Mijn jaren op de Hervormde Kweekschool Assen - Het eerste jaar 1964-1965

on 20 oktober 2015
Hits: 12674

 

 

1964-1965

Eerste schooldag

De eerste schooldag is 1 september 1964. Ik ken gelukkig een paar jongens van de Mulo, die ook naar deze school gaan. Twee ervan zullen na een of twee jaar afhaken maar met drie ervan zal ik over vijf jaar de eindstreep halen. De heer Mulder, de directeur, verwelkomt ons en vertelt een en ander over de school. De gebouwen blijken ver uit elkaar te staan. De Kern is nog vrij dichtbij, eigenlijk net om de hoek, maar het Julianagebouw is aan de vaart, aan de andere kant van de binnenstad. Voor mij zal deze dislocatie, zoals dat tegenwoordig met een lelijk woord heet,  juist een van de aantrekkelijke kanten zijn van het schoolleven. Ik heb het idee dat de leraren die in de verre locaties lesgeven, het ook wel prettig vinden om daar les te geven. In het hoofdgebouw aan de Javastraat, een oude jeugdherberg zegt men, is het al een relaxt sfeertje, maar in De Kern, een soort wijkgebouw met een paar lokalen is het al wat aparter. We hebben er vaak muziekles van de heer Makkes van de Deyl. Hoewel ik niet zo muzikaal ben, vind ik het er eigenlijk altijd leuke lessen. Makkes is een zachtmoedig mens met veel geduld. 

Gedichten

In het Julianagebouw zijn we nog veel verder van de centrale macht verwijderd en gaan we onze eigen gang. We hebben er onder andere blokuren Nederlands, van de heer Van Dalfsen. Een zachtmoedige man, misschien wel eens wat te zachtmoedig, met een zachte, doorrookte stem, die een grote liefde voor de literatuur heeft. Hij weet die met zijn wat onzekere stem zeker op mij over te brengen tijdens die lessen in het grote leslokaal. Hij bespreekt met ons gedichten. Lezen deed ik al van jongs af aan. Maar serieuze gedichten zijn nieuw voor mij. Adriaan Roland Holst, Bloem, Achterberg. Ik zuig het allemaal in me op. 

‘Zwerversliefde’ van Roland Holst maakt een diepe indruk op me. 

ZWERVERSLIEFDE

Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -

want, o de maatloze verlatenheden,

die over onze moegezworven leden

onder de sterren waaie' in de oude wind.

 

O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet

het trotse hoge woord van liefde spreken,

want hoeveel harten moesten daarom breken

onder de wind in hulpeloos verdriet.

 

Wij zijn maar als de blaren in de wind

ritselend langs de zoom van oude wouden,

en alles is onzeker, en hoe zouden

wij weten wat alleen de wind weet, kind - 

 

En laten wij omdat wij eenzaam zijn

nu onze hoofden bij elkander neigen,

en wijl wij same' in 't oude waaien zwijgen

binnen een laatste droom gemeenzaam zijn.

 

Veel liefde ging verloren in de wind,

en wat de wind wil zullen wij nooit weten;

en daarom - voor we elkander weer vergeten -

laten wij zacht zijn voor elkander, kind.

 

... uit Verzamelde Gedichten (1948) van Roland Holst (1888-1976) ...

 

Voor een zwijmelende puber/adolescent als ik heeft dit vers van J.C. Bloem ook wel wat: 

 

NOVEMBER

Het regent en het is november 

Weer keert het najaar en belaagt

Het hart, dat droef, maar steeds gewender,

Zijn heimelijke pijnen draagt.

 

En in de kamer, waar gelaten

Het daaglijks leven wordt verricht,

schijnt uit de troosteloze straten

Een ongekleurd namiddaglicht.

 

De jaren gaan zoals zij gingen,

Er is allengs geen onderscheid

Meer tussen dove herinneringen

En wat geleefd wordt en verbeid.

 

Verloren zijn de prille wegen

Om te ontkomen aan de tijd;

Altijd november, altijd regen,

Altijd dit lege hart, altijd.

 

Maar mooier nog, aangrijpender, vond ik toen het gedicht Het Huwelijk van Willem Elsschot. Het is van een gruwelijke, wrange ironie, maar bij Elsschot is het cynisme het beproefde middel om zijn overgevoeligheid te beheersen. In werkelijkheid was hij een liefhebbende vader die apetrots was op zijn Tsjip en de Leeuwentemmer, zijn kleinzoon. En eigenlijk is het ook een gedicht vol weemoed, spijt en frustratie. Misschien zelfs mededogen als je het vaker leest. Hilarisch is het ook. De zinsnede 

“… want tussen droom en daad

staan wetten in de weg en praktische bezwaren”

is een van de meest geciteerde literaire regels in de Nederlandse taal denk ik. Merkwaardig genoeg kennen veel mensen die dit citeren de context niet, vrees ik. De eerste helft van de zin: ‘Maar doodslaan deed hij niet’ wordt (wijselijk misschien want sociaal wel aanvaardbaarder) eigenlijk altijd weggelaten, misschien ook wel omdat men die niet kent. 

 

WILLEM ELSSCHOT: HET HUWELIJK

 

Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd

in d' ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,

haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven

toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

 

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard

en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,

hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren

en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

 

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond

het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.

Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,

en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

 

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.

Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen

en rennen door het vuur en door het water plassen

tot bij een ander lief in enig ander land.

 

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad

staan wetten in de weg en praktische bezwaren,

en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,

en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

 

Zo gingen jaren heen. De kind’ren werden groot

en zagen dat de man die zij hun vader heetten,

bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,

een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

 

Van Achterberg lezen we De Ballade van de Gasfitter. Een curieus gedicht dat Van Dalfsen levend voor mij weet te maken. Zo levend, dat ik in mijn latere studies voor Nederlandse taal- en letterkunde dankbaar ben terug gekomen op dit gedicht en er een speciale studie aan wijdde. 

    

In de eerste klas maken we een excursie naar het Openluchtmuseum in Arnhem met een bus van Harmanni uit Assen                 v.l.n.r. Toni, Johan, Meindert, Albert, Herman, Roel, Jaap, en ik denk ik verborgen achter Jaap. 

Roken

We krijgen in het Julianagebouw tegen een kleine vergoeding koffie en we mogen roken, ook tijdens de les. Iedereen rookte toen. Onvoorstelbaar nu, maar wij vinden het dan ‘gewoon’. Nou gewoon, roken tijdens de les mag dus alleen in de verre dependance, niet in het hoofdgebouw of in De Kern. 

 roken mag in het Julianagebouw. v.l.n.r. Johan, Albert, Ietje, Mieke, Roel, Sijtze

 deel van de klas in het Julianagebouw.  v.l.n.r.  O.a. Albertje (Ally), Annemiek, Riek, staand re Femmie. 

Na de les moeten we teruglopen naar het hoofdgebouw. Die tijd gaat deels van de les af, hoewel het meestal in de middagpauze moet, of ’s morgens het eerste uur. Dan is het een hele tippel van het station naar de vaart. Maar als je naast iemand loopt die je graag ziet, (ik bedoel: die jij graag ziet èn die jou graag ziet) dan lijkt de afstand al minder lang. We komen dan ook wel eens wat te laat. Maar we hebben altijd dus een reden, en de leraren doen er nooit moeilijk over. 

Onze klas bestaat uit twintig personen, van wie een stuk of zeven meisjes. Jammer is dat een drietal meiden uit de richting Groningen komt en altijd dus ‘de andere kant’ op gaat. Zo zien we die minder en heb ik daar toch minder contact mee. Het Hoogeveense clubje wordt op den duur een tamelijk hecht groepje. Zo valt de klas toch een beetje uiteen in groepjes. 

(Pas op en na de reünie na vijftig jaar in 2015 heb ik me dat ten volle gerealiseerd: dat ‘wij uit Hoogeveen’ door sommigen beschouwd werden als een kliek, een club waar je verder niet zo tussen kwam als je er niet bij hoorde.) 

Op de eerste schooldag maken we kennis met de leraren en de vakken. Voor wiskunde ben ik niet zo bang, merkwaardig genoeg want ik ben eigenlijk meer een alfa. Engels en Duits lijken me echter moeilijk, ook omdat de leraar ons nogal streng lijkt. Later zal dat allemaal wel meevallen. 

Voor het Nederlands eindexamen moeten we maar liefst 36 boeken lezen. Kom er nu eens om. Lezen ze nog (literaire) boeken op een Pabo? Boeken, wat zijn dat? Literatuur??

Blokfluit

Zaterdag 5 september koop ik in Assen een blokfluit. Met “korting” kost-ie me fl. 17,95. Als ik halverwege de maand de zeshonderd gulden van het ministerie ontvang, is er nog maar 230 over als ik alle tot nu toe gedane uitgaven eraf trek. Dat gaat dus hard. Dan moet ik er nog een half jaar ‘treinen’ van betalen…

In oktober hebben we een klassenavond. Onze klassenleraar is Kattenberg. Die geeft geschiedenis en later zal ik een beetje een hekel aan de man krijgen om zijn praatjes terwijl er van lesgeven eigenlijk nooit iets komt. Als er een proefwerk gehouden moet worden, stelt hij de moeilijkste vragen, over onderwerpen waar hij het nooit over gehad heeft. Ik heb aan weinig leraren echt een hekel gehad, maar deze man gooide hoge ogen. Ik vond geschiedenis op de Mulo altijd een mooi vak, maar deze man heeft dat helemaal verpest voor mij. Jammer. Want daar heb ik tot de dag van vandaag nog wel eens last van. De laatste jaren lees ik weer wat meer boeken over geschiedenis. Maar op de eerste klassenavond vind ik hem nog leuk. Directeur Mulder zelf is er ook, wat op zich erg opmerkelijk is, vind ik, maar wel kenmerkend voor deze unieke directeur. Hij leest een humoristisch stukje voor van Godfried Bomans. Het zal vast het bekende stukje over het bezoek aan de honderdjarige jubilaris geweest zijn. Ik heb het net op Youtube nog eens door Bomans zelf horen voorlezen. Tranen gelachen, ook nu (2015) nog. Moet je echt even gaan zien: KLIK HIER

Er wordt ook gedanst, maar daar breng ik niets van terecht. Nooit bijgeleerd ook, sindsdien. Maar al met al vind ik het een gezellige avond. 

Helder en anderen

De leraren vallen me verderop in het jaar alleszins mee. Ook de heer Helder van Engels en Duits, tegen de verwachtingen in. Hij is streng, zoals we al verwachtten, maar rechtvaardig en laat geen loopje met zich nemen. Ik ben hem er dankbaar voor, want dat ik me later in de beide talen tijdens onze reizen redelijk goed zal kunnen redden, dank ik zeker ook deels aan zijn lessen èn aan die op de Mulo natuurlijk. Helder heeft ook wel humor. Ik weet nog dat hij Sytze een keer nogal ernstig vermanend toesprak. Sytze stond met gebogen hoofd voor de klas en piepte quasi schuldbewust : ‘boei loei’. Wij zaten te stikken van het ingehouden lachen, en Helder kon zich toen ook niet in de plooi houden. 

Wiersma, die we voor natuurkunde hebben, is een zeer relaxte vent. Je kunt het aan zijn manier van lopen al zien: rustig slenterend, een soort ‘zwembadpas’ van Kees de Jongen, maar dan in xxx-slow-motion. Op een cijfer voor een repetitie kan je rustig twee weken wachten. Geduld jongens, dat komt wel! Maar ik vind hem wel inspirerend. Nu heb ik wel iets met techniek, dat scheelt, wil altijd weten hoe een apparaatje er van binnen uitziet en hoe dingen werken. Wiersma is de man die mij warm maakt voor het blad “Archimedes, tijdschrift natuurkunde, scheikunde en sterrenkunde”. Daarin staan leuke artikelen maar ook soms ideeën om zelf met eenvoudig materiaal apparaten te bouwen. Zo bouw ik zelf een periscoop van karton, wat hout twee en zakspiegeltjes. Ik bouw een gaatjescamera met een kartonnen Bluebanddoos. In een eerder artikel op deze website staat dit uitvoerig beschreven. Net als hoe ik zelf een elektromagneet en zelfs een werkende elektromotor met waardeloos materiaal bouwde. De elektromotor staat nog op mijn studeerkamer. En hij werkt nog steeds. 

* Meer over deze hobby's en bouwsels lees je in het verhaal over mijn jeugdjaren, ook op deze website. 

Muziek

Makkes van de Deyl, de man die mij op mijn gemak weet te stellen bij een vak dat mij eigenlijk helemaal niet ligt. Muziek, ik houd er wel van maar muzikaal ben ik zelf geloof ik niet echt. Zingen vind ik helemaal niet leuk en hier moet ik zelfs voor de klas zingen! Ik heb het geleerd dank zij Makkes. Ik zeg al: hij wist me op mijn gemak te stellen. Een uitzonderlijk talent. ’t Is nooit een hobby geworden, zingen, maar in de oefenscholen heb ik me er goed mee gered. Daarna had ik het nooit meer nodig. Maar Makkes leert me meer. Een goede ademhaling. Niet vanuit je borstkas, maar vanuit je buik. Makkes heeft een goede buik om het te illustreren. Hij legt er zijn hand op en laat de buik vooruit komen. Wij ook, doe maar na. Nog verder. Ruik maar aan een bloem, zegt hij, en hij doet het zo beeldend voor dat ik de bloem in zijn hand meen te zien. 

Ik weet nog dat hij ons ‘de stralende figuur’ aanleerde. Een strááálende zohon langs gouhouden báán. 

Tekenen en kunst

Van Dulmen Krumpelman leert ons tekenen. Nu vond ik dat in ieder geval al leuker op de lagere school dan zingen, maar een talent ben ik ook hierin nooit geweest. Van Dulmen heeft ook, net als Makkes, de gave om slapende talenten in iemand wakker te roepen. Ik krijg er plezier in, niet in alle opdrachten, maar soms… Ik maak op een keer een ‘schilderij’ met nogal kubistische figuren in een orgie van kleuren. Ik smeer veel kleuren door elkaar, zodat het “een sfeer van vuil, van grote stad, van verleiding en verderf” oproept. Ik geef het de titel: Rolling Stones. De kwalificaties hiervoor tussen aanhalingstekens zijn niet van mij. Het is wat Van Dulmen mijmerend, bijna voor zichzelf, zachtjes mompelt als ik met mijn creatie bij zijn tafel sta. Ik groei, ik gloei. Dit is het helemaal, zegt hij. Zo moet je verder gaan. Hij weet me het gevoel te geven dat ik wat kan. En dan blijk je inderdaad vanzelf wat te kunnen. Heel soms, moet ik erbij zeggen, want tekenen, nee, die vaardigheid heb ik niet. Helaas.  Ik kijk met jaloezie naar anderen die schijnbaar moeiteloos echt mooie dingen maken. 

Van Dulmen staat bekend om zijn grappige opmerkingen. In de “Syncoop Orgaan van Paideia” van juni 1965 vind ik een mooie en typerende uitspraak van hem:

“De heer Van Dulmen: ‘Hebben jullie vrij of zijn jullie eruit gegooid?’ Twee jongens: ‘We zijn de gang opgestuurd meneer.’ De heer Van Dulmen: ‘Zal ik er dadelijk twee meisjes uitsturen?’

We mogen als het zomer en mooi weer is, ook de stad Assen in. Ik herinner me nog dat ik de pomp aan de eeuwenoude kloostermuur bij het Drents Museum heb getekend. In de nazomerzon zitten we te kijken en te tekenen. Van Dulmen leert me kijken. Ook naar details. Verhoudingen, vlakverdeling, de gulden snede. Mede daaraan dank ik, denk ik,  mijn fotografiehobby. Gelukkig hebben mijn vrouw en ik datzelfde observerende oog en dezelfde belangstelling voor kunst en mooie dingen. Wij staan soms een foto te maken van iets wat andere mensen niet zien, waar ze aan voorbij lopen. Als ze ons dan zien fotograferen, gaan ze zelf ook beter kijken en zie je ze soms verrast worden. Maar soms zien ze niet eens wat wij zien, wat wij bijzonder vinden. Leuk vinden wij dat.

Dia’s van kunstwerken

Van Dulmen laat ons ook dia’s zien van beeldende kunst uit alle tijden. Ik maak eigenlijk hier voor het eerst kennis met deze kunst en ben meteen gegrepen. Ik neem een abonnement op Openbaar Kunstbezit en luister naar de radio, met de besprekingen van de werken die ik dan op fraai kunstdrukpapier heb toegezonden gekregen. Er gaat letterlijk een nieuwe wereld voor me open. Ik ga plaatjes uitknippen uit weekbladen als De Spiegel en de Libelle en zo, met foto’s van schilderijen. Voor het kunstoverzicht dat we zelf moeten maken, verzamel ik ook platen. Die lessen zijn uiterst waardevol voor me geweest. 

Mulder is niet alleen onze directeur en een jaar onze klassenleraar, maar hij geeft ons ook nog een poosje biologie. Als directeur, ik zei het al, is hij een soort Jan Lighthart-onderwijsman. Hij kent iedereen bij naam, hij weet van je als je het moeilijk met iets hebt. Is oprecht geïnteresseerd in je. Ik heb de man nooit verstoord gezien of boos. Hij dwong respect af door zijn betrokkenheid, denk ik. 

  fragment biologieboek

Voor rekenen, en een tijdje natuur- en scheikunde hebben we een nerveuze man die geen orde kan houden, en bij wie alles mislukt. Sneu. Ook voor ons. De man komt op een stoere motor naar school, maar dat helpt hem niet. De man van biologie, Van Meurs, is ook geen succes. Althans niet voor de klas. Gymnastiek vind ik maar niks. Is nooit wat geworden ook. Fokkema doet zijn best, maar het is bij mij boter aan de galg. Voor alles wat met sport te maken heeft, ben ik -nog steeds- allergisch. Het is een familiekwaal. Mijn vrouw en dochter hebben ook zo’n tik. Hoewel dochter wel bijna elke dag op het paard zit. Wandelen en fietsen vinden mijn vrouw en ik wel leuk. 

Schoolclub en -blad

 

De schoolclub Paideia wordt opnieuw leven ingeblazen, en ik word lid. Het kost me fl. 4,50 per jaar, lees ik in mijn financiële administratie. Enkele klasgenoten zijn actief in de schoolclub, als voorzitter, presidente, of in de redactie van de Syncoop, het ‘orgaan van Paideia’. De kwaliteit van dat blad is door de jaren heen nogal uiteenlopend. Eén of twee keer lever ik ook wat kopij. Ik ben er niet trots op, het nu teruglezend. Nogal melig, een beetje zuur. Als de schoolclub een collegetrui verkoopt met het logo van een olifant (de Mammoetwet komt eraan), neem ik er ook een. 

  

twee keer de auteur met de schooltrui aan, met de mammoet erop van de schoolclub Paideia                   re: op het strand bij de Kennemerduinen tijdens een fiets-kampeervakantie op camping De Lakens bij Bloemendaal

 

Mijn rapport van Kerst en Pasen is prima. Twee zessen en de rest is hoger. In de loop van het jaar wordt toch duidelijker dat ik niet van de algebra en scheikunde ben; ik vind het moeilijke en vervelende vakken en haal ook onvoldoendes op proefwerken. Dat ben ik niet gewend. Toch scoor ik in juli op het rapport wonder boven wonder nog voldoendes voor deze vakken. Beter liggen me de talen. Ik vind het fijn om vreemde talen te leren spreken. En Nederlands vind ik ook een heel fijn vak. Maar dat zei ik al. 

Overblijven en Opa Bounty

De middagpauze brengen we door in het centrale gebouw aan de Javastraat. We krijgen er een lokaal aangewezen waar we kunnen overblijven. Er is ook een kleine “aula”, maar ik zit liever in een gewoon lokaal, met onze eigen groep. Anderzijds: in de aula staat een piano, en als Sijtze daarop gaat spelen… If it ain’t got that swing…

Er is een rooster dat bepaalt wie er voor de koffie moet zorgen. Conciërge is de heer Boers, een beetje stuurse man. Je krijgt dan als je aan de beurt bent een grote aluminium kan koffie mee en daaruit schenk je iedereen een kop in. Thee is er dacht ik ook. Je moet ook even afruimen als je corvee hebt. Iedereen neemt brood mee, maar soms als het mooi weer is en markt is, dan gaan we ook wel eens even een zakje patat halen. Die middagpauzes op de krakende houten vloeren, ’s winters bij de warm stralende kachels, och ik denk er met weemoed aan terug. Als we in een lokaal zitten waar een piano staat, kruipt Sijtze vaak erachter en speelt. Wij staan en zitten eromheen en genieten. Verder kletsen we en kijken misschien nog even wat door als er ’s middags een repetitie op het programma staat. We kunnen elkaar dan ook helpen met dingen die een ander moeilijk vindt. 

 

’s Morgens haal ik met een paar andere jongens vaak een puddingbroodje bij een bakkertje, daar vlak in de buurt. Het is een heel klein winkeltje, we kunnen niet allemaal tegelijk naar binnen. De puddingbroodjes zijn wit, klef en zoet, maar ik smul ervan. En op het perron van Assen, als we tegen het eind van de middag naar huis gaan, scoren we dan nog wel eens een reep chocola of iets dergelijks. Ik houd in die tijd wel van Bounty, kokos met zoete melkchocola er omheen. Ik moet er nu niet aan denken, net zo min als aan die puddingbroodjes, maar toen smaakte het me aangenaam. Achter het loket van de kiosk op het perron staat elke dag een wat oudere man, die door Sijtze al gauw met opa aangesproken wordt en wij nemen dat over. Het mannetje vindt het allemaal prima. Al snel is Opa Bounty dan ook een begrip, althans binnen de Hoogeveense club. 

 

 

 

 

naar boven