ook voor een gezin als het onze. Eind augustus ontvang ik bericht dat ik dit schooljaar een toelage krijg van twee keer 600 gulden. Daarvan is de helft renteloos voorschot en de andere helft hoef ik niet terug te betalen, omdat ik kennelijk voldoende hoge cijfers op het Mulo-examen heb gehaald om dit te verdienen. Dat is een geweldig bericht. Zo hoef ik me ook niet ‘schuldig’ te voelen ten opzichte van mijn broer en zussen, die een soortgelijke kans nooit hebben gekregen. In een kasboekje houd ik alle uitgaven die ik in verband met de studie doe,  pijnlijk nauwkeurig bij. Op die manier kan ik ook voor mijn ouders verantwoorden waar het geld blijft. 

    

de voorkant van een boekenlijst  en de lijst met personeel van de Hervormde Kweekschool Assen, 1964-65

 

  

 Trouwe NS-klant

Vijf jaar lang reis ik dus op en neer van Hoogeveen naar Assen en terug met de trein. Ik heb een abonnement op de fietsstalling en ook voor de trein koop ik meestal maandabonnementen. Soms is het, bij voorbeeld tegen een vakantie, net voordeliger om retourtjes te kopen. Het treinen wordt een gewoonte. De dienstregeling ken ik al snel uit mijn hoofd. We reizen bijna altijd met hetzelfde groepje uit Hoogeveen. We zitten allemaal bij elkaar in de klas, aangevuld met een paar Assenaren, Beilenaren en Grönningers uit de stad en Stadskanaal. We zitten met ons groepje meest bij elkaar op het balkon van de trein, tenminste de jongens. De meiden zitten liever op een groen kunstleren bank.  In Assen is het een kleine tien minuten lopen, denk ik, naar school. Als we naar het Julianagebouw moeten, zijn we wel twintig minuten onderweg. 

 1965


 

 

1964-1965

Eerste schooldag

De eerste schooldag is 1 september 1964. Ik ken gelukkig een paar jongens van de Mulo, die ook naar deze school gaan. Twee ervan zullen na een of twee jaar afhaken maar met drie ervan zal ik over vijf jaar de eindstreep halen. De heer Mulder, de directeur, verwelkomt ons en vertelt een en ander over de school. De gebouwen blijken ver uit elkaar te staan. De Kern is nog vrij dichtbij, eigenlijk net om de hoek, maar het Julianagebouw is aan de vaart, aan de andere kant van de binnenstad. Voor mij zal deze dislocatie, zoals dat tegenwoordig met een lelijk woord heet,  juist een van de aantrekkelijke kanten zijn van het schoolleven. Ik heb het idee dat de leraren die in de verre locaties lesgeven, het ook wel prettig vinden om daar les te geven. In het hoofdgebouw aan de Javastraat, een oude jeugdherberg zegt men, is het al een relaxt sfeertje, maar in De Kern, een soort wijkgebouw met een paar lokalen is het al wat aparter. We hebben er vaak muziekles van de heer Makkes van de Deyl. Hoewel ik niet zo muzikaal ben, vind ik het er eigenlijk altijd leuke lessen. Makkes is een zachtmoedig mens met veel geduld. 

Gedichten

In het Julianagebouw zijn we nog veel verder van de centrale macht verwijderd en gaan we onze eigen gang. We hebben er onder andere blokuren Nederlands, van de heer Van Dalfsen. Een zachtmoedige man, misschien wel eens wat te zachtmoedig, met een zachte, doorrookte stem, die een grote liefde voor de literatuur heeft. Hij weet die met zijn wat onzekere stem zeker op mij over te brengen tijdens die lessen in het grote leslokaal. Hij bespreekt met ons gedichten. Lezen deed ik al van jongs af aan. Maar serieuze gedichten zijn nieuw voor mij. Adriaan Roland Holst, Bloem, Achterberg. Ik zuig het allemaal in me op. 

‘Zwerversliefde’ van Roland Holst maakt een diepe indruk op me. 

ZWERVERSLIEFDE

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -

want, o de maatloze verlatenheden,

die over onze moegezworven leden

onder de sterren waaie' in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

het trotse hoge woord van liefde spreken,

want hoeveel harten moesten daarom breken

onder de wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in de wind

ritselend langs de zoom van oude wouden,

en alles is onzeker, en hoe zouden

wij weten wat alleen de wind weet, kind - 

 

En laten wij omdat wij eenzaam zijn

nu onze hoofden bij elkander neigen,

en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen

binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in de wind,

en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

en daarom - voor we elkander weer vergeten -

laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

 

... uit Verzamelde Gedichten (1948) van Roland Holst (1888-1976) ...

 

Voor een zwijmelende puber/adolescent als ik heeft dit vers van J.C. Bloem ook wel wat: 

 

NOVEMBER

Het regent en het is november 

Weer keert het najaar en belaagt

Het hart, dat droef, maar steeds gewender,

Zijn heimelijke pijnen draagt.

 

En in de kamer, waar gelaten

Het daaglijks leven wordt verricht,

schijnt uit de troosteloze straten

Een ongekleurd namiddaglicht.

 

De jaren gaan zoals zij gingen,

Er is allengs geen onderscheid

Meer tussen dove herinneringen

En wat geleefd wordt en verbeid.

 

Verloren zijn de prille wegen

Om te ontkomen aan de tijd;

Altijd november, altijd regen,

Altijd dit lege hart, altijd.

 

Maar mooier nog, aangrijpender, vond ik toen het gedicht Het Huwelijk van Willem Elsschot. Het is van een gruwelijke, wrange ironie, maar bij Elsschot is het cynisme het beproefde middel om zijn overgevoeligheid te beheersen. In werkelijkheid was hij een liefhebbende vader die apetrots was op zijn Tsjip en de Leeuwentemmer, zijn kleinzoon. En eigenlijk is het ook een gedicht vol weemoed, spijt en frustratie. Misschien zelfs mededogen als je het vaker leest. Hilarisch is het ook. De zinsnede 

“… want tussen droom en daad

staan wetten in de weg en praktische bezwaren”

is een van de meest geciteerde literaire regels in de Nederlandse taal denk ik. Merkwaardig genoeg kennen veel mensen die dit citeren de context niet, vrees ik. De eerste helft van de zin: ‘Maar doodslaan deed hij niet’ wordt (wijselijk misschien want sociaal wel aanvaardbaarder) eigenlijk altijd weggelaten, misschien ook wel omdat men die niet kent. 

 

WILLEM ELSSCHOT: HET HUWELIJK

 

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd

in d' ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,

haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven

toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

 

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard

en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,

hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren

en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

 

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond

het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.

Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,

en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

 

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.

Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen

en rennen door het vuur en door het water plassen

tot bij een ander lief in enig ander land.

 

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad

staan wetten in de weg en praktische bezwaren,

en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,

en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

 

Zo gingen jaren heen. De kind’ren werden groot

en zagen dat de man die zij hun vader heetten,

bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,

een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

 

Van Achterberg lezen we De Ballade van de Gasfitter. Een curieus gedicht dat Van Dalfsen levend voor mij weet te maken. Zo levend, dat ik in mijn latere studies voor Nederlandse taal- en letterkunde dankbaar ben terug gekomen op dit gedicht en er een speciale studie aan wijdde. 

    

In de eerste klas maken we een excursie naar het Openluchtmuseum in Arnhem met een bus van Harmanni uit Assen                 v.l.n.r. Toni, Johan, Meindert, Albert, Herman, Roel, Jaap, en ik denk ik verborgen achter Jaap. 

Roken

We krijgen in het Julianagebouw tegen een kleine vergoeding koffie en we mogen roken, ook tijdens de les. Iedereen rookte toen. Onvoorstelbaar nu, maar wij vinden het dan ‘gewoon’. Nou gewoon, roken tijdens de les mag dus alleen in de verre dependance, niet in het hoofdgebouw of in De Kern. 

 roken mag in het Julianagebouw. v.l.n.r. Johan, Albert, Ietje, Mieke, Roel, Sijtze

 deel van de klas in het Julianagebouw.  v.l.n.r.  O.a. Albertje (Ally), Annemiek, Riek, staand re Femmie. 

Na de les moeten we teruglopen naar het hoofdgebouw. Die tijd gaat deels van de les af, hoewel het meestal in de middagpauze moet, of ’s morgens het eerste uur. Dan is het een hele tippel van het station naar de vaart. Maar als je naast iemand loopt die je graag ziet, (ik bedoel: die jij graag ziet èn die jou graag ziet) dan lijkt de afstand al minder lang. We komen dan ook wel eens wat te laat. Maar we hebben altijd dus een reden, en de leraren doen er nooit moeilijk over. 

Onze klas bestaat uit twintig personen, van wie een stuk of zeven meisjes. Jammer is dat een drietal meiden uit de richting Groningen komt en altijd dus ‘de andere kant’ op gaat. Zo zien we die minder en heb ik daar toch minder contact mee. Het Hoogeveense clubje wordt op den duur een tamelijk hecht groepje. Zo valt de klas toch een beetje uiteen in groepjes. 

(Pas op en na de reünie na vijftig jaar in 2015 heb ik me dat ten volle gerealiseerd: dat ‘wij uit Hoogeveen’ door sommigen beschouwd werden als een kliek, een club waar je verder niet zo tussen kwam als je er niet bij hoorde.) 

Op de eerste schooldag maken we kennis met de leraren en de vakken. Voor wiskunde ben ik niet zo bang, merkwaardig genoeg want ik ben eigenlijk meer een alfa. Engels en Duits lijken me echter moeilijk, ook omdat de leraar ons nogal streng lijkt. Later zal dat allemaal wel meevallen. 

Voor het Nederlands eindexamen moeten we maar liefst 36 boeken lezen. Kom er nu eens om. Lezen ze nog (literaire) boeken op een Pabo? Boeken, wat zijn dat? Literatuur??

Blokfluit

Zaterdag 5 september koop ik in Assen een blokfluit. Met “korting” kost-ie me fl. 17,95. Als ik halverwege de maand de zeshonderd gulden van het ministerie ontvang, is er nog maar 230 over als ik alle tot nu toe gedane uitgaven eraf trek. Dat gaat dus hard. Dan moet ik er nog een half jaar ‘treinen’ van betalen…

In oktober hebben we een klassenavond. Onze klassenleraar is Kattenberg. Die geeft geschiedenis en later zal ik een beetje een hekel aan de man krijgen om zijn praatjes terwijl er van lesgeven eigenlijk nooit iets komt. Als er een proefwerk gehouden moet worden, stelt hij de moeilijkste vragen, over onderwerpen waar hij het nooit over gehad heeft. Ik heb aan weinig leraren echt een hekel gehad, maar deze man gooide hoge ogen. Ik vond geschiedenis op de Mulo altijd een mooi vak, maar deze man heeft dat helemaal verpest voor mij. Jammer. Want daar heb ik tot de dag van vandaag nog wel eens last van. De laatste jaren lees ik weer wat meer boeken over geschiedenis. Maar op de eerste klassenavond vind ik hem nog leuk. Directeur Mulder zelf is er ook, wat op zich erg opmerkelijk is, vind ik, maar wel kenmerkend voor deze unieke directeur. Hij leest een humoristisch stukje voor van Godfried Bomans. Het zal vast het bekende stukje over het bezoek aan de honderdjarige jubilaris geweest zijn. Ik heb het net op Youtube nog eens door Bomans zelf horen voorlezen. Tranen gelachen, ook nu (2015) nog. Moet je echt even gaan zien: KLIK HIER

Er wordt ook gedanst, maar daar breng ik niets van terecht. Nooit bijgeleerd ook, sindsdien. Maar al met al vind ik het een gezellige avond. 

Helder en anderen

De leraren vallen me verderop in het jaar alleszins mee. Ook de heer Helder van Engels en Duits, tegen de verwachtingen in. Hij is streng, zoals we al verwachtten, maar rechtvaardig en laat geen loopje met zich nemen. Ik ben hem er dankbaar voor, want dat ik me later in de beide talen tijdens onze reizen redelijk goed zal kunnen redden, dank ik zeker ook deels aan zijn lessen èn aan die op de Mulo natuurlijk. Helder heeft ook wel humor. Ik weet nog dat hij Sytze een keer nogal ernstig vermanend toesprak. Sytze stond met gebogen hoofd voor de klas en piepte quasi schuldbewust : ‘boei loei’. Wij zaten te stikken van het ingehouden lachen, en Helder kon zich toen ook niet in de plooi houden. 

Wiersma, die we voor natuurkunde hebben, is een zeer relaxte vent. Je kunt het aan zijn manier van lopen al zien: rustig slenterend, een soort ‘zwembadpas’ van Kees de Jongen, maar dan in xxx-slow-motion. Op een cijfer voor een repetitie kan je rustig twee weken wachten. Geduld jongens, dat komt wel! Maar ik vind hem wel inspirerend. Nu heb ik wel iets met techniek, dat scheelt, wil altijd weten hoe een apparaatje er van binnen uitziet en hoe dingen werken. Wiersma is de man die mij warm maakt voor het blad “Archimedes, tijdschrift natuurkunde, scheikunde en sterrenkunde”. Daarin staan leuke artikelen maar ook soms ideeën om zelf met eenvoudig materiaal apparaten te bouwen. Zo bouw ik zelf een periscoop van karton, wat hout twee en zakspiegeltjes. Ik bouw een gaatjescamera met een kartonnen Bluebanddoos. In een eerder artikel op deze website staat dit uitvoerig beschreven. Net als hoe ik zelf een elektromagneet en zelfs een werkende elektromotor met waardeloos materiaal bouwde. De elektromotor staat nog op mijn studeerkamer. En hij werkt nog steeds. 

* Meer over deze hobby's en bouwsels lees je in het verhaal over mijn jeugdjaren, ook op deze website. 

Muziek

Makkes van de Deyl, de man die mij op mijn gemak weet te stellen bij een vak dat mij eigenlijk helemaal niet ligt. Muziek, ik houd er wel van maar muzikaal ben ik zelf geloof ik niet echt. Zingen vind ik helemaal niet leuk en hier moet ik zelfs voor de klas zingen! Ik heb het geleerd dank zij Makkes. Ik zeg al: hij wist me op mijn gemak te stellen. Een uitzonderlijk talent. ’t Is nooit een hobby geworden, zingen, maar in de oefenscholen heb ik me er goed mee gered. Daarna had ik het nooit meer nodig. Maar Makkes leert me meer. Een goede ademhaling. Niet vanuit je borstkas, maar vanuit je buik. Makkes heeft een goede buik om het te illustreren. Hij legt er zijn hand op en laat de buik vooruit komen. Wij ook, doe maar na. Nog verder. Ruik maar aan een bloem, zegt hij, en hij doet het zo beeldend voor dat ik de bloem in zijn hand meen te zien. 

Ik weet nog dat hij ons ‘de stralende figuur’ aanleerde. Een strááálende zohon langs gouhouden báán. 

Tekenen en kunst

Van Dulmen Krumpelman leert ons tekenen. Nu vond ik dat in ieder geval al leuker op de lagere school dan zingen, maar een talent ben ik ook hierin nooit geweest. Van Dulmen heeft ook, net als Makkes, de gave om slapende talenten in iemand wakker te roepen. Ik krijg er plezier in, niet in alle opdrachten, maar soms… Ik maak op een keer een ‘schilderij’ met nogal kubistische figuren in een orgie van kleuren. Ik smeer veel kleuren door elkaar, zodat het “een sfeer van vuil, van grote stad, van verleiding en verderf” oproept. Ik geef het de titel: Rolling Stones. De kwalificaties hiervoor tussen aanhalingstekens zijn niet van mij. Het is wat Van Dulmen mijmerend, bijna voor zichzelf, zachtjes mompelt als ik met mijn creatie bij zijn tafel sta. Ik groei, ik gloei. Dit is het helemaal, zegt hij. Zo moet je verder gaan. Hij weet me het gevoel te geven dat ik wat kan. En dan blijk je inderdaad vanzelf wat te kunnen. Heel soms, moet ik erbij zeggen, want tekenen, nee, die vaardigheid heb ik niet. Helaas.  Ik kijk met jaloezie naar anderen die schijnbaar moeiteloos echt mooie dingen maken. 

Van Dulmen staat bekend om zijn grappige opmerkingen. In de “Syncoop Orgaan van Paideia” van juni 1965 vind ik een mooie en typerende uitspraak van hem:

“De heer Van Dulmen: ‘Hebben jullie vrij of zijn jullie eruit gegooid?’ Twee jongens: ‘We zijn de gang opgestuurd meneer.’ De heer Van Dulmen: ‘Zal ik er dadelijk twee meisjes uitsturen?’

We mogen als het zomer en mooi weer is, ook de stad Assen in. Ik herinner me nog dat ik de pomp aan de eeuwenoude kloostermuur bij het Drents Museum heb getekend. In de nazomerzon zitten we te kijken en te tekenen. Van Dulmen leert me kijken. Ook naar details. Verhoudingen, vlakverdeling, de gulden snede. Mede daaraan dank ik, denk ik,  mijn fotografiehobby. Gelukkig hebben mijn vrouw en ik datzelfde observerende oog en dezelfde belangstelling voor kunst en mooie dingen. Wij staan soms een foto te maken van iets wat andere mensen niet zien, waar ze aan voorbij lopen. Als ze ons dan zien fotograferen, gaan ze zelf ook beter kijken en zie je ze soms verrast worden. Maar soms zien ze niet eens wat wij zien, wat wij bijzonder vinden. Leuk vinden wij dat.

Dia’s van kunstwerken

Van Dulmen laat ons ook dia’s zien van beeldende kunst uit alle tijden. Ik maak eigenlijk hier voor het eerst kennis met deze kunst en ben meteen gegrepen. Ik neem een abonnement op Openbaar Kunstbezit en luister naar de radio, met de besprekingen van de werken die ik dan op fraai kunstdrukpapier heb toegezonden gekregen. Er gaat letterlijk een nieuwe wereld voor me open. Ik ga plaatjes uitknippen uit weekbladen als De Spiegel en de Libelle en zo, met foto’s van schilderijen. Voor het kunstoverzicht dat we zelf moeten maken, verzamel ik ook platen. Die lessen zijn uiterst waardevol voor me geweest. 

Mulder is niet alleen onze directeur en een jaar onze klassenleraar, maar hij geeft ons ook nog een poosje biologie. Als directeur, ik zei het al, is hij een soort Jan Lighthart-onderwijsman. Hij kent iedereen bij naam, hij weet van je als je het moeilijk met iets hebt. Is oprecht geïnteresseerd in je. Ik heb de man nooit verstoord gezien of boos. Hij dwong respect af door zijn betrokkenheid, denk ik. 

  fragment biologieboek

Voor rekenen, en een tijdje natuur- en scheikunde hebben we een nerveuze man die geen orde kan houden, en bij wie alles mislukt. Sneu. Ook voor ons. De man komt op een stoere motor naar school, maar dat helpt hem niet. De man van biologie, Van Meurs, is ook geen succes. Althans niet voor de klas. Gymnastiek vind ik maar niks. Is nooit wat geworden ook. Fokkema doet zijn best, maar het is bij mij boter aan de galg. Voor alles wat met sport te maken heeft, ben ik -nog steeds- allergisch. Het is een familiekwaal. Mijn vrouw en dochter hebben ook zo’n tik. Hoewel dochter wel bijna elke dag op het paard zit. Wandelen en fietsen vinden mijn vrouw en ik wel leuk. 

Schoolclub en -blad

 

De schoolclub Paideia wordt opnieuw leven ingeblazen, en ik word lid. Het kost me fl. 4,50 per jaar, lees ik in mijn financiële administratie. Enkele klasgenoten zijn actief in de schoolclub, als voorzitter, presidente, of in de redactie van de Syncoop, het ‘orgaan van Paideia’. De kwaliteit van dat blad is door de jaren heen nogal uiteenlopend. Eén of twee keer lever ik ook wat kopij. Ik ben er niet trots op, het nu teruglezend. Nogal melig, een beetje zuur. Als de schoolclub een collegetrui verkoopt met het logo van een olifant (de Mammoetwet komt eraan), neem ik er ook een. 

  

twee keer de auteur met de schooltrui aan, met de mammoet erop van de schoolclub Paideia                   re: op het strand bij de Kennemerduinen tijdens een fiets-kampeervakantie op camping De Lakens bij Bloemendaal

 

Mijn rapport van Kerst en Pasen is prima. Twee zessen en de rest is hoger. In de loop van het jaar wordt toch duidelijker dat ik niet van de algebra en scheikunde ben; ik vind het moeilijke en vervelende vakken en haal ook onvoldoendes op proefwerken. Dat ben ik niet gewend. Toch scoor ik in juli op het rapport wonder boven wonder nog voldoendes voor deze vakken. Beter liggen me de talen. Ik vind het fijn om vreemde talen te leren spreken. En Nederlands vind ik ook een heel fijn vak. Maar dat zei ik al. 

Overblijven en Opa Bounty

De middagpauze brengen we door in het centrale gebouw aan de Javastraat. We krijgen er een lokaal aangewezen waar we kunnen overblijven. Er is ook een kleine “aula”, maar ik zit liever in een gewoon lokaal, met onze eigen groep. Anderzijds: in de aula staat een piano, en als Sijtze daarop gaat spelen… If it ain’t got that swing…

Er is een rooster dat bepaalt wie er voor de koffie moet zorgen. Conciërge is de heer Boers, een beetje stuurse man. Je krijgt dan als je aan de beurt bent een grote aluminium kan koffie mee en daaruit schenk je iedereen een kop in. Thee is er dacht ik ook. Je moet ook even afruimen als je corvee hebt. Iedereen neemt brood mee, maar soms als het mooi weer is en markt is, dan gaan we ook wel eens even een zakje patat halen. Die middagpauzes op de krakende houten vloeren, ’s winters bij de warm stralende kachels, och ik denk er met weemoed aan terug. Als we in een lokaal zitten waar een piano staat, kruipt Sijtze vaak erachter en speelt. Wij staan en zitten eromheen en genieten. Verder kletsen we en kijken misschien nog even wat door als er ’s middags een repetitie op het programma staat. We kunnen elkaar dan ook helpen met dingen die een ander moeilijk vindt. 

 

’s Morgens haal ik met een paar andere jongens vaak een puddingbroodje bij een bakkertje, daar vlak in de buurt. Het is een heel klein winkeltje, we kunnen niet allemaal tegelijk naar binnen. De puddingbroodjes zijn wit, klef en zoet, maar ik smul ervan. En op het perron van Assen, als we tegen het eind van de middag naar huis gaan, scoren we dan nog wel eens een reep chocola of iets dergelijks. Ik houd in die tijd wel van Bounty, kokos met zoete melkchocola er omheen. Ik moet er nu niet aan denken, net zo min als aan die puddingbroodjes, maar toen smaakte het me aangenaam. Achter het loket van de kiosk op het perron staat elke dag een wat oudere man, die door Sijtze al gauw met opa aangesproken wordt en wij nemen dat over. Het mannetje vindt het allemaal prima. Al snel is Opa Bounty dan ook een begrip, althans binnen de Hoogeveense club. 

 

 

 

 


 

 

Het tweede jaar 1965-1966

In september 1965 begint mijn tweede schooljaar op de kweekschool. Meneer Mulder, de directeur, wordt onze klassenleraar. Ik krijg een studietoelage van 700 gulden. Ik koop me als uitspatting een pijp. En van die lekker ruikende gearomatiseerde Schotse pijptabak: MacBaren. Omdat ik denk dat ik al lurkend aan een pijp beter zal kunnen nadenken. En ik verbeeld me dat ik dat graag doe: nadenken over het leven en de wereld. Samen met mijn neef die later predikant is geworden (ik voeg dit toe om aannemelijk te maken dat hij wél kon nadenken over het leven) wandel ik zondagsavonds hele stukken, al bomend over zin en onzin van het leven, over wat we zoal meegemaakt hebben die week, en over de meiden die door onze hoofden spoken. 

In de aantekeningen die ik dan nog steeds bijhoud, vindt een opmerkelijke evolutie plaats. Schreef ik vroeger alleen de feitjes op, nu worden de teksten meer bespiegelend, reflecterend. Ik schrijf over welke indruk meisjes op me maken en over –meestal heimelijke- verliefdheden. Ik schrijf over verlangens en toekomstverwachtingen. Ik merk dat ik in de klas mij meer ontwikkel, me niet standaard op de achtergrond houd. Ik word langzamerhand wat minder verlegen en wat vrijer en spontaner. 

Minstrelen

Op 8 oktober 1965 is er een klassenavond. Samen met Meindert mag ik een quiz presenteren. Onze directeur de heer Mulder is als klassenleraar aanwezig. Een paar meisjes presenteren een spel waarbij ieder een papiertje krijgt met de naam van een kinderliedje erop. Dat moet je zo hard mogelijk gaan zingen en dan in de chaos je mede-groepsleden ontdekken die hetzelfde liedje zingen. Echt wat voor mij dus. Onze groep moet als beloning -of als straf, dat weet ik niet meer-, een twintig- regelig gedicht schrijven op muziek. Dank zij de dichtader van Herman lukt dat best. Herman is vaak de gangmaker in onze klas. 

Verder is er een spel waarbij jongens aan meisjes limonade moeten voeren met een lepeltje. Ook dolle pret natuurlijk. Onze quiz is eerst een beetje te moeilijk. Maar later gaat het beter. Hoogtepunt van de avond is wel een optreden van een in onze klas gevormde band door Sytze, Roel en Toni: The Normal School Minstrels. Drie klasgenoten die folksongs en spirituals zingen bij gitaar en bas. Het klinkt geweldig en voor de komende jaren is succes voor deze groep verzekerd. Wat zeg ik, voor de komende vijftig jaar. Op de reünie in 2015 treden ze nog eens met herhaald succes op. Maar dat weten we dan nog niet. Ik maak een stuk of vijf foto’s met mijn Agfa cameraatje. Ook op die foto’s is nu nog te zien dat het een gezellige avond was. 

 de band van de 'The Normal School Minstrels' in de aula met
Roel, Sijtze en Toni  (v.l.n.r.)

 

Toch niet zo moeilijk?!

Ik haal nu wat vaker lage cijfers. Dat ben ik niet gewend. Schoolwerk ging me altijd vlot af. Ik moet er wel veel voor doen, maar heb nooit de indruk gehad dat ik erg hard werkte. Ik vond huiswerk maken meestal geen straf. Van thuis af heb ik meegekregen dat het tot je verantwoordelijkheid hoort dat je overal het beste van maakt. Zeker als je ouders zich je opleiding maar net kunnen permitteren, zoals dat bij ons het geval was. Als ik dan een 3,5 haal op biologie dan schaam ik me daar toch wel voor. Op biologie nog wel. Dat is toch niet zo moeilijk?!

De paar foto’s die ik gemaakt heb op de klassenavond, zijn een succes: veel leerlingen bestellen ze bij me na. Na vijftig jaar duiken ze bij de reünie in 2015 weer op. Ze blijken dus niet alleen in mijn archief te zitten. 

Met Sinterklaas loot ik onze klassenleraar uit om een surprise te geven. Ik mag voor hem een presentje maken met een gedicht erbij. Men vindt het gedicht wel grappig geloof ik.  Op het kerstrapport heb ik geen onvoldoende meer, zelfs voor gymnastiek staat er nu een zes. Ja ja. 

     

Op mijn zolderkamertje staan de schoolboeken netjes gekaft naast elkaar; hier doe ik mijn huiswerk en luister ik naar muziek van de bandrecorder, die eigenlijk van mijn broer was...
Op de achtergrond een kerk die ik toen ik op de Mulo zat, had gemaakt van luciferhoutjes. Het moet de Keulse Dom voorstellen. 

 

Gat in de grond

  

 

aardrijkskunde

Ook een zes voor aardrijkskunde. De heer Wubs die dit vak geeft, is niet eenvoudig tevreden te stellen. Hij wordt door de hele klas gevreesd. Hij weet dat en geniet ervan. Hij laat je voor de klas komen, en geeft je de opdracht: ‘Vertel maar eens welke aardlagen je tegenkomt als je hier in Assen een gat in de grond gaat graven. Begin maar met het Pleistoceen.’ Wij gaan door diezelfde grond. (Ik weet dat ik namens diverse klasgenoten spreek). Wat denkt die man wel, dat we halve geologen worden of zo? Ik ben niet van plan ooit een zo diep gat te graven, zeker niet in Assen, en nog minder ben ik benieuwd welke aardlagen ik dan eventueel zou tegenkomen. Maar dat durf ik dan natuurlijk weer niet te zeggen. Wubs blijft ons prikkelen met hoge eisen. Hij eist niet alleen kennis maar ook inzicht. Op zich eigenlijk niets mis mee. Ik leer veel bij hem. En ook wel dingen waar ik later, bij voorbeeld op onze verre reizen en de kampeerreizen, graag op terugval. Als ik nu terugblader in de boeken Aarde en Mens deel 1 en 2 dan zie ik aan mijn aantekeningen in de marge van de boeken dat we toch wel heel veel bij Wubs geleerd hebben. 

       aardrijkskunde, fragment  uit Aarde en Mens

 

Vietnamkwestie

Op tweede kerstdag weiden mijn gedachten in het dagboek uit. Ik besef dat ik een bevoorrecht mens ben. Ik noteer dat in Vietnam de partijen na een kort kerstbestand verder gaan met elkaar uitmoorden. Ik heb wel eens discussie over de Vietnamkwestie.  In de dominotheorie heb ik nooit erg geloofd. Ik ben het helemaal eens met wat de schrijver Graham Greene al in 1955 schreef: 

“‘Ze willen geen communisme.’

‘Ze willen genoeg rijst’, zei ik. ‘Ze willen niet doodgeschoten worden. Ze willen dat de ene dag vrijwel net zo verloopt als de andere. Ze willen niet dat wij met onze blanke huid hun komen vertellen wat ze willen.’

‘Als Indo-China valt…’

‘Dat liedje ken ik. Dan valt Siam. Dan valt Malakka. Dan valt Indonesië. Wat betekent ‘vallen’? (…)”  

Uit:   Graham Greene: De stille Amerikaan. Amsterdam, 1968, p.96-97

(Oorspr.: The Quiet American, 1955).

Zie, zo je wilt, verder mijn reisverslag op deze website over onze fantastische reis door Vietnam in 2007, ook op deze website

In Berlijn worden een paar mensen door VoPo’s doodgeschoten omdat ze de zonegrens trachten over te steken. Een paar jaar later zullen wij er lopen met onze klas 5. 

Februari 1966 brengt dikke lagen ijzel en sneeuw; de spoorwegen kunnen er niet tegen (ook toen al, er is echt niets nieuws onder de zon) en wij hebben een week waarin er maar weinig school is. Met het paasrapport haal ik voor rekenen en wiskunde een vijf. De rest is voldoende tot goed. In april grijpt de boze buitenwereld in, in mijn relatief rustige bestaan. Ik krijg een “kennisgeving van inschrijving voor de militaire dienstplicht”. 

Akkevietje met de NS

  op  het station in Hoogeveen

 

Eind april hebben wij als geroutineerde treinreizigers toch een akkevietje met de NS. Zoals meestal zitten we op het ‘balkon’, in het halletje bij de deuren. We zitten vaak op de grond als de groene skaileren klapstoeltjes bezet zijn, en dat maakt misschien soms een wat intimiderende indruk op medereizigers. Geheel ten onrechte natuurlijk. We willen ook wel eens wat luidruchtig zijn, en soms vliegt er wel eens zomaar een appel door de lucht om uiteen te spatten tegen de wand, een druipend spoor van restjes achterlatend. Tja, het kan natuurlijk niet maar… “Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf..” (Koekebakker in de eerste zin van Titaantjes van Nescio). 

De meeste conducteurs kennen ons op den duur en weten met ons om te gaan. Maar soms…soms gaat het mis. Het is op het station van Beilen. De conducteur staat nog op het perron en blaast op zijn fluitje. Als hij bij ons wil instappen terwijl de trein al begint te rijden, blijkt dat de deuren op slot zijn. Hij fluit de machinist om te wachten, sleutelt de deuren open, kijkt ons bars aan en vraagt wie de deuren op slot heeft gedaan. Wij weten van niets, echt waar! Maar we worden wel de trein uitgezet. 

We hebben op het station van Beilen nog geprobeerd verhaal te halen, maar dat helpt natuurlijk niet. De man achter het loket begrijpt nauwelijks waar we het over hebben. “Uit de trein gezet, aargghh, dan zul je het er wel naar gemaakt hebben, ja*#&?!”

We komen een half uurtje later en een merkwaardige ervaring rijker aan in Hoogeveen. Tot nu toe is het een raadsel hoe de deuren op slot geraakt kunnen zijn. Ook op de reünie kon niemand mij dit raadsel verklaren. Er zit dus vast iemand achter die niet op de reünie aanwezig was. Ha! 

Voor de jongere lezertjes: je had toen nog geen automatische pneumatische deuren. De deuren klikten gewoon dicht als je ze met de hand dichttrok en met een speciale conducteur-sleutel konden ze op slot. Ook ván het slot maar soms even niet. 

Had die conducteur trouwens nog geluk dat het hem niet een halve eeuw later overkwam. Onzin-zin natuurlijk, dit, maar wat ik bedoel is, dat in een soortgelijk geval tegenwoordig de conducteur gerede kans loopt in het ziekenhuis te belanden, zo van: 

Hé! respéct ja!! Wat deuren op slot?! Wil jij ons ergens van beschuldigen? Denk ik niet toch?! Beetje respect ja! Kom hier dan zullen we jouw gezicht ff op slot draaien. 

Van dat werk. Nee, dan waren wij toch anders. Wij waren jongens, maar aardige jongens. Wij stapten gedwee en onschuldig de trein uit. 

Worst

Diezelfde avond is er een klassenavond. De heren Helder en Wiersma zijn aanwezig namens het lerarencorps. Met een paar andere jongens, ik meen Johan en Albert, doe ik een platenquiz. Ik kan daarvoor de taperecorder van mijn broer gebruiken. Toni en Roel zingen voor ons. Verder doen we wat spelletjes en Roel en Herman zingen een door onszelf gecomponeerd onzinlied dat veel succes heeft. Ik dichtte ook mee maar het zingen liet ik aan de deskundigen. Voor de sfeer citeer ik het lied hier. 

WORST

Jantje Reuzel was een brave borst, 

Hij at alle dagen slechts worst,

Hoe zijn vader en moeder ook praatten, 

Jantje kon het niet laten. 

 

Jantje at maar worst na worst,

Ook al kreeg hij ontzettende dorst,

De buren hadden ’t dra in de gaten:

Jantje kon het niet laten.

 

Maar van worst word je niet groot,

Daarvan ga je spoedig dood,

Dat had Jan wel in de gaten

Maar… hij kon het niet laten. 

 

Daar was een meisje dat wist van Jantjes nood, 

En zij dacht: ik wil niet Jantjes dood, 

‘k Ga proberen hem te helpen 

Maar hoe moet ik die worstdrang stelpen? 

 

Zij ging naar een goede dokter toe, 

Om te vragen wat en hoe,

Ik heb een goede raad voor u:

Maak hem verliefd aanstonds en nu!

 

Dus ging het meisje naar een winkelplein

En kocht een jurkje van satijn. 

Zo ging zij naar Jantje toe,

Maar al wat Jantje zei was Boehh. 

 

Het is het meisje toch gelukt,

Jan gaat niet meer onder worst gebukt.

Hij werd verliefd tot over zijn oren,

Jan was opeens gans verloren.

 

Nu de moraal! Jan is getrouwd.

Heeft een worstfabriekje op de hei gebouwd. 

Hij zet de tering naar de nering, 

Dus heb je zorgen? Neem verkering!

 

 Ja, meligheid kenden we wel. 

  

Herman met de heer Mulder, directeur en onze klassenleraar voor een jaar  in de aula in het gebouw aan de Javastraat in Assen. Let op de oude oliekachel, op een ijzeren plaat op de verder kale houten vloer. 

 de platenquiz; Johan, dhr. Mulder, Albert en Tineke

   

limonade voeren met een lepeltje           Hennie en Roel, Ally en johan, Annemiek en Meindert                             Ietje, Annemiek, Meindert, Mieke 

   Dinie, Albertje/ Ally, Johan, Roel, Annemiek



 

 

Een paar weken later ben ik bij de ‘grote avond’ van school. Veel harde muziek, een stikvolle zaal, dansen. Kortom, niks voor mij. 

 

 rapport van 1964-'65 en '65-'66


 

 

 

 

Alles wordt nieuw, het derde jaar 1966-1967

Voor het overgangsrapport sta ik alleen op rekenen nog een vijf; de rest van de cijfers is hoger. Helaas zijn er wel zittenblijvers dat jaar. In augustus begint het nieuwe schooljaar en nu begint ook de eigenlijke beroepsopleiding, de ‘tweede leerkring’. We krijgen nieuwe vakken en nieuwe leraren. Opvoedkunde, didactiek, psychologie en dat soort werk, maar ook schrijven (bordschrijven). Ook stromen er nieuwe leerlingen in onze klas. Van de HBS, MMS en zelfs meen ik iemand van de universiteit. Er zijn er een stuk of acht nieuwe gezichten, de meeste zijn meiden. Onze klassenleraar wordt de heer Bos; ook al een nieuw gezicht op school, vrij jong, pas zijn akte gehaald en nu onze leraar voor opvoedkunde en psychologie. Hij lijkt ons een geschikte man. Herman en Mieke worden onze klassenvertegenwoordigers. Ja, wie anders. Hoewel: ik kreeg ook nog één stem. Eén stem, ik heb nooit geweten van wie die stem was. Dat vreet nog steeds aan me. 

Crime

Er verandert veel op school. Zo krijgen we nu van gym ook theorie. Theorie is in ieder geval beter dan al die nutteloze lichamelijke inspanning doen. Schrijven op het bord vind ik ook een crime, maar opvoedkunde en vooral psychologie vind ik interessant. 

Belangrijkste verandering is misschien wel dat we kennis maken met de praktijk op de leerscholen. Ik mag naar de Hervormde school II aan de Bentinckslaan. Die is er nu al jaren niet meer, maar hij stond achter de Gereformeerde Hoofdstraatkerk in Hoogeveen. Daar mag ik bij de heer Tilstra hospiteren. Het klikt meteen tussen hem en mij. Hij is een kritische geest, staat bij sommigen bekend om zijn ‘linkse’ sympathieën. Nooit wat van gemerkt. Hij is maatschappijkritisch, ja, en sociaal bewogen. Als dat ‘links’ is (ik vrees van wel) ben ik ook links. We hebben –ook over andere dan schoolse zaken- interessante gesprekken. Hij leert me veel meer dan alleen met een klas omgaan. Zelf gaat hij heel natuurlijk en gemoedelijk met de kinderen om en toch heerst er orde en rust onder de 37 pupillen. Ik zal van de klas gaan houden. Ook hij heeft mij dus deels gevormd tot wat ik ben geworden. 




 

Klassenweekend in Witterzomer

    

 

Wim,Jaap, Roel, Johan, Albert, Meindert                                                                                Riek, Jelly, Jaap en Hillie

 

          

 

Toni                                                                                                                                    herkenbaar: Hillie, Jelly, Dinie.  Met zwarte trui op de rug gezien dhr. Bos

           

 

ik 's morgens me scherend; niet veel later zou ik een baard laten staan.                                       Lineke, Jelly, Dinie, Jeltje, Wim, ....

  

 

ik                                                                                                                                     Lineke, Meindert, Tineke

 

We zullen met de klas een kampeerweekend hebben. In de aanloop daar naartoe zijn er wat strubbelingen tussen de geesten. Het spitst zich toe op een stuk of wat meisjes die zich in de verdrukking vinden komen. Klassenleraar Bos weet de zielen weer aardig met elkaar te verzoenen. De rust keert weer. Het kan allemaal zo geregeld worden dat we geen tent hoeven te huren. Die van mij gaat ook mee. Door noest sparen en werken in de zomervakanties heb ik zelf een kampeertent kunnen aanschaffen. De kampeerhobby is bij mij al vroeg ontwikkeld.  Ik deel de tent met Albert. 

Vrijdags vertrekken we met de fietsen in de trein naar de camping Witterzomer bij Witten, dicht bij Assen. We zetten de tenten dicht bij elkaar in een halvemaanvorm op. De eerste avond hebben we een gezellige avond in de kantine en na half elf begint het nachtspel. Enkele groepen moeten het bos in en verborgen op de grond dierengeluiden maken. De rest moet de ‘dieren’ opsporen in het donker. Zo heb ik dus die nacht onder een boom tussen de struiken twee uur onder mijn jack gelegen, om de paar minuten boehhh roepend, zodoende een koe imiterend. Ja dat is mooi, mooi, mooi man, het leven dat is één groot feest. 

Maar zaterdagavond, toen ik zelf mocht zoeken, was het nog leuker. Toen struinden we met drie jongens en een meisje door het nachtelijk-stille bos op zoek naar de ‘dieren’. Een ervaring die ik nog niet kende. Zo zwerven door een nachtelijk bos is iets waar je uit jezelf niet gauw toe komt. Nee, wie gaat er in het bos ’s nachts nu ‘dieren’ zoeken! Maar ik bedoel in modern Nederlands: zo door een bos sluipen met zijn vieren geeft een unieke eco- en ego-ervaring. 

Ons dag-nacht-ritme schuift door dit soort activiteiten op, zodat we ergens na half drie ’s nachts gaan slapen en tegen half elf de volgende ochtend opstaan. 

Kampvuur

    Sijtze, Roel, Toni. Let op de theekistbas!

 

bij het kampvuur, buiten                                                                                                           en binnen (onder)

      

Zaterdagmiddag doen we verstoppertje in het dichte sparrenbos, en een spel waarbij een jongen een meisje uit de kring mag zoenen. Ik krijg natuurlijk weer geen beurt. Verder houden we een pijlenspeurtocht en wordt er gedanst op niet te beste platen. Dat zijn platen die ik niet mooi vind.  ’s Avonds vind ik het geslaagder, met een kampvuur.  We zitten in het vuur te staren en hebben vage lol tot de tweede dierenspeurtocht begint. Zondag is er een geïmproviseerde kerkdienst en een discussie. En een voetbalwedstrijdje waar we de ‘dufheid’ van ons af kunnen lopen. ‘Duf’ is een stopwoord van ons in die tijd. We maken gezamenlijk een verhaal, tegen elkaar aan liggend bij het open haardvuur, wat door de absurde wendingen altijd goed is voor hilariteit en dat was toen niet anders. 

  

Meindert als dominee                                                                                                                              Anthony (Toni), Wim, Roel en Sijtze   als The Normal School Minstrels  (met Wim als 'gastspeler')

 potje voetbal

 de groep 

Riek, Toni, ik, Tineke, Hillie, Herman, Jaap, Mieke, Sijtze, Ietje, Roel,  onze klassenleraar, de heer Bos, Dinie,Jelly,Meindert, Albertje en vooraan Lineke. Vooraan zou Albert nog kunnen liggen...

 

Ik vind Tineke en Lineke uit Groningen aardig en we trekken een beetje samen op. Na de dierenspeurtocht zitten we met een paar anderen nog een poos voor hun tent en daarna nog een paar tenten verderop. Tegen vieren in de ochtend vinden Albert en ik het welletjes en gaan slapen. Anderen hebben de hele nacht doorgehaald. ’s Morgens om acht uur zakt onze tent boven ons hoofd in elkaar; grapje van de nachtbrakers. Lachen man. De maandag hangen we nog wat rond en tegen enen zit het weekend erop. In de trein van elf voor twee heeft iedereen het helemaal gehad door slaapgebrek en vermoeidheid. Het woord –duf- is dan zeer toepasselijk. Al met al een leuk weekend, waarbij we elkaar van een andere kant en op een andere manier leren kennen. Dit is zo’n typische evaluatie-zin. Managerstaal. Schrappen! 




 

Bos’ bier

Op 8 oktober is er een ‘contactavond’ van de schoolclub. Het programma vind ik best aardig, maar verder is het niet erg gezellig. We zijn maar met een stuk of vier jongens uit Hoogeveen, de rest zit achter het toneel of is er niet. We hebben nog wel lol gehad, maar de meiden zitten apart en gaan na afloop meteen weg. Tijdens het ‘bal’ na afloop hebben we nog wel even gelachen. Onze leraar Bos had net een biertje besteld maar werd ten dans gevraagd. Wij moesten op zijn biertje passen, maar dronken dat natuurlijk op. Tja! Je moet een kat niet laten waken over een stukje spek. Als we Hoogeveen naderen in de late trein, zegt Toni: Ik zou nog wel een pilsje lusten. Daarom zitten we nog een half uurtje in de restauratie na te praten. 

Eerste les geven

Aan het voorbereiden van mijn eerste les voor een klas, een Bijbel-les, besteed ik anderhalf uur. Uiteindelijk duurt mijn lesje met verwerking en al twintig minuten. Mijn mentor is tevreden, al heeft hij wel tips en opmerkingen. Bij hem thuis praten we er nog eens over door en krijg ik een nieuwe opdracht. Nee, met de heer Tilstra als mentor heb ik het wel getroffen vind ik. Een rekenles een week later gaat al beter. Op de leerschool mag ik daarna een les Nederlandse taal geven. Het gaat goed maar ik merk meteen dat orde houden een integraal onderdeel is van elke les. Een paar weken later komt onze leraar Bos bij me kijken tijdens een rekenles. Ik heb daarvoor een les over Calvijn gegeven. Op de rekenles krijg ik allerlei opbouwende kritiek, maar de conclusie van zowel opvoedkundeleraar als mentor is: ‘ga zo voort’. Nou, dat doen we dan maar. 

Discussiëren

Op school bestellen veel klasgenoten foto’s van het kampeerweekend bij me na, 53 stuks in totaal. Ik voel me in de klas steeds beter in mijn vel zitten, zoals dat tegenwoordig heet. Op een tekstanalyse examenopgave van Nederlands haal ik een zeven. Het schijnt een van de weinige voldoendes te zijn geweest. Hoe moeilijk kan het zijn dan, denk ik. Maar ik heb makkelijk praten, ik vind Nederlands een heel mooi vak. 

Met Wim ga ik in Assen naar een leerschool gymnastiek geven. Dat vind ik geen leuk onderdeel. Ik zal er nooit goed in worden. Gelukkig heb ik het nooit hoeven doen in mijn latere loopbaan. Voor het overige haal ik goeie cijfers voor het kerstrapport dat al rond Sinterklaas komt. 

In mijn aantekeningen constateer ik zelf dat ik mijn karakter voortdurend ontwikkel. Ik stel mezelf nog steeds niet gauw op de voorgrond, maar ik word wat vrijer en durf gemakkelijker mijn mening te uiten. En een mening heb ik over veel zaken, want ik heb een brede belangstelling en houd van discussiëren. En van een beetje tegendraads denken, provoceren met stellingen. Als we bij Nederlands worden uitgedaagd door onze sympathieke leraar Van Dalfsen om onze mening te geven over bij voorbeeld een gedicht, dan komt er niet veel uit de klas, maar dan doe ik mijn mond nog wel eens open. Het zal niet altijd even wijs geweest zijn wat ik te berde bracht, want ik ben natuurlijk nog een adolescent die onzeker en volop zoekend is naar zichzelf en naar een weg door de wereld. Hoewel ik niet meer dat verlegen jongetje van vroeger ben, blijf ik verlegen, zeker tegenover het andere geslacht. Misschien compenseer ik die verlegenheid naar buiten wel met een zekere arrogantie, althans iets wat op anderen vrees ik gemakkelijk als zodanig overkomt, maar het niet is. Maar het is nogal arrogant om dat van jezelf te zeggen, misschien. 

Even tussendoor

Even tussendoor: die liefde voor de discussie en argumenteren is altijd gebleven, want toen ik in de goede ouwe tijd les gaf, was minstens een van de vier (!) uren Nederlandse taal die ik in een meao-klas per week had, gewijd aan mondeling taalgebruik. De goeie ouwe tijd, dat was toen er nog volop belangstelling was voor de moedertaal in het onderwijs en men daarvan het belang nog onderkende en erkende. Ook erkende in de zin dat men er voldoende beschikbare uren voor uittrok. Dat zou later wel anders worden. (Ik heb het vak Nederlands in het Mbo langzaam letterlijk tot nihil zien afbreken, maar dat is een ander verhaal). Ik liet de leerlingen om de beurt een paar stellingen bedenken en verdedigen en uit de klas mochten ze vragen stellen. Dat leidde er regelmatig toe dat ik een hele les aan het gekozen onderwerp wijdde, als een soort Lagerhuis avant la lettre. Ik vond het prachtig om Mbo-leerlingen, die soms al behept waren met stevige (voor)-oordelen, eens te laten nadenken over hun stellingname en om ze te confronteren met andere ideeën. De zwaarste onderwerpen gingen we (ze) niet uit de weg: wij spraken over euthanasie net zo goed als over voetbalvandalisme, over abortus net zo uitgebreid als over homoseksualiteit. De klas gnuifde wel eens als we weer een hele les aan niets anders waren toegekomen dan meningen vormen en uitwisselen (lekker geen huiswerk!) maar ik was er heilig van overtuigd dat ik ze met deze uren meer meegaf dan met alle lesjes grammatica en correspondentie samen. Ook omdat ik weet wat ikzelf heb gehad aan dat soort lessen: praten over wezenlijke zaken, meningen vormen, en toetsen aan die van anderen en leren open te staan voor argumenten. Dat zouden meer mensen meer moeten doen, vooral dat laatste: openstaan voor argumenten. Ik zoek graag naar de achterkant van het gelijk, om de titel van een beroemd tv-programma uit de vorige eeuw te citeren.

Paarvorming

Ik ga met de meesten uit mijn klas denk ik wel relaxt om, maar met de een ‘klikt’ het uiteraard wat beter dan met de ander. Natuurlijk heb ik bepaalde voorkeuren. Bij een paar meiden uit de klas ben ik extra graag in de buurt en omdat we in elk lokaal weer kiezen waar we gaan zitten, weet ik het vaak wel zo te draaien dat ik naast X of Y zit. Wie X of Y is, hangt ervan af, want ik heb meerdere favorieten. Gelukkig niet allemaal tegelijkertijd… 

Ik ben vooral ook bezig met later. Ik wil aktes halen en naar het voortgezet onderwijs. Ik vind het vaak heel leuk op de leerschool in het basisonderwijs, maar ik besef in dat stadium al dat ik voor dat werk toch niet echt in de wieg gelegd ben. Het vak Nederlands heeft dan al mijn bijzondere belangstelling. Daarin zou ik wel verder willen. Ik heb belangstelling voor teksten; ik schrijf niet voor niets in die tijd al hele stukken in het journaal waaruit ik nu veel van deze herinneringen put. En ook schrijf ik stukjes voor het nieuwe schoolblad, de Syncoop. Onder de nom-de-plume ‘Cycloop’. Die stukjes zijn niet best. Ik denk er in die tijd ook wel over om een paar jaar in een ontwikkelingsland te gaan werken. In een uitgave van de Syncoop lees ik daar een heel stuk over. Een serieuze relatie past in mijn springerige wereldbeeld niet goed in die plannen. Klas- en schoolgenoten doen overigens in die tijd al wel serieus aan wat ik maar oneerbiedig noem: paarvorming.

   schoolclubbladen 

  

Stukje in de Syncoop over vervangende dienstplicht.                    Re:  een gedicht van Cycloop

    

De honger in Biafra is een thema in die tijd. De iconische foto links plaatst de redactie met een kerstwens eronder. Zo deden wij dat vroeger.     Re: een zurig stukje van Cycloop in de Syncoop. 

 

Keuzes

Maak ik de goede keuzes? Ik denk nog wel eens aan die tijd terug. Wat een belangrijke tijd was dat in ons leven: het kiezen van een partner -of nog juist niet, het kiezen van een beroep. Het uitvinden van wat essentieel voor je is in je leven. Wat je levensbeschouwing wordt. Wat je waarden zijn waaruit je wilt leven. Wat wil je koesteren van wat je van thuis hebt meegekregen, en waarin wil je juist je eigen koers uitzetten. 

Als ik de Bildungsroman ‘Karakter’ van F. Bordewijk in die tijd lees en daardoor geraakt ben en me identificeer met Jacob Katadreuffe, zie ik dat Jacob zijn streven om een goede advocaat te worden, moet bekopen met het verlies van de enige echte liefde in zijn leven. Er is een wederzijdse, maar niet uitgesproken toenadering tussen Jacob en Lorna te George, een secretaresse van het advocatenkantoor waar ze beiden werken. Katadreuffe ziet hun relatie echter vooral in verband met zijn carrièrebelang, -en zij trouwt met een ander. Te laat beseft Jacob dat hij oprechte liefde voor haar koesterde. Tja, als ik dat boek Karakter lees in die tijd, dan denk ik wel eens: gaat dat ook voor mij gelden? 

Nieuwsgierig

Nu is het niet zo dat ik me met Jacob Katadreuffe identificeer omdat ik zijn carrièredrift herken. Overmatige ambitie is me eigenlijk altijd vreemd gebleven. Anderen zullen dat wellicht anders beoordelen; het zij zo. Het steeds maar verder studeren wat ik later zou doen: van tweede- via eerstegraads docent tot en met uiteindelijk een afgeronde universitaire studie, is me nooit ingegeven door carrièredrang. Eerder was nieuwsgierigheid de drijfveer: wat is er nog meer? Is that all there is? zingt Peggy Lee in die jaren ‘60. Nou, dat gevoel dus. 

Toen mijn studievrienden en ik eenmaal eerstegraads waren, hadden we om financiële redenen beter kunnen stoppen. Beter betaald worden konden we toch niet meer in het onderwijs. (Tja, behalve als je tot het management ging behoren, zoals mijn studievrienden.)  Maar nieuwsgierigheid dreef ons, in ieder geval mij, ertoe om ook die vier (!) jaar doctoraal er achteraan te doen. Naast een volledige baan van 32 uur in het onderwijs. Mind you! 29 uren was de norm, maar ‘iedereen’ gaf standaard drie overuren. Dat verwachtte de directie ook wel enigszins van ons. Dus vier dagen van acht uur les en ’s woensdags de hele dag naar Utrecht. ’s Avonds en in de weekeinden correctiewerk en studie. In de schoolvakanties proberen het studiewerk dat in de knel was gekomen, in te halen. Ik heb het jaren achtereen gedaan. Later dacht ik: hoe heb ik dat ooit kunnen opbrengen?!

Emancipatie

Voor mij is er ook wel de emancipatorische kant, besef ik nu achteraf beter dan toen ik met de studies bezig was. Afkomstig uit een eenvoudig arbeidersmilieu wil ik, denk ik, ook bewijzen dat ik toch maar in staat ben die academische graad te bereiken. Ook al moet het via de langste omweg die je kunt bedenken. Niet om me te verheffen boven dat milieu, verre van. Maar wel om de prestatie op zich. Met sport heb ik niks, maar hier wil ik presteren om het presteren, lijkt het wel. Want mijn studievrienden en ik hebben die universitaire graad allesbehalve cadeau gekregen. Daarover verderop in een volgend hoofdstuk meer. 

Die aangeboren nieuwsgierigheid heeft me ook de journalistieke bijbaan bezorgd die ik de laatste jaren van mijn werkzame leven nog heb gehad. Daarbij heb ik wel vaak gedacht: dit had ik moeten kiezen als mijn beroep. Mensen kritisch ondervragen, daar een stuk van maken en dat uiteindelijk gepubliceerd zien (destijds in Schooljournaal van de Onderwijsbond CNV, of tegenwoordig nu en dan een stukje in de Kampeer- en Caravan Kampioen), ja dat geeft me wel een kick. Vandaar misschien dat ik naast deze herinneringen de laatste tijd ook wat korte verhalen schrijf. 

Water under the bridge

Maar het terugkijken dat ik nu doe, is natuurlijk allemaal “water onder de brug”: het is water van een halve eeuw oud en het stroomt weliswaar nu onder je door, staande op de brug van het heden,  alsof het nieuw is, maar het viel al decennia geleden als sneeuw op de gletsjer. En het stroomt en blijft stromen, je krijgt er geen vat op. Verleden en heden stromen door elkaar. De Britten zeggen: it’s no use crying over spilt milk, en zelfs lees ik: it’s spilt milk under the bridge, dat vind ik wel een mooie. Maar niettemin is mijmeren op die brug boven het water wel eens aardig. Of zou het te maken hebben met het feit dat ik ouder word? Vroeger had ik die neiging tot terugkijken eigenlijk nooit zo. Minder in ieder geval. De laatste tijd meer, en dat komt ook doordat ik al mijn oude foto’s heb gedigitaliseerd. Bij de foto’s van vroeger horen onderschriften, en zo komt hier van het een het ander. De reünie van klas 3B van de kweekschool die we in april van 2015 hadden in Zwolle,  werkt natuurlijk ook in niet geringe mate mee om te gaan reflecteren. 

En nu reflecteer ik hier dus op 1966. 

Sinterklaas op de tandem

Op 5 december 1966 komt Sinterklaas met twee zwarte pieten op een tandem de benauwde zaal binnenrijden. Volgens mij was Gosse de sint. In deze geest vieren we Sinterklaas in zaal “De Schulp”. Ik mag van Sinterklaas een presentje maken voor een van de meiden in onze klas, Lineke, en ik maak er een “gedicht” bij van maar liefst 54 regels lang. Zelf krijg ik van de onbekende Sint (maar ik vermoed dat onze klassenleraar Bos erachter zit) een pocket die ik zeer geïnteresseerd ga lezen: van H. J. Eysenck: ‘Gebruik en misbruik van de psychologie’. Je kunt het nu nog nieuw kopen, zie ik op het internet. Maar dan zal het wel bewerkt en gemoderniseerd zijn, neem ik aan. Ik zal het boek ook gebruiken voor mijn examen het jaar daarop. Ik raak zo geïnteresseerd dat ik ook andere boeken van deze destijds vooraanstaande psycholoog koop en lees. 

Het idee om naar het buitenland te gaan om in een ontwikkelingsland me te gaan inzetten voor de minder bedeelde mensheid, wordt versterkt als er geruchten zijn dat je in dat geval niet meer in militaire dienst zou hoeven. Voor militaire dienst wordt lang niet iedereen meer opgeroepen, maar ik moet er nog wel aan geloven. Ik heb slechts uitstel tot januari 1970, wegens mijn studie. Als ik in plaats daarvan naar een warm land zou kunnen gaan, veel van de wereld zien, nieuwe indrukken en levenservaring opdoen, zou dat mijn voorkeur hebben. Je dient de wereld meer met onderwijs dan met militaire macht, dat is dan al wel mijn overtuiging. Bovendien telt tropendienst dubbel voor het bereiken van je pensioengerechtigde leeftijd; zelfs aan dat soort dingen denk ik dan al…

Op de leerschool mag ik onvoorbereid een hele ochtend een vierde klas bezig houden. Ik doe het met plezier. Voor school ben ik bezig met een werkstuk (scriptie noemden we dat toen) over de schilder Vermeer. Als er iets is, waardoor de kweekschool voor mij ook belangrijk is geweest, dan zijn het de docenten die me in contact brengen met cultuur, kunst en wetenschap. 

Huwbaar

Tekenen en kunstgeschiedenis hebben we van de unieke heer Van Dulmen Krumpelman, een echte kunstenaar, aan wie je afziet dat hij het lesgeven wel leuk vindt, maar dat hij eigenlijk toch liever een mooie aquarel zou maken. Eens als we weer wat te veel zitten te donderjagen, roept hij hoofdschuddend door de klas: “Jongelui! Jullie zijn al huwbaar! Gedraag je daar dan een beetje naar…”  Prachtige man. Heerlijke lessen. 

Was meer plezier mee en bij te hebben dan bij de man voor handenarbeid: Meeldijk. Nomen est omen, de naam suggereert droogte en stevigheid en dat klopt denk ik wel aardig. Het was een man waar niet veel humor in zat, bij wie het allemaal heel precies kwam maar die je wel een vak goed onderwees. Ik was een keer mijn metalen millimeterliniaal kwijtgeraakt. Duur ding. Veel later vond ik hem terug maar ik had al een nieuwe gekocht. Meeldijk moest die nieuwe uitgebreid inspecteren, of de schaalverdeling wel voldoende accuraat was. Gelukkig passeerde de liniaal zijn strenge keuring want het was een verhipt duur ding. 

De lessen tekenen en handenarbeid hadden hun eigen aantrekkelijkheid. Je kon wat rondlopen, wat kletsen met de meiden, wat lanterfanten ook, maar je moest wel wat presteren. 

Afscheid

Op 6 januari 1967 neemt de heer Mulder afscheid als directeur ten gunste van de wat formelere heer J. van Duuren. Mulder is een directeur geweest in de geest van Theo Thijssen: veel aandacht voor het individu en als een vader voor de schoolgemeenschap. Terecht krijgt hij een hele avond afscheid aangeboden, waarop muziek gemaakt wordt en de middeleeuwse klucht ‘Nu Noch’ wordt opgevoerd. De muziek komt voor een deel van “onze eigen” Normal School Minstrels. Ze zingen Sinnerman, Little Sparrow, Go tell it on the mountains en een eigen compositie. 

Voor Nederlands staat er in januari een discussie gepland waarvoor de klas het onderwerp heeft gekozen: seksualiteit. Ik word uitverkoren om daar een samenvatting van te mogen geven aan het eind. Eervolle opdracht, nou. Ik ben natuurlijk weer veel te serieus en lees me in over het onderwerp met mijn boek van de psycholoog Eysenck, dat ik voor Sinterklaas kreeg. Daarin staat een kritische bespreking van de twee beroemde Kinsey report’s On man’s sexual behaviour, “Over het sexuele gedrag van de man” en (een paar jaar later) idem van de vrouw. (Seksueel schreef men toen als sexueel, eigenlijk veel mooier, sexueler zeg maar; seksuweel zag je toen ook wel, bv. in provokringen. Dat was denk ik progressieve seks/ sex. Maar dit allemaal terzijde. Sorry, beroepsdeformatie.) 

De rapporten kunnen beschouwd worden als de succesvolste en invloedrijkste wetenschappelijke publicaties van de 20e eeuw. Helaas wordt de discussie een sof. Slechts enkelen, voornamelijk van de intussen in de klas gevormde paartjes, doen hun mond open. Alsof die alleen verstand hebben van dit onderwerp, hallo?! Mijn ‘samenvatting’ gaat dan ook volledig de mist in. Er valt weinig samen te vatten. 

Omstreeks deze tijd, januari 1967, is mijn werkstuk over Johannes Vermeer voor kunstgeschiedenis af. Het zijn 37 beschreven pagina’s, overigens ook met een aantal illustraties van platen die ik overal vandaan verzameld heb. Ik heb er ruim drie maand aan gewerkt. Tussendoor maak ik op de leerscholen ook nog een vrij uitgebreid “Observatierapport” voor opvoedkunde, met onderzoekjes als een vriendschapssociogram, een werkmaatsociogram, een taaltest en –analyse, een gewetensonderzoek, observaties en nog veel meer. Het vreet allemaal tijd. Mind you: het moest allemaal geschreven worden, ja? Met de pen, ja? Pas in de vijfde klas schafte ik me een tweedehands typemachine aan. 

  

 

  

 

Klassenavond

In dezelfde week hebben we weer een klassenavond. Dat is ouderwets gezellig. Johan en ik hebben een ballonnenspel bedacht, dat bij de uitvoering genoeg hilariteit wekt, net als het spelletje dat Jellie bedacht heeft, waarbij een aantal jongens in een rij moet staan met ontbloot been. Geblinddoekte meisjes moeten de jongen herkennen door aan het been te voelen. Dat lukt een van de meiden, Mickey, succesvol bij mijn been. Dat levert me een zoen van haar op. Toch kan zij onmogelijk mijn been van zo dichtbij en intiem kennen, daarin moet je me echt geloven. Zo zie je maar wat je met een dosis geluk en toeval al niet kunt bereiken. 

    klassenavond

  

 de klas met de heer Mulder

Vooraan: ik, Albert, Roel, Meindert, Sijtze, Herman. Tweede rij: Johan, Toni, Dinie, Mieke, dhr. Mulder, Ietje, Hennie, Albertje,  achteraan Tineke en Lineke

  

eindelijk eens een foto waar ik ook op sta: rechts. (de meeste foto's die hier staan maakte ik; een zelfontspanner had mijn klikcameraatje niet...)  

 jolig op het station voor de laatste trein naar Hoogeveen

  op het Assense perron na een klassenavond, voor de kiosk van 'Opa Bounty'

 v.l.n.r. (o.a.) Jeltje, Mieke, Sijtze, Annemiek (die wachtte op de trein naar Groningen), Jaap, Albert, Johan, Dinie, Jelly 

 

 

 

In deze tijd ontwaakt ook mijn politieke belangstelling. Ik voel wel sympathie voor de progressieve stroming in de ARP, zeg maar de lijn van Jaap Boersma. Wat is die christelijke politiek van toen trouwens mijlenver verwijderd van wat het CDA nu is. En niet alleen verwijderd in tijd. Onvoorstelbaar hoe dingen zich kunnen ontwikkelen, ook de verkeerde kant op. Maar ook dat is water onder de brug. Op een andere plaats misschien nog wel eens meer over mijn politieke ideeën en idealen. 

Druk

We doen verkeersexamen. Ik slaag. Het voorjaar is op school een drukke tijd. Ik lees in mijn aantekeningen dat de mensen in onze klas prikkelbaar zijn, en soms ook een beetje apathisch. We hebben echt een druk programma. Er gaan stemmen op in de klas om nog eens een kampeerweekend te organiseren, zo rond Pinksteren. Om de broodnodige klassengemeenschapsband eens weer wat te verstevigen. Er zijn nu redelijk wat onderlinge irritaties in de klas. 

Keuring

Er komt een bericht binnen met de post van het ministerie van defensie: maandag 8 mei dien ik mij om 08.20 uur te vervoegen in de kazerne van Deventer voor de keuring voor militaire dienst. Ik had al gehoopt dat ze me zouden ‘vergeten’… 

Een kunstreis met de trein naar Amsterdam brengt me oog in oog met Rembrandts en Vermeers. Vooral de laatste bekijk ik met bijzondere interesse. Wat een tere kleuren, hoe ingetogen de modellen, wat een boeiende lichtval. Daarna doe ik nog het Stedelijk. In de trein terug lees ik de intrigerende gedachten van Provo in een blaadje dat ik in de hoofdstad op de kop tikte. Ik realiseer me hoe provinciaals ik eigenlijk ben. Wat een beschermd en infatsoenlijk wereldje de Assense kweekschool eigenlijk is. We verbeelden ons, pardon, ik verbeeld me dan soms wel heel wat, maar het echte leven speelt zich toch niet af aan de Javastraat in Assen. Noch op het Stationsplein van Hoogeveen. Niet dat ik jaloers ben op de hoofdstedelingen, nee zeker niet, maar toen al, en nu ook achteraf denk ik dat we in Assen wel ontwikkelingen in ‘de grote wereld’ missen. Alle grote studentenprotesten gingen langs ons heen. Wij vonden het wel goed. Nou ja, het was ook goed, maar… Is that all there is? 

Normaal? Ik dacht het niet

Acht mei word ik (goed)gekeurd in Deventer. ’s Morgens een medische keuring en ’s middags allerlei tests. Ze beschouwen iedereen die hier binnenkomt ongeveer als analfabeet en geestelijk gestoorde, zo krijg ik de indruk, en daar erger ik me nogal aan. ‘Bent u geestelijk normaal?’ is een van de eerste vragen. Ik ben dan geneigd om naar waarheid te antwoorden: ‘Tja, wat is normaal…, ik denk het eigenlijk niet!’ maar ik heb me weten te bedwingen en heb het spelletje braaf meegespeeld. ’s Middags doen we ook nog een test in morse-taal. Nou, ik kan me voorstellen dat morseseiners helemaal lijp worden; ik word het alleen al van de test. Dus dat zal het wel niet worden. 

Maar verder is het leuk, in de middagpauze wat aardige gesprekjes met lotgenoten. Ik heb me opgegeven voor tolk bij de landmacht en eventueel ook voor uitzending naar Suriname. Maar ter plaatse wordt me al te verstaan gegeven dat ‘de organisatie’ toch bepaalt wat háár goeddunkt, wat betreft je bestemming, en daar helpt je eigen voorkeur niet echt aan. Tolk worden lijkt me wel leuk: op rijkskosten een studie Russisch of zo. En voor een diensttijd in Suriname zou ik zo tekenen. 

Reisbureaus afstropen

Voor school moeten we zelf overzichten maken van de stijlperioden in de Europese kunstgeschiedenis. Ik heb daarvoor reisbureaus afgestroopt naar folders van Italië en andere zuidelijke landen met foto’s van kunstschatten. Het samenstellen van de plakboeken kost enorm veel tijd, maar ik vind het heerlijk werk. Ik bezit de twee delen nu nog en het is leuk om er nog eens in te bladeren. Ik lees boeken voor de literatuurlijst, maak vier lesschema’s voor Nederlands en vier voor aardrijkskunde, ik lees boeken voor pedagogiek, en dan is er nog een godsdienstexamen in september waar ik nog veel voor moet doen wil ik slagen. Lesschema’s maak ik in grote aantallen. Druk, druk. 

 

Juni, de wereld en ik schrikken op van de oorlog tussen Israël en de Arabische staten met Egypte als belangrijkste. Vijf dagen later al heeft Israël orde op zaken gesteld. Bijna ieders sympathie, ook de mijne, ligt bij de Israëli’s. Ook dat is nu in veel gevallen wel anders. 

Breaking news

Op school zijn de examens van dit jaar achter de rug en het blijkt dat 25 % gezakt is. Dan denk je toch wel even: als het volgend jaar ook zo gaat, wie uit onze klas hoort er dan bij die 25 %? Op de leerschool gaat het de ene keer ‘lekkerder’ dan de andere. Ordehouden verdient zeker aandacht. 

Breaking news is voor de vakantie dat ik mijn haar verander: van achterover naar voorover gekamd. Nogal een revolutionaire ontwikkeling, niet dan? Ik ben een paar dagen the talk of the town. 

  1967, een nieuwe 'look'           overblijven in een lokaal in het oude gebouw

Mijn overgangsrapport is zoals gewoonlijk prima, de enige onvoldoende is voor praktijk lichamelijke oefening. Daar zal ik wel geen voldoende voor halen, daarmee heb ik me al wel verzoend. Als ik in het voortgezet onderwijs ga werken heb ik dat toch niet nodig. En in Suriname ook niet. Hoewel…

 

     rapporten van 1966-'67 en '67-'68

In de grote vakantie fiets ik met twee vrienden naar Zuid-Limburg heen en terug. Het geld ervoor heb ik verdiend met werken in de blikfabriek van Drenthina. Als ik 65 word in 2013, krijg ik een afgekocht pensioen van het metaalpensioenfonds van welgeteld € 7,80. Eenmalig dus hè. Mijn vrouw en ik zijn er lekker van wezen eten. Voor mij is het in ieder geval het zoveelste bewijs dat wij in een super georganiseerd land wonen. Een halve eeuw later weet zo’n pensioenfonds je nog te vinden. Verderop in een ander hoofdstuk trouwens meer over mijn kampeervakanties. 

 


 

 

Het vierde jaar, eindexamenjaar 1967-1968

Na de vakantie is er al snel bericht van het ministerie van OK&W dat ik een studiebeurs van twaalf honderd gulden krijg. Helemaal beurs, dus niet terug te betalen. Vanwege mijn behaalde cijfers. Zo’n beurs, staat er in de toelichting, wordt gegeven “aan alleen de zeer goede leerlingen, die ca. 15 % van het totaal uitmaken. “ Niet om op te scheppen, maar dat geeft me het gevoel dat het niet voor niets is dat ik me uit de naad werk voor school. Niet dat ik dat nu voor het geld doe, maar het is toch een leuke erkenning. Blijven zitten of zakken zou ik als een regelrecht falen beschouwen. Iets dat gewoon niet kan. 

   

    Albert, Sijtze en Roel op het station van Hoogeveen

 

Winnen en verliezen

Op de leerschool mag ik weer komen bij de heer Tilstra bij wie ik ook ben begonnen het vorige jaar. Ik prijs me daar zeer gelukkig mee, dat dat mag voor een tweede stage; normaal mag dat niet. Maar een les rekenen over inhouden verknoei ik aan het eind helemaal door te proberen de kinderen een veel te moeilijk schema aan te leren. En dat is nu net een les waar Bos, onze pedagogie-leraar, bij is ter beoordeling. En soms is het lesgeven op de leerschool opeens een genot. De biologieles in de vierde klas in september: een rustige intelligente klas met heel leuke spontaan reagerende kinderen. Ik heb intussen al wel ontdekt hoe het in het onderwijs is: you win some, you lose some. Ofwel: soms gaat het heel fijn en heb je veel voldoening van je werk; de andere keer gaat het helemaal waardeloos. 

Het godsdienstexamen in september gaat goed. Ik vind het meer een ‘uit zijn krachten gegroeide repetitie’. Weken later hoor ik dat ik ervoor geslaagd ben met een acht. 

 diploma godsdienstonderwijs

Goed bezig

Zondag 8 oktober is er een feestje bij Jellie thuis. Ze is 5 oktober jarig geweest en samen met een aantal andere klasgenoten word ik aan haar ouders en het gezin voorgesteld. Het is een leuke avond en ik blijf met nog een paar klasgenoten plakken tot bijna twaalf uur. Als er een spelletje wordt gedaan, zie ik kans een schoteltje kapot te gooien. Goed bezig. De volgende dag hebben we een excursie voor kunstgeschiedenis naar Den Bosch. O.a. een expositie van Salvador Dali bekijk ik gefascineerd. 

Vanaf nu liggen de beschreven dagen in mijn aantekeningen verder uit elkaar. Ik heb het erg druk met de studie en kom er niet meer wekelijks, laat staan dagelijks aan toe om de aantekeningen bij te houden. Ik mag voor het eerst helemaal zelfstandig een hele dag de vierde klas bezig houden, zonder dat de onderwijzer er zelf bij is. Zo eigen baas zijn in een klas heeft wel wat. Het is een heel fijne dag die me veel voldoening geeft. 

Hondenweer

Vrijdag voor de herfstvakantie hebben we een fuif in de schuur bij Dinie. Het is hondenweer. Ik fiets met Jellie achterop dwars door een stormachtig Hoogeveen naar het huis waar we verzamelen. Met de auto van een van ons halen we Johan op. In de schuur wordt het een dolle avond. Sterke verhalen over belevenissen op de leerscholen, spelen, dansen, roken, kletsen. Een week later hebben we een fuifje bij Johan thuis. Daar zitten we met een paar man en vrouw de hele avond te monopolyen en hebben daar dagen later nog lol om. 

Mijn favoriete vakken zijn nog steeds psychologie en Nederlands, vooral opstellen schrijven. Onze klas is met 1,9 onvoldoendes per leerling de beste van de vier vierde klassen. We geloven het zelf bijna niet. 

Een paar dagen voor kerst na de kerstwijding van school zitten we met een paar mensen wat te eten in een restaurantje in Assen. We hebben het erover dat we ziek worden van het gezwijmel over ‘vrede’. In Vietnam woedt de oorlog nog steeds in alle hevigheid. 

In de vakantie werk ik onder andere aan een ‘observatierapport’: over kinderen en hun gedrag in de klas. Maar liefst zes ‘afwijkende’ kinderen zitten er in ‘mijn’ klas: duffe ellende dus maar wel interessant voor zo’n rapport. Het maken van een dergelijk rapport op zich geeft me ook veel voldoening. Veertig pagina’s schrijf ik erover vol. Tussendoor ontspan ik me met het lezen van boekjes uit de beroemde Bob Evers serie. Geen hoogstaande literatuur maar perfecte escape-lectuur. 

  

  

Waarheid

1968, het jaar van de waarheid, het examen. Ik moet naar de gemeentesecretarie omdat ik een ‘waarschuwingsoproep’ krijg: ik zal zoals het heet “voor de eerste oefening onder de wapenen” moeten. Maar ik zou toch wel graag eerst ‘even’ mijn studie willen afmaken, alsjeblieft dankjewel, en daarvoor moet ik een gesprek hebben op de secretarie. Daar kijkt men mij verheugd aan: weer zo’n sukkel die in dienst moet, al is het pas over twee jaar. Met het invullen van twee formulieren kan ik uitstel bemachtigen.

’s Nachts vriest het in januari 23 graden en er ligt 40 cm sneeuw. Ooo, ik heb zo’n hekel aan winter! Ik krijg de griep en krijg een heel lief kaartje van de hele zesde klas van de leerschool met alle 28 namen erop. Ik knap er meteen van op. 

Tiërcering

Het praktijkexamen nadert. Van tevoren weet ik dat ik een van deze vier vakken zal moeten geven: taal, rekenen, aardrijkskunde of geschiedenis, met als onderwerpen resp. het schrijven van een brief, het begrip ‘schaal’, de grote rivieren en het kiesrecht in Nederland. Wie zulke onderwerpen bedenkt! Allemaal van die brede onderwerpen waarmee je in één les natuurlijk niks kunt, maar goed. 

Voor het theorie-examen is de tiërcering ingevoerd dit jaar. We hoeven alleen voor Nederlands een schriftelijk examen te doen, voor de andere vakken tellen de schoolcijfers, met dien verstande dat er drie groepen zijn. In één ervan moet je ook mondeling examen doen. De groep wordt door loting bepaald. Ik hoop op A of desnoods  B. Groep C maar liever niet: Cuma, muziek, lichamelijke oefening en natuurkunde.

Mijn mentor, de heer Tilstra van Hervormde school II, vertelt de klas wat er aanstaande donderdag gaat gebeuren. De kinderen reageren meelevend en als de meester vertelt dat de consequentie van mijn slagen zal zijn dat ik nooit weer kom, zeggen een paar smachtende meisjes spontaan: ‘Dan hoop ik maar dat u niet slaagt!’ Ach wat lief, ik ben helemaal geroerd. Als ik bij alle meiden zo getapt was… 

De dag voor het praktijkexamen is het biddag, is de school dus leeg  en staat hij helemaal tot onze beschikking. We kunnen alles rustig voorbereiden: de stencils, het bordwerk. Op dezelfde dag als ik, moeten Jaap, Jeltje en Roel ook praktijkexamen doen. We lopen die dag verscheidene keren bij elkaar binnen om elkaar een hart onder de riem te steken. Of een riem onder het hart te steken, dat mag tegenwoordig ook van de taalpolitie. 

Echt nooit weer?

De dag van het examen krijg ik de geschiedenisles toebedeeld. Of we niet wat eerder kunnen beginnen dan afgesproken is, vraagt de gecommitteerde. Ja, natuurlijk, als u dat wenst. Als alles goed en wel loopt, heb ik geen last meer van zenuwen en na een half uurtje hebben de heren het wel gezien. In het kamertje krijg ik van mijn eigen docent eerst te horen dat er nog van alles beter had gekund. Ik heb het idee dat hij zichzelf aan het profileren is bij de gecommitteerde.  Maar dat de les toch geheel voldoende is, en dat ik dus geslaagd ben. Opluchting. De klas barst in gejuich uit als ik het vertel. Zelfs de meisjes die me wilden ‘houden’, zijn blij voor me. Dat dan weer wel. 

We slagen die dag alle vier op deze leerschool. De volgende dag trakteer ik de klas en het afscheid is best even weemoedig. Sommigen wensen me veel succes met mijn verdere studie, anderen bedanken me ‘voor alles’ en een stel meiden vraagt of ik nou ècht nooit weer kom. Ze kunnen het zich nauwelijks voorstellen, lijkt het. Ach, wat een lieve, lieve kinderen zijn het.

Stressen

Op mijn eindrapport staan weer mooie cijfers. Iedereen in de klas inclusief ikzelf zit te stressen over welke groep hij of zij zal krijgen voor het mondeling examen. 

Begin april hebben we het schriftelijk examen van Nederlands. Ook de ‘officials’ geven toe dat de tekstverklaring dit jaar heel pittig is. Het is een stuk uit het tijdschrift ‘Raster’ van dr.J.G. Kooy: ‘De retoriek van het geweld.’ Helaas bij DBNL op het internet niet meer op te roepen. Later in mijn studie in Utrecht zal ik deze auteur nog moeten bestuderen, o.a. zijn ‘Beginselen van de algemene taalwetenschap.’ Dat geeft misschien een beetje het niveau van de tekst aan. We krijgen twee uur en 15 minuten voor het beantwoorden van acht vragen. Ook dat zegt iets over het niveau. De tekst is een kritische beschouwing van het verschijnsel detectiveroman. Ik ben er zeker van dat, als je tegenwoordig een tekstanalyse van deze moeilijkheidsgraad aan pabostudenten voorlegt, ze geen van allen een voldoende halen. En bij vwo-leerlingen heb ik ook mijn twijfels. Nee, we kregen het niet cadeau. 

Het jaar 2000

 ’s Morgens is er opstel en dictee. Voor het opstel kies ik uit tien de eerste titel: ‘Het jaar 2000 nadert, en dan…”. Ik schrijf er vier kantjes folio over vol, ruim voldoende. Mijn opzet is als volgt: inleiding: magisch getal 2000 vergelijken met ’t jaar 1000;  kern: enerzijds dreigen problemen, anderzijds lokken positieve ontwikkelingen. Bij de problemen noem ik de uitdagingen van het gebruik van de ruimte, het probleem van de voedselvoorziening, en vervuiling van lucht en water. Als positieve ontwikkelingen stip ik de doorgaande ontwikkeling van wetenschap en techniek aan, en waag me aan een prognose over de nog komende dertig jaar met ontwikkelingen in de medische wetenschap, het vliegen, de industrie en automatisering. Ik weet dit alles nog zo gedetailleerd omdat ik mijn aantekeningen die ik ter plaatse maakte, hier voor me heb.

Diezelfde dag krijgt ieder zijn groep voor het mondeling te horen. Diverse heel zure gezichten. Ik loot groep C en ben daar ook niet echt blij mee.  

 

Puzzelrit

’s Middags kunnen we onze zinnen verzetten, want we rijden een puzzelrit met auto’s. Herman heeft de beschikking over een auto en met nog drie meiden en Herman aan het stuur rijd ik een heel leuke oriënteringsrit. Eerst rijden we een heel eind mis, wat wil je met drie meiden in de auto, oeps dat moet ik nog schrappen… en dit ook: maar de mannen nemen de navigatie over,  we herstellen de misser en dan gaat het goed. We hebben veel plezier. We belanden in Appelscha in een restaurant waar we van ons eigen geld een ‘eenvoudige doch voedzame maaltijd’ (met dank aan heer Bommel) aangeboden krijgen. De volgende dag is een vermoeiende dag met een excursie naar Amsterdam, naar het Stedelijk, waar een tentoonstelling van Rauschenberg is. 

De laatste weken voor het examen wordt er een nieuwe klas gevormd met 17 personen uit 4A en 4B. Dat in verband met de tiërcering. Ik vind het ongezellig, gelukkig maar dat het maar voor een paar weken is. 

Buikpijn

De dag dat ik praktijkexamen gym moet doen heb ik buikpijn (zal later een chronische blindedarmontsteking blijken te zijn die over een paar maand acuut wordt) en kiespijn. Kan het fijner? Nee dus. De dag ervoor heb ik de opdrachten mogen uitproberen en dat ging wel aardig. Dát wel ja. Op de dag zelf mislukt de zaalles grotendeels: oefenen met stokken en kastspringen. Ik roep dat ze omhoog moeten springen, maar vergeet te zeggen dat ze weer naar beneden mogen. Zoiets. De organisatie loopt lichtelijk uit de hand. Ik reken op een vijf. Voor theorie reken ik op een zeventje want dat ging wel lekker, en de spelles in de zaal ging ook wel redelijk dacht ik. Zesje? Het ‘eigen werk’ viel iedereen zwaar en mij, die niet van de sport is, dus helemaal. 

Echt nooit weer!

 Na een feestje bij een jarige klasgenoot, (of was het na een sessie waarin we ons met een paar mensen voorbereidden op het examen?)  breng ik Jellie naar huis. Voor haar huis nemen we afscheid met een simpel ‘tot ziens’. Ze gaat niet door voor de hoofdakte en achteraf gezien zal het de laatste keer zijn, dat ik haar zie. Weemoed. Ik besef dat het speelkwartier is afgelopen, dat de gezellige jaren voorbij zijn. “You are now a full fledged member of the rat race”. (Uit een lied van een van mijn favoriete zangers in die tijd, Jim Reeves). 

Muzikaal 

Het examen loopt voor iedereen goed af, al mis ik op een haartje de aantekening voor gym. Maar dat was al voorzien. Ik heb het nooit gemist. Men zegt dat er totaal maar twee studenten gezakt zijn. Onwaarschijnlijk, maar kennelijk waar. Voor Nederlands stond ik al een acht en na het schriftelijk examen blijft dat zo. De andere vakken waarin ik mondeling moet doen, pakken goed uit: Cuma een 9, natuurkunde en muziek een 8. Voor muziek een acht, ik! Het moeten wel gulle examinatoren geweest zijn, want ik houd van muziek, maar dat ik zelf muzikaal ben, dacht het niet. Kennelijk kan ik een redelijk wijsje uit de blokfluit persen. En onze muziekleraar is een heel aardige man, dat scheelt ook. 

Van de eindexamenfuif in een gebouwtje genaamd De Pelikaan in Hoogeveen heb ik niet veel genoteerd; het zal niet veel indruk op me gemaakt hebben. 

 

   

 


 

 

 

Het laatste jaar, nu voor de hoofdakte:  1968-1969

In de zomer van 1968 koop ik van boekhandel Eddy Slingenberg een schrijfmachine; een tweedehands gereviseerde machine die dienst heeft gedaan in het Amerikaanse leger in Duitsland. Ik verf het legergroen over in vrolijke kleuren; het ding heeft me vele jaren trouw gediend. Ontelbare uittreksels en samenvattingen van studieboeken en hele werkstukken heb ik getypt op die ouwe trouwe Adler. Ook voor mijn studies voor de MO-aktes rammelde ik op deze onverslijtbare machine. 

Van mijn broer neem ik zijn brommer over, met een lening van pa. Mijn aantekeningen veranderen. Ze worden steeds minder ‘romantisch’, minder sentimenteel en meer rationeel beredenerend. Mijn stijl wordt zakelijker, kritischer. Ik zie graag de dingen in perspectief en relativeren vind ik noodzaak. En ik zie in mijn eerdere werk nu taal- en spelfouten waarvan ik destijds dacht dat ik ze niet maakte. 

Blindedarm

Eind augustus als de school bijna weer begint, wordt de chronische blindedarmontsteking ineens acuut. De huisarts komt en ik lig dezelfde dag nog bij chirurg dr. Tjebbes op de operatietafel in het oude Bethesda ziekenhuis in Hoogeveen. Ik herinner me nog dat ik van onder geschoren word door een lieftallige jonge zuster, maar dat me dat niets doet, zo’n pijn heb ik. Maar ze krijgt het bed niet door de smalle deuren geduwd, dus ik eruit en haar geholpen met het manoeuvreren. Slapstick. Ik moet na de operatie bijna zes dagen in het ziekenhuis blijven. Daarna moet ik nog een paar weken rustig aan doen. Narcoses waren in die tijd geen ‘roesjes’, zoals tegenwoordig. Het was een klap met een stuk hout. Maandenlang blijf ik last houden van die narcose. Dubbel zien, wazig zien, niet langer dan een bladzij achtereen kunnen lezen. Daarna gaan de regels door elkaar lopen. Dat is niet handig als je moet studeren. Kan bij sommigen wel een half jaar duren, zegt mijn huisarts opbeurend. 

De Trekkersschool

Op negen september breekt het schooljaar ook voor mij aan, met een paar weken vertraging. Ik ga hospiteren op de trekkersschool die bij het woonwagenkamp van Noordscheschut hoort. Bij mijn ouderlijk huis in de buurt dus. Het is een zeer relaxte stageplaats. Later komt Johan erbij en heb ik wat aanspraak.  We blijven er tot 28 november 1968. Hoofd is de heer L.S. Carper. Johan en ik werken meest samen met dhr. Merks in de speelleerklas. Woonwagenkinderen zijn toch wel heel bijzondere kinderen, soms. Als Merks de kinderen wil laten vertellen wat ze zien als ze op het kamp rondlopen, blijkt dat alles wat ze zien ‘oud’ is: ‘een oude stoel’, ‘een oude kachel’, ‘een oude tafel’. Het woord matras kennen ze niet, het ding zelf misschien ook niet. Als ze gaan tekenen, maken twee jongens hun woonwagen pikzwart. Terwijl alle wagens praktisch wit zijn of een nuance daarvan. Willem is een nieuwe jongen. Hij heeft kennelijk nog nooit een tekening gemaakt. Als hij meesters hoofd moet tekenen, wordt dat een grote cirkel, met langs de buitenrand wat lijntjes voor de baard, de oren, de haren enz. Als Merks het hoofd uitknipt, om Willem te dwingen de delen een plaats te geven, komen ze op volstrekt willekeurige plekken terecht. De mond onderaan, daarboven de ogen, daarboven de neus enz. Willem is kennelijk een beetje achterop.

Net in dit jaar verhuist het kamp naar een nieuwe locatie. Dat was ook wel dringend nodig; de omstandigheden op het oude kamp waren ronduit droevig. Ik ben er geweest, maar het ene waterpunt, de modder, de troosteloosheid van de autowrakken, het grijpt me naar de keel. 

Onze hospiteertijd resulteert ook nog in een werkstukje Didactiek: Aangepast Aanvankelijk Lezen voor leerlingen van de trekkersschool in Hoogeveen. Johan en ik ontwerpen o.a. nieuwe leermiddelen voor dit individuele onderwijs. Het is een leerzame en gezellige tijd geweest op deze kleine school. 

  

voorkant met koffievlek (later erop gekomen) van het hospiteerverslag van ons verblijf op de Trekkersschool (Woonwagenkampschool) in Noordscheschut. Re en onder: krantenknipsels uit de Hoogeveensche Courant over de situatie op het oude en het nieuwe woonwagenkamp. 

  

 

fragment uit mijn hospiteerverslag waarin we o.a. nieuwe leermiddelen hielpen ontwerpen. 

          

Tekeningen van een woonwagenkind. Het is het hoofd met forse baard van de leerkracht. Het kind weet de plaats van de onderdelen niet te lokaliseren... Links de eerste versie, rechts de tweede na een gesprekje, dat kennelijk nog niet veel uithaalde. 

      

 

Nieuw jaar, nieuw gebouw, nieuwe naam

Samen gaan Johan en ik naar de verlovingsreceptie van een van de stelletjes die in onze klas gevormd zijn: Albert en Hilli. Op school wordt langzaam wat duidelijker wat ons te wachten staat dit jaar, maar de communicatie is slecht. Ligt dat aan het nieuwe gebouw aan de Platolaan dat we betrokken hebben? De gezelligheid van de vorige jaren, vooral van de laatste twee jaar, is weg, vind ik. Voordeel is wel dat we meer student worden. Er wordt veel zelfwerkzaamheid van ons verwacht, we werken aan grotere projecten, die we na goedkeuring grotendeels zelf mogen en kunnen invullen. We werken ook in de bibliotheek van de nieuwe school. Het is allemaal beter en mooier en ruimer en helderder, maar de ziel van het ouwe gebouw mis ik. En de medeleerlingen van klas vier mis ik ook. Heel erg. Voor een deel, want velen gaan niet door voor de hoofdakte. Nee, zo leuk als het in de ‘tweede leerkring’ was, nee, dat is voorgoed voorbij. We zitten nu niet meer op de Kweekschool, maar op de Pedagogische Academie. 




 

Berlijn

In oktober gaan we met de vijfde klassen tien dagen naar West- en Oost-Duitsland in het bijzonder naar Oost- en West-Berlijn. 

Allereerst moet ik zeggen dat het een werkweek heet, maar dat het net zo goed een welbestede vakantie is. Voor mij is het al een ervaring op zich om te wonen en te leven in het centrum van een wereldstad als Berlijn. Vooral ’s avonds als de dynamische lichtreclames overal opvlammen, is het een indrukwekkende ervaring om op te gaan in het gewoel van de grote stad. Voor ons is het helemaal een overgang omdat we een paar dagen voorbereid zijn op ons Berlijnbezoek in Potshausen, een gehucht van zeven boerderijen en een Volkshochschule & Gasthaus. Dan opeens verkassen naar een stad van 2,2 miljoen inwoners, alleen al in de westelijke zones, dat is een heel verschil. 

In Potshausen worden we vooral voorbereid op onze bezoeken aan de DDR-zone, door de heren Bruns, Jagemann en Van Wezel. We krijgen de wordingsgeschiedenis van de tweedeling van Duitsland, en Berlijn in het bijzonder, aangereikt, en discussiëren over vrede en veiligheid. Het lijkt me een beetje op propaganda, wat we te horen krijgen, maar later bij de bezoeken aan de oostelijke sector wordt me pas goed duidelijk wat èchte propaganda inhoudt. 

We hebben o.a. de heer Verveld mee als begeleider. We vinden het wel grappig als hij door Herr Bruns steevast aangeduid wordt als ‘Herr Verveeld’. 

   in Potshausen; re: Henk

  

Johan en Sijtze musiceren op een kam met een vloeitje                                                                     de auteur, intussen met baard  (die nog voor problemen zou zorgen bij de zonegrens)

 

Opera

Het is wel gezellig in de volkshogeschool maar ’s avonds is er niets te doen, dus zijn we een avond naar Oldenburg geweest naar de komische opera Der Wildschütz. Alleen al het gebouw van de opera maakt indruk op me. ’s Nachts slapen Johan en Henk samen met mij op een kamer. Leuke gesprekken voor we naar bed gaan. Henk kijkt als Zuid-Molukker anders tegen dingen aan dan ik en het is leuk om met hem te sparren. 

Voor ons vertrek naar Berlijn zijn we nogal bang gemaakt voor de Oost-Duitse grenscontrole. Als we ermee te maken krijgen, blijkt het inderdaad allesbehalve een wissewasje te zijn. Intimidatie en machtsvertoon blijken de VoPo’s goed aangeleerd te hebben. Als je met de bus van het westen naar West-Berlijn reed, moest je door een corridor van de DDR rijden. De grenscontroles zijn grimmig. Alle paspoorten worden ingenomen (dat maken mijn vrouw en ik later op onze verre reizen overigens nog talloze keren mee) maar voor je de pas terugkrijgt, duurt het zo anderhalf uur. Je mag de bus niet uit. Geen foto’s maken en niet lachen of iets doen wat de grenswachten zou kunnen ergeren. Ondertussen kijken die met spiegels onder de bus of je geen Oost-Duitsers het vrije West-Berlijn probeert binnen te smokkelen. Als je het paspoort terugkrijgt, kijken ze je minutenlang –zo lijkt het- doordringend aan met een priemende blik. Je moet vooral neutraal terugkijken want ze hebben een kort lontje. Ze zetten de bus zo aan de kant bij een te bijdehante opmerking of een ongepaste grijns, en dan krijg je vanavond geen warm eten meer. 

 

  ik in Oost-Berlijn voor een van de schaarse etalages

 Henk bij de zonegrens tussen oost en west, hij mocht niet mee met een Moluks paspoort

 in de bus

 

Aanleiding voor moeilijkheden

Ik zelf ben meerdere malen aanleiding geweest voor moeilijkheden. Ja, logisch zullen sommigen denken. Nou, het zit zo. Dat gebeurt als we met de Strassenbahn, een soort tram die nu overigens ook nog rijdt, van de west- naar de oost-sector gaan. Je komt dan aan op Bahnhof Friedrichstrasse

De pasfoto in mijn paspoort is namelijk ongeveer drie jaar oud. Sindsdien heb ik mijn haar voorover gekamd en mijn baard laten staan. Nooit aan gedacht in Nederland natuurlijk. De Vopo’s zien er aanleiding in om mij extra doordringend aan te kijken en nog eens en nog eens. Maar ik mag door. Als ik voor de tweede keer naar Oost-Berlijn wil, gaat het minder soepel. Er zijn net weer diplomatieke schermutselingen geweest tussen oost en west en dat reageert men op ons af. Daarom moet ik een aparte nieuwe pasfoto laten maken in een automaat een heel eind verderop op Bahnhof Friedrichstrasse. Anders mag ik niet mee. ‘Herr Verveeld’ gaat met me mee op zoek naar de automaat. Het wordt een soort boevenfoto. Geen wonder, zullen sommigen weer zeggen. 

Het wordt me goed ingeprent dat als ik de foto ’s avonds niet meer kan tonen, ik niet meer terug mag naar het vrije westen. Ik heb die dag elke tien minuten in mijn zak gevoeld of het paspoort en de foto’s er nog in zaten. En ik vergeet nooit de rij VoPo’s op de galerij van de stationsoverkapping: met het automatische geweer in de aanslag op de reizigers beneden gericht staan ze daar. Wijdbeens, onbeweeglijk, zwart, dreigend. Dan voel je je wel even geïntimideerd. 

Historische tijden

Overigens wil ik enerzijds helemaal niet zo graag een tweede keer naar de oost-zone. Sommigen van onze groep willen helemaal niet meer mee. Ze mogen van de leiding in het westen blijven. Anderzijds snap ik ook dat ik deze kans voorlopig niet weer krijg, dus ga ik wel weer mee. Dit is historisch gebied en het zijn historische tijden dus die ervaring wil ik niet missen. Van de eerste keer kom ik tamelijk gedeprimeerd terug. In de ‘Hauptstadt der D.D.R.’ heerst namelijk zo’n gedwongen en terneerdrukkende sfeer dat ik er zelf neerslachtig van word. Overal in het stadsbeeld zie je politie, het stikt er gewoon van. Letterlijk en figuurlijk dus. We horen die dag welgeteld één man lachen. Op straat valt het op dat iedereen probeert niet op te vallen. Je moet iemand maar niet aanspreken, want de mensen zijn schichtig. 

 

Jazzcafé

In cafés en restaurants is het beter. We horen dan ook dat alcohol voor velen een troost is, hier. Overigens draagt niet iedereen zo gelaten zijn lot. Ik denk aan de beide jongens die proberen vreemd geld dus Westmarken of guldens van ons los te krijgen, in ruil voor hun waardeloze DDR-marken. Ze bieden een heel interessante koers zeggen ze. Met die vreemde valuta kunnen zij dingen kopen die anders onbereikbaar voor hen zijn. We kunnen ze niet helpen, omdat we tot op de mark nauwkeurig moesten opgeven hoeveel betaalmiddelen we bij ons hebben. En je moet bonnetjes kunne tonen.  Sijtze en ik zijn maar blij dat we van ze af zijn.  Op een tamelijk eenzame plaats als waar we daar waren, voel je je toch niet helemaal veilig in zo’n situatie. We hebben net een lekkere wodka gedronken in de Ratskeller onder het stadhuis, en dan valt ons deze confrontatie extra rauw op het dak. Het mag als een cliché klinken, maar ik ben echt opgelucht als we ’s avonds weer op vrije westerse bodem lopen. 

’s Avonds in het westen genieten we. Sijtze en ik en nog een paar kopen bij een stalletje een heupflesje rum en zoeken dan een jazzcafé waar live jazz wordt gespeeld en gezongen door een band en een leuke zangeres. Ik provinciaaltje weet niet wat ik meemaak. Fantastisch vind ik het. De rum mixen we onder de tafel in een glas cola, want rum-cola is hier voor ons niet te betalen. 

Stadsrondrit

Met onze bus zien we de hele stad Berlijn. We komen bij het oude Olympische stadion, een kleurrijke nieuwe wijk, en natuurlijk alle hoogtepunten zien we. Meligheid is nooit ver. Gosse en een paar anderen kunnen niet nalaten steeds het Ulbricht Denkmal aan te wijzen. Het wordt een running gag in de bus onderweg. Wo ist dass Ulbricht Denkmal?! Voor de jonge lezertjes: Walter Ulbricht was de beruchte leider van de DDR in die tijd. Daar moest je dus geen grapjes over maken, maar in het westen kon dat natuurlijk wel. 

Agitprop

De laatste dag van ons verblijf in Berlijn brengen we nog een bezoek aan de oost sector, en dan heb ik dus die trammelant met mijn paspoort. De groep laten ze gewoon een uur wachten tot alles geregeld is naar hun wens. Johan krijgt last omdat in zijn pas staat dat hij is geboren in de gemeente Hardenberg en omdat er in Duitsland ook een Hardenberg ligt, wekt dit natuurlijk de nieuwsgierigheid en de irritatie van de grenswachten. Dat duurt even voor ook dit opgehelderd is. 

Deze dag hebben we onder andere een discussie met vooraanstaande partijleden van de SED. Ik heb de waarheid, zoals wij die althans menen te bezitten, nog nooit zo geraffineerd horen verdraaien als dan en daar. Hiervoor hebben we dus de voorbereiding gehad in Potshausen, bedenk ik. Maar het is onbegonnen werk om er tegenin te gaan. Elke zin die ze spreken, strookt niet met onze waarden. En het is verrekt moeilijk om aan te tonen dat ze ongelijk hebben. Ik kom tot de conclusie dat je je maar beter niet kwaad maakt, maar beter meewarig –inwendig, dat dan weer wel- kunt glimlachen over al deze agitprop. De partij heeft gelijk en zij vertegenwoordigen de partij dus…  Ik vraag me wel af hoe iemand zich christen kan noemen en tegelijk op deze manier lid kan zijn van de Socialistische Einheitspartei Deutschland. Dan keur je dus goed dat iemand die over de muur probeert te vluchten op de laatste meters wordt doodgeschoten. Iemand van je eigen volk die in vrijheid wil leven. Ik vind het onbegrijpelijk. 

Vorming voor het leven

Die muur is iets verschrikkelijks. Als je dat van nabij beleeft: wat die muur voor de uit elkaar gerukte families betekent. Op een paar honderd meter afstand van elkaar wonen en elkaar nooit kunnen zien, alleen op grote afstand over de muur heen, als je een keer geluk hebt. De gewone mensen zijn –zoals altijd- het slachtoffer van de brute machtspolitiek, hier zelfs tussen twee broedervolken. Wat ben ik dan blij dat ik in ons goedgeorganiseerde moederlandje woon, waar ik mag zeggen en schrijven hoe ik over zaken denk. In Nederland mag ik de samenleving dan nogal eens als bekrompen ervaren, ik hoef er niet bang te zijn voor de ogen en oren van de buurman. 

Ik weet zeker dat dit bezoek mij weer verder heeft gevormd voor het leven. Nooit meer vrijheid als vanzelfsprekend aanvaarden, dat neem ik me voor. Nooit gering denken over vrijheid. 

Ook bezoeken we nog een school en krijgen een presentatie over het jeugdwerk. Het individu is ondergeschikt aan de staat. Als je daar niet veel moeite mee hebt, zijn er ook positieve dingen aan de DDR. Gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs en kinderopvang, nauwelijks werkloosheid. Enfin, lees het uitstekende boek De Toren van Uwe Tellkamp als je meer over het gewone leven in de DDR wilt weten. Aanbevolen! Dit boek is op deze website door mij besproken.




 

Onderzoek naar tv-kijken

Na de werkweek hebben we het op school weer druk. Met een scriptie over Elsschot, een schemawerkstuk voor didactiek, een tentamen didactiek en een tentamen psychologie. Na negen weken nemen Johan en ik afscheid van de Trekkersschool en gaan dan naar een ‘gewone’ lagere school in Hoogeveen. Het waren leerzame weken daar op de Trekkersschool; men geeft er bijna individueel onderwijs en maakt zijn eigen methodes, en daaraan mochten wij een bijdrage leveren. 

Johan en ik gaan samen een Cuma-scriptie schrijven. Over de invloed van tv-kijken op jongeren. Daarvoor willen we een groot onderzoek doen op Hoogeveense mavoscholen en lagere scholen. Ik heb 20 vragen opgesteld voor mensen die tv hebben en 15 voor de controlegroep van tv-lozen. (Die waren er nog in die tijd!). We stencilen 500 stuks enquêteformulieren van de eerste soort en 100 voor de tv-lozen. En dat voor elk van ons beiden, want JB doet het onderzoek op drie lagere scholen en ik op drie mavo’s. Twaalhonderd stencils maken we dus. Als ik de stapels zie liggen, moet ik er nog niet aan denken dat we die ook moeten verwerken en conclusies trekken. We ontwerpen een heel systeem om de enquêtes snel en doeltreffend af te nemen. We leggen alle contacten; alleen dat al is een hoop werk want we moeten alle directeuren spreken en overtuigen mee te doen. En die moeten hun personeel weer overtuigen om ons vriendelijk te ontvangen. 

    

Elsschot

In de kerstvakantie werk ik door aan de scriptie over Willem Elsschot. Ik bespreek achtereenvolgens in 30 pagina’s Elsschot in zijn tijd, zijn werk, en de rol van het cynisme bij Elsschot. In detail bespreek ik De Verlossing en Het Dwaallicht. Ik zie het laatste werk als het eindpunt niet alleen van Elsschots werk, maar ook van het cynisme. De meest cynische boeken als het bekende Lijmen en Het Been schreef hij als een soort zelfloutering. “Door zijn verhalen wist hij de spanningen in zijn psyché tussen zijn overgevoeligheid voor misstanden en zijn cynische levenshouding uit te drukken en te effenen. Doordat hij dit met een grote dosis zelfkennis en –ironie deed, bleef hij er gezond bij. Door het uiten van zijn gevoelens in de verhalen kon hij afstand tot zichzelf en zijn problemen nemen.” 

“In De Verlossing zagen we Elsschot nog als de bittere cynicus, die fel van leer trok tegen de geestelijkheid, het in zijn ogen mensonwaardige kloosterleven, het onwaarachtige socialisme, tegen het instituut van het huwelijk, enz. In Het Dwaallicht zien we een door ervaring wijs geworden man, die nog andere waarden ontdekt heeft, en nu genoegen kan nemen met het leven zoals hij kennelijk voorbeschikt is het te leven.”

Ik vind het werken aan de ‘scriptie’  leuk werk, maar vakantie heb ik niet veel zo. 

Indruk maken de drie Amerikanen die rondjes om de maan maken en veilig op aarde terugkeren. 

Hoop werk

In het nieuwe jaar neem ik de enquêtes af op de Hervormde, Gereformeerde en Openbare mavo in Hoogeveen. Achttien derde en vierde klassen, in totaal zo’n 400 leerlingen. Van de leerlingen en leraren krijg ik alle medewerking. Met de kennis van nu denk ik: als ik een representatieve steekproef had gehouden, waren de resultaten net zo betrouwbaar geweest en had het heel wat minder werk gekost. In april is mijn werkstuk af. Wat een werk zit hier in! 

Hier een paar conclusies uit het onderzoek, geformuleerd op de laatste pagina’s van de 52  die mijn werkstuk telt. 

Het verschil tussen wel en niet tv-bezitters blijkt niet groot te zijn wat betreft bioscoopbezoek. Wel lijdt het doen van gezelschapsspelletjes duidelijk onder het tv-kijken. Veel grotere verschillen constateer ik tussen de geslachten. Meisjes blijken veel kritischer te staan t.o.v. het verschijnsel tv. Ze vinden vaker dat er ruzie wordt gemaakt over de net-keuze en ze kijken veel minder dan jongens een avond naar alles wat erop is. Jongens hebben meer interesse voor informatieve programma’s. Ik constateer dat de (ouders van) leerlingen van de Gereformeerde mavo de achterstand in het wel of niet bezitten van een tv aan het inlopen zijn. Heel leuk om nu nog door te lezen zijn een aantal opstellen van leerlingen van klas 3 van de Hervormde mulo, waar ik hospiteerde. Ze formuleren verrassend goed hoe hun houding t.o.v. tv-kijken is. 

Hospiteren

Naast de paar dagen in de week dat we de school bezoeken, hospiteren we op de meest uiteenlopende scholen. Ik werk veel samen met Johan. 




 

Hervormde school IV west en Hervormde Mavo

Van 2 december tot 19 februari loop ik stage bij deze basisschool aan de Jacob Catsstraat in Hoogeveen, hoofd dhr. J. de Boer. We doen er veel aan foutenanalyse en individuele hulp. En we doen een onderzoekje naar de expressievakken, vooral hoe het personeel hier tegenover staat. Als er sprake is van ‘we’, dan zijn dat Johan en ik. Wij doen alle hospiteerperiodes samen. 

Van 24 februari tot 26 maart zijn we verbonden aan de school waar we zelf les hebben gehad: de Hervormde mavo aan de Jhr. De Jongestraat in Hoogeveen. Directeur is de heer W. Hagenbeek.  Drie jaar geleden is op deze mulo met het ‘mavo-experiment’ begonnen, en nu is het een volledige mavo. Ik heb speciale interesse in het voortgezet onderwijs, dus ik begin vol belangstelling aan deze hospiteerperiode. Ik wijd in het verslag een hele beschrijving aan de overheadprojector: een sensationele nieuwigheid in het onderwijs toen, kennelijk. We concentreren ons hier op het onderwijs in maatschappijleer en geschiedenis. Met de docent van dat vak kunnen we het goed vinden en we hebben heel wat leuke gesprekken na afloop van de lessen. Ik vond het een interessante en gezellige tijd en ik heb er weer veel geleerd. 

   de oostzijde, aan park Dwingeland

 

Hospiteerverslag Hervormde Mavo Hoogeveen, voorheen de Mulo, waar ik zelf ook vier jaar zat. Het gebouw is in 2014 afgebroken ten behoeve van een grote parkeergarage. De foto's maakte ik zelf inclusief het afdrukken/ vergroten. Ze zijn na een halve eeuw nog van redelijke kwaliteit; niet vergeeld bijv.  De foto's voegde ik bij in het verslag.  

  

 




 

De Iemenhof

Ook een leuke periode vind ik de tijd van 31 maart tot 7 mei: hospiteren aan de Iemenhof, christelijke school voor Lager, Middelbaar en Individueel Huishoud- en Nijverheidsonderwijs. De school is gevestigd aan de Van Limburg Stirumstraat in Hoogeveen en wordt geleid door dhr. A. Bergsma. Weer totaal een andere wereld. Merkwaardig is, dat ik later in mijn loopbaan jarenlang in dit gebouw zal werken. De huishoudschool is er dan uit en de nieuwe Meao wordt erin gevestigd. Ik werk hier met veel plezier heel wat jaren, eerst in het hoofdgebouw, later in een semipermanente noodgebouw verder op het terrein. De Iemenhof is een interessante school omdat er zovele niveaus zijn. Tussen het lagere voortgezet onderwijs en het Inas (inrichtingsassistenten) is een groot verschil. Niet alleen in niveau maar ook in houding en leeftijd. De Inas- meiden zijn niet veel jonger dan wij zelf zijn. We maken verslagen van een kook- en een naailes en nog veel andere, theoretische lessen maar ook bijv. bloemschikken en huishoudelijk werk, strijken en koken,  in een Inas-klas. Het zijn gezellige lessen. 

In een Inas en een assistentenklas doen we ook ons onderzoekje naar tv kijken, dat we voor Cuma op mavo en basisscholen hebben gedaan. 

  

voorkant hospiteerverslag  De Iemenhof. Ook deze foto's staan in het verslag en zijn van mijn hand.

Vermeldenswaard is dat later de Meao van de Scholengemeenschap voor Commercieel en Administratief Onderwijs in dit gebouw trok, en dat ik in het hoofdgebouw en later in een semi-permanent bijgebouw dat hierachter stond, jaren heb gewerkt. Zeer tot voldoening; het waren de leukste jaren van mijn loopbaan. 

 

 

  Deze overblijfgang was toen ik er later werkte eigenlijk nog net zo in gebruik. De praktijklokalen waren toen omgebouwd tot computerlokalen. 

   

Inrichtingsassistentes aan het werk in de praktijklokalen. We hebben hier een fijne tijd gehad. Tja, wat wil je met zoveel vrouwelijke leeftijdgenoten om je heen....

 

 




 

Christelijke B.O. school

“…voor debielen en imbecielen te Hoogeveen”; hoofd dhr. L. van der Wal. Tja, zo heette de school toen nog. Tegenwoordig kijken we vreemd aan tegen zo’n naam. Ook dit is een heel interessante periode, omdat het onderwijs zo ver afstaat van wat ik zelf zou willen gaan doen. Dat klinkt misschien vreemd, maar het klopt wel. Hoewel ik zelf dit werk nooit zou willen en kunnen doen, vind ik het boeiend om te zien hoe het personeel hier met toewijding en geduld deze leerlingen begeleidt en wat verder probeert te brengen. Hoewel er wel een lesrooster is, wordt daar soepel mee omgesprongen. Het onderwijs is sterk individueel gericht en dat alleen al verdraagt geen rooster tot op de minuut. 

   

  




 

Toekomst

Met onze directeur Van Duuren spreek ik over mijn toekomst. Ik zou namelijk graag willen doorstuderen aan de universiteit: psychologie of pedagogiek, of toch maar Nederlands. Hij raadt me sterk aan dat te gaan doen, studeren: je kunt het zeker, zegt hij. Maar eerst moet ik in dienst, nee eerst nog die hoofdakte halen!

Begin januari 1969 stopt mijn journaal, mijn dagboek helaas. Op bijna 600 dagen heb ik er iets in genoteerd en dat is in totaal meer dan 900 pagina’s met de hand geschreven tekst. In het verhaal dat voor u ligt, heb ik dankbaar maar selectief gebruik gemaakt van wat ik toen allemaal opgeschreven heb. Alle sentimentele zielenroerselen, boosheden en ergernissen, en de talrijke aantekeningen over mijn verliefdheden heb ik hier uiteraard uit gezeefd. 

Ik vind het achteraf jammer dat het journaal stopt, want de delen van dit verhaal na januari zullen vanzelf minder gedetailleerd zijn. Eerlijk gezegd herinner ik me zonder de steun van foto’s of aantekeningen maar weinig meer van dat laatste jaar. Ik weet ook niet waarom ik opeens opgehouden ben met schrijven in mijn dagboek, op 18 januari 1969. Waarschijnlijk werd het te druk. Misschien werd ik er ook te oud voor. Gelukkig heb ik nog wel alle hospiteerverslagen, soms met foto’s erbij, werkstukken, rapporten, cijferlijsten enz. Daaruit kon ik dus nog herinneringen putten. 

Staatssteun

In totaal heb ik in vijf jaar 5200 gulden aan ‘staatssteun’ (rijksstudietoelagen dus) gehad, waarvan het merendeel beurs was. Er resteert aan het eind van de studie 1350 gulden aan studieschuld, renteloos terug te betalen in tien jaar. 

In 1971 meteen na mijn militaire diensttijd ben ik begonnen te werken. Het eerste en tweede jaar werk ik 24 lesuren, in 1973 gaat het naar 28, in 1974 naar 29 en vanaf augustus 1974 werk ik zelfs 32 lesuren per week. Eerst geef ik naast Nederlands ook nog Kennis der Natuur en Warenkennis, maar vanaf 1974 geef ik alleen Nederlands. Eind 1974 vraag ik ontheffing van terugbetaling van de studieschuld aan, met mijn ‘staat van dienst’ erbij als motivering. Op 2 januari 1975 ontvang ik bericht dat “aan uw terugbetalingsverplichting volledig is voldaan”. Ik heb dus nauwelijks iets terug te hoeven betalen. Dat waren nog eens tijden. 

 

 

Ik houd in een kasboekje nauwkeurig bij waaraan ik het geld uitgeef...



 

 

  Sijtze en Johan bij Johan thuis:  samen met mij blokken voor het examen

   en dit was het resultaat

 

Volledig bevoegd

Het hoofdakte-examen werd toen na de grote vakantie gehouden, dus in september van dat jaar wordt alle moeite beloond met de akte als volledig bevoegd onderwijzer, de hoofdakte. Ik slaag met mooie cijfers: “Opvoedkunde en haar hulpwetenschappen” een acht, net als voor “kennis van het Nederlandse culturele en maatschappelijke leven”, voor Didactiek een zes en voor Nederlandse taal- en letterkunde zelfs een negen. 

Vooral de jaren drie en vier van de kweekschool zijn voor mij heel belangrijke jaren geweest. Ten eerste omdat ik die jaren heel veel plezier heb gehad. Het was ronduit gezellig in dat oude gebouw, bij de warme kachels ’s winters of op het grasveld ‘s zomers. Om de beurt in de middagpauze koffie schenken uit een grote aluminium kan. Sijtze die dan achter de piano kroop en ons vergaste op swingend spel. Ik ontwikkelde in die uurtjes mijn liefde voor de jazz. En voor de Amerikaanse folk van mensen als Pete Seeger en Joan Baez, folkrock van Linda Ronstadt en later voor de weemoedige blues van Norah Jones en de songs van Carly Simon en Bonny Raitt. De basis voor heel mijn culturele belangstelling, vooral voor de schilder- en beeldhouwkunst, is voornamelijk in deze jaren ontstaan. 

Ik heb hier en daar in de tekst al aangestipt dat ik deze jaren op de kweekschool een coming of age, een langzaam proces van volwassen worden, heb doorgemaakt. Daarin hebben alle docenten en medeleerlingen hun rol gespeeld en daar ben ik iedereen dankbaar voor, welke rol dat ook geweest is. 

 

 

++++++++++++++++++++++++++++




 

 Kort na het vijfde jaar is er nog een keer een reünie. Niet alleen van onze klas overigens. Daar zijn de volgende foto's van.  Het zou een halve eeuw duren tot de volgende reünie en dan echt met klas 3B ...

 rechts dat ben ik

   

  links op de achtergrond de heer Helder

  

 staat van dienst / eerste jaren



 

The Normal School Minstrels na een halve eeuw, in 2015 op de reünie van klas 3B  bij Sijtze en Mieke in Zwolle

 

     op de reünie 2015

Roel, ik, Albert, Toni                                                                                            Toni, Mieke, Hillie, ik

 


 



Mijn herinneringen gaan verder in het hoofdstuk over mijn militaire dienst, 1970-1971. KLIK hier voor snelle toegang        maar.........




............ 

Lees vooral ook de hierna  komende  bijdragen van enkele klasgenoten die de moeite namen hun herinneringen voor mijn website te noteren. Daarvoor hartelijk dank!


 

Herinneringen van Annemiek

Bij mij gebeurde hetzelfde als bij jou, Lammert. Ik wilde graag “juf” worden. Ik speelde als klein meisje al “schooltje” met mijn poppen en ik had verder geen andere wens. Goed, ik doorloop de Mulo, heb daar enorm veel plezier en zal daarna naar de Kweekschool gaan. Nu had Groningen er twee. Een ( zoals jij zo mooi zegt) “gristelijke”, en een openbare. Die laatste kwam “nicht im Frage” en de “gristelijke” werd overheerst door de Gereformeerden en daar zou ik mij volgens een paar vrienden van mijn moeder niet gaan thuis voelen. “Doe haar maar naar Assen! Een geweldige school, niet al te groot en met een goede reputatie.” Aldus geschiedde.

Nu had je in die tijd nog geen “open dagen” dus je schreef je in en zag wel hoe het was. Mijn cijfers op het eindexamen Mulo waren van dien aard dat ook ik in aanmerking kwam voor een beurs. De helft renteloos voorschot en de andere helft “vrije gift”. Het betekende altijd bij het krijgen van een rapport éérst het gemiddelde uitrekenen in verband met de toekenning van de beurs, en dán pas kijken “wat je had” voor elk vak. Later werd het 1/3 terug betalen en 2/3 vrije gift. Mijn totale schuld ná de kweek was 2600 gulden. Terug te betalen over 10 jaar. 260 gulden per jaar en pas beginnen 2 jaar ná het slagen. Voor mijn moeder was het een mooie aanvulling, want zij moest na het overlijden van mijn vader hard werken. Ze was coupeuse en naaide altijd voor andere dames. Van haar heb ik “het naaien” met de paplepel ingegoten gekregen, net als de liefde voor het handwerken...en de klassieke muziek. Ze was daardoor altijd thuis en ving mij op na schooltijd met een pot thee en dan moest ik vertellen... We hebben samen gelachen en gehuild en mam wist alles van school.

Nieuwe ervaringen

De eerste dag kom ik naast Albertje te zitten. Dat hebben we vier jaar volgehouden! Ik heb nog steeds contact heb met Ally, zoals ze nu heet. 

Nieuwe gezichten, andere leraren, een andere sfeer maar de klas was leuk. Ik voelde wel eens iets van “jaloezie” omdat de hele klas rechts af ging op het perron en ik als enige links af. Twee andere Groningsen kwamen met de bus uit Stadskanaal, dus die waren ook altijd samen. 

De leraren Wubs en Kattenberg hadden niet echt mijn sympathie net zo min als die van jou.  Wubs liet je gaten graven in de bodem, waar dan ook en kon je voor de klas echt voor schut zetten. Kattenberg was een praatjesmaker en inderdaad, waar we nooit over hadden gehoord, werd ons op een proefwerk gevraagd, tot groot ongenoegen van de hele klas.

Muziek bij Makkes...voor mij een heerlijke onderbreking van de schoolsleur. Ik heb nog bij Makkes gezeten als hij orgel speelde in de Martinikerk in Groningen. Machtig om te zien en mee te maken.

De andere muziekleraar Van Meurs had een zoon die ook leraar was op de Kweek. Wat hij precies gaf weet ik niet meer, ik vermoed biologie. De goede man werd zó vreselijk gepest, ook in onze klas, dat hij op een gegeven moment met fladderend colbert met te korte mouwen door de gang rende (niet na een les bij ons overigens) en we hebben hem nooit meer gezien! Eigenlijk afschuwelijk dat wij als jonge mensen van rond de 18 dit overhoop gehaald hebben. En dan wilden wij een paar jaar later de jeugd gaan vertellen hoe ze zich moesten gedragen? Ik heb mij daarover geschaamd en heb er ook nooit aan mee gedaan.

Van Dulmen als tekenleraar. Ik vond het heerlijk bij hem, hoewel ik niet echt goed was in tekenen.

Masker

Meeldijk: oneerbiedig gezegd “een droogkloot”.  Humor had de beste man niet en dan dat eeuwige gepruts met waardeloos materiaal! Ik kan er nóg nachtmerries van krijgen. Hoewel…, er gebeurde iets waar ik inwendig nog steeds om kan lachen. We moesten eens een masker maken. Hoe en wat dat deed er niet toe, maar wél van papier maché. Ook al zoiets! Ik heb altijd al een hekel aan vieze handen gehad. Hoe ik mijn masker heb gemaakt, weet ik niet meer. Wél weet ik dat meneer Mulder binnen kwam en vroeg of het allemaal goed ging. Hij liep de leerlingen langs om te kijken wat ze geproduceerd hadden. Hij kwam bij mij, zag mijn masker, nam het in zijn hand en liep naar de tafel waar Meeldijk zat. Mulder was zó overtuigend, hij vond dat dat ding een 10 waard was. Je kunt het geloven of niet, maar Meeldijk zette met een zuur en zuinig gezicht een 10 achter mijn naam. Zo, dat was dus mooi gefikst!

Dominee Dol. De man had een interpretatie van geloof en van de Bijbel die de mijne niet was. Door die man ben ik jaren niet meer in de kerk geweest, tot ik mijn verstand kreeg.

De heer Helder. Hij gaf Engels en Duits. Hij was een goeie leraar; ik heb veel bij hem geleerd. Ik moest vaak “voorlezen” als we Duits hadden. Door de Duitse afkomst van mijn moeder (Duitse moeder, Nederlandse vader) had ik volgens hem precies de goede uitspraak van de ch waar toch veel Nederlanders moeite mee hebben. Er wordt vaak een harde g van gemaakt. Ook nu heb ik weinig moeite met het spreken van het Duits. Het voelt erg vertrouwd aan.

Dan gym...wie we daar voor hadden weet ik niet meer. Hoef ik ook niet te weten want ik heb altijd een ontzettende schurft gehad aan dat stomme gedoe. Komt jou bekend voor denk ik, Lammert. 

Grrrrrr!

Handwerken van Juf Speelman, een lief mens. We hebben veel van haar geleerd, maar ik had wel eens medelijden met haar. Er was een klasgenoot die meer zat te kwekken dan dat ze wat deed en die twee hebben aardig wat met elkaar in de clinch gelegen. Staatsexamen handwerken in Meppel; om 5 uur ’s middag aan het eind van het examen in wintertijd nog een “stopje” maken in zwarte stof. Hoe verzin je het! Ging dan ook de mist in, evenals het borduren... Ik wilde het weer te mooi maken en daardoor kwam er een 4 op de lijst te staan. Ik heb het staatsexamen gehaald en wij waren in de veronderstelling dat we nu dus vrij waren van de handwerklessen bij juf Speelman. Fout. We moesten alsnog een aantal werkstukken inleveren bij het gewone examen...grrrrr! En jullie jongens gingen heerlijk naar huis: nogmaals grrrrr....! Mijn moeder wilde dat met liefde op zich nemen, maar dat heb ik geweigerd.

Leraar Bos gaf psychologie, pedagogiek en didactiek. Hij kon het mooi vertellen, maar ik was het met sommige zaken niet eens. Het was begin jaren zestig dat wij in deze vakken les kregen maar ook de tijd dat een nieuwe generatie opgroeide. Met wijsheden als:  ”je mag een kind niet straffen, want dan raakt het gefrustreerd en krijgt het last van complexen!” Ik kom dus met een opmerking, dat, als je een grote klas hebt, en je niet mag straffen, dat de kinderen op een gegeven moment OP jouw tafel staan en jij ligt er ONDER. Denk even aan de “speelleerklas, uitgaande van maximaal 20 kinderen. Ik begon zo’n klas met 40, en dan moest alles in groepjes staan. Zie je het voor je?! Ook was hij zo dom om het volgende te vertellen: Zijn dochter was jarig geweest, was drie geworden en kreeg van opa en oma een doos kleurpotloden. Ze hadden nét de gang behangen. Ik heb hem gevraagd wat hij had gedaan. Niets... Bij mij had dat kind alle hoeken van die gang gezien!

Ik denk wel eens: de ontspoorde jeugd van tegenwoordig, is die geen slachtoffer geweest van de opvoeding van toen? Hun ouders wisten toch niet beter? Hier in Huize Sluijter is het jarenlang een gevleugelde uitdrukking geweest: “Je mag mij niet straffen, want anders raak ik gefrustreerd en krijg last van complexen.” Ja ja, me hoela! 

Knus

De klassenavonden waren leuk. De hele entourage van de school waar we zaten, het had iets “knus” over zich.

Overblijven. Dhr. Boers, de conciërge, was niet zo gemakkelijk maar bij amanuensis De Vries was nog wel eens wat te ritselen.  We moesten zelf onze koffie kannen uit de keuken halen. De meesten van ons vonden die koffie niet lekker; ook ik niet. De mogelijkheid bestond om ook zwarte koffie te halen, dus dat deed ik dan maar. Heb op de kweek zwarte koffie leren drinken en drink het nog steeds. Dan mijn broodtrommeltje, dat braaf gevuld werd door mijn moeder. Op een goede dag zat er een advertentie in. ”Annemieke’s moeder wéét wel wat ze doet..éérst een boterham met kaas..dán een boterham met zoet”. Ik schiet in de lach. Ik ben altijd een slechte eter geweest en zéker vroeger! Bovenop lag een boterham met kaas… en daaronder een met hagelslag. De klas begreep niet wat er leuk aan was. 

Dan natuurlijk de discussies, het nog even nakijken van een naderende repetitie. Sigaretje roken, koffiekannen en asbakken weg brengen en op naar de volgende les. Echt “spannend” was het overblijven niet. Meer het even bijkomen van al dan niet leuke lessen of repetities.

Schoolclub

Dan de schoolvereniging Paideia. Ik kan mij herinneren dat ik daar ook deel van uitmaakte. Herman ook en nog een paar anderen. Op een gegeven moment moest er een president(e) komen. Niemand durfde en ze schoven het mij in de schoenen. We hebben de Grote Avond. Mijn moeder maakte een leuke jurk, ik was naar de kapper geweest. Ik liep natuurlijk op naaldhakken en zo stapte ik op de trein naar Assen. Had toch wel met een beetje bekijks. Het was best spannend allemaal, maar ik sloeg mij er door heen en we hebben gefeest tot in de kleine uurtjes.

De volgende dag op school loop ik De Vries tegen het lijf, de amanuensis, en hij vraagt: “Annemiek! Waar is je haar gebleven?” Tja...het zat er nog, maar niet meer zo sjiekdefriemel als de dag er voor.

De leerschool was niet altijd een onverdeeld genoegen. Samen met Gosse was ik aan dezelfde school verbonden. Ik had een vrij oude “juf”. Mevrouw Van Eden, een echte schooljuffrouw en het was maar zelden dat een les gewoon goed was in haar ogen. Het was altijd “het was wel aardig, maar.......” en dan kwam er weer het een en ander. Ik heb echter veel van haar geleerd en wat mij het meeste trof was dit: natuurlijk stik je van de zenuwen bij het praktijkexamen. De spanning was weg zo gauw ik kon beginnen. De kinderen werkten goed mee en wat gebeurde? Mevrouw Van Eden zat met tranen in de ogen toen de uitslag ”Geslaagd” kwam.

Dan het gebouw aan de Vaart.. Op weg daar naar toe vaak eerst even koffie drinken en een slagroompunt er bij in een “warenhuis” waarvan de naam me is ontschoten. Natuurlijk werd er ook flink bij gerookt. Al met al een mooie tijd. Wel hard werken en weinig ontspanning.

Gelukkig slaag ik voor het examen met een 5 voor rekenen en een 5 voor Nederlands. ( schaam.....)

Werken

Ik ga werken in Doezum en ben gewoon gelukkig! Het was me gelukt om dát te worden wat ik wilde. Kon ik ook mijn moeder wat ontlasten en we kregen het goed. 

In 1969 verhuizen mijn moeder, onze huisgenoot en ik naar Alphen a.d. Rijn. Ik kom daar te werken aan een leuke school en trouw op 1 april 1971 met mijn Jan. Op 12 maart 1973 wordt daar onze zoon Hans geboren. In 1974 verhuizen we naar Gouda waar op 2 november 1977 onze dochter Judith wordt geboren. Inmiddels zijn we opa en oma van vier kleindochters. Ik ben nog weer gaan werken toen Judith naar groep 3 ging. Hans ging naar de brugklas dus ik had de handen weer vrij. Ik werd “invalkracht”. Ik heb met liefde voor de klas gestaan, tot in 1997 het gehoor roet in het eten gooide en ik moest gaan stoppen. Jammer. Ik had het graag nog wat langer gedaan, maar wat niet is, is gewoon niet. 

 


 

Herinneringen van Jeltje 

Hallo Lammert,

 

Je vroeg onlangs of we nog herinneringen wilden beschrijven over de tijd dat we op de kweekschool in Assen zaten.

 

Ik ben in de derde klas van de kweekschool ingestroomd nadat ik eerst de MMS had doorlopen.

Een onderwijsbevoegdheid halen was een goede basis voor eventuele latere carrièrestappen zeiden mijn ouders toen ik na de mms voor de keus stond welke vervolgopleiding geschikt voor me was. Ik wilde zelf graag gaan studeren in bijv. Groningen , maar daar waren mijn ouders niet enthousiast over. Bovendien was studeren toen nog niet zo'n gebruikelijke stap in onze omgeving.  Vandaar dat ik in Assen op de Hervormde Kweekschool terecht kwam. Van die jaren heb ik ontzettend genoten. Vanaf dag één heb ik het gevoel gehad geaccepteerd te worden door mijn nieuwe klasgenoten die elkaar al twee jaar kenden.  Een vertrouwde en veilige omgeving was het voor mij.

De leraren waren stuk voor stuk unieke mensen bijv. dhr. Makkes van der Deijl die me leerde om zuiver te kunnen zingen, in ieder geval mij het gevoel heeft gegeven dat ik zuiver zong.  Het heeft me geholpen om met plezier later muzieklessen te geven aan de kinderen.

De heer Kattenberg die op zijn zo geëigende manier geschiedenis doceerde zodat je het boeiend bleef vinden; de heer Wubs die aardrijkskunde  gaf. Ik was altijd een beetje bang voor hem. En als we weer " een gat in de grond moesten graven en achtereenvolgens de verschillende grondsoorten die we tegenkwamen , benoemen" , zette ik alle mij bekende grondsoorten op een rij en dan maar hopen dat je er voldoende had opgeschreven, maar meestal niet en was een volgende onvoldoende voor dit vak weer een feit.

De heer Meeldijk gaf handenarbeid. Had je een mooi beeld of voorwerp geboetseerd, moest je het aan het eind van de les weer in elkaar stampen en de klei terug brengen tot een vierkant blok. Mooie en unieke creaties en de creativiteit van de maker werden letterlijk weer in elkaar getimmerd.

Onvergetelijk

En onze onvergetelijke directeur de heer Mulder. Meer een vader dan een directeur voor ons allemaal. Als hij jarig was werden we uitgenodigd in de kantine te komen en werden we getrakteerd op een kopje koffie met gebak. En natuurlijk zongen we hem hartelijk toe.

Toch, met weemoed namen we, nadat we als volledig bevoegd onderwijzer waren geslaagd, afscheid van een onvergetelijke periode.

Na de kweekschool heb ik drie jaar gewerkt in het basisonderwijs, daarna via het vormingswerk, Vormingswerk Jong Volwassenen, Volksuniversiteit en vervolgens basiseducatie, waar ik eerst als coördinator en daarna als adjunct directeur binnen het ROC heb gewerkt, nog drie jaar een studie in Nijmegen heb gevolgd en vervolgens als adviseur personele en juridische zaken heb gewerkt bij een besturenorganisatie voor Voortgezet Onderwijs in Hengelo. 

Ik vond destijds te weinig uitdaging in lesgeven binnen het basisonderwijs. Bovendien verhuisden we naar Enschede waarna ik andere, hierboven beschreven keuzes heb gemaakt.

 

Jeltje Dorgelo


 

 

Kweekschoolherinneringen Roel Dorgelo

 

De reden dat ik naar de Kweekschool ging was gelegen in het feit dat ik een ULO diploma had gehaald en aanvankelijk niet wist wat ik daarna moest gaan doen. Aan het werk of verder studeren.

Mijn vader werkte als ambtenaar op het gemeentehuis in Hoogeveen en kon, zoals hij zei, wel wat regelen. Het gemeentehuis kende ik op mijn duimpje. Mijn opa was daar namelijk conciërge/bode en ik hield me wekelijks op in het gebouw. Daardoor had ik een beeld van het ambtenaar zijn en dat was niet wat ik ambieerde. 

Leuk om te vermelden is dat de vader van klasgenoot Jaap Veld mijn opa in zijn functie als bode is opgevolgd.

Mijn ouders regelden een afspraak op het arbeidsbureau voor de deelname van een beroepentest. Het resultaat daarvan was dat ik iets met mensen moest gaan doen. En dat was de reden dat ik na de ULO naar de Kweekschool in Assen ging.

Goede herinneringen 

Ik heb goede herinneringen aan mijn Kweekschooltijd. Het was een veilige en vertrouwde omgeving, waarin je als leerling tot ontwikkeling en ontplooiing kon komen. De leraren waren op een enkeling na kundig en wisten hun vak goed over te brengen. Dat had tot gevolg dat ik met succes de opleiding heb doorlopen.

Een voorbeeld van een niet kundige leraar was de zoon van Meurs. Die gaf het vak biologie naar ik meen. We konden tijdens de les volledig onze eigen gang gaan. Ik herinner me een les op een mooie zomerdag. Het raam van ons klaslokaal stond open en met een paar klasgenoten klommen we daar doorheen en gingen op het gras onder het raam zitten. De heer Meurs deelden we mee dat hij zijn les gewoon kon vervolgen. Wij konden deze buiten ook prima volgen.

Kundig was o.m. Makkes v.d. Deijl. Hij wist ons zover te brengen dat we blokfluit leerden spelen, een liedje konden treffen en dat we alvorens een lied in te zetten aan een bloem gingen ruiken. De piano in zijn lokaal zorgde ervoor dat we ruim voor aanvang van de les aanwezig waren. Sijtze nam plaats achter de zwart-witte toetsen en speelde het ene na het andere nummer en wie kon en wilde zong uit volle borst mee. 

Tijdens het muziekexamen heb ik het hele repertoire van de Normal School Minstrels gezongen. Daarna kreeg ik nog een theorievraag en dat was het dan. Makkes begeleidde me uit het lokaal en in het raam van de deur verschenen 2 handen, die 9 vingers opstaken. Dat was mijn examencijfer.

Legendarisch

Kundig was ook zeker Van Dulmen Krumpelman. Op de lagere school was ik altijd jaloers op klasgenoten die goed konden tekenen, want hun tekening werd altijd getoond aan de hele klas. Tekenen was gewoon mijn ding niet. 

Totdat dhr. Krumpelman in mijn leven verscheen. Hij was een echte kunstenaar en wist me enthousiast te maken voor zijn vak. Vol zelfvertrouwen ging ik de stad Assen in om daar op locatie, en public, een tekening te fabriceren. Hij vertelde dan niet wat er fout aan was, maar wat er nog verbeterd kon worden.

Legendarisch vond ik de manier waarop hij kunstgeschiedenis gaf. Zeer boeiend. Het heeft mijn belangstelling voor de kunst wakker gemaakt. Maar de directie van de school wilde ook dat hij rapportcijfers aanleverde. Dus kregen we een schriftelijke overhoring. Op de cijfers moesten we vrij lang wachten, maar dat was het meer dan waard. “Jeltje de Boer een 9, Albert Doldersum een 9, Roel Dorgelo een 9” en ga zo maar door.

Op dat moment besefte ik dat nog niet zo, maar de directeur van de Kweekschool, dhr. Mulder, dwong bij alle leerlingen respect af. Het was geen manager, zoals ik die later helaas maar al te vaak tegenkwam, maar meer een vaderfiguur die over de school waakte en betrokken was op de leerling, ze allemaal kende en ze het gevoel gaf dat ze waardevol waren.

De jaren ‘60 kenmerkten zich o.a. door het proces van democratisering op scholen. Leerlingen en studenten eisten invloed en medezeggenschap op. Op de Kweekschool in Assen was dit geen item en dit was te danken aan de stijl van leiding geven van de directie en manier van omgaan met de leerlingen door de leraren.

Grote avond

Bij ons op school kenden we de jaarlijkse grote avond. Hier werd muziek gemaakt door o.m. de Normal School Minstrels, er was het cabaret Toets en er werden eenakters gespeeld. Kortom een gevarieerd programma, waarbij ieders creativiteit de ruimte kreeg en je voelde zelf wel aan waar de grens lag.

Het was ook de tijd waarin de Vietnamoorlog het nieuws beheerste en rassendiscriminatie in Amerika actueel was. Beide zaken hielden me erg bezig. Zo was ik lid van het Medisch Comité Nederland Vietnam en werd geraakt door het geweldloos verzet van Martin Luther King.

Toen deze op 4 april wreed werd vermoord, trof me dat zeer. Ik schreef het volgende lied en heb dit op de grote avond gezongen.


 

After the death of Martin Luther King 

 

I see the houses burnin’

The hate shines in their eyes

Women around, crying their childs

On which side are you

 

Go and rob the stores

And take the first you see

Arise don’t stay, don’t stay at your slums

For we are getting free

 

Go and get your guns

And kill the first you see

Look at the girl, shakin’ that thing

We cannot all be Martin Luther King

 

It’s more than 40 years ago

But still happens everyday

Love and hate, let bullets fly

When will we ever stop cry

 

I dreamed the promised land

The freedom of us all

Go and burry your guns today 

And love like Martin loved

 


 

 In leerjaar 5 heb ik een scriptie geschreven over dienstweigeren. Dit onderwerp hield me erg bezig, temeer omdat ik goedgekeurd was voor de militaire dienst en eigenlijk meer geloofde in geweldloze weerbaarheid. Ook maakte ik kennis met het fenomeen “protestdienst”. Je ging dan wel in dienst, maar probeerde het apparaat dan van binnenuit uit te hollen. Je zult begrijpen dat dit niet gelukt is.

Dus heb ik op een later tijdstip nog een beroep gedaan op de Wet gewetensbezwaren en kreeg ik de status van dienstweigeraar.

 

Na de Kweekschool ben ik mijn loopbaan begonnen in het Vormingswerk Werkende Jongeren in Hoogeveen. Daarna ben ik naar wat tegenwoordig het Praktijkonderwijs heet, gegaan in Enschede. Verder heb ik gewerkt in het VSO LOM, in het VMBO heb ik de bovenbouw van het VSO LOM geïntegreerd. Daarna kwam ik als adviseur terecht op de onderwijsbegeleidingsdienst Drienerwoold en de laatste tien jaar van mijn onderwijs carrière was ik directeur van het Reg. SWV Twente. Hierin werkten alle VO scholen in Hengelo, Holten, Oldenzaal en Enschede samen om het onderwijs voor leerlingen die extra begeleiding nodig hebben optimaal vorm te geven.

 

Ik denk dat op de Kweekschool de basis is gelegd voor de keuzes die ik in mijn leven gemaakt heb en de manier waarop je jongeren het best kunt benaderen om ze wat te leren en dat ze volwaardig deel kunnen nemen aan de samenleving. En mijn stijl van leiding geven is zeker beïnvloed door het voorbeeld Mulder.

De rode draad in mijn werk is “uitsluiting”, in welke vorm dan ook, geweest. Dat is niet acceptabel en vraagt om actie. En dit geldt nog steeds voor mij.

 


 

 

The Normal School Minstrels, mijn eerste bandje, 1964 – 1969

door Sijtze Malda

 

 

Het begon allemaal in de trein: vanaf 1964 reisden we een paar jaar lang met een groepje studenten (leerlingen heetten we toen eigenlijk nog, het woord student werd alleen nog maar gebruikt als je op de universiteit zat, nu heeft elke opleiding na de basisschool studenten) bijna dagelijks op en neer tussen Hoogeveen en Assen, waar we op de Hervormde Kweekschool zaten. Onderweg zongen we veel, behalve toppers van die tijd ook veel liedjes van Peter Paul and Mary, het Kingston Trio, The Brothers Four, Harry Bellafonte, Pete Seeger, Bob Dylan, Donovan, Joan Baez.  Folk was "hot" in die jaren, vooral ook als de teksten tegen de gevestigde orde ageerden: protestsongs. 

Nederland deed ook mee met zangers als Boudewijn de Groot (Welterusten Meneer de President), Armand (Ben ik te Min). 

Je hoorde erbij als je tegen was.

Met mijn mede studenten Roel Dorgelo en Tonie Kerssies voelde ik al snel een muzikale klik. Zij speelden beiden gitaar, konden goed zingen en hadden een meer dan gemiddelde belangstelling voor eigentijdse folkmuziek, en ze wisten er ook veel van. Met mijn harmoniumlessen van juffrouw Feddema had ik een klassieke, gereformeerde dus degelijke muzikale ondergrond. Maar ik hield ook van moderne jazz en improviseren: vanaf 1960 luisterde ik als het mogelijk was op de zaterdagmiddag naar Radio Jazz Magazine, een programma van Michiel de Ruyter. Ik wilde daar alles van weten, kocht boeken en verdiepte me in de geschiedenis van de jazz.  En last but not least: ik probeerde tot ongenoegen van mijn vader jazz en blues op het harmonium te spelen.

Terug naar mijn studiegenoten: Ik bespeelde weliswaar geen folkinstrument maar ik had wel goede oren en zong in de trein graag mee. Noten en akkoorden lezen was voor mij geen probleem. De muzieklessen op school verschaften me inzicht in de harmonieleer: de kwintencirkel met ezelsbruggetjes als "Geef De Arme Een Bord Fruit" en "Friese Boeren Eten Alle Dagen Gort" was voor mij gesneden koek.

Kortom, genoeg bagage voor een muzikale reis.

Een bandje

En toen was er een bandje.

Ik weet niet precies meer hoe en wanneer we besloten om een bandje te gaan vormen, maar op een gegeven moment was het gewoon een feit. We noemden ons al snel The Normal School Minstrels naar voorbeeld van The New Christy Minstrels, een bekende folkgroep destijds. En natuurlijk met verwijzing naar de Normaalschool, het verouderde woord voor kweekschool.

Wie van ons die naam heeft bedacht weet ik niet meer.

Ongeveer tegelijkertijd kon ik via Roel voor 10 gulden een ukelele van zijn broer kopen, en al snel kon ik daarop met wat basisgrepen goed uit de voeten.

We gingen nu ook echt repeteren: elke zaterdagmorgen bij Tonie Kerssies thuis. Wat waren zijn ouders enthousiast over onze muzikale prestaties! Zijn vader gaf leuke tips en aanwijzingen en ondertussen zorgde moeder Kerssies voor koffie met koek. Het was bar gezellig. En ik kwam daardoor steevast te laat thuis voor het middageten, tot groot ongenoegen van mijn vader.

Roel en Tonie kwamen met repertoire suggesties, en namen beurtelings de leadzang voor hun rekening, mijn stem was minder geschikt voor solozang maar ik wist wel vrij gemakkelijk een tweede of derde stem toe te voegen en zong die voluit mee. In die meerstemmigheid vormden onze stemmen een bijzonder mooie eenheid. De opnames van toen laten dat goed horen. Roel met zijn donkere, warme en diepe stem, Tonie met zijn heldere tenor en mijn stem als een soort smeermiddel daar omheen en tussendoor.

Omdat Roel en Tonie alleen maar slaggitaar speelden en veel bezig waren met de teksten was het voor mij vooral een uitdaging om voor instrumentale variatie te zorgen: hier en daar een solo of een riff tussendoor op de ukelele. Of door later zelf een theekistbas te maken met één snaar van waslijndraad met ijzeren kern, die paste prima bij onze skiffle nummers als It Ain't Gonna Rain No Mo. Er zijn maar twee foto's waar ik op die bas op sta te spelen. 

                                                                                                   

  hier op theekistbas tijdens een klassenweekend op camping Witterzomer bij Assen

 

Nog weer later schafte ik bij muziekhuis  Noël een mandoline aan, voor de bluegrassnummers.

Ik geloof dat ons eerste optreden op een klassenavond was? Of was het op een avond voor de jeugd van de Gereformeerde Kerk? Voor die gelegenheden hesen we ons alle drie in een giletje. Dan voelden we ons echt een band. 

            

voor jongeren in het Herman Bavinckhuis                                                                           klasseavond Kweekschool   

 

En daar hoorde natuurlijk ook een fotosessie bij: een vriend van Roel, Robbie Bax kon goed fotograferen. Hij maakte een fotoserie van ons terwijl we door Hoogeveen liepen. Achter het raadhuis, op de kermis, en tussen oude rommel achter zaal Royal. Erg stoer vonden we onszelf, echte aankomende BN-ers.

                        

                 

                                                                                           

(foto’s: Robbie Bax)                                    

 

Een nieuwe muzikale wereld ging voor me open. Mijn ouders, met name mijn vader vonden het maar niks: ik kon mijn tijd maar beter aan mijn orgellessen besteden in plaats van aan die 'wereldse' muziek. Ook al zongen we af en toe 'christelijke' gospels.

Intussen werden we steeds meer gevraagd om op te treden. En op school waren we jaarlijks dè schoolband tijdens de grote avond.

   Grote avond Lyceum Hoogeveen

 

Het verbod

Het was ruim een jaar later dat mijn vader mij plotseling verbood om nog langer deel uit te maken van deze groep. Dat was een schok voor mij. De aanleiding was dat we gevraagd waren om in café Toldijk te spelen, net buiten Hoogeveen aan het begin van de weg naar Wijster. Dat kon hij niet goedkeuren. In dat soort gelegenheden raakten mensen op het verkeerde spoor, vond hij: drankmisbruik, gokken, kaartspelen, plezier om het plezier. En dat was zondig en behalve dat, ook nog zonde van het geld, calvinisme in het kwadraat dus! Niet dat hij dat met zoveel woorden zei maar de boodschap was duidelijk. Sowieso beschouwde hij alles wat met beeldende kunst, populaire muziek, jazz, theater, toneel, film, ballet als werelds vermaak en daarom verdacht en op zijn minst overbodig. 

Hij bood mij wel een alternatief, misschien ingegeven door het besef dat hij me toch iets moois had afgepakt? Ik mocht kerkorgelles nemen bij Martin Groenewold, een heel bekende organist. Dat heb ik een aantal jaren met veel plezier gedaan. Bij hem leerde ik improviseren, en verwierf nog meer inzicht in akkoorden- en harmonieleer. En ik kreeg de sleutel van alledrie de gereformeerde kerken om, wanneer ik ook maar wilde, op de orgels te spelen. Het orgel van de Hoofdstraatkerk was mijn favoriet, één van de grootste van de Gereformeerde Kerken in Nederland met drie klavieren en een volledig pedaal. Het liefst ging ik 's avonds laat: alleen op de tast in het donker naar boven klauteren totdat je hoog in de kerk bij de speeltafel eindelijk een lampje kon aandoen. Krakende banken. Heel spannend. En dan spelen tot soms na middernacht: Bach, Beatles, Blues, alles kwam voorbij. De muziek vulde niet alleen de kerk maar ook mijn binnenste. Op die momenten kon ik mijn frustraties over het verbod van mijn vader vergeten.

Maar goed, de realiteit bleef wel dat het met het bandje was afgelopen. Roel en Tonie zijn nog verhaal gaan halen bij mijn vader, ze belden op een avond aan en wilden mijn vader spreken. Ik bleef boven op mijn kamer en wist dat hun poging gedoemd was te mislukken.......

Zij moesten verder zonder mij, en deden dat gelukkig ook, onder diezelfde naam The Normal School Minstrels. Maar hoe frustrerend en pijnlijk was dat voor mij! Er volgden  vele mooie optredens zoals in de Tamboer in 1967 in een programma met Martine Bijl, of later met Cobi Schreijer. Achteraf moest ik dan in de krant de lovende recensies lezen.

Tegenover mijn ouders kon en durfde ik mijn teleurstelling hierover niet te uiten. 

En mijn vader sprak er verder niet meer over. 

Was het uit onmacht dat ik eens op een middag alleen in de huiskamer zo hard op de eetkamerstoel sloeg dat de houten rugleuning volledig doormidden brak? Ik schrok, dat was ik niet van plan. Tegen mijn ouders zei ik dat de stoel was gevallen omdat ik er per ongeluk tegenaan liep.

Toch weer meedoen

De Gereformeerde kerk had destijds een oud pand aan de Schutstraat naast de Chinees beschikbaar gesteld als ontmoetingsplaats voor 'hun' jongeren: de Schakel. 

In mijn herinnering was het een soort afbraakpand: er stond afgedankt meubilair, er hingen visnetten aan het plafond en er stond een jukebox. Twee nummers uit dat apparaat herinner ik me nog heel goed: Desaffinado door Ella Fitzgerald en Yesterday van de Beatles. Met enkele tientallen jongeren brachten we daar eens de kerstavond en de hele kerstnacht door om de volgende morgen natuurlijk weer de kerkdienst bij te wonen. Er was een maaltijd en er werd muziek gemaakt. Natuurlijk door Roel en Tonie. En ik had stiekum mijn ukelele meegenomen en deed gewoon mee. We speelden kerstspirituals zoals Virgin Mary, en When Was Jesus Born: en we waren weer even met z'n drieën! 

   kerstnacht in De Schakel

 

Toen we een poos later gevraagd werden om tijdens een bijzondere jeugddienst enkele spirituals te zingen keurde mijn vader dat stilzwijgend goed, of beter gezegd: hij verbood het me niet. Hij wilde me dit soort optredens blijkbaar niet ontzeggen: misschien omdat we christelijke liedjes zongen, en ook nog eens voor gereformeerde jongeren van de eigen gemeente? Eigenaardig toch dat er totaal niet over gesproken werd. 

Geleidelijk aan speelde ik weer volledig mee. En met mijn orgellessen ging het ook prima.

Aanvragen voor optredens bleven komen. Behalve in alternatieve kerkdiensten speelden we ook op andere gelegenheden ons folkrepertoire, zelfs eens voor de VARA radio in het programma "Plaats Gevonden" , gepresenteerd door Letty Kosterman, die keer uitgezonden vanuit Assen. 

Intussen had ik ergens een echte contrabas gekocht voor 30 gulden: een opgelapt ding met een "vernieuwde" vlakke triplex voorkant, geen gezicht eigenlijk en ook de klank was slecht maar beter dan die van de theekistbas, en het stond wel mooi.

Voor het vervoer van de hele band hadden we nu dus een bestelbusje nodig, ik was de enige met rijbewijs, vandaar dat het mijn taak was om bij garage Roozeboom aan het Haagje zo'n ding te huren. Dat kostte geld dus vroegen we voor een optreden 75 gulden en reiskosten.

 

   hier op contrabas met triplex voorkant, rond 1969  (foto Julius Pangkey)

 

Roel, de archivaris

Een beeld dat ik nog altijd als een foto kan oproepen is dat we in een kerstnacht in de sneeuw onder een lantaarnpaal op de Blankenslaan stonden te spelen bij het uitgaan van de rooms-katholieke kerk. Ik vertelde dit eens aan Roel en Tonie: beiden wisten zich dat niet meer te herinneren. Hoe selectief is ons geheugen!

Nog niet zo lang geleden ontdekte ik dat Roel tal van andere herinneringen heel goed gearchiveerd heeft, alles keurig geordend en chronologisch in een dikke map: affiches, aankondigingen, setlists, recensies, folders, foto's, programmaboekjes, allerlei correspondentie. Ik heb er dankbaar gebruik van gemaakt en kreeg er zomaar een nieuw stuk geheugen bij.

Voorbij...

En zo trokken we regelmatig als minstrels de regio in. Wat een tijd!

We maakten anderen en niet in de laatste plaats onszelf blij met mooie folksongs. 

Met spirituals hielpen we blijkbaar om 'het evangelie te verkondigen'. Ik had moeite met dat laatste, vooral als er van ons werd verwacht dat we onze songs gingen toelichten met zalvende woorden en met de dictie van een dominee.  Roel en Tonie waren daar beter in dan ik.

Na de kweekschool was het afgelopen. Ieder kreeg zijn bezigheden, Tonie ging verhuizen, Roel deed protestplicht en werd later erkend dienstweigeraar en ik ging gewoon in militaire dienst. Alleen in de weekenden traden we af en toe nog wel eens op. Geleidelijk groeide het besef dat het afgelopen was met The Normal School Minstrels.

Even natuurlijk als ons bandje was ontstaan kwam het ook tot zijn einde.

50 jaar later....

Voorjaar 2014 vond ik bij het opruimen van de zolder een tweetal zoek gewaande bandrecordertapes, zo'n vijftig jaar oud. TNSM stond erop, meer niet. 

Een recorder om ze af te spelen had ik niet meer. Dus op zoek naar iemand die zo'n ding had en die bovendien de opnames wilde digitaliseren. Gelukkig, de kwaliteit van de banden en ook van de opgenomen muziek – bijna 40 titels! - bleek nog verrassend goed, ook al waren de nummers door amateurs opgenomen (bandlid Tonie Kerssies, en studiegenoot Lammert Metselaar, die zelfs stereo opnames had gemaakt). 

Één van die liedjes 'Little Sparrow' (Fair and Tender Ladies) heb ik - met diavertoning want filmmateriaal van ons is er niet - op YouTube geplaatst. Roel en Tonie reageerden enthousiast. Het begin van een hernieuwde kennismaking.

KLIK hier voor het YouTube-filmpje

We kwamen een paar keer bij elkaar, en pakten onze muzikale draad met zoveel plezier en enthousiasme weer op dat onze partners onlangs een klasseavond hebben georganiseerd met medewerking van......ja natuurlijk The Normal School Minstrels!

 

     

  The Normal School Minstrels anno 2014                                        en op de reünie 2015

 

 


 

 

Twee klasgenoten herinneren zich…

 

“Al lezende in jouw stuk, Lammert,  kwam er weer zoveel boven. Ook in de beschrijving van jouw ontwikkeling herkende ik zoveel van mezelf.

Mijn ouders hadden een kruidenierszaak en mijn moeder zei altijd dat het geld met centen verdiend werd. Ik wist als kind precies hoeveel winst er zat op een ijsje, een pak suiker of een pakje sigaretten. Ze hebben de winkel verkocht toen ik 12 of 13 was. Ik was het vijfde kind in een gezin van zes kinderen. Net als jij was ook ik de eerste in het gezin die een beroepsopleiding ging volgen. Ik kreeg een beurs toen ik in januari begon, van 600 gulden (gift). Het was vanzelfsprekend dat ik heel goed mijn best deed om goede cijfers te halen. 

Ik had eigenlijk positieve faalangst, zo heb ik achteraf geconstateerd. Ik was zo bang dat ik een vraag zou krijgen waarop ik het antwoord niet wist, dat ik ontzettend goed leerde. Ik wist precies waar op de pagina dat en dat stukje stond. Ik haalde goede cijfers. Bij het uitreiken van de cijferlijst feliciteerde Mulder mij, omdat ik de hoogste cijfers had van de hele groep. Zelfs een 10 op natuurkunde. Ook ik had de C-groep bij het eindexamen. 

Ik had heel weinig zelfvertrouwen, was heel verlegen. Toch, in de loop van de jaren groeide ook mijn zelfvertrouwen gelukkig. Ik merkte dat anderen mij waardeerden om wie ik was. 

Door jouw beschrijving van de kweekschooltijd, kwamen vergeten mensen, locaties en dingen weer boven. Niet alles, De Kern bijvoorbeeld herinner ik me echt niet meer. Klassenavonden kwamen ook langzaamaan weer terug. Ook de herinneringen aan de meeste leraren gingen weer leven. 

Wubs was iemand voor wie ik een haat-liefde gevoel had. Eigenlijk was het een vervelend mannetje, maar hij leerde je logisch denken en verbanden leggen. Hij vroeg nooit naar zaken die precies zo in het boek stonden, maar stelde vragen waarbij je het geleerde moest toepassen. Ik vond dat leuk en voelde voldoening als ik zelf op het goede antwoord kwam.

 

Andere klasgenoot:

“Dat we Wubs niet mochten dat was wel duidelijk, denk ik.  

Ik geloof dat hij door zijn houding ervoor zorgde dat ik geen lol in de materie had. Hij heeft het gewoon verpest voor mij! Weet je dat ik later vaak  best nog eens weer in de boeken Aarde en Mens deel 1 en2 iets had willen opzoeken, omdat iets mij interesseerde.  "Echt waar! Maar ik heb die boeken aan iemand uitgeleend en niet meer teruggekregen. Ik ben er nu wel overheen!”

Wiersma van natuurkunde mocht ik ook graag. Een vak dat mij boeide. 

Van Dulmen: waardevol! Hij heeft mij de liefde voor kunst bijgebracht.

Meeldijk: vreselijk. Pietje precies. Zo wilde ik niet worden!

Makkes: geweldig, de buikademhaling: handen op zijn dikke buik en dan moesten we kijken hoe die op en neer ging. Solmiseren. Makkes deed zijn hand in een bepaalde stand (elke toon een andere stand) en wij zongen dan de melodie.  Voorzingen vond ik maar eng. Maar ik heb wel heel veel geleerd op dat gebied.

Van Meurs, de biologieleraar. Hij kon geen orde houden. Hij liep een keer huilend de klas uit. Dat vond ik wel heel zielig. 

“Nog een herinnering uit de kweekschooltijd. Om de dag een klein beetje leuker te maken gingen wij soms in de middagpauze, nadat we de boterham op hadden, naar een voor ons best een beetje deftig restaurant om een kopje koffie te drinken. We kregen er een glaasje water bij. We vonden het een deftig moment, waar we een beetje van opknapten. Verder kwamen we niet vaak in een restaurant, want daar hadden we geen geld voor.”

 

naar boven