Mijn jaren op de Hervormde Kweekschool Assen - Het tweede jaar 1965-1966

on 20 oktober 2015
Hits: 11032

 

 

Het tweede jaar 1965-1966

In september 1965 begint mijn tweede schooljaar op de kweekschool. Meneer Mulder, de directeur, wordt onze klassenleraar. Ik krijg een studietoelage van 700 gulden. Ik koop me als uitspatting een pijp. En van die lekker ruikende gearomatiseerde Schotse pijptabak: MacBaren. Omdat ik denk dat ik al lurkend aan een pijp beter zal kunnen nadenken. En ik verbeeld me dat ik dat graag doe: nadenken over het leven en de wereld. Samen met mijn neef die later predikant is geworden (ik voeg dit toe om aannemelijk te maken dat hij wél kon nadenken over het leven) wandel ik zondagsavonds hele stukken, al bomend over zin en onzin van het leven, over wat we zoal meegemaakt hebben die week, en over de meiden die door onze hoofden spoken. 

In de aantekeningen die ik dan nog steeds bijhoud, vindt een opmerkelijke evolutie plaats. Schreef ik vroeger alleen de feitjes op, nu worden de teksten meer bespiegelend, reflecterend. Ik schrijf over welke indruk meisjes op me maken en over –meestal heimelijke- verliefdheden. Ik schrijf over verlangens en toekomstverwachtingen. Ik merk dat ik in de klas mij meer ontwikkel, me niet standaard op de achtergrond houd. Ik word langzamerhand wat minder verlegen en wat vrijer en spontaner. 

Minstrelen

Op 8 oktober 1965 is er een klassenavond. Samen met Meindert mag ik een quiz presenteren. Onze directeur de heer Mulder is als klassenleraar aanwezig. Een paar meisjes presenteren een spel waarbij ieder een papiertje krijgt met de naam van een kinderliedje erop. Dat moet je zo hard mogelijk gaan zingen en dan in de chaos je mede-groepsleden ontdekken die hetzelfde liedje zingen. Echt wat voor mij dus. Onze groep moet als beloning -of als straf, dat weet ik niet meer-, een twintig- regelig gedicht schrijven op muziek. Dank zij de dichtader van Herman lukt dat best. Herman is vaak de gangmaker in onze klas. 

Verder is er een spel waarbij jongens aan meisjes limonade moeten voeren met een lepeltje. Ook dolle pret natuurlijk. Onze quiz is eerst een beetje te moeilijk. Maar later gaat het beter. Hoogtepunt van de avond is wel een optreden van een in onze klas gevormde band door Sytze, Roel en Toni: The Normal School Minstrels. Drie klasgenoten die folksongs en spirituals zingen bij gitaar en bas. Het klinkt geweldig en voor de komende jaren is succes voor deze groep verzekerd. Wat zeg ik, voor de komende vijftig jaar. Op de reünie in 2015 treden ze nog eens met herhaald succes op. Maar dat weten we dan nog niet. Ik maak een stuk of vijf foto’s met mijn Agfa cameraatje. Ook op die foto’s is nu nog te zien dat het een gezellige avond was. 

 de band van de 'The Normal School Minstrels' in de aula met
Roel, Sijtze en Toni  (v.l.n.r.)

 

Toch niet zo moeilijk?!

Ik haal nu wat vaker lage cijfers. Dat ben ik niet gewend. Schoolwerk ging me altijd vlot af. Ik moet er wel veel voor doen, maar heb nooit de indruk gehad dat ik erg hard werkte. Ik vond huiswerk maken meestal geen straf. Van thuis af heb ik meegekregen dat het tot je verantwoordelijkheid hoort dat je overal het beste van maakt. Zeker als je ouders zich je opleiding maar net kunnen permitteren, zoals dat bij ons het geval was. Als ik dan een 3,5 haal op biologie dan schaam ik me daar toch wel voor. Op biologie nog wel. Dat is toch niet zo moeilijk?!

De paar foto’s die ik gemaakt heb op de klassenavond, zijn een succes: veel leerlingen bestellen ze bij me na. Na vijftig jaar duiken ze bij de reünie in 2015 weer op. Ze blijken dus niet alleen in mijn archief te zitten. 

Met Sinterklaas loot ik onze klassenleraar uit om een surprise te geven. Ik mag voor hem een presentje maken met een gedicht erbij. Men vindt het gedicht wel grappig geloof ik.  Op het kerstrapport heb ik geen onvoldoende meer, zelfs voor gymnastiek staat er nu een zes. Ja ja. 

     

Op mijn zolderkamertje staan de schoolboeken netjes gekaft naast elkaar; hier doe ik mijn huiswerk en luister ik naar muziek van de bandrecorder, die eigenlijk van mijn broer was...
Op de achtergrond een kerk die ik toen ik op de Mulo zat, had gemaakt van luciferhoutjes. Het moet de Keulse Dom voorstellen. 

 

Gat in de grond

  

 

aardrijkskunde

Ook een zes voor aardrijkskunde. De heer Wubs die dit vak geeft, is niet eenvoudig tevreden te stellen. Hij wordt door de hele klas gevreesd. Hij weet dat en geniet ervan. Hij laat je voor de klas komen, en geeft je de opdracht: ‘Vertel maar eens welke aardlagen je tegenkomt als je hier in Assen een gat in de grond gaat graven. Begin maar met het Pleistoceen.’ Wij gaan door diezelfde grond. (Ik weet dat ik namens diverse klasgenoten spreek). Wat denkt die man wel, dat we halve geologen worden of zo? Ik ben niet van plan ooit een zo diep gat te graven, zeker niet in Assen, en nog minder ben ik benieuwd welke aardlagen ik dan eventueel zou tegenkomen. Maar dat durf ik dan natuurlijk weer niet te zeggen. Wubs blijft ons prikkelen met hoge eisen. Hij eist niet alleen kennis maar ook inzicht. Op zich eigenlijk niets mis mee. Ik leer veel bij hem. En ook wel dingen waar ik later, bij voorbeeld op onze verre reizen en de kampeerreizen, graag op terugval. Als ik nu terugblader in de boeken Aarde en Mens deel 1 en 2 dan zie ik aan mijn aantekeningen in de marge van de boeken dat we toch wel heel veel bij Wubs geleerd hebben. 

       aardrijkskunde, fragment  uit Aarde en Mens

 

Vietnamkwestie

Op tweede kerstdag weiden mijn gedachten in het dagboek uit. Ik besef dat ik een bevoorrecht mens ben. Ik noteer dat in Vietnam de partijen na een kort kerstbestand verder gaan met elkaar uitmoorden. Ik heb wel eens discussie over de Vietnamkwestie.  In de dominotheorie heb ik nooit erg geloofd. Ik ben het helemaal eens met wat de schrijver Graham Greene al in 1955 schreef: 

“‘Ze willen geen communisme.’

‘Ze willen genoeg rijst’, zei ik. ‘Ze willen niet doodgeschoten worden. Ze willen dat de ene dag vrijwel net zo verloopt als de andere. Ze willen niet dat wij met onze blanke huid hun komen vertellen wat ze willen.’

‘Als Indo-China valt…’

‘Dat liedje ken ik. Dan valt Siam. Dan valt Malakka. Dan valt Indonesië. Wat betekent ‘vallen’? (…)”  

Uit:   Graham Greene: De stille Amerikaan. Amsterdam, 1968, p.96-97

(Oorspr.: The Quiet American, 1955).

Zie, zo je wilt, verder mijn reisverslag op deze website over onze fantastische reis door Vietnam in 2007, ook op deze website

In Berlijn worden een paar mensen door VoPo’s doodgeschoten omdat ze de zonegrens trachten over te steken. Een paar jaar later zullen wij er lopen met onze klas 5. 

Februari 1966 brengt dikke lagen ijzel en sneeuw; de spoorwegen kunnen er niet tegen (ook toen al, er is echt niets nieuws onder de zon) en wij hebben een week waarin er maar weinig school is. Met het paasrapport haal ik voor rekenen en wiskunde een vijf. De rest is voldoende tot goed. In april grijpt de boze buitenwereld in, in mijn relatief rustige bestaan. Ik krijg een “kennisgeving van inschrijving voor de militaire dienstplicht”. 

Akkevietje met de NS

  op  het station in Hoogeveen

 

Eind april hebben wij als geroutineerde treinreizigers toch een akkevietje met de NS. Zoals meestal zitten we op het ‘balkon’, in het halletje bij de deuren. We zitten vaak op de grond als de groene skaileren klapstoeltjes bezet zijn, en dat maakt misschien soms een wat intimiderende indruk op medereizigers. Geheel ten onrechte natuurlijk. We willen ook wel eens wat luidruchtig zijn, en soms vliegt er wel eens zomaar een appel door de lucht om uiteen te spatten tegen de wand, een druipend spoor van restjes achterlatend. Tja, het kan natuurlijk niet maar… “Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf..” (Koekebakker in de eerste zin van Titaantjes van Nescio). 

De meeste conducteurs kennen ons op den duur en weten met ons om te gaan. Maar soms…soms gaat het mis. Het is op het station van Beilen. De conducteur staat nog op het perron en blaast op zijn fluitje. Als hij bij ons wil instappen terwijl de trein al begint te rijden, blijkt dat de deuren op slot zijn. Hij fluit de machinist om te wachten, sleutelt de deuren open, kijkt ons bars aan en vraagt wie de deuren op slot heeft gedaan. Wij weten van niets, echt waar! Maar we worden wel de trein uitgezet. 

We hebben op het station van Beilen nog geprobeerd verhaal te halen, maar dat helpt natuurlijk niet. De man achter het loket begrijpt nauwelijks waar we het over hebben. “Uit de trein gezet, aargghh, dan zul je het er wel naar gemaakt hebben, ja*#&?!”

We komen een half uurtje later en een merkwaardige ervaring rijker aan in Hoogeveen. Tot nu toe is het een raadsel hoe de deuren op slot geraakt kunnen zijn. Ook op de reünie kon niemand mij dit raadsel verklaren. Er zit dus vast iemand achter die niet op de reünie aanwezig was. Ha! 

Voor de jongere lezertjes: je had toen nog geen automatische pneumatische deuren. De deuren klikten gewoon dicht als je ze met de hand dichttrok en met een speciale conducteur-sleutel konden ze op slot. Ook ván het slot maar soms even niet. 

Had die conducteur trouwens nog geluk dat het hem niet een halve eeuw later overkwam. Onzin-zin natuurlijk, dit, maar wat ik bedoel is, dat in een soortgelijk geval tegenwoordig de conducteur gerede kans loopt in het ziekenhuis te belanden, zo van: 

Hé! respéct ja!! Wat deuren op slot?! Wil jij ons ergens van beschuldigen? Denk ik niet toch?! Beetje respect ja! Kom hier dan zullen we jouw gezicht ff op slot draaien. 

Van dat werk. Nee, dan waren wij toch anders. Wij waren jongens, maar aardige jongens. Wij stapten gedwee en onschuldig de trein uit. 

Worst

Diezelfde avond is er een klassenavond. De heren Helder en Wiersma zijn aanwezig namens het lerarencorps. Met een paar andere jongens, ik meen Johan en Albert, doe ik een platenquiz. Ik kan daarvoor de taperecorder van mijn broer gebruiken. Toni en Roel zingen voor ons. Verder doen we wat spelletjes en Roel en Herman zingen een door onszelf gecomponeerd onzinlied dat veel succes heeft. Ik dichtte ook mee maar het zingen liet ik aan de deskundigen. Voor de sfeer citeer ik het lied hier. 

WORST

Jantje Reuzel was een brave borst, 

Hij at alle dagen slechts worst,

Hoe zijn vader en moeder ook praatten, 

Jantje kon het niet laten. 

 

Jantje at maar worst na worst,

Ook al kreeg hij ontzettende dorst,

De buren hadden ’t dra in de gaten:

Jantje kon het niet laten.

 

Maar van worst word je niet groot,

Daarvan ga je spoedig dood,

Dat had Jan wel in de gaten

Maar… hij kon het niet laten. 

 

Daar was een meisje dat wist van Jantjes nood, 

En zij dacht: ik wil niet Jantjes dood, 

‘k Ga proberen hem te helpen 

Maar hoe moet ik die worstdrang stelpen? 

 

Zij ging naar een goede dokter toe, 

Om te vragen wat en hoe,

Ik heb een goede raad voor u:

Maak hem verliefd aanstonds en nu!

 

Dus ging het meisje naar een winkelplein

En kocht een jurkje van satijn. 

Zo ging zij naar Jantje toe,

Maar al wat Jantje zei was Boehh. 

 

Het is het meisje toch gelukt,

Jan gaat niet meer onder worst gebukt.

Hij werd verliefd tot over zijn oren,

Jan was opeens gans verloren.

 

Nu de moraal! Jan is getrouwd.

Heeft een worstfabriekje op de hei gebouwd. 

Hij zet de tering naar de nering, 

Dus heb je zorgen? Neem verkering!

 

 Ja, meligheid kenden we wel. 

  

Herman met de heer Mulder, directeur en onze klassenleraar voor een jaar  in de aula in het gebouw aan de Javastraat in Assen. Let op de oude oliekachel, op een ijzeren plaat op de verder kale houten vloer. 

 de platenquiz; Johan, dhr. Mulder, Albert en Tineke

   

limonade voeren met een lepeltje           Hennie en Roel, Ally en johan, Annemiek en Meindert                             Ietje, Annemiek, Meindert, Mieke 

   Dinie, Albertje/ Ally, Johan, Roel, Annemiek



 

 

Een paar weken later ben ik bij de ‘grote avond’ van school. Veel harde muziek, een stikvolle zaal, dansen. Kortom, niks voor mij. 

 

 rapport van 1964-'65 en '65-'66

naar boven