Peru, Bolivia, Chili; Reisverslag en fotoreportage - Te lezen boeken over deze landen

by Lammert
Hits: 36307

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

 

BOEKEN DIE JE KUNT LEZEN ALS VOORBEREIDING OP EEN REIS NAAR PERU, CHILI EN BOLIVIA

 

Voor ik naar een vreemd land reis, wil ik me graag voorbereiden op wat ik daar te zien krijg. En dan niet alleen de toeristische hoogtepunten, waar ik natuurlijk ook over lees, maar ook wil ik graag wat weten over wat er in zo’n land speelt. Wat voor leven ‘de gewone mensen’ leiden. Mijn ervaring is, dat je dat het best doet door (literaire) romans te lezen. Zuid-Afrika begrijp je beter als je wat van Van Dis en/of van Coetzee leest. Zo las ik boeken over Peru van Mario Vargas Llosa.

 

Op de website van Koning Aap vind je ook meer informatie.

Este es el pais de las maravillas  (= Dit is het land van wonderen).

 

"De bezoeker zal snel ontdekken dat dit veel gebruikte Peruaanse gezegde niet alleen geldt voor de spectaculaire topografie, onvoorstelbare biodiversiteit en indrukwekkende overblijfselen uit de oudheid, maar ook voor de zeer gastvrije en vriendelijke bewoners van het land." (Uit: Peru, Cultuur Bewust!).

 

Tom Dieusaert: Peru. Landenreeks, KIT Publishers, Oxfam Novib, 11.11.11, Amsterdam 2006

 

Dit boek is alleen antiquarisch nog te koop, bijv. bij www.boekwinkeltjes.nl

 

Een heel informatief boek dat veel informatie geeft over het te bezoeken land. Dieusaert werkt in Latijns Amerika als correspondent voor diverse Belgische media. Het boek behandelt: het land, de bevolking, geschiedenis, politiek, economie, samenleving en cultuur. Uit dit boek geef ik hieronder een soort uittreksel, omdat het veel wetenswaardigs voor (aanstaande) reizigers bevat.

 

De opmerking dat er drie Peru’s zijn, kom je in veel geschriften tegen. De droge woestijnachtige kust in het westen, de sierra van de machtige Andes in het midden en de selva, het vochtige oerwoud in het oosten. Daarnaast zijn er nog vele microklimaten en -biotopen in een hoeveelheid die vrijwel uniek is op aarde. Door deze enorme hoogte- en klimaatverschillen behoort Peru tot de acht zogenaamde ‘megadiverse’ landen in de wereld die beschikken over een uitzonderlijke biodiversiteit.

 

De droge kust is zo droog door de ijskoude Humboldt golfstroom, die er ook zorgt voor dat Peru beschikt over een van de meest visrijke zeeën. Om de vijf tot tien jaar treedt het El Niño effect op, waarbij het koude water wordt vervangen door warm, wat leidt tot grote plotselinge klimaatwisselingen, veel regen en wind in de woestijn en dramatische afname van de visstand met een economische schade die in de miljarden dollars loopt.

 

Verreweg de meest Peruanen wonen in de steden. Lima is een echte metropool met zijn acht miljoen inwoners. De trek naar de stad is sterk. De mensen verwachten daar werk. Opmerkelijk is dat hele gezinnen en families migreren en dat in de geïmproviseerde ‘nieuwe wijken’ daardoor soms een sterke sociale structuur aanwezig is. Lima heeft een eigen klimaat met een hoge luchtvochtigheid en daardoor vaak mist, terwijl er toch weinig of geen regen valt.

 

De Andes is na de Himalaya het hoogste gebergte ter wereld. Peru wordt van alle Latijns-Amerikaanse landen het meest door dit gebergte bepaald omdat het dwars door het land loopt en grote gebieden isoleert. Rond de 3000 meter ligt de puna: hier is landbouw moeilijk maar er is gras voor grote kuddes lama’s, alpaca’s en wilde vicuña’s (kameelachtigen) grazen. Er heerst een extreem klimaat met brandende zon overdag en ijskoude nachten. De hoogteziekte (soroche) die optreedt als je te snel van de lagere naar hogere gebieden reist, kun je bestrijden door lichte maaltijden, veel rust en veel water en het kauwen van cocabladeren. Deze laatste gewoonte is inheems en niet verslavend en ook niet illegaal. Het helpt de mensen om geen honger of kou te voelen. (Op het bezit van cocaïne staat in Peru overigens wel een hoge straf.) Coca wordt verbouwd op de tropische oostelijke flanken van de Andes. Tussen de kust en de hoogste toppen ligt de sierra (Quechua in de plaatselijke taal, die overigens ook zo heet) met valleien met ertussen hoogteverschillen van meer van tweeduizend meter. Zo ligt Machu Picchu op een plateau tussen twee bergtoppen met een duizelingwekkend diep ravijn ertussen. Ten noorden van Arequipa ligt de Colca Canyon, leefwereld van de condor, en een van de diepste ravijnen ter wereld.

 

In de selva, het Amazonewoud, dat wij niet bezoeken, woont maar 5% van de bevolking. Hier ontspringt de machtige Amazone. De verbindingen zijn minimaal: in 2006 toen dit boek werd geschreven, was er nog geen geasfalteerde weg die de grootste stad uit de Amazone, Iquitos, verbond met de rest van het land.

 

Wat de bevolking betreft maken de Peruanen zelf onderscheid in indígenas (indianen), mestiezen (combinatie van blank met indiaans), blanken en cholos. De laatsten zijn indianen die zich aanpassen aan de stadscultuur. De blanken zijn ver in de minderheid maar bepalen toch de economie en de culturele regels. Kleine minderheden zijn de Aziaten (vnl. Chinezen en Japanners) en zwarten, afstammelingen van slaven. Raciale spanningen zijn er niet of nauwelijks, maar de rangorde wordt wel sterk bepaald door de huidskleur. Voor de meeste Peruanen is deze raciale hiërarchie volstrekt normaal. Maar de stadsbewoner vindt de serrano, de bergbewoner, stuurs, niet beschaafd en mensen met primitieve eetgewoonten, dus het woord serrano heeft een negatieve lading. De Indianen zelf hebben vaak een negatieve kijk op hun eigen cultuur. Officieel is Peru tweetalig: Spaans en Quechua. De indianen zijn wat beschaamd over hun taal, die ze een ‘dialect’ noemen en ze sturen hun kinderen liefst naar Spaanstalige scholen, ook wel logisch omdat ze daarmee de economisch betere kansen krijgen. Naast deze beide talen wordt bij het Titicacameer de indianentaal Aymara gesproken.

 

De bekendste oude cultuur van Peru is natuurlijk die van de Inca’s. Eigenlijk een verkeerde benaming want het volk heette de Quechua’s en de koningsfamilie heette Inca. Het is natuurlijk ook een indrukwekkende cultuur, die in de tijd niet zo ver van ons vandaan staat (de cultuur duurde honderd jaar, het rijk groeide tussen ongeveer 1438 en 1532 en eindigde in de tweede helft van de 16e eeuw), en bovendien staat de cultuur in de belangstelling door de beroemde Incastad Machu Picchu, die jaarlijks door vele toeristen bezocht wordt. Maar ook voor de Inca’s waren er in Peru al beschavingen terwijl de meeste indiaanse volken als nomaden leefden. De oudste cultuur is die van de Caral, die teruggaat tot 3000 v. Chr. Andere belangrijke culturen waren die van de Mochica’s, Huari’s en Nazca. De laatste is vooral bekend om de mysterieuze lijnen die zij in het landschap van de pampa trok en die tot op heden nog te zien zijn, zij het alleen vanuit de lucht.

 

In 1531 ging Francisco Pizarro aan land in Peru. Dat was het begin van de conquista. Pizarro werd geleid door geruchten over fabelachtige rijkdommen. Hij versloeg de Incalegers en vanaf dat moment lagen goud en zilver ‘voor het oprapen’. Ook nu nog exporteert Peru deze metalen, net als koper, zink en tin. De onafhankelijkheid bracht geen rijkdom, zelfs geen relatieve, voor de gemiddelde Peruaan. Politiek lijkt het ook wel alsof het volk een voorliefde heeft voor foute en incapabele leiders. In de tweede helft van de 20e eeuw kampte de staat Peru met de meest gevreesde en gewelddadige guerrillabeweging in de recente geschiedenis van Latijns Amerika, het Lichtend Pad, of Sendero Luminoso. De terreur begon op het platteland,( d.w.z. in de bergen…) De stichter en ‘grote leider’, filosofieprofessor Abimael Guzmán, verplaatste in de tweede helft van de jaren tachtig de oorlog naar de steden en toen verloor de beweging elke steun die ze nog had in de middenklasse. President Fujimori pakte de beweging hard aan en met de gevangenneming van Guzmán werd de beweging onthoofd. Nu zijn er nog enkele cellen van de beweging over, die zich in het oerwoud ten oosten van Cusco bezig houden met de productie van en handel in cocaïne.

 

Corruptie is een dagelijkse werkelijkheid in Peru. Op ambtelijk niveau krijgt men niets voor elkaar zonder steekpenningen en boetes bij overtredingen kan men op soortgelijke wijze ‘afkopen’. Corruptie is een gevolg van armoede en ongelijkheid, maar houdt die ook in stand. Naast de formele economie is er een grote informele, en naast de sol, het staatsbetaalmiddel, is er een omvangrijke dollareconomie die zich voornamelijk buiten het gezicht van staat en fiscus afspeelt. Merkwaardig is dat er in een land met een zo zwakke staat een uitstekende en vrije pers bestaat. De economische pijlers van het land zijn de mijnbouw (vaak in buitenlandse handen), olie en gas, visserij en textiel. De landbouw zou wel eens belangrijker kunnen worden dan ze nu is. De aardappel komt hier oorspronkelijk vandaan en van de granen is maïs nu het belangrijkst maar quinoa en kiwicha zijn in opkomst want dat zijn de meest voedzame granen op aarde; de laatste wordt in astronautenvoedsel verwerkt.

 

Daarnaast is het toerisme een belangrijke pijler. Er komen jaarlijks 1,3 miljoen toeristen naar Peru (cijfer 2006) en dat aantal groeit jaarlijks met 15%. Al die mensen die Machu Picchu bezoeken (in 2006 gemiddeld 2000 per dag) trekken een zware wissel op de site. De Unesco zou het aantal graag terugbrengen tot 300 per dag…

 

Zoals in eigenlijk alle zich ontwikkelende landen is het verschil tussen arm en rijk schrijnend groot. In 2003 was de rijkste 10% verantwoordelijk voor 35% van de consumptie en de armste 10% slechts voor 1,6%. Meer dan de helft van de bevolking leeft in armoede en 1/5 zelfs in extreme armoede, d.w.z. dat men moet rondkomen van minder dan 1 dollar per dag. De levenswijze in de Andes is feitelijk nog dezelfde als die van honderden jaren geleden. Maar de moderne zaken als televisie, kleding, frisdrank e.d. dringen nu ook hier door waardoor boeren zich verplicht voelen extra inkomsten te zoeken, die er vaak niet zijn. Wat de trek naar de stad dan weer in de kaart speelt.

 

Tot zover een korte samenvatting van dit boek.

 

Voor mensen die geïnteresseerd zijn in volk, politiek, geschiedenis, cultuur enz. van Peru is dit een aanbevelenswaardig boek.

 




 

 

John Forrest en Julia Porturas: Cultuur Bewust! Peru. Rijswijk, 2009.

Een heel handig boekje! Behalve de dingen die ook in het boek van Dieusart voorkomen, staan in dit handzame boekje een hoop heel handige wetenswaardigheden en tips en dergelijke. Na lezing van dit boekje weet je veel meer over hoe Peruanen denken en samenleven. De volgende hoofdstukken staan erin:

 

Land en volk

 

Waarden en opvattingen

 

Gebruiken en tradities

 

Vrienden maken

 

Bij de Peruanen thuis

 

Vrije tijd

 

Reizen

 

Briefing voor zakenlieden

 

Communicatie

 

Kortom: een zeer lezenswaardig boekje voor wie naar Peru gaat.

 



 

 

Selma Kers (samenstelling en redactie): Te gast in Peru & Bolivia

Uitgeverij Informatie Verre Reizen Nijmegen 2010

 

 Een handzaam en leesbaar boekje geschreven door mensen die de landen goed kennen doordat ze er wonen of gewoond hebben, gestudeerd hebben e.d. Het bevat korte hoofdstukjes die vooral mee rinzicht geven in het dagelijkse leven in Peru en Bolivia.

Achterin een aantal blauwe pagina's met "Reisinformatie". Dit is dezelfde informatie die ook op de site van Koning Aap staat. Het boekje is heel geschikt om in korte tijd redelijk wat op te steken van deze Latijns-Amerikaanse samenlevingen.




 

Dineke Veerman: Mijn Peru. Uitg.: Boekenplan, Maastricht 2007.

 

Dineke Veerman heeft zelf bijna tien jaar in Cusco, Peru, gewoond. Van daar uit organiseerde en begeleidde ze reizen door Peru en omringende landen. Het boek is volgens de achterflap geschikt als bron voor informatie voor iedereen die het land wil bezoeken, het kan dienen als basis voor het werk als reisbegeleider en geeft de thuisblijver met interesse voor het land het gevoel er echt geweest te zijn.

Sommige van deze claims gaan wat ver vind ik. Het is inderdaad een vlot geschreven en zeer lezenswaardig boekje dat je in één dag uitleest als het moet. (184 pag). De eerste drie delen, ‘Reizen’, ‘Typisch Peruaans’ en ‘Cusco en omgeving’ geven een leuk kijkje in het leven van een reisbegeleider in Peru en vertellen en passant natuurlijk een en ander over het land. Dat gaat op een laconieke vrolijke toon, zoals in deze passage uit het hoofdstukje “Lekker eten”:

“De grote borden worden met een zwier voor mijn drie groepsleden neergezet. De randen zijn gegarneerd met enkele blaadjes sla en in het midden staat letterlijk het te verorberen stukje vlees: parmantig op vier pootjes, een gladde bruine huid, op de kop een stukje tomaat als hoedje, de voorpootjes rustend op een stevige gepofte aardappel en in zijn open bekje een plakje wortel. Her en der is hij versierd met een takje peterselie, de cavia. “ Bijna hilarisch merkt ze even verder op: “Ook heb ik er per ongeluk al eens één platgetrapt die zich te traag uit de voeten maakte en zodoende nogal vroeg in de pan belandde.” Niet voor cavialiefhebbers dus, dit hoofdstuk, maar het geeft wel een fraai beeld van een klein aspect van de cultuur van het land, waar cavia’s ‘armeluisvoedsel’ zijn. Zo komen allerlei zaken aan de orde en de schrijfster steekt haar sociale betrokkenheid bij dit land niet onder stoelen of banken. Wat ik, begrijp mij goed, een goede zaak vind.

Het laatste deel, vanaf pag. 125, heet ‘Praktisch’ en is minder bruikbaar vind ik. Voor de bezoeker die niet wil lopen of fietsen is het wat minder leuk dan de eerdere hoofdstukken en voor degene die wel wil wandelen en trekken geeft het stuk weer te weinig informatie. Dat geldt voor het overzicht van te ondernemen tochten. Wat heb je eraan dat je weet dat de wandeling Chinchero-Maras vier uur duurt en redelijk vlak is op een hoogte van 3500-3600 m, als er geen indicatie is waar je begint, hoe je er komt, of ook maar iets over de route. 5 ½ regel is dan echt te weinig. Ook een kaartje of deelkaartjes ontbreken. Wel weer handig lijken mij de ‘Tips voor trekkers’ en de ‘Gedragscode’ en de algemene praktische tips. Het boek sluit af met een interessante boekenlijst en bronnenopgave én een pagina met te bezoeken websites.

Kortom, het boek is vooral fijn als achtergrondinformatie om alvast wat thuis te raken in het land dat je gaat bezoeken of waar je ‘gewoon’ wat meer over wil weten. Voor Peru-gangers aanbevolen!

 

 




 

Karin Muller: Langs de Incaroute. Een vrouw reist door Zuid-Amerika. (National Geographic)

 

National Geographic/ Sirene  Amsterdam 2001

Dit boek is uitverkocht en wordt niet herdrukt. Waarschijnlijk is het antiquarisch nog wel te koop, bij voorbeeld via www.boekwinkeltjes.nl  Via deze site kocht ik het ook.

Qua opzet lijkt dit boek wel wat op het boek van Mark Adams: De ontdekking van Macchu Picchu dat hierna nog besproken wordt. De Amerikaanse Karin Muller reist langs de oude Inca-routes in het westen van Zuid-Amerika en neemt haar reisverhaal te baat om tussendoor ook veel informatie over de oude Inca-cultuur te geven. Het is een gemakkelijk te lezen boek, maar de gezochte vergelijkingen waarvan de schrijfster zich bedient, gaan op den duur wat vermoeien. "De werklui zagen eruit als met bloem bestoven demonen."  ??!! Hoe zien demonen eruit die met bloem (!) bestoven zijn?  Ander voorbeeld. Iemand vertelt dat ze nogal plotseling getrouwd is. Muller: "Zomaar patsboem? Je vertelt het alsof je van een ladder bent gevallen." Nog een:  ... "waren de gebouwen van de stad zo grijs als lijken van een week oud". 

Het zal niet iedereen storen, wellicht, maar het boek staat vol met dit soort vreemde beelden en vergelijkingen. Als je daaroverheen weet te lezen, kom je leuke passages tegen en de stukken historie van de Inca's zijn vaak het meest boeiend en interessant. Karin reist alleen, met in haar kielzog een fotograaf/ cameraman van National Geographic. Ze wordt overal uitgenodigd en weet overal binnen te komen (tja, als je zo'n naam op je kaartje hebt staan...) en dat levert vaak inside informatie op over hoe de mensen leven en denken. Het grootste deel van het boek gaat overigens over gedeelten die wij niet bezoeken, en maar enkele hoofdstukken in de tweede helft gaan over Peru en Bolivia. Maar ik heb het hele boek gelezen, en kan het wel aanbevelen als een leesbaar boek over de landen waar vroeger de Inca's leefden en hun bloedige oorlogen vochten.

 




 

Mario Vargas Llosa

 

“Jorge Mario Pedro Vargas Llosa (Arequipa, 28 maart 1936) is een Peruaans schrijver. In 1993 verkreeg hij ook de Spaanse nationaliteit. Hij wordt beschouwd als een van de leidende denkers en schrijvers van Latijns-Amerika. Hij is de winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur 2010. Vargas Llosa schrijft maatschappelijk betrokken romans in een vernieuwende stijl. Het leven wordt beschreven als een nooit aflatende strijd om het bestaan. In het werk van de Peruaan spelen vaak geweldsfiguren een rol, met name militairen. Tot zijn bekendste romans behoren De Stad en de Honden (1963, een schildering van het leven op een kadettenschool) en het meer complexe Het Groene Huis (1965, een 'totale' roman, vol boeiende en bonte verhalen met merkwaardige trieste en komisch handelende personen, waarin op verschillende niveaus een samenleving vol geweld wordt beschreven). Later beoefende hij ook het genre van de literaire 'misdaadroman'. Tevens schrijft hij toneelstukken en essays, en is hij journalist en literair criticus. In 1990 was Vargas Llosa kandidaat bij de presidentsverkiezingen in Peru met een sterk liberaal programma. Hij verloor de verkiezingen onverwacht van Alberto Fujimori. In het autobiografische boek De vis in het water heeft Vargas Llosa hierover verslag gedaan.” (Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Mario_Vargas_Llosa). 

 

Van de hierboven genoemde literaire ‘misdaadromans’ las ik: Wie heeft Palomino Molero vermoord? En: De geesten van de Andes. Beide boeken zijn in één band uitgegeven door Meulenhoff, Amsterdam 2010, resp.4/3.

Misdaadromans lees ik graag. Ik ben wel wat eenkennig daarin: Scandinavische misdaadromans (incl. IJslandse) hebben mijn voorkeur maar ook Nederland heeft enkele auteurs die wat dit betreft boven de middelmaat uitsteken, zoals Charles den Tex. Maar goed, nu dus twee Peruaanse misdaadromans als voorbereiding op onze reis naar dit land en Chili en Bolivia. Het woord misdaadromans staat in Wikipedia tussen aanhalingstekens. Ik denk dat dit is, omdat het niet in de eerste plaats om de misdaad gaat in beide boeken. De misdaad is vooral in het eerste boek een aanleiding om te vertellen over het land, over de maatschappelijke structuren. Het gaat niet zozeer over de moord als wel over de donkere kanten van de mens, over al of niet verholen racisme en over de realiteit van een gespannen Peruaanse samenleving.

In het tweede boek gaat het behalve over de verdwijning van en de moord op drie verdwenen mensen over het bijgeloof en het harde leven in de ruige wereld van de Andes, en behalve over bijgeloof en taaie tradities gaat het hier ook over de ellende die de terreurorganisatie Het Lichtend Pad onder de bevolking aanricht. ( “De Communistische Partij van Peru (Spaans: Partido Comunista del Perú), beter bekend als het Lichtend Pad (Sendero Luminoso) is een maoïstische guerrillabeweging in Peru, opgericht in 1970 door de filosoof Abimael Guzmán. De volgelingen worden senderistas genoemd. Het wordt door onder andere Peru, de Verenigde Staten, Canada en de Europese Unie als terroristische organisatie beschouwd. De groep heeft zo'n 200 tot 300 leden.” (bron en meer info: http://nl.wikipedia.org/wiki/Lichtend_Pad) .) Wat ik me overigens eigenlijk niet zo gerealiseerd had, is dat cellen van het Lichtend Pad nog steeds ook in 2012 actief zijn, zij het sporadisch. Zie bv dit artikel op nos.nl.  

Hoofdpersoon in beide boeken is de cabo (korporaal) Lituma. (De leden van de Guardia civil, de politie die belast is met het handhaven van de openbare orde, hebben een militaire rang.) In Wie heeft Palomino Molero vermoord? gaat het om het oplossen van de vraag uit de titel. Molero was soldaat bij de luchtmacht en is op een gruwelijke manier aan zijn einde gekomen. De dader wordt gevonden en op de weg naar de oplossing komt er nog meer ellende boven water, maar leert de lezer bijna ongemerkt een en ander over de Peruaanse maatschappij en het alledaagse leven in dit arme land. Het is onderhoudend geschreven met een niet heel verfijnd soort humor. Running gag is in dat verband de luitenant die droomt over -en het tegen zijn cabo altijd heeft over- het veroveren van de waardin van het restaurantje waar ze vaak komen. Zij neemt op een niet subtiele wijze wraak op de geile luitenant. Als dank voor het oplossen van de moord worden beide guardia’s overgeplaatst. De guardia’s hebben zich te veel bemoeid met het leven van de ‘grote vissen’ zoals ze door de bevolking worden genoemd. Korporaal Lituma moet naar de ‘sierra’, de bergen, de Andes dus.

Daar vinden we hem in het tweede boek, De geesten van de Andes terug, nu met een ondergeschikte, Tomás Carreño, die een crime passionelle gepleegd heeft. Dit wordt de rode draad in het boek: Tomasito vertelt aan zijn cabo in geuren en kleuren hoe het een en ander heeft plaats gevonden. En hoe groot zijn liefde voor de vrouw om wie het ging nog steeds is. Aan het eind van het boek komt het sprookje echt nog uit ook voor Tomás. Lituma blijft aan het eind van het boek achter met de wetenschap dat hij weer overgeplaatst wordt en dat hij zal moeten leven met de gruwelijkheden waar hij in de woeste bergen op den duur toch achter is gekomen. Waren het de sendinistas, of zijn het ‘gewone’ burgers die opgezweept door een echtpaar met bovennatuurlijke gaven de moorden op de drie verdwenen mensen hebben gepleegd? Voor de lezer wordt het pas op de laatste pagina’s duidelijk wat er zich heeft afgespeeld. Ondertussen heeft die lezer ook in dit boek een onthullend inkijkje gekregen in de leefwereld van de bergbewoners van de hoge Andes. Vooral de passages waarin de wreedheden van het Lichtend Pad beschreven worden, maakten indruk op mij.

Ik denk dat dit twee boeken zijn die uitstekend geschikt zijn om alvast wat te weten te komen over de Peruaanse samenleving. Bovendien zijn ze goed leesbaar.

Korte inhoud van De geesten van de Andes

In een mijnwerkerskampement in de bergen van Peru leven korporaal Lituma en zijn adjudant Tomás in een barbaarse en vijandige omgeving, onder de voortdurende dreiging van de maoïstische guerrillastrijders van Sendero Luminoso, ofwel Lichten Pad. Ze worden geconfronteerd met duistere mysteries, zoals onverklaarbare verdwijningen. Voor korporaal Lituma is het een obsessie deze verdwijningen op te lossen. Zijn de terroristen er verantwoordelijk voor, of zijn de 'geesten van de Andes' hun slachtoffers hoogst persoonlijk komen halen? Of is er wellicht nog iets veel ingewikkelders en gruwelijkers aan de hand?

Recensie(s)

 

NBD|Biblion recensie

Dit bekroonde, vernuftig opgebouwde boek heeft het midden tussen een document - vanwege het hoge werkelijkheidsgehalte en de actuele urgentie - en een avonturenroman - vanwege de vele spannende en half-geheimzinnige gebeurtenissen. In een mijnwerkersnederzetting hoog in Peru krijgen een korporaal en zijn rechterhand te maken met de weerklanken van acties van de terreurbeweging Lichtend Pad. Vargas Llosa, meesterverteller, deinst niet terug voor schokkende taferelen, ongetwijfeld om zijn lezer van zijn mogelijke naïviteit te beroven. Zijn eigen stem is afwezig, maar zijn pen is onmiskenbaar geëngageerd. En, wat heel knap is, subtiel, zoekend naar inherente waarheid. Verplicht voor iedere Peruganger en Vargas Llosa-minnaar.

(Biblion recensie, Barber van de Pol.)

Hieronder neem ik een recensie uit De Volkskrant over. Ik ben het niet eens het de waardering door De Vaan: zeker, er zijn passages die te zoet zijn zoals de door hem geciteerde passage, maar het verhaal van de vicuña-hoeder wiens kudde nietsontziend wordt gedood, vind ik sterk. En het boek als geheel vind ik zeker geslaagd. De recensie biedt een goed overzicht van de inhoud van het boek:

“Rituele moorden in de Andes / Mario Vargas Llosa terug in de letteren met teleurstellende roman over geweld in Peru SANDER DE VAAN − 19/05/95 Recensie uit De Volkskrant

Toen Mario Vargas Llosa in 1990 de Peruaanse presidentsverkiezingen verloor, reageerden veel liefhebbers van zijn werk verheugd: Peru was misschien een capabel staatshoofd misgelopen, maar de literatuur zou nu een van haar briljantste beoefenaars weer in de armen kunnen sluiten...

Ook Vargas Llosa zelf zag in dat hij vóór alles in de republiek der letteren thuishoorde en hij besloot zich voortaan volledig aan het schrijverschap te wijden. Nadat hij zijn traumatische ervaring als presidentskandidaat van zich had afgeschreven in De vis in het water, voltooide hij in 1993 een roman die hij vanwege zijn politieke avontuur opzij had moeten leggen: Lituma en Los Andos. De Nederlandse vertaling kreeg een mysterieuzere titel mee: De geesten van de Andes. (…)

De bekroning van Vargas Llosa's nieuwste roman deed eveneens het nodige stof opwaaien. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want De geesten van de Andes is een matig boek dat in het licht van Vargas Llosa's overige werk bijzonder bleekjes afsteekt. Wie genoten heeft van de razendspannende plot van De stad en de honden, het technische vernuft en de gecompliceerde thematiek van Gesprek in De Kathedraal en het meeslepende epische relaas van De oorlog van het einde van de wereld, komt ditmaal bedrogen uit. Het ontbreekt in De geesten van de Andes aan spanning. De dialogen zijn veelal bloedeloos en soms zelfs triviaal en het mierzoete slot is op z'n zachtst gezegd teleurstellend.

Toch lijkt de intrige op het eerste gezicht niet oninteressant. Tijdens de aanleg van een weg in de Andes verdwijnen kort na elkaar drie mannen. De met het onderzoek belaste korporaal Lituma en zijn adjudant Tomás Carreño denken aanvankelijk aan de guerrillabeweging Sendero Luminoso. Maar als ze zich beter in de zaak verdiepen rijst bij hen het vermoeden dat wegarbeiders iets te maken hebben met de verdwijningen. Ze zouden - getrouw aan een precolumbiaanse traditie - de 'geesten van de Andes' met een reeks rituele moorden gunstig hebben willen stemmen.

De uit de kuststreek afkomstige Lituma is verbijsterd. Hij veracht het brute geweld van de 'senderistas', maar zij handelen tenminste uit een - verwerpelijk - idealisme. Mensenoffers komen hem als iets volslagen irrationeels voor.

Carreño heeft andere zorgen. Hij is door zijn grote liefde Mercedes in de steek gelaten en dat zit hem nog zó dwars dat hij 's avonds zijn hart uitstort bij zijn superieur. Het relaas van de adjudant, waar Lituma overigens van smult, vormt een aparte verhaalstreng die Vargas Llosa heeft vervlochten met het onderzoek naar de verdwijningen.

Wanneer de wegwerkzaamheden na een steenlawine gestaakt worden, volgen de gebeurtenissen elkaar snel op. De lezer wordt getrakteerd op een ontluisterend happy end. Terwijl Mercedes onverwacht opduikt en zich verzoent met Carreño, die net heeft vernomen dat hij overgeplaatst wordt naar de geboortestad van zijn liefde, hoort Lituma dat hij bevorderd is tot sergeant. Vlak daarna vindt hij een getuige die zijn vermoedens bevestigt: de verdorven kroegbaas Dionisio en zijn vrouw Adriana blijken de bijgelovige wegarbeiders aangezet te hebben tot moord op de drie mannen.

Betrof het hier nu een anti-climax van een verder meeslepend verhaal, dan was dit nog tot daar aan toe, maar ook de rest van het boek is niet bijzonder boeiend. Vargas Llosa wil suspense opwekken en bedient zich daartoe van een fragmentarische structuur. Hij laat Lituma echter dermate goed zijn werk doen dat je halverwege al aanvoelt hoe de vork in de steel zit. De aanwezigheid van het mythologische paar Dionysus en Ariadne maakt het verhaal er niet minder voorspelbaar op.

Bovendien laat de auteur, om het niets ontziende geweld van Sendero Luminoso te illustreren, enkele figuranten opdraven die zó gelukkig zijn en zulke zoetsappige dialogen voeren voordat ze in handen van de terroristen vallen, dat je soms even het gevoel bekruipt met een onvervalst good guys-bad guys-verhaal van doen te hebben.

Wat te denken van 'la petite' Michèle en Albert, twee Franse toeristen die naar Cuzco reizen. Zij wilde het vliegtuig nemen, uit angst voor de senderistas, hij wilde per se over land. Eenmaal in de bus zegt Albert vastberaden: 'Wacht maar, deze reis wordt een hoogtepunt in ons leven.' Voordat het voertuig wordt tegengehouden door de terroristen, brengt Vargas Llosa het paartje in opperste staat van gelukzaligheid: 'Als je een tukje wil doen, dan zal ik je kussen wel zijn', stelt Albert haar voor. 'Ik heb je nog nooit zo gelukkig gezien', lacht zij. Even later worden ze op gruwelijke wijze om het leven gebracht.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Carreño's liefdesavontuur bij vlagen meesterlijk wordt verteld en dat Vargas Llosa een moedige poging heeft gedaan door te dringen tot de diepste geheimen van het leven in de Peruaanse berggemeenschappen. Het siert hem dat hij de 'irrationele' angsten van de bewoners voor de 'apus' (de Andes-goden) daarbij niet ridiculiseert. Sterker nog, wanneer Lituma als door een wonder is ontkomen aan de lawine, gelooft ook deze geciviliseerde korporaal even dat de apus werkelijk bestaan.

Vargas Llosa's suggestie dat het recente terroristische geweld een opleving zou zijn van het irrationele geweld dat de oude Andes-beschavingen kenmerkte ('Alsof het ergens begraven is geweest en nu plotseling om de een of andere reden opnieuw naar de oppervlakte komt', laat hij een vermaarde Deense historicus zeggen), is een te eenvoudige voorstelling van zaken. De karakterloze 'senderistas' die Vargas Llosa opvoert lijken zijn stelling te bevestigen, maar ze zijn slechts een schim van hun collega's uit de werkelijkheid.”




 

Mario Vargas Llosa: De vis in het water    Een autobiografie

  

Oorspr. El pez en el agua, 1993. Ned. Vert. Amsterdam 1994 

Een pil van 512 pagina’s. 

De vis in het water bevat de herinneringen van een van de meest gevierde schrijvers van Latijns-Amerika aan twee cruciale perioden in zijn leven. In de oneven hoofdstukken beschrijft Mario Vargas Llosa zijn ontwikkelingsjaren tot hij in 1958 naar Parijs vertrekt; de even beginnen in het Peru van 1987, als de schrijver aan het begin van drie jaar intense politieke activiteit staat: de organisatie van de Movimiento Libertad, het fatale samengaan van twee afsplitsingen van de christendemocraten, het ijveren voor moderne democratie, privatisering en vrijemarkteconomie, en tenslotte de mislukte gooi naar het presidentschap in 1990, waarbij Vargas Llosa het onderspit delft tegen de onbekende Peruaan van Japanse afkomst Alberto Fujimori. 

Het verhaal is zeer gedetailleerd en wellicht voor West-Europese lezers toch wat minder interessant, omdat de politiek van Latijns Amerika in onze streken nu eenmaal weinig aandacht krijgt en daardoor minder bekend is. Je hebt als lezer, zo was mijn ervaring althans, niet veel aanknopingspunten bij het bekende. Mij spraken de delen over Mario’s jeugd nog het meest aan. Op zijn tiende komt hij erachter dat zijn vader helemaal niet dood is, maar de pijnlijke ‘hereniging’ met de ziekelijk jaloerse Ernesto J. Vargas zal een wond blijven die niet geneest. De jonge Mario schrijft gedichten, maar poëzie is volgens zijn vader iets voor nichten, en dus wordt de jongen twee jaar naar de cadettenschool Leoncio Prado gestuurd. Dat is een leerschool in machtswellust en brutale seks. Over deze periode schreef hij zijn eerste succesroman De stad en de honden (1963). Op zijn achttiende trouwt hij met zijn dertien jaar oudere tante (waaruit het hilarische boek Tante Julia en meneer de schrijver uit zou voortkomen) en nadien lat hij zich van haar scheiden om een volle nicht te huwen. Voorwaar een leven waaruit enige inspiratie voor een literair oeuvre valt te putten. 

Als voorbereiding op een bezoek aan Peru is het boek niet aan te raden, tenzij u zeer geïnteresseerd bent in de recente geschiedenis van het land

De boeken van Vargas Llosa zijn vaak ook wel tweedehands te koop.

 




 

 Mark Adams: De ontdekking van Machu Picchu/ In de voetsporen van Hiram Bingham III M(vert. F. van der Knoop) Uitg.: National Geographic, Dutch Media Uitgevers, Amsterdam 2012.

 

 

Het boek is het verhaal van Mark Adams, een redacteur van National Geographic Society die, zoals de titel al zegt, de reizen van Hiram Bingham III opnieuw probeert te doen. Bingham was een van de grote 19e/ 20e -eeuwse ontdekkers, vergelijkbaar met een Amundsen en Scott, Livingstone en Stanley. Tenminste, dat was hoe hij zichzelf graag zag. Hij was professor aan de Yale Universiteit en trok er verschillende malen met expedities op uit in Zuid-Amerika, in Peru om precies te zijn, om daar te zoeken naar overblijfselen van de beroemde Inca-beschaving. Eigenlijk zocht hij naar Vilcabamba, de legendarische verloren stad van de Inca’s. Hij is de her-ontdekker van Machu Picchu. Her-ontdekker, want toen hij de legendarische stad ontdekte, woonden er Indianen, Quetcha’s, die landbouw bedreven op de terrassen. Maar voor de westerse wereld was de stad volstrekt onbekend en aan Bingham komt de eer toe dat hij deze Incastad aan het oerwoud heeft ontfutseld en er –mede- voor heeft gezorgd dat de stad bewaard is gebleven. Het boek gaat er o.a. over of Bingham wel de eerste –westerse- ontdekker was; daarover waren namelijk wel twijfels. Adams gaat de reizen van BIngham opnieuw doen, in gezelschap van de grote Inca-kenner John Leivers.

Voor mensen die Machu Picchu gaan bezoeken, of die er ‘gewoon’ in geïnteresseerd zijn, is dit een interessant boek want je komt al lezend veel te weten over Hiram Bingham, over Peru en Machu Picchu, over John Leivers en over de Inca-cultuur.

Het boek is vlot geschreven, alleen de gedwongen manier om grappig te zijn wordt wel eens wat irritant. Maar daar kun je ‘overheen’ lezen. Soms is het boek wel enigszins wijdlopig voor moderne lezers, vrees ik, (het telt 333 pagina’s) maar daar staat tegenover dat je een schat aan informatie krijgt. Het boek wordt gecompleteerd door een verklarende woordenlijst, een chronologisch overzicht van de Inca-cultuur, en tenslotte een bronnenlijst. Ook staan er enkele pagina’s zwart-witfoto’s in, sommige uit de tijd van Bingham en andere van Adams expeditie.

Op de site Historiek.net is een beschouwing en meer info over dit boek te vinden:

http://historiek.net/nieuws/algemeen/6463-ontdekker-machu-picchu-werd-rondgeleid-door-locals

Hieronder de tekst van die bron:

“De Amerikaanse universiteitsleraar Hiram Bingham III (1875-1956) werd bekend als de ontdekker van de wereldberoemde Incastad Machu Picchu in Peru. Toen hij de stad in 1911 ontdekte kreeg hij een rondleiding van een aantal Peruanen die al tijden in het gebied rond de Incastad woonden. Voor deze locals was Machu Picchu niks nieuws en ze vonden het geen probleem de Amerikaanse reiziger even te laten zien waar hij de (overwoekerde) gebouwen van de oude stad precies kon vinden.

Wanneer kun je iemand eigenlijk een ontdekkingsreiziger noemen? Een goede vraag die ook in het geval van Hiram Bingham III gesteld moet worden. Want zo onbekend was Machu Picchu kennelijk niet. Er woonden nota bene al mensen toen de Amerikaanse ontdekkingsreiziger de ontdekking deed waar hij wereldberoemd door zou worden. Dat laatste geldt natuurlijk ook voor Columbus. Ook in het gebied dat Columbus ontdekte woonden al mensen. Hij kreeg echter geen rondleiding van indianen. In het onlangs verschenen boek De ontdekking van Machu Picchu, in de voetsporen van Hiram Bingham III komt de vraag ook aan de orde. Volgens auteur Mark Adams - die in de voetsporen van Bingham trad door ook te voet naar de Incastad te reizen - is het onzin Bingham de ‘ontdekker van Machu Picchu’ te noemen: Zeker is dat hij Machu Picchu niet ontdekt heeft. Misschien was hij wel de ‘wetenschappelijk ontdekker’, zoals een bordje aan de ingang van de ruïnestad vermeldt, maar die benaming vind ik niet van toepassing. (…) Wat je over Bingham in ieder geval wel kon zeggen was dat hij iets veel minder romantisch, maar wel veel belangrijkers had gedaan dan het ontdekken van Machu Picchu. Hij had de ruïnes bekeken en meteen het belang (maar niet de betekenis) ervan ingezien, en er zoveel bekendheid aan gegeven dat ze niet meer met behulp van dynamiet konden worden opgeblazen om naar begraven schatten te zoeken, zoals met Vitcos gebeurd was. Zou Machu Picchu nog bestaan als Bingham het nooit gezien had? Dat is wel zeker. Maar zou het er nog net zo uitzien als nu? Bijna zeker niet.

De conclusie dat Bingham niet de ontdekker van Machu Picchu genoemd moet worden lijkt terecht. Daarmee is echter niet gezegd dat de reis van de Amerikaan niet van belang was. Hiram Bingham III zette Machu Pichu op de kaart. Door hem werd de stad wereldberoemd en maakten velen (beter) kennis met de wereld van de Inca‘s.

De Amerikaan zette overigens niet alleen de Incastad op de kaart. Ook voor National Geographic Magazine was de ontdekking van groot belang. De oplage was door Binghams artikel over de reis en “ontdekking” van Machu Pichu verdubbeld. Het magazine stond in die periode onder leiding van Gilbert Hovey Grosvenor (1875-1966) en die had als opdracht om het blad grondig te veranderen. Van een wat een droog wetenschappelijk blad tot een aantrekkelijk tijdschrift voor een breed publiek. Grosvenor koos ervoor om veel meer ruimte in het blad te gaan reserveren voor foto’s en daarnaast wilde hij meer plek maken voor heldenverhalen. In de laatste jaren van de twintigste eeuw steeg de oplage enorm: van ongeveer duizend naar meer dan tachtigduizend.

Hiram Bingham had Grosvenor in 1906 en 1908 gevraagd om geld voor zijn expeditie naar Peru. Tevergeefs. Toen de baas van National Geographic Magazine later de eerste verhalen over Machu Pichu las, besefte hij dat het verhaal van Bingham ideaal was voor zijn blad. Grosvenor wist al snel een verhaal los te peuteren en publiceerde dat groots, met uiteraard veel foto’s. Voor het eerst in de geschiedenis van het blad werd in 1913 een heel nummer aan één onderwerp besteed: Machu Picchu.

Atahualpa, de laatste Sapa Inca 

Peru en de Amerikaanse universiteit Yale zijn al tijden verwikkeld in een juridische strijd om een groot aantal kunstschatten die Hiram Bingham vanuit Peru naar Amerika zou hebben gesmokkeld. Ook deze kwestie komt in het boek van Mark Adams uitgebreid aan de orde.

Als ontdekkingsreiziger Hiram Bingham in 1912 opnieuw naar Machu Picchu reist om onderzoek te doen, moedigt Gilbert Grosvenor hem aan veel artefacten mee te nemen. Hij schrijft:

Wij hopen allemaal van harte dat u opgravingen kunt doen en een scheepslading antiquiteiten mee kunt nemen voor uw museum in Yale.

Volgens Adams moet men niet ter erg opkijken van zo’n oproep: Dergelijke toejuichingen zijn nu misschien onvoorstelbaar, maar in die tijd waren ze volken normaal. Peruaanse artefacten en kunstschatten waren al zonder enige restricties uit het land weggevoerd sinds Francisco Pizarro losgeld eiste voor Atahualpa. Het bleek echter helemaal niet zo eenvoudig om Machu Picchu ´kaal te plukken´. Nadat de Incastad wereldnieuws was geworden zetten veel Peruaanse intellectuelen alles op alles om de inheemse schatten voor hun land te bewaren. Schatten opgraven was dus één, maar ze het land uitkrijgen was twee.

Bingham liet de moeizame opgravingen uiteindelijk over aan een van zijn medewerkers. Grote schatten werden echter niet gevonden. Onder de mooiste vondsten bevonden zich enkele bronzen voorwerpen, zilveren kledingspelden en een koperen armband. Er werden 93 kisten volgemaakt. De inhoud bestond vooral uit gebroken aardewerk en menselijke resten en dat viel nogal tegen. Over deze kisten met inhoud gaat de strijd tussen Yale en de Peruaanse overheid doorgaans. Aanvankelijk had Peru in 1912 verboden de kisten naar Amerika te vervoeren maar uiteindelijk kwam er toch toestemming, maar wel onder één belangrijke voorwaarde: Peru hield zich het recht voor de objecten terug te vorderen. Al jaren zijn de universiteit met elkaar in discussie over teruggave van de objecten. In 2008 werd er overeenstemming bereikt maar uiteindelijk kwam er weer een kink in de kabel. Er kon geen overeenstemming worden bereikt over de hoeveelheid voorwerpen die door de universiteit teruggestuurd zouden worden. Wat vaak vergeten wordt is dat Bingham niet alleen maar objecten vanuit Machu Picchu naar Amerika vervoerde. Tijdens zijn reizen kocht hij enkele honderden oude Inca-objecten en smokkelde die vervolgens Peru uit. Veel van die objecten zijn indrukwekkender dan de stukken die afkomstig zijn uit Machu Picchu, schrijft Adams.

»De ontdekking van Machu Picchu - Mark Adams

Mark Adams is redacteur bij verschillende reismagazines. Dat hij voor zijn werk talloze, soms ook gortdroge, reisboeken heeft gerecenseerd is te merken. Adams weet hoe hij een verhaal moet opbouwen, schrijft toegankelijk, maar blijft inhoudelijk en strooit zo nu en dan met humoristische anekdotes. De auteur zet zich in het begin van het boek neer als een wat grijze muis die eigenlijk altijd achter zijn bureau heeft gezeten. Die grijze muis trok er echter wel op uit om een zware voetreis te maken naar Machu Picchu, samen met een wat antisociale Australiër die alles over de Inca’s weet en een groepje gidsen die alleen maar Quechua spreken en cocabladeren kauwen. Na een stuntelig begin maakt Adams zich het leven in de Peruaanse jungle steeds meer eigen. Onderweg beschrijft hij niet alleen de zoektocht naar Machu Picchu. Hij staat ook stil bij de astrologische wereld van de Inca’s, de komst van de Spaanse veroveraars in de zestiende eeuw, de ondergang van het Inca-rijk, de achtergronden van Hiram Bingham en de kwestie van de kunstschatten. Een uitermate lezenswaardig boek waarin op een speelse manier allerlei wetenswaardigheden over de Inca’s de revue passeren.

Yuri Visser “

naar boven