Mijn jaren op de Hervormde Kweekschool Assen - Het vierde jaar, eindexamenjaar 1967-1968

on 20 oktober 2015
Hits: 11033

 

 

Het vierde jaar, eindexamenjaar 1967-1968

Na de vakantie is er al snel bericht van het ministerie van OK&W dat ik een studiebeurs van twaalf honderd gulden krijg. Helemaal beurs, dus niet terug te betalen. Vanwege mijn behaalde cijfers. Zo’n beurs, staat er in de toelichting, wordt gegeven “aan alleen de zeer goede leerlingen, die ca. 15 % van het totaal uitmaken. “ Niet om op te scheppen, maar dat geeft me het gevoel dat het niet voor niets is dat ik me uit de naad werk voor school. Niet dat ik dat nu voor het geld doe, maar het is toch een leuke erkenning. Blijven zitten of zakken zou ik als een regelrecht falen beschouwen. Iets dat gewoon niet kan. 

   

    Albert, Sijtze en Roel op het station van Hoogeveen

 

Winnen en verliezen

Op de leerschool mag ik weer komen bij de heer Tilstra bij wie ik ook ben begonnen het vorige jaar. Ik prijs me daar zeer gelukkig mee, dat dat mag voor een tweede stage; normaal mag dat niet. Maar een les rekenen over inhouden verknoei ik aan het eind helemaal door te proberen de kinderen een veel te moeilijk schema aan te leren. En dat is nu net een les waar Bos, onze pedagogie-leraar, bij is ter beoordeling. En soms is het lesgeven op de leerschool opeens een genot. De biologieles in de vierde klas in september: een rustige intelligente klas met heel leuke spontaan reagerende kinderen. Ik heb intussen al wel ontdekt hoe het in het onderwijs is: you win some, you lose some. Ofwel: soms gaat het heel fijn en heb je veel voldoening van je werk; de andere keer gaat het helemaal waardeloos. 

Het godsdienstexamen in september gaat goed. Ik vind het meer een ‘uit zijn krachten gegroeide repetitie’. Weken later hoor ik dat ik ervoor geslaagd ben met een acht. 

 diploma godsdienstonderwijs

Goed bezig

Zondag 8 oktober is er een feestje bij Jellie thuis. Ze is 5 oktober jarig geweest en samen met een aantal andere klasgenoten word ik aan haar ouders en het gezin voorgesteld. Het is een leuke avond en ik blijf met nog een paar klasgenoten plakken tot bijna twaalf uur. Als er een spelletje wordt gedaan, zie ik kans een schoteltje kapot te gooien. Goed bezig. De volgende dag hebben we een excursie voor kunstgeschiedenis naar Den Bosch. O.a. een expositie van Salvador Dali bekijk ik gefascineerd. 

Vanaf nu liggen de beschreven dagen in mijn aantekeningen verder uit elkaar. Ik heb het erg druk met de studie en kom er niet meer wekelijks, laat staan dagelijks aan toe om de aantekeningen bij te houden. Ik mag voor het eerst helemaal zelfstandig een hele dag de vierde klas bezig houden, zonder dat de onderwijzer er zelf bij is. Zo eigen baas zijn in een klas heeft wel wat. Het is een heel fijne dag die me veel voldoening geeft. 

Hondenweer

Vrijdag voor de herfstvakantie hebben we een fuif in de schuur bij Dinie. Het is hondenweer. Ik fiets met Jellie achterop dwars door een stormachtig Hoogeveen naar het huis waar we verzamelen. Met de auto van een van ons halen we Johan op. In de schuur wordt het een dolle avond. Sterke verhalen over belevenissen op de leerscholen, spelen, dansen, roken, kletsen. Een week later hebben we een fuifje bij Johan thuis. Daar zitten we met een paar man en vrouw de hele avond te monopolyen en hebben daar dagen later nog lol om. 

Mijn favoriete vakken zijn nog steeds psychologie en Nederlands, vooral opstellen schrijven. Onze klas is met 1,9 onvoldoendes per leerling de beste van de vier vierde klassen. We geloven het zelf bijna niet. 

Een paar dagen voor kerst na de kerstwijding van school zitten we met een paar mensen wat te eten in een restaurantje in Assen. We hebben het erover dat we ziek worden van het gezwijmel over ‘vrede’. In Vietnam woedt de oorlog nog steeds in alle hevigheid. 

In de vakantie werk ik onder andere aan een ‘observatierapport’: over kinderen en hun gedrag in de klas. Maar liefst zes ‘afwijkende’ kinderen zitten er in ‘mijn’ klas: duffe ellende dus maar wel interessant voor zo’n rapport. Het maken van een dergelijk rapport op zich geeft me ook veel voldoening. Veertig pagina’s schrijf ik erover vol. Tussendoor ontspan ik me met het lezen van boekjes uit de beroemde Bob Evers serie. Geen hoogstaande literatuur maar perfecte escape-lectuur. 

  

  

Waarheid

1968, het jaar van de waarheid, het examen. Ik moet naar de gemeentesecretarie omdat ik een ‘waarschuwingsoproep’ krijg: ik zal zoals het heet “voor de eerste oefening onder de wapenen” moeten. Maar ik zou toch wel graag eerst ‘even’ mijn studie willen afmaken, alsjeblieft dankjewel, en daarvoor moet ik een gesprek hebben op de secretarie. Daar kijkt men mij verheugd aan: weer zo’n sukkel die in dienst moet, al is het pas over twee jaar. Met het invullen van twee formulieren kan ik uitstel bemachtigen.

’s Nachts vriest het in januari 23 graden en er ligt 40 cm sneeuw. Ooo, ik heb zo’n hekel aan winter! Ik krijg de griep en krijg een heel lief kaartje van de hele zesde klas van de leerschool met alle 28 namen erop. Ik knap er meteen van op. 

Tiërcering

Het praktijkexamen nadert. Van tevoren weet ik dat ik een van deze vier vakken zal moeten geven: taal, rekenen, aardrijkskunde of geschiedenis, met als onderwerpen resp. het schrijven van een brief, het begrip ‘schaal’, de grote rivieren en het kiesrecht in Nederland. Wie zulke onderwerpen bedenkt! Allemaal van die brede onderwerpen waarmee je in één les natuurlijk niks kunt, maar goed. 

Voor het theorie-examen is de tiërcering ingevoerd dit jaar. We hoeven alleen voor Nederlands een schriftelijk examen te doen, voor de andere vakken tellen de schoolcijfers, met dien verstande dat er drie groepen zijn. In één ervan moet je ook mondeling examen doen. De groep wordt door loting bepaald. Ik hoop op A of desnoods  B. Groep C maar liever niet: Cuma, muziek, lichamelijke oefening en natuurkunde.

Mijn mentor, de heer Tilstra van Hervormde school II, vertelt de klas wat er aanstaande donderdag gaat gebeuren. De kinderen reageren meelevend en als de meester vertelt dat de consequentie van mijn slagen zal zijn dat ik nooit weer kom, zeggen een paar smachtende meisjes spontaan: ‘Dan hoop ik maar dat u niet slaagt!’ Ach wat lief, ik ben helemaal geroerd. Als ik bij alle meiden zo getapt was… 

De dag voor het praktijkexamen is het biddag, is de school dus leeg  en staat hij helemaal tot onze beschikking. We kunnen alles rustig voorbereiden: de stencils, het bordwerk. Op dezelfde dag als ik, moeten Jaap, Jeltje en Roel ook praktijkexamen doen. We lopen die dag verscheidene keren bij elkaar binnen om elkaar een hart onder de riem te steken. Of een riem onder het hart te steken, dat mag tegenwoordig ook van de taalpolitie. 

Echt nooit weer?

De dag van het examen krijg ik de geschiedenisles toebedeeld. Of we niet wat eerder kunnen beginnen dan afgesproken is, vraagt de gecommitteerde. Ja, natuurlijk, als u dat wenst. Als alles goed en wel loopt, heb ik geen last meer van zenuwen en na een half uurtje hebben de heren het wel gezien. In het kamertje krijg ik van mijn eigen docent eerst te horen dat er nog van alles beter had gekund. Ik heb het idee dat hij zichzelf aan het profileren is bij de gecommitteerde.  Maar dat de les toch geheel voldoende is, en dat ik dus geslaagd ben. Opluchting. De klas barst in gejuich uit als ik het vertel. Zelfs de meisjes die me wilden ‘houden’, zijn blij voor me. Dat dan weer wel. 

We slagen die dag alle vier op deze leerschool. De volgende dag trakteer ik de klas en het afscheid is best even weemoedig. Sommigen wensen me veel succes met mijn verdere studie, anderen bedanken me ‘voor alles’ en een stel meiden vraagt of ik nou ècht nooit weer kom. Ze kunnen het zich nauwelijks voorstellen, lijkt het. Ach, wat een lieve, lieve kinderen zijn het.

Stressen

Op mijn eindrapport staan weer mooie cijfers. Iedereen in de klas inclusief ikzelf zit te stressen over welke groep hij of zij zal krijgen voor het mondeling examen. 

Begin april hebben we het schriftelijk examen van Nederlands. Ook de ‘officials’ geven toe dat de tekstverklaring dit jaar heel pittig is. Het is een stuk uit het tijdschrift ‘Raster’ van dr.J.G. Kooy: ‘De retoriek van het geweld.’ Helaas bij DBNL op het internet niet meer op te roepen. Later in mijn studie in Utrecht zal ik deze auteur nog moeten bestuderen, o.a. zijn ‘Beginselen van de algemene taalwetenschap.’ Dat geeft misschien een beetje het niveau van de tekst aan. We krijgen twee uur en 15 minuten voor het beantwoorden van acht vragen. Ook dat zegt iets over het niveau. De tekst is een kritische beschouwing van het verschijnsel detectiveroman. Ik ben er zeker van dat, als je tegenwoordig een tekstanalyse van deze moeilijkheidsgraad aan pabostudenten voorlegt, ze geen van allen een voldoende halen. En bij vwo-leerlingen heb ik ook mijn twijfels. Nee, we kregen het niet cadeau. 

Het jaar 2000

 ’s Morgens is er opstel en dictee. Voor het opstel kies ik uit tien de eerste titel: ‘Het jaar 2000 nadert, en dan…”. Ik schrijf er vier kantjes folio over vol, ruim voldoende. Mijn opzet is als volgt: inleiding: magisch getal 2000 vergelijken met ’t jaar 1000;  kern: enerzijds dreigen problemen, anderzijds lokken positieve ontwikkelingen. Bij de problemen noem ik de uitdagingen van het gebruik van de ruimte, het probleem van de voedselvoorziening, en vervuiling van lucht en water. Als positieve ontwikkelingen stip ik de doorgaande ontwikkeling van wetenschap en techniek aan, en waag me aan een prognose over de nog komende dertig jaar met ontwikkelingen in de medische wetenschap, het vliegen, de industrie en automatisering. Ik weet dit alles nog zo gedetailleerd omdat ik mijn aantekeningen die ik ter plaatse maakte, hier voor me heb.

Diezelfde dag krijgt ieder zijn groep voor het mondeling te horen. Diverse heel zure gezichten. Ik loot groep C en ben daar ook niet echt blij mee.  

 

Puzzelrit

’s Middags kunnen we onze zinnen verzetten, want we rijden een puzzelrit met auto’s. Herman heeft de beschikking over een auto en met nog drie meiden en Herman aan het stuur rijd ik een heel leuke oriënteringsrit. Eerst rijden we een heel eind mis, wat wil je met drie meiden in de auto, oeps dat moet ik nog schrappen… en dit ook: maar de mannen nemen de navigatie over,  we herstellen de misser en dan gaat het goed. We hebben veel plezier. We belanden in Appelscha in een restaurant waar we van ons eigen geld een ‘eenvoudige doch voedzame maaltijd’ (met dank aan heer Bommel) aangeboden krijgen. De volgende dag is een vermoeiende dag met een excursie naar Amsterdam, naar het Stedelijk, waar een tentoonstelling van Rauschenberg is. 

De laatste weken voor het examen wordt er een nieuwe klas gevormd met 17 personen uit 4A en 4B. Dat in verband met de tiërcering. Ik vind het ongezellig, gelukkig maar dat het maar voor een paar weken is. 

Buikpijn

De dag dat ik praktijkexamen gym moet doen heb ik buikpijn (zal later een chronische blindedarmontsteking blijken te zijn die over een paar maand acuut wordt) en kiespijn. Kan het fijner? Nee dus. De dag ervoor heb ik de opdrachten mogen uitproberen en dat ging wel aardig. Dát wel ja. Op de dag zelf mislukt de zaalles grotendeels: oefenen met stokken en kastspringen. Ik roep dat ze omhoog moeten springen, maar vergeet te zeggen dat ze weer naar beneden mogen. Zoiets. De organisatie loopt lichtelijk uit de hand. Ik reken op een vijf. Voor theorie reken ik op een zeventje want dat ging wel lekker, en de spelles in de zaal ging ook wel redelijk dacht ik. Zesje? Het ‘eigen werk’ viel iedereen zwaar en mij, die niet van de sport is, dus helemaal. 

Echt nooit weer!

 Na een feestje bij een jarige klasgenoot, (of was het na een sessie waarin we ons met een paar mensen voorbereidden op het examen?)  breng ik Jellie naar huis. Voor haar huis nemen we afscheid met een simpel ‘tot ziens’. Ze gaat niet door voor de hoofdakte en achteraf gezien zal het de laatste keer zijn, dat ik haar zie. Weemoed. Ik besef dat het speelkwartier is afgelopen, dat de gezellige jaren voorbij zijn. “You are now a full fledged member of the rat race”. (Uit een lied van een van mijn favoriete zangers in die tijd, Jim Reeves). 

Muzikaal 

Het examen loopt voor iedereen goed af, al mis ik op een haartje de aantekening voor gym. Maar dat was al voorzien. Ik heb het nooit gemist. Men zegt dat er totaal maar twee studenten gezakt zijn. Onwaarschijnlijk, maar kennelijk waar. Voor Nederlands stond ik al een acht en na het schriftelijk examen blijft dat zo. De andere vakken waarin ik mondeling moet doen, pakken goed uit: Cuma een 9, natuurkunde en muziek een 8. Voor muziek een acht, ik! Het moeten wel gulle examinatoren geweest zijn, want ik houd van muziek, maar dat ik zelf muzikaal ben, dacht het niet. Kennelijk kan ik een redelijk wijsje uit de blokfluit persen. En onze muziekleraar is een heel aardige man, dat scheelt ook. 

Van de eindexamenfuif in een gebouwtje genaamd De Pelikaan in Hoogeveen heb ik niet veel genoteerd; het zal niet veel indruk op me gemaakt hebben. 

 

   

 

naar boven