005 'Breizh' Kamperen in Bretagne, aan de noord- en zuidkust

by Lammert
Hits: 1541

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

VAKANTIE 2017 KAMPEREN IN BRETAGNE
Omdat we al jaren (maar niet ieder jaar) naar Frankrijk gaan en nog nooit Bretagne hebben bezocht, werd het nu toch wel hoog tijd om die bijzondere punt van dat mooie kampeerland te bekijken. We gingen vier weken, deden de heen- en terugreis rustig aan, verdeeld over drie etappes van elk ongeveer 400 km, en bezochten de noord- en de zuidkant van het schiereiland. We reisden in mei/juni van 2017. We bezochten voornamelijk, op één na, campings met buitenseizoenkorting uit de ACSI-gids. Meestal betaalden we € 16 per nacht. Bretagne is een mooie landstreek, Frans maar tegelijk ook zó heel anders dan het oosten van Frankrijk dat wij veel beter kenden. We kunnen een bezoek aan dit mooie schiereiland aanbevelen! 

 


 

Hieronder vindt u het reisverslag van onze kampeervakantie 2017 in Noord- en Zuid-Bretagne

met persoonlijke indrukken van de bezochte campings (meest ACSI-campings met buiten seizoen korting), beschrijving van excursies en meer. 

 



Zaterdag 27 mei: Naar camping Groeneveld in Bachte-Maria-Leerne, ten zuiden van Gent

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De eerste camping is geen ACSI-camping. We kiezen camping Groeneveld omdat hij zo aangenaam dichtbij ligt: op 330 km van huis. De reis ernaartoe gaat vlot, zelfs op de ring rond Antwerpen. We staan zelfs daar niet stil. De camping ligt aan de Groenevelddreef 14, 9800 Bachte-Maria-Leerne, ten zuiden van Gent. www.campinggroeneveld.be

Het is een nette, vrij eenvoudige camping die aan een grote vijver ligt. Wij krijgen een plekje tamelijk vooraan, bij de receptie. Daar is ook een restaurantje waar je eenvoudige maaltijden kunt bestellen. Wij aten een pastagerecht met gehakt, simpel maar wel lekker. Ik neem er natuurlijk zo’n bijzonder Belgisch biertje bij. We betaalden voor de camping de voorseizoensprijs van € 23 voor caravan en 2 personen.

 

Onze combinatie op deze camping. Nog even genieten van de late middagzon. 



Zondag 28 mei: Naar camping La Briquerie in Équemauville, vlak bij Honfleur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De volgende dag rijden we 460 km naar Honfleur. Het overbekende Normandische stadje met de idyllische haven, de pittoreske huizen èn de hordes toeristen die daarbij horen. Ik heb een camping uitgezocht in de ACSI-gids in Équemauville, een dorp slechts vier km ten zuiden van Honfleur. Het is eigenlijk 420 km; het kan korter als je via de agglomeratie van Roubaix en Lille rijdt, maar wij kiezen voor de kustweg via Ostende. Veel rustiger en relaxter. Dus dat is al langer en bovendien moeten we een omweg maken. Vanuit het noorden moet je niet de afslag Honfleur nemen! Ik deed dat wel en dat was niet relaxt…

Ik volg namelijk, eigenlijk tegen beter weten in, de aanwijzing van de navigatie om vanaf de A29 na de Brug van Normandië over de Seine wél de afslag Honfleur te nemen. Maar dan kom je dus in het centrum uit. En het centrum van Honfleur is niet gemaakt voor verkeer met caravans, dat mag duidelijk zijn. Ik had nog hoop dat de navigatie wel een zijweg zou weten en het historische centrum zou ontwijken maar nee dus. En een ritje door het middeleeuwse centrum met straatjes van 3 m bereed is met een caravan niet te doen. Met alleen de auto zijn de smalle straatjes al een uitdaging (zouden we de volgende dag merken) maar nu besluit ik op het pleintje bij de houten kerk te keren. Midden tussen verbaasd kijkende toeristen (het is zondag dus er zijn er nogal wat: dit is hét drukste toeristische punt!) keer ik de combinatie. Het gaat allemaal maar net. We rijden dezelfde weg terug naar de A29. Dan blijkt dus dat er op de A29, om op de D 579 te komen, geen afslag is vanuit het noorden! Alleen vanuit het zuiden komend kun je er hier af. We moeten dus door rijden over de A29 tot de A13, die nemen we tot bij Pont l’Eveque en daar een klein stukje A132. Dan komen we op de D579 en 579A die ons naar de camping brengen. Een omweg van zo’n veertig km en een half uur. Een enerverende route dus vandaag.


Achteraf had het ook nog wel gekund door het centrum als de navigatie beter had gewerkt en ons naar de 579A had gebracht want die komt recht voor de haven uit. Maar goed, op dat moment heb je niet veel te kiezen met een caravancombinatie en een TomTom die vasthoudt aan de route door het historische centrum…

 

Onze mooi afgebakende plek op camping La Briquerie


Camping La Briquerie ligt vlak bij de rotonde in Équemeauville. Het is een luxe vijfsterrencamping, netjes onderhouden, goed en schoon sanitair. Maar wat staat daar op dat bordje?! Het sanitair is tussen 23.30 en 07 uur gesloten!! Als je dan geen eigen toilet hebt in je caravan van 25 jaar oud, of in je tent, dan moet je het ’s nachts dus maar in de schaarse bosjes doen?! Dit kan toch niet! Wel dus. Verder is er op het sanitair niets aan te merken, overigens. Schoon, modern, voldoende aanwezig.
Wat wel ons enthousiasme kan wegdragen is het campingrestaurant. Dit is werkelijk uitstekend. Voor slechts 18 euro hebben we een driegangenmenu dat klinkt als een klok met vooraf paté, als hoofdgerecht nemen we een pootje van confit de canard, en toe een moelleux au chocolat. Met twee keer een kwart liter wijn erbij en koffie zijn we beneden de vijftig euro (voor twee) klaar. Heel smakelijk eten en vriendelijke bediening. Dit zouden meer campings moeten bieden!
Het was vandaag drukkend warm en ’s nachts mogen we een daverend onweer met veel regen en stormachtige wind meemaken.



Maandag 29 mei: Honfleur

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


We blijven een dag extra op deze camping omdat Honfleur bekeken moet worden. Het is slechts een kippeneindje rijden. We stallen de auto gratis iets buiten het centrum op een openbare parkeerplek en wandelen naar de haven. We vergapen ons aan de kleurrijke huizen die zich weerspiegelen in het vlakke water van de haven. Langs de zonkant wurmen we ons langs de reeds overvolle terrasjes, onderwijl kijkend naar de gevels die bedekt zijn met leien of fraaie pasteltinten hebben. Het is een heel schilderachtig gezicht en het verwondert niet dat beroemde schilders hier gewoond en gewerkt hebben, zoals Gustave Courbet, Eugène Boudin, Claude Monet en Johan Barthold Jongkind.

panorama van de haven 

 

kleurige en zwarte gevels. De laatste zijn bedekt met leisteen. 

 

het stadhuis en de antieke draaimolen

 

hier zie je de leien goed.

   

de houten kerk; op de foto rechts de losstaande toren en de kerk. Op dit pleintje moest ik de caravancombinatie draaien...

 

een oude plattegrond van het Honfleur bij de kerk. Je ziet de haven in het midden en de kerk rechts ervan.

 

   

interieur van de houten Sainte-Catharinakerk

   

de kerktoren, die wel een onderhoudsbeurt mag hebben.

detail van de kerk; merk de duizenden houten plankjes op die de kerkmuren bekleden. 

  


We lopen over het pleintje waar we gisteren de auto plus caravan moesten draaien. Ik verwonder me, nu ik er sta, erover hoe koelbloedig ik dat gisteren deed. Alsof ik het gewoon was. Op het pleintje staan ook nu auto’s geparkeerd, er lopen veel toeristen en tussendoor rijdt het verkeer er ook nog door, want het oude centrum hierachter is niet autovrij. Gisteren was het nog drukker…Waar adrenaline niet goed voor is bij de caravanner...


We bekijken de merkwaardige Sainte-Catharinakerk. Merkwaardig omdat die geheel van hout is! Alleen helemaal onderaan is er wat steen aan te pas gekomen. Het gebouw doet ons denken aan een Noorse Stavkirke, met al die plankjes als schubben over elkaar. Ook van binnen is het een bezienswaardige kerk. Ook daar uiteraard alles hout, met mooi snijwerk vaak. Het dak doet denken aan de romp van een schip ondersteboven. De Sainte-Cathérine is de grootste houten kerk van Frankrijk en als zodanig indrukwekkend om te zien. De oorspronkelijke kerk werd tijdens de Honderdjarige Oorlog vernield. In de 15e eeuw werd de kerk volledig geconstrueerd door de plaatselijke scheepsbouwers van Honfleur, die het gebouw heel uit hout optrokken. Als ik in de kerk omhoog kijk naar het plafond, zie ik daar iets wat me wel doet denken aan de romp van een schip, maar dan op zijn kop.


De kerk bestaat uit twee delen: de kerk zelf en de losstaande klokkentoren: Clocher Ste-Cathérine. Die staat apart om het overslaan van een eventuele brand te voorkomen. De klokkentoren werd pas later gebouwd en in de 16e eeuw werd er nog wat aan de kerk vertimmerd. Hierbij is de houten constructie niet het meest opvallend aan de kerk: dit zijn de steunbalken. Wanneer je de kerk in Honfleur bezoekt, zal het je misschien opvallen dat de steunbalken niet allemaal even hoog zijn. Omdat de eiken niet altijd even lang waren, staan sommige steunbalken op een stenen sokkel. Het orgel van de Sainte-Cathérine dateert uit de 18e eeuw en komt uit de Saint-Vincent parochie in Rouen. De gehele kerk, inclusief klokkentoren, werd in de 19e eeuw nog eens grondig gerestaureerd door de Franse architect Viollet-Le-Duc. Er volgde nog een aanpassing in de 20e eeuw.


Na ons uitgebreide bezoek aan de kerk wandelen we langs de klokkentoren verder de smalle straatjes in. Er staan mooie vakwerkhuizen. De kleuren en ook de bouwwijze menen we te herkennen we van oude stadjes in Denemarken. Normandië, Noormannen… er is vast een connectie.

   

de straatjes van Honfleur zijn nauw en schilderachtig o.a. door de fraaie vakwerkgevels

we komen langs een oud wasbekken

  

Een heel ander Honfleur zien we in een doodlopend straatje

   

Het museum voor etnografie en volkskunst is gevestigd in een heel oud pand bij de haven.

 


Als we even verder de stad in lopen, komen we praktisch geen andere toerist meer tegen. We komen door een straatje dat vereeuwigd is door Monet. Er hangt een reproductie van het schilderij zodat je kunt zien wat er zoal veranderd is in de loop der tijd… Honfleur is nog best een uitgebreid stadje als je er loopt, en ik ben blij dat we niet van de camping zijn komen lopen, want dat was toch wel ver geweest, zeker in deze warmte. Uiteindelijk, na veel klimmen en dalen door de gelukkig niet echt steile straatjes komen we weer bij de haven uit. Nu lopen we er achterlangs en daar vinden we een leuk terras om koffie te drinken: café Lutetia. Het loopt al tegen twaalven als we klaar zijn met de koffie en daarom besluiten we om hier ook onze lunch te nemen. Het ruikt al zo lekker. We eten grote garnalen die we zelf moeten pellen, met brood, en dan voor R kip in een bruine saus en ik vis met frietjes en we nemen appeltaart toe. Erbij drinken we een kom droge cider. Zo kunnen we er wel weer even tegen. We wandelen nu langs de andere kant van de oude haven, langs de antieke carrousel. Hier zien we in een zijstraatje nog een paar echt heel oude panden, waaronder een waarin een museum is gevestigd. Dat is vandaag dicht.


In de loop van de middag zijn we weer bij de auto terug. Helaas hebben we geen tijd voor musea, als dat van Boudin, dat overigens vandaag ook gesloten is. We rijden nu dwars door het oude centrum met toch nog wat zoeken naar de kustweg D 513 die aan de noordkant van Honfleur begint. Dat is een ‘groene’ weg, met mooie huizen erlangs die ons brengt bij Trouville. Onderweg stoppen we nog bij een oud intiem kerkje, de Eglise Saint Martin in Criqueboeuf.

   

Het aardige kerkje van  Saint Martin in Criqueboeuf.


Dan Trouville-sur-Mer. Een bekende kust- en badplaats, samen met Deauville; dat is aan de andere kant van het kanaal, waaraan we parkeren. We maken hier ook nog een wandeling, o.a. langs het water en het enorme casino, dat dicht bij zee staat. Deze stad is wel een grote tegenstelling met Honfleur. Hier langs het water dure winkels en terrassen, grote gebouwen, het casino. Weinig sfeer hier, vinden wij. We nemen ondanks de prijzen toch nog even een kopje koffie / thee op een terrasje. Ik betaal alleen voor de thee al € 6. De kop koffie kost ‘slechts’ €4,50. Aan Deauville hebben we geen trek meer. Dan terug naar de camping, over dezelfde fraaie kustweg D 513 tot aan Pennedepie en dan rechts. Eerst doen we nog even boodschappen bij de grote Intermarché bij de rotonde en daar tank ik ook (goedkoop).
’s Avonds doen we het met een simpele maaltijd. Tomatensla met stokbrood en kersen toe.

 

haven en casino in Trouville-sur-Mer

We zien ook nog een uitvarende vissersboot, maar verder is er niet veel bedrijvigheid aan het water.

 

 

 



Dinsdag 30 mei: Naar het noorden van Bretagne. Naar camping Le Cap de Bréhat bij Port Lazo/ Plouezec

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Van Honfleur naar Port Lazo bij Plouézec aan de centrale noordkust van Bretagne is het ongeveer 330 km. Port Lazo ligt 10 km oostelijk van Paimpol. Dat we pas om kwart voor vier op de camping aankomen, komt doordat de kustweg is afgesloten en we moeten omrijden via Guingamp.


Vanaf de doorgaande weg is het nog een eindje rijden, maar borden geven de weg aan en bevestigen de keuze van de navigatie. Pas op het eind zegt de navigatie dat we rechtdoor moeten bij het bord dat linksaf de camping aanwijst. Er staat een groot bord met ‘Niet Inrijden behalve aanwonenden’. In de ACSI—gids staat dat je dit bord moet negeren en het campingbord dus moet volgen. We zijn nu al een ‘riveran’, een aanwonende, dus we rijden de weg in. Dan is het nog maar een eindje en met een scherpe draai naar links rijden we de camping op en parkeren we op de parkeerplaats. We lopen naar de receptie -die dicht is. Een bordje zegt dat we een plaats mogen zoeken en ons later melden. We weten uit de gids al dat de camping Le Cap de Bréhat is verdeeld in tweeën: er is een benedendeel dat in een dal ligt. Het is er luw maar ook een beetje donker. De zon is er al snel weg ’s avonds. Daar zijn we net langs gelopen naar de receptie.

Meer info: https://www.cap-de-brehat.com


Het bovendeel is een terrassencamping, eerst moet je met de auto vrij steil omhoog en dan liggen de plaatsen langs een drietal stijgende weggetjes. De plaatsen zijn niet alle even groot maar sommige zijn heel ruim en redelijk waterpas, hoewel dat ook nogal verschilt. Wij kiezen de hoogste plek met het mooiste uitzicht, maar dus ook het verst van het sanitairgebouw. Voor de receptie (op het beneden-deel) moeten we nog eens honderd treden van een trap nemen, waarvan vijftig met grote trede-afstanden. Best vermoeiend, maar zo raken we wat pondjes kwijt. We rijgen de kleine luifel aan de caravan, zetten de spulletjes klaar en dan zijn we klaar om te genieten van het panoramische uitzicht over de beschutte baai met dicht bij het kleine eiland Ile St. Rion en wat verder maar goed zichtbaar het eiland waarnaar de camping genoemd is: Ile de Bréhat. Met mijn nieuwe camera met 60 x optische zoom kan ik heel wat onderscheiden op het eiland. Dichterbij zien we mosselbanken, die bij eb boven water komen en veel kleine bootjes die op de golven dobberen en bij eb op het ‘droge’ liggen. Het verschil tussen eb en vloed is hier vrij groot.


Het is hier overdag al stil, alleen de merels, leeuweriken en andere vogels hoor je, maar ’s nachts hoor je hier werkelijk niets. Maar je ziet ook weinig want verlichting is er nauwelijks langs de paden. Dat is een verbeterpuntje vinden wij. De zon gaat vaak mooi onder en het wordt slechts langzaam donker. Hier houden we het wel een poosje uit. Het is een mooie plek en er is veel te zien in de omgeving.

  

onze plek boven aan de heuvel met uitzicht op tal van kleine eilandjes en links Ile de Bréhat

 

's avonds is het vaak een mooie zonsondergang

   

Onder aan de heuvel is het toiletgebouw voor het bovendeel. Op het benedendeel is de receptie en daar is nog een sanitairgebouw. 

     

Reuzenslangenkruid met duizenden blauw-paarse bloempjes 

 

 

 

 

 



Woensdag 31 mei: Plouha

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De volgende dag doen we het rustig aan, dat wil zeggen: geen excursie en gaan naar de markt in Plouha. Dat is dorp, een kilometer of dertien naar het oosten. Daar is een grote super met een goedkope benzinepomp erbij (trouwens dichterbij in Plouézec is ook een Inter, maar daar is geen benzinepomp). Op de markt kun je veel kopen, van verse krabben en kreeften tot matrassen. Wel drie kramen met matrassen zien we. En kunststof ramen… Wij kopen wat echte Bretonse worst, een gebraden kip en wat groente en fruit. Bij de kip hebben we hier keuze uit ‘gewone’ en de ‘fermier’. Die laatste is twee keer zo duur. Veel verschil in smaak ontdekken wij niet. De goedkope kost al € 8. Zestien euro voor een kip vinden we wel veel. De Bretonse worst, zo zal later blijken, is gemaakt van allerlei gekookte onderdelen van het rund, die bij ons hooguit in de frikadel terecht komen, en de smaak is niet geweldig, een beetje flauw. Het gedroogde worstje dat we gratis kregen, gemaakt van wild, smaakt daarentegen heerlijk.


’s Avonds lopen we naar de zee. Vanaf de camping heb je zo toegang tot de GR 34, het lange afstandswandelpad dat langs de hele Bretonse kust loopt. En als je tien meter doorloopt, ben je op het strand. Het bestaat uit keien. Veel meer dan wandelen kun je er dus niet, maar voor ons is dat genoeg. Wij maken vaak foto’s van de spectaculaire luchten met de zon die langzaam  ondergaat. Soms bloedrood, een andere keer met oranje tinten. 

 beneden op het keienstrand 

  

Door het zachte klimaat groeien er ook palmen op het terrein van de camping.

 



Donderdag 1 juni: Wandeling bij de camping

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Na het ontbijt in de warme zon wandelen we een stukje langs de GR 34, richting de Pointe de Bilfot. Eerst een stukje over de begroeide kust maar dan moeten we verder over het keienstrand. Dat loopt nogal moeilijk. We zien mensen met een klein bootje de zee op gaan, naar de oesterbanken. In de verte ligt een eilandje, zoals er hier zo vele zijn: Le petit Mez Goëlo heet het. Het lopen over het keienstrand verveelt ons. We lopen weer terug. Tegen de kademuur staan hier veel van die badkuipbootjes die zeker gebruikt worden om bij de iets grotere bootjes te komen die hier veel voor de kust voor anker liggen. Bij eb liggen ze droog. We zien een paar mannen die gaan vissen. Verder is het strand hier praktisch uitgestorven.
We lopen nu langs de camping de andere kant op, naar de molen van Craca. Vanaf de Gr 34 een eindje het land in via een pad omhoog en daar zien we de mooi gerestaureerde molen. Hij is van natuursteen en dateert volgens een gevelsteen uit 1844. Hij is slechts zelden open. We eten ons stokbrood met kaas op een bank bij de molen. Het is heerlijk weer. We lopen langs dezelfde weg terug. Een pad hoog langs de kust, onder veel groen. Er staan op rotsige wanden veel vetplantjes met witte bloemaren. Ze zijn bijzonder sierlijk. Later zullen we lezen dat het een symbolische plant voor Bretagne is. Je ziet hem hier inderdaad overal: op muurtjes, op rotsige bodem, zelfs tegen de muur van de molen groeien en bloeien ze. Prachtig.

Nog zo’n bijzondere plant die we hier in Bretagne voor het eerst zien, is er een met als stam een hoge bloemenaar met duizenden piepkleine paarse bloemetjes en langs die (wel tot tien, misschien zelfs twintig cm dikke) stam staan spitse blaadjes. Hij wordt wel drie, vier meter hoog! We kennen de plant niet, maar we zien hem hier veel, in tuinen en half verwilderde stukjes land. Thuis heb ik gezocht op Google en volgens mij is het de echium pininana, het reuzenslangenkruid. Hij komt van oorsprong vooral voor op La Palma. Volgens Wikipedia daarna ook in Engeland en Schotland. En dus veel in Bretagne, kunnen wij eraan toevoegen. De bloemetjes op zich zijn klein maar omdat het er zo veel dicht bij elkaar zijn, maakt zo’n stam toch de indruk van een paarse toorts. Heel mooi. Op de camping staan ze ook. Daar staan trouwens ook palmen. Het vriest hier zelden en daardoor ontstaat die subtropische plantengroei. Dat komt ook door de warme Golfstroom langs de kust. De uitbundige plantengroei en bloei is wel een van de dingen die ons zal bijblijven. Vooral de rozen doen het hier geweldig. Niet alleen in tuinen maar ook langs de weg staan ze overvloedig te bloeien.

  

uitzicht op een hoog punt van de kust op het strand voor de camping; in de verte de Pointe de Bilfot

uitzicht op hetzelfde punt, nu richting Paimpol

Met de superzoomcamera kan ik het eiland Ile de Bréhat goed zien liggen.

Zelfs de vertrekkende veerboot krijg ik goed in beeld. 

De molen van Craca

beschaduwd deel van het wandelpad

   

Omdat het hier 's avonds ècht nog donker wordt, maak ik met m'n nieuwe camera telefoto's van de maan. Uit de hand zonder statief. 

 

 



Vrijdag 2 juni:  Naar de Abbaye de Beauport, en de tuinen van Chateau de la Roche Jagu bij Ploëzal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De oude abdij van Beauport staat eigenlijk vlak bij onze camping. Nog geen tien minuutjes rijden, vlak voor de stad Paimpol. Er is eigenlijk voornamelijk een ruïne van over. Het gebouw werd gesticht in de 13e en 14e eeuw. Het staat aan zee in een park. Er zijn parkeerplaatsen maar of er voor de 15000 bezoekers jaarlijks altijd genoeg plaats is, vraag ik me af. Wij zijn er tegen de middag en het is er nu in het voorseizoen al redelijk druk. Dat we tegen de middag komen, is een beetje jammer want het gebouw gaat om 12.30 uur dicht voor een lange middagpauze. Tja, Frankrijk. Siësta. Wij moeten het dus doen met de buitenkant, voor zover we die kunnen zien. Kijkend door de hekken krijgen we wel een aardige indruk van het complex. Van de kerk, die werd gebouwd in de 13 eeuw, staat de façade nog en het middenschip (in de open lucht) met de noorderbeuk en het Noorder transept. We maken foto’s, ook van de tuin ervoor met de mooie rozen.

    


Dan rijden we verder. Door Paimpol en dan verder westelijk, over de rivier de Trieux en dan een eind naar het zuiden, op het laatst via kleinere weggetjes, tot we bij een reusachtige parkeerplaats komen, die gelukkig slechts voor een klein deel bezet is. De tuinen van Chateau de la Roche Jagu zijn bekend en worden kennelijk ’s zomers massaal bezocht. Nu is het er vrij rustig. Bij de parkeerplaats staat een bank en daar eten we nu eerst onze lunch: stokbrood met worst en kaas.


Dan lopen we naar het kasteel. Dat is me een flink bouwwerk! Het dateert uit de vijftiende eeuw. Het blijkt dat we alleen voor bezoek van het interieur moeten betalen; de tuinen zijn gratis. Wegens het mooie weer besluiten we om eerst de tuinen te doen, en dan maar te afwachten of we het binnenste nog willen zien. Van visites guidées (begeleide bezoeken) zijn wij sowieso niet zo gecharmeerd. Het kasteel ligt aan de rivier, liever: aan het estuarium, de delta van de rivier de Trieux, het Estuaire de Traou-Nez. We lopen eerst links om het kasteel en proberen een groep van bij elkaar horende mensen wat kwijt te raken. Dat lukt. Al snel is alle drukte weg en heerst er een aangename rust over de gazons en borders. Het terrein is nogal oneffen, dus er zijn hoogteverschillen die steeds weer een nieuw perspectief geven. Het terrein is goed onderhouden, maar hier en daar zijn ook ruigere stukken. We dwalen op ons gemak rond en voor we het weten zijn er uren verstreken. We komen bij een stuk waar kersenbomen staan. Van die gele/oranje meikersen, spekkersen en ook een donkerrode soort. Ik vind de spekkersen het lekkerst. De takken hangen er zwaar van. Daar kunnen we wel wat aan doen. Er zijn er genoeg waar we zó bij kunnen en we eten onze buik ervan vol. Heerlijk! In mijn jeugd hadden we thuis ook een boom met die gele spekkersen. Moeder wekte ze en ’s winters waren ze ook overheerlijk.

    

niveauverschillen                                                                                                                                       en spekkersen

    graan

kruidentuin

witte rozenprieel

             

Dali-achtig beeld

 kunst

 

 


Er zijn ook velden met stroken verschillend graan, met klaprozen en korenbloemen. Er is een kruidentuin die volop bloeit. Er zijn rozentuinen met veel verschillende soorten rozen die veelal vol in bloei staan. Het ruikt er ook heerlijk. Er is een soort prieel maar dan heel breed, helemaal overdekt met witte rozen. De bloemen liggen er als een witte deken overheen. Er staat ook een aardig kunstwerk van metaal dat van dichtbij allerlei fascinerende details blijkt te hebben, een beetje á la Salvador Dalí. Er hangen in een intieme binnentuin kunstwerkjes die op spinnenwebben lijken, heel sierlijk. Aan vier zijden zijn grote ronde schijven van gevlochten riet, die in het midden een opening hebben en dan een onverwachte blik op een andere tuin geven. Er is dus heel veel te zien. We besteden er bijna drie uur aan.

Dan zijn we moe en drinken we een kop koffie op het terras. Het interieur hoeven we niet meer te zien. We zijn verzadigd voor vandaag. De hemel betrekt nu wat en er valt een spatje regen. Maar wij zijn klaar en we hebben een prachtige middag gehad. Niet te warm en toch redelijk zonnig. Via dezelfde weg rijden we terug naar onze camping. Een heel mooie dag en dat voor € 5,50!



Zaterdag 3 juni: Tochtje in de buurt van de camping; Lanloup, Kermeria, Port Moguer bij Plouha en het Bonaparte strand

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


’s Morgens is het heel helder weer. We kunnen details onderscheiden op de eilandjes voor de kust, tot zelfs op het Ile de St. Bréhat aan toe. Met de 60 x optische zoomcamera zie ik de veerboot zelfs duidelijk. Een kampeerplek met zo’n uitzicht is toch wel bijzonder hoor. We doen boodschappen op de markt in het nabije Plouézec en in de Intermarché daar. ’s Middags maken we een tochtje door de omgeving. Eerst zoeken we het kerkje van Petit Saint Loup. Het ziet er keurig onderhouden uit. Erin kunnen we niet. Dan naar Lanloup. Dat is een klein dorp met een bijzondere kerk uit de 15e eeuw. Hij heeft zo’n voor de omgeving typerende toren met een open bovenstuk waarin twee klokken hangen. Nou ja, toren, het is meer een uitgebouwde voorgevel. Ernaast en ertegenaan staat een rond torentje. Voor de kerk staat een calvariebeeld op een pilaar, zoals je dat hier ook meer ziet. In de warmte dwalen we om de kerk, waar een keurig kerkhof ligt.

Muurtjes zijn vaak tuintjes op zich. Hier de muur bij de parkeerplaats tegenover de kerk van Lanloup.

   

kerk van Lanloup

 


We rijden verder naar Kermeria-an-Isquit, een gehucht in het achterland ten zuiden van Lanloup. Via heel smalle weggetjes bereiken we het lieu-dit (gehucht), een paar boerderijen en een relatief grote kapel/ kerk. Hier binnen zou een danse macabre, een dodendans te zien zijn. Met een Duits stel verwonderen wij ons over de mogelijkheid tot bezichtiging: alleen op dinsdag kun je een 06 nummer bellen. We moeten ons op zaterdag dus tevreden stellen met de buitenkant en met het portaal, waar een aantal stoffige, meerkleurige, in hout uitgevoerde heiligenbeelden ons aanstaren. Aandoenlijke volkskunst. Het plafond van het portaal is beschilderd. We zijn wel nieuwgierig naar het interieur, maar helaas.

plafond en beelden in het portaal van Kermeria

Port Moguer


We rijden terug naar Plouha, waar ik bij het Carrefour tankstation goedkoop de benzinetank volgooi. Via kleine wegjes proberen we de weg naar en langs de kust te vinden. Port Moguer is een haventje, of liever een mooi beschutte baai waar je een boot te water kunt laten. Een paar mensen zwemmen er in het heldere water. Er is een hoge muur in zee gebouwd waar we op klimmen en vanwaar je een fraai uitzicht hebt op de ruige kliffenkust. Het is er genieten in de zon en de wind.
Na een poosje zitten en rond kijken rijden we verder naar een ander punt aan de wilde rotskust: het strand Bonaparte. Er is een parkeerplaats; op de rotsen is een eenzaam en verlaten (?) huis gebouwd. Door een gemetselde poort en tunneltje in de rotswand loop je naar het keienstrand. Er zitten nogal wat mensen te genieten van de zon en het water. Als het eb is, schijnt er ook een zandstrand te voorschijn te komen. Wij zien nu alleen keien. Maar mooi is het wel. Steile rotskliffen met groene pruiken en een lichtblauwe zee die wel licht schijnt te geven.

door een poort naar het strand Bonaparte

    

Een paar plaquettes op de rotswand vertellen het verhaal van ‘de zwarte nachten’ van 1944. Tijdens die nachten zijn hier in totaal 135 neergeschoten geallieerde piloten, van wie volgens een aparte plaquette 94 Amerikanen, clandestien op scheepjes het land uit gesmokkeld naar Engeland.

 

 


Zondag 4 juni, wandeling bij de camping

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


’s Morgens haal ik altijd een besteld stokbrood van de receptie, 100 treden naar beneden en 100 naar boven. Deze morgen is er iets mis gegaan. Ik krijg een kop koffie en wacht in de zon op het terras op het brood. Ik krijg er een extra mee, als compensatie voor het wachten, wat trouwens geen straf was in de zon op het terras... Bij de koffie gebruiken we het nog warme stokbrood met boter als koekje. Net zo lekker als appeltaart. Na de lunch met de rest van de broden (er is nog veel over..) maken we een wandeling richting Paimpol langs het kustpad de GR 34. Maar gaandeweg pakken wolken zich samen en over zee zien we het stralen van de regen. We besluiten terug te gaan. Desondanks krijgen we toch nog een staart van de bui mee. Eenmaal bij de caravan na de bui schijnt de zon nog weer waterig, maar het is vandaag fris. Koud dus: 16 graden. De zon gaat die avond wel magistraal onder.

   

Zelfs de oostelijke hemel verkleurt.

 



5 juni maandag:  Sillon de Talbert en de Jardins de Kerdalo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


In de reisgidsen lezen we dat de Sillon de Talbert zo bijzonder moet zijn. “De Sillon de Talbert is net een uitroepteken dat is getekend op het schiereiland van Tregor en zich drie km voorzet in een zee bezaaid met rotsen. De smalle strook zand en strandkeien van 35 m breedte is gevormd door de tegengestelde stromen van de Trieux en de Jaudy. Deze minerale spits vormt niet alleen een beschutting voor de vele vogels en een weg voor de wandelaars, het beschermt ook de vaargeul tussen Paimpol en Bréhat. Een bijzondere plek!” (www.bretagne-vakantie.bzh)

 

bij Kermouster

 Kermouster

 

De koffie drinken we vanochtend in Lézardrieux. We bekijken de kerk waarvan de binnendeur overigens gesloten is zodat we het interieur wel kunnen zien maar niet naar binnen kunnen. Het stadje is stil; weinig mensen op straat. Langs de kust rijden we verder naar het noorden. Kermouster is zo’n dorp waar je nooit komt als je alleen de grote wegen neemt. En dat zou zonde zijn als je houdt van bloemen, leuke huizen, intieme straatjes.

Bij het Ile de Bois staan we op een parkeerterrein naast een auto met een echtpaar. Ze eten in de auto een soort gebak, als lunch denk ik. Ik knoop een praatje aan (‘mooi uitzicht over de baai bij de lunch’) en krijg meteen een stuk gebak aangeboden. We weigeren beleefd en dankend, we hebben ons eigen stokbrood, zeggen we. Zij is Bretonse en trots op haar landstreek. We moeten vooral ook de rotsen bij Ploumanac’h gaan bekijken, zeggen beiden. ‘Zo mooi!’ Die stonden al op ons programma. We wandelen een eindje over het droog liggende strand. Het ruikt er zilt en naar rottend wier. Het is eb dus het strand is heel breed. Het uitzicht op de baai is fraai. Na de wandeling zwaaien we nog eens naar het echtpaar in de auto. Ze zwaaien vriendelijk terug. Aardige mensen, die Bretons.

baai bij Ile de Bois. Het is eb. (vertekende panoramafoto) 


We rijden verder en wijken nu en dan van de doorgaande weg af om bij de kust te komen. De natuur is hier heel uitbundig, de tuinen van mensen idem en alles ziet er verzorgd maar niet té uit. Met té verzorgd bedoel ik: op zijn Oostenrijks, wat ik altijd een ‘aangeharkt’ landschap noem. Hier is het wat rommeliger en informeler, maar veel leuker en aantrekkelijker, vinden wij.
In de buurt van Lanmodez proberen we een eettent te zoeken maar hebben daar niet veel succes mee. Er is weinig en als er wat is, is het dicht of men serveert alleen koffie. Zo komen we na omzwervingen door de kuststreek toch terecht op de parkeerplaats bij de Sillon de Talbert. Het weer is intussen niet beter geworden. Er staat een stevige wind die je hier op die landpunt natuurlijk extra merkt. Als we een eind de smalle landtong opgewandeld zijn, gaat het spetteren. In de verte ziet het er dreigend uit. Aan onze paraplu hebben we in deze harde wind niks. Het is puur onaangenaam en we besluiten terug te lopen. We worden gelukkig niet al te nat voor we naar binnen stappen in een klein eettentje bij de parkeerplaats. Het zit aardig vol, het is ook maar zo klein, maar in de hoek kunnen we nog net zitten. De baas en zijn zus zijn er druk mee maar de ontvangst is gemoedelijk en informeel. We bestellen ieder een galette, een superdunne pannenkoek, en ik neem gerookte forel als vulling. Erbij een glas cider. Het smaakt uitstekend. Terwijl buiten de regen tegen de ramen klettert, zitten wij hier goed.


Na onze lunch is het weer nog niet zodanig dat we de kale landtong op willen. We zien ervan af. Wel jammer want ik had deze bijzondere wandeling wel willen maken, misschien ook nog foto’s van zeevogels kunnen maken, maar het moet wel leuk blijven. En dat is het met dit weer niet. We kijken in ons ANWB-gidsje wat een alternatief zou kunnen zijn. De tuinen van Kerdalo, besluiten we. Die liggen een eind zuidelijker tegenover de stad Tréguier aan de rivier de Jaudy. De tuin blijkt nog niet zo simpel te vinden. De bewegwijzering ernaartoe is on-Frans slecht (bv. slechts van één richting zichtbaar en dan natuurlijk net niet onze richting!) maar door stug volhouden en zoeken rijden we uiteindelijk toch het grote parkeerterrein op dat bij de tuinen hoort.

IMPRESSIE VAN DE TUINEN VAN KERDALO: 

 

het landhuis van de tuinen van Kerdalo

     

   

    


In 1965 heeft een schilder deze tuinen, de Jardins de Kerdalo, ontworpen en aangelegd. Na zijn dood heeft een dochter het beheer overgenomen. Ze hebben heel wat problemen moeten overwinnen, maar sinds 2007 zijn de tuinen zelfs tot ‘Monument Historique’ verheven. We betalen twee keer €8,50 als entree en mogen dan onze gang gaan, met een kleine plattegrond als leidraad. Het is een vrij groot gebied en het herbergt een uitzonderlijke afwisseling. Vijvers groot en klein, een waterval, een watertrap, een grot, paviljoentjes, borders, gazons, boompartijen, noem het maar. Het weer is nog steeds niet geweldig maar het is droog. We wandelen op ons gemak alle delen van de tuin door en maken veel foto’s.


De tuinen liggen op een geleidelijk aflopend terrein naast de rivier en door de hele tuin stroomt op een natuurlijke manier water, door een ‘canal’, vijvers, stroompjes, watervalletjes. We zien eerst de carrées, de vierkanten, waar je alleen maar bovenop kunt kijken: je mag er niet in. Dan lopen we even door het tuinhuis waar wat vergeelde foto’s hangen van hoe de tuin tot stand is gekomen. We zijn meer geïnteresseerd in de tuin nu. We lopen eerst naar boven, tot we niet verder kunnen en dalen dan af langs allerlei borders en boomgroepen, vijvers met soms prachtige doorkijkjes, beschutte omsloten plekken en dan weer gazons die een wijdere blik bieden. Zo nu en dan wordt ons ook een doorkijk op het landhuis gegund, dat hier volstrekt past in dit tuinlandschap.


Soms vallen er een paar spetters. Bij de grot gekomen gaat het wat harder regenen. Hier heb je tussen de dichte bamboebegroeiing door een mooi zicht op de oude stad Tréguier, maar doordat de harde wind net op ons af komt, genieten we daar niet echt van. We lopen terug en kijken nog even op de terrassen. Die liggen wat hoger dan het huis en hebben een gevarieerde beplanting met veel bloemen, maar helaas moet de paraplu nu op en regent het flink door. Foto’s maken wordt zo al moeilijk. Druppels op de lens maken de opnamen wel sfeervol misschien, maar we hebben het ook wel gezien nu. We lopen hier nu al een paar uur rond. Het was erg mooi en eigenlijk troffen we het nog met het weer. We bedanken de mevrouw van de kaartjes en lopen terug naar de auto.


Op de terugweg naar de camping gaat het harder waaien, met regenvlagen. Bij de caravan is het nu ook geen pretje want we staan op het hoogste punt van het terrein en vangen veel wind. Die rukt zo hard aan de luifel dat de caravan ervan schudt. Ik besluit het ding eraf te halen. Zo wil ik de nacht niet in. Dat bergen van de luifel is nog niet zó gemakkelijk in die wind, maar gelukkig is het even droog. We krijgen alles nog redelijk droog opgeruimd. Als we eenmaal binnen zitten begint de regen weer te kletteren en gaat de hele avond door en ook ’s nachts regent het soms hard en voel ik de rukwinden de caravan schudden. Gelukkig dat ik doorgezet heb om de luifel eraf te halen.

6 juni

Ook de volgende dag blijft het zulk weer. Soms is het wel droog, maar de wind blijft stevig waaien. Het is er koud bij, 16 graden of zoiets. Later in de middag nemen de buien af en komt de zon er zelfs even bij. Ik doe nog even boodschappen bij de Intermarché in Plouézec. De wilde wolkenluchten zorgen wel voor een fraaie zonsondergang. Zelfs de zee kleurt roze.

 

Oester- of mosselbanken voor de kust bij de camping

 

 

strand bij de camping bij helder weer

 



Woensdag 7 juni: Tocht naar Ile de Bréhat (het eiland Bréhat) en een lange wandeling over het eiland

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Het weer is vandaag beduidend beter en vandaag gaan we naar het eiland Bréhat, dat we steeds al hebben kunnen zien liggen vanaf onze kampeerplek: blinkend in de ochtendzon en wazig oranje bij de zonsondergangen. We rijden via Paimpol naar het noorden via Ploubazlanec. De weg eindigt hier, zoals vaker op dit schiereiland, in een parkeerplaats, maar deze is professioneel aangelegd met bewaking en een toegangsprijs van zes euro voor een hele dag. Dan in de rij voor de kaartjes voor de boot. Er zijn meer mensen op het idee gekomen om het eiland te bezoeken… We staan in de rij. Het kaartje kost twee keer € 10,30 retour.

 de veerboot

 de aanmeerkade (vasteland) die langzaam onder water loopt

 het eiland

    

Als we eind van de middag weer inschepen is dat bij de kade op de achtergrond. Alles staat hier dan weer meters onder water. 

   

Kaart van het eiland op tegeltableau                                     en ook hier weer heel wat meters hoog reuzenslangenkruid

 

 

De veerboot van de ‘Vedettes de Bréhat’ laat gelukkig niet zo lang op zich wachten. Om elf uur vertrekt de boot. Intussen verwonderen wij ons over hoe snel de kade waaraan de boot moet aanmeren, onder water loopt nu het vloed wordt. Gelukkig is overal goed over nagedacht en kunnen we vlot inschepen zonder natte voeten. We gaan boven op een van de dekken zitten. Daar is het nog wel winderig en fris en zitten we een beetje in de dieselrook, maar het uitzicht is wel wat waard. Een kwartier later zijn we er al. Ook hier op het eiland zie ik een diversiteit aan pieren waar de boot kan aanmeren, al naar gelang het tij. We zullen dan ook ’s middags van een heel andere plek vertrekken dan we nu aankomen, maar dat wijst zich vanzelf. De andere pieren staan gewoon onder water dus die mogelijkheden zie je gewoon niet meer.

 


Eenmaal aan wal steken we meteen aan bij het hotel-restaurant ‘Belle Vue’ vlak aan de haven. Een goede naam voor dit hotel: het uitzicht is inderdaad mooi. We hebben zin in koffie. Dat die op deze plek niet goedkoop is, spreekt vanzelf. Maar € 8 voor twee kopjes koffie vinden we toch wel stevig. Vervolgens wandelen we een stukje richting ‘Le Bourg’, het dorp op het eiland. Erg toeristisch, uiteraard. Veel winkeltjes en restaurantjes en dergelijke. En vooral veel volk. Het verbaast mijn vrouw en mij steeds weer dat veel publiek kennelijk naar een toeristische bestemming komt om daar op een terrasje te gaan zitten en goedkope souvenirs te kopen van al die dingen die er te zien zijn maar die ze zelf niet zien…omdat ze niet verder komen dan de terrasjes en de winkeltjes. Een eind verder, wat buiten het dorp, zien we een leuk uitziend terrasje bij een pannenkoekenrestaurant. Het is een eenvoudige tent, gemoedelijk maar gezellig. We besluiten, voor we echt aan de wandel gaan, hier eerst maar de lunch te gebruiken. We nemen elk een galette met prei en gerookte zalm en een half litertje cidre brut erbij. Dit moet je eten en drinken als je in Bretagne bent! Het smaakt heerlijk en we zitten aangenaam in de niet te warme zon. We rekenen € 32 af. Dat is dan, zeker in verhouding tot de kopjes koffie zostraks, een heel redelijke prijs.

 

   

Links de ingang van de kerk in Le Bourg.                                    rechts: Eerst dachten we dat het rozen waren maar het zijn meters hoge geraniums. Franse geraniums. 

Bij de brug naar het tweede eiland liggen ook veel bootjes op het droge, wachtend op de vloed. 

   

Dit is de bloem van het eiland. Ze  begonnen net te bloeien toen wij er waren.    Re:   idyllische woonhuizen

We wandelen door steeds aantrekkelijk landschap. Het eiland is praktisch autovrij. 

In de verte al de Phare du Paon, de vuurtoren op het Noorder eiland. 

 de vuurtoren


Maar we willen wandelen en dan moeten we toch verder. Het kost even tijd om de juiste weg te vinden het dorp uit, want wegwijzers staan er niet veel. We vinden de weg aan de goede kant het dorp uit en komen door schilderachtige dreven, o.a. bij de brug die naar het volgende -nu schier-eiland leidt, de Pont Ar Prat. In de baai liggen veel scheepjes op hun kiel of op hun zij op het droge. Vanaf de brug is het nog een best stugge wandeling (voor ons doen) naar helemaal de uiterste noordpunt bij de vuurtoren, de Phare du Paon. Maar het is mooi wandelweer en het eiland is schilderachtig en ook redelijk rustig. We komen natuurlijk wel andere wandelaars en fietsers tegen maar niet ergerlijk veel. De landelijke rust overheerst. Het landschap is afwisselend. Soms biedt het uitzicht op een baai, dan loop je tussen glooiende heuvels, dan tussen ommuurde tuinen. Bij de vuurtoren is het natuurlijk wel redelijk druk. We zien ervan af om erop te klimmen, je kunt een eindje omhoog, maar niet spectaculair. In plaats daarvan fotograferen we de rotsige kust met zijn roze granietrotsen. Met mijn Nikon super-telezoomcamera kan ik de eieren zien liggen in het nest van een meeuw op een rots in zee. Ik gebruik de camera regelmatig als verrekijker. 60 x optische zoom is veel en door de goede beeldstabilisatie krijg je zelfs met die zoom scherpe foto’s, ook uit de hand! Die beelden kun je dan nog weer vergroten op het scherm en zo zie je dingen die je met een goede kijker nauwelijks zou ontdekken. Zoals die eieren in het meeuwennest.


Al met al is het al redelijk laat geworden, de wandeling kostte ons meer tijd dan we gedacht hadden, en we wandelen terug over deels dezelfde weg. Tijd om ook andere hoeken van de eilanden te bezoeken hebben we niet, maar het is zo ook mooi geweest. We genieten van de natuur met veel wilde bloemen en planten, van de huizen met soms fraaie tuinen, van de begroeide muurtjes die soms op zich al een tuintje zijn. Het is toch nog wel een heel stuk in de relatieve warmte en we zijn moe als we het dorp bereiken. We hebben hier gelukkig nog tijd om een drankje te nemen en dan naar de pont waar het uiteraard ook druk is. Iedereen moet tegen de avond weer terug naar het vasteland. Toch hoeven we niet lang te wachten. Zodra de boot vol is om kwart voor vijf, vertrekt hij. Een uur later zijn we weer op onze stek op de camping Cap de Bréhat, waar we weer kunnen kijken naar het eiland dat we net helemaal hebben af gelopen. Een mooie dag met wolken en zon en een graad of twintig. Om te wandelen was het ideaal weer.

 drukte bij vertrek

 



Donderdag 8 juni: laatste dag op deze camping; tocht naar Perros-Guirec en de rochers van de Côte de Granite Rose bij Ploumanac’h

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Het is een eindje rijden maar het is de moeite waard, de zo geprezen rotskust, het ‘mooiste stukje van Bretagne’. Ik rijd naar Perros-Guirec omdat ik denk dat we daar al de roze rotsen kunnen zien maar dat valt tegen. Eerst drinken we koffie aan de corniche, waar het nu in de ochtend nog rustig is. Op het terras kijken we naar het langs lopende publiek. Een man van de gemeente vervangt de vlaggen van Bretagne, Frankrijk en de EU omdat ze hier in de altijd aanwezige wind snel slijten. We wandelen een eind langs de corniche omdat we denken dat we hier de rotskust al binnen bereik hebben, maar niet dus. We lopen dus terug en gaan dan met de auto verder, en zo ontdekken we dat het nog een flink stuk rijden is. We moeten eerst de hele stad door en dan pas komen de rode rotsen in zicht: het Granite Rose bij Ploumanac’h.

  adembenemend uitzicht

   

 

 

 


Op een hoog gelegen parkeerplaats met picknickbankjes en een adembenemend uitzicht over de roze kust beneden ons eten we ons meegebrachte stokbrood met kaas en worst, en Bretons kraanwater. Beneden is ook een parkeerplaats en van daar kunnen we gemakkelijk een eind van de GR 34, het zgn. Douanierspad, wandelen. Zo komen we langs de mooiste stukken met roze granietrotsen. De kust is hier ruig. De rotsblokken lijken soms neergesmeten maar soms ook gestapeld door een gek, want soms liggen ze zo wankel op een punt dat je elk moment verwacht dat de rots kan omkiepen. Maar zo liggen ze dus al eeuwen en ik ga er met een gerust hart naast staan of onder kijken.

Het wandelpad is keurig onderhouden. Soms kun je een zijpad nemen om dichter bij de rotsen en bij de zee te komen. Het is een heel bijzonder landschap en een bijna vervreemdende ervaring. In veel rotsen kun je met enige fantasie dieren of koppen of nog andere dingen zien. Er staat nog Engels gras te bloeien, hier en daar zelfs nog late blue bells en ook zien we mooie paarse orchideeën. Als wij er van dichtbij een foto van maken, staan ineens meer mensen erbij stil en wijzen; waarschijnlijk hadden ze anders de fraaie bloemen nooit gezien.

     

    

 


Wat het ook nog mooier maakt is de diep paarse (dop)hei die volop bloeit. We genieten volop, maken foto’s en ik ook een paar filmpjes en panoramafoto’s, want met gewone foto’s kun je nauwelijks overbrengen wat voor indruk dit landschap op je maakt.


Op de terugweg nemen we de ‘Corniche Bretonne’, die langs de zee loopt en volgens de reisgids zo mooi moet zijn, maar het is maar een kort stukje, het is eb en er is dus geen water te zien, kortom, na de rotskust is dit een tegenvallertje. Maar al met al was het een mooie dag. Het weer was ook wel fotogeniek met witte wolken, wat zon en niet al te warm.

Op de camping breken we de zaak alvast op. Ik haal pizza’s bij de receptie en betaal alvast de camping. Om de korting voor meer dan zeven dagen verblijf (wij waren er tien) moet ik wel vragen. Zeven dagen blijven is zes betalen, dat is de aanbieding. Morgen op naar de zuidkust. Met de helft van de pizza's doen we trouwens morgen onze lunch...

 

 



Vrijdag 9 juni: naar de zuidkust van Bretagne, naar Telgruc sur Mer, camping Le Panoramic

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


We koppelen de caravan aan en verlaten de camping. Via Plouha en Guingamp gaan we naar de autosnelweg, de N12. Die volgen we tot Landvisiau. Daarna volgen smallere wegen naar het zuiden en hoe dichter bij ons einddoel, hoe smaller de wegen worden. Vanaf de D887 worden we via de navigatie een weg op gestuurd die we niet vertrouwen. Zo smal. Waar lopen we vast met de caravan, vragen we ons af. Ik draai de combinatie als ik een oprit naar een boerderij zie. Draaien met de combinatie gaat me wel redelijk af. Maar terug op de hoofdweg wordt het toch duidelijk dat we die smalle weg wel hadden moeten hebben. De plaatsborden naar dorpen als Telgruc zijn hier ook zo klein dat je ze snel mist. Op de rem gaan staan is niet aan te bevelen want er wordt hier redelijk hard gereden. Weer draaien en dan toch maar het C-weggetje in. Uiteindelijk komt het allemaal wel goed. Nergens wordt het zo smal dat we er niet langs kunnen - al houdt het soms niet over. Gelukkig is het er niet druk. In het dorp staan borden naar de campings die bevestigen wat de navigatie al zegt. Aan de D208 komen we eerst langs camping L’Armorique en even verder ligt Le Panoramic. Meer info: http://www.camping-panoramic.com/en/

 


We nemen de steile oprit en parkeren. We verkennen de camping te voet; de receptie is niet bemand zo op de middag. Er zijn veel lege, grote plaatsen. Er staan maar héél weinig mensen. De afstand naar een toiletgebouw is wel erg groot. We lopen terug en inspecteren het toiletgebouw. Vooral R is niet erg enthousiast. Ze vindt het niet schoon. Alsof er in lang niks aan is gedaan. Als we eigenlijk al van plan zijn naar de andere camping te gaan (500 meter terug), komt een mevrouw ons tegemoet. Ze is de eigenaresse (denken we) en ze houdt een heel verhaal. Ze heeft nog andere plekken en daar is ook een toiletgebouw in de buurt. We gaan kijken. Het is inderdaad een mooie plek die ze ons had aangeduid. Heel groot, zo groot hebben we zelden gezien op een camping. Ook redelijk vlak en vooral: met een fantastisch uitzicht op de omgeving, de baai van Douarnenez en de oceaan. Wat dat betreft doet de camping zijn naam eer aan. De toiletten zijn bij dit gedeelte… mwah, redelijk schoon, vind ik. R. is er nog niet enthousiast over, maar wil er genoegen mee nemen omdat de andere voordelen tegen dit nadeel opwegen. Wel is het sanitair op deze plek mooi dichtbij. Dertig meter lopen, trappetje af. Ook op dit deel van de camping staan nauwelijks mensen. We besluiten de plek te nemen. Het is op een nogal aflopend terras maar de plek zelf is mooi horizontaal. Ernaast zijn twee plekken met een vakantiehuis, een grote stacaravan. Die zullen zo lang wij er zijn niet of nauwelijks bewoond worden dus daar hebben we geen last van.


Maar dan komt het. De toegang tot het paadje naar onze plek is met een haakse bocht. In de bocht staat een paal en aan beide zijden een grote struik. Ik denk dat ik het net kan halen met de combinatie maar kom dan met de caravanspiegels vast te zitten in de struik. Met veel moeite krijg ik de spiegel er van binnenuit af, voordat de hele autospiegel ook vernield wordt. Terugrijden was helemaal geen optie, dan was de spiegel echt vernield. Dan lukt het met veel sturen en minder dan stapvoets vorderen. De plek opdraaien met de caravan kan ook alleen doordat we een mover hebben. Afkoppelen moet namelijk op een helling. R vindt het allemaal erg griezelig. Nou ja, als de mover op de banden zit, blijft de caravan echt wel staan. En de caravan de plek opdraaien lukt de Truma mover ook prima. We zetten ons woonhuis zo dat we voor én achter veel ruimte overhouden. Zo hebben we voor ons, zittend onder de luifel, wel vijftien meter vrij zicht op onze eigen plek! En daarachter staan bosjes. Om de plekken staan heggen van o.a. liguster, die bloeit en heerlijk ruikt. ’s Ochtends en ’s avonds ruikt de hele kampeerplek zoet van de liguster.

 


Vanaf onze plek kunnen we binnendoor naar de toiletten en na een paar dagen ontdek ik nog een paar toiletten in het speelgebouw. Omdat er zo weinig gasten zijn, zijn de toiletten redelijk te gebruiken, ondanks dat er zelden wordt schoongemaakt. Een paar keer zie ik een busje van een schoonmaakbedrijf, maar na hun bezoek zien wij weinig verschil. De dode sprinkhaan ligt erna nog net zo op de vloer als ervoor… Een zzp-er die haar geld gemakkelijk verdient, denken we.

 


Maar de plek is mooi! Er zitten allerlei vogels te kwinkeleren en na een paar dagen komt er een roodborst letterlijk van onze tafel en borden (!) eten bij de lunch. En van het uitzicht genieten we elk moment dat we even opstaan. Zittend is de heg net te hoog om de oceaan te zien. We kunnen het strand zien waar bij eb gereden wordt met strandzeilwagens. We zien een buitenwijk van Telgruc, een Bretonse molen, en de kust en de zee dus. Elke keer is het uitzicht weer anders, door eb en vloed, door ander weer, ander licht.
Bij de camping is een restaurant waar we een keer redelijk lekker zullen eten. Een winkeltje is er niet, maar het dorp is niet ver, een paar minuten met de auto. Daar, in Telgruc, is een goede bakker met prima volkorenbrood en lekker gebak en er is een goed voorziene Carrefour supermarkt. Meer hebben we niet nodig.
Vandaag hebben we van noord naar zuid toch nog 170 km gereden. Bretagne is uitgestrekter dan ik thuis dacht.

 

uitzichten vanaf onze plek op Le Panoramique



Zaterdag 10 juni: De omgeving van Telgruc-sur-Mer verkennen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


We doen vandaag rustig aan. We doen boodschappen in het dorp: eindelijk eens lekker volkoren brood bij de echte bakker en een paar taartjes voor straks bij de koffie. De rest van de boodschappen doen we bij de Carrefour supermarkt om de hoek. Bij de lunch in de zon voor de caravan komt er een roodborst bij ons zitten. Eerst op de scheerlijn, dan dichter bij in het gras en uiteindelijk zit hij de kruimels van de tafel en zelfs van ons bord te pikken. Een keer gaat hij zelfs op mijn knie zitten, maar dat verrast hemzelf ook denk ik. De komende dagen is hij vaste gast.. Nooit eerder zo’n ‘brutale’ roodborst gezien! Natuurlijk wordt hij beloond met broodkruimels en geplette mueslihavervlokken.
In de supermarkt hebben we een paar leuke T-shirts gekocht met een opdruk van ‘Breiz’h’ (Bretagne in het Bretons) en alvast een aardigheidje voor de buren die op het huis passen.
In het dorp Telgruc bekijken we de kerk met ervoor zo’n muur die de kerk afscheidt van het plein, je ziet dat hier vaker. Er is een poort met een stenen heilige erbovenop. Een enclos paroissal noemen ze die omsloten ruimte om een kerk hier.

 

 

   

marktplein van Telgruc met de kerk en de oude, traditionele ommuring, typerend voor veel kerken hier in Bretagne.

 

 

 

 de roodborst, onze vaste gast aan tafel


’s Middags maken we een tochtje met de auto langs de kust in de omgeving. Eerst rijden we de weg van de camping af naar het zandstrand waarop we vanaf onze plek op de camping uitkijken, het strand van Bellec. Met eb is het een heel brede zandvlakte, met vloed blijft er geen strand over en komt het water bijna tot aan de dijk. Hier liggen namelijk geen hoge kliffen of duinen, dus ligt er een dijk waarover de smalle weg is aangelegd met parkeerplaatsen erlangs. Vóór de weg langs het strand begint, is er ook nog een grote parkeerplaats. Daar zetten we de auto neer en wandelen het strand op en neer. Zo heel lang is het niet. 1,3 km om precies te zijn en bij eb meer dan honderd meter breed. Het is prachtig fijn, hard en schoon zand. Vandaar dat we vanaf onze camping regelmatig zeilwagens hier hun rondjes zien rijden. Tegen de dijk aan liggen heel veel mooie stenen, waarvan we er als we weggaan wat willen meenemen voor de tuin. Dat doen we altijd in kampeerlanden. In onze rotstuin thuis liggen naast Drentse veldkeien, stenen uit alle delen van Frankrijk, uit Noorwegen, Oostenrijk, Italië en Slovenië.

 

het strand van Bellec bij de camping bij eb en opkomend tij

   

 

kust bij Pointe de Kéric

 

lichtspel in wieren

We vinden hier in deze bocht bij Pointe de Kéric fraaie, weliswaar een beetje ruikende wieren en ook prachtige roze schilden van krabben in verschillende maten en leuke schelpjes. De mooiste krabschilden liggen nu op de salontafel te pronken bij bloemstukjes die R maakt. Op de foto een deel van onze 'verzameling' van deze middag. 

 


We rijden verder over de dijk naar de zuidoostkant van het strand, waar de weg met een scherpe bocht en stijging het land in draait. Via achteraf weggetjes rijden we door het achterland langs de kust. Wuivende korenvelden, knusse boerderijen en dan ineens weer een stuk steile, woeste kust. Daar bij de Pointe de Kéric is een klein strandje met voornamelijk keien, althans nu. Bij eb is het misschien anders. We vinden er prachtige, roze schilden van krabben, nog helemaal intact. We spoelen ze schoon en leggen ze op de camping te drogen. Nu liggen ze op tafel bij een bloemstukje. Ook liggen er mooie schelpen en stukken van scharen van krabben. Hier komen we de buren van de camping tegen, ook een Nederlands stel. Ze lopen delen van de GR34, met behulp van fiets en auto erbij.

Een eind verder komen we langs een mooie baai: 

 

met een kop koffie genieten van de laatste stralen van de zon van deze dag

 

 



Zondag 11 juni Crozon, Cap de la Chèvre, Pointe de Dinan

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Na de koffie rijden we naar Crozon, een stadje een eindje (13 km) naar het westen. Er staat een aardige kerk die wij wel binnen willen bekijken maar het is zondag dus er is (nog) dienst. We lopen een rondje, bewonderen een fraaie klassieke VW kever en dan kunnen we naar binnen. De kerk trekt hier nog wel zondagse bezoekers: er komen er heel wat uit wandelen. In de kerk zijn mooie ramen en er is beroemd retabel, een altaarstuk, uit 1602. Erop is het verhaal uitgebeeld van de “tienduizend martelaren”. Dat verhaal gaat over 10.000 pas bekeerde soldaten uit Thebe die door keizer Hadrianus (117-138) op de berg Ararat in Armenië werden gekruisigd om hun christelijk geloof. Het stuk bestaat uit een onderstuk, een drieluik en daar bovenop nog weer een drieluik in het klein. Het krioelt letterlijk van de kleine beeldjes. Tienduizend zullen het niet zijn maar wel veel. Het is uitgevoerd in polychroom, en dat is nog aardig intact al ziet het er wel wat stoffig uit. Voor de hieraan verbonden legende: zie http://www.heiligen.net/heiligen/06/22/06-22-0135-achatius.php

de kerk van Crozon

  

het altaarstuk (retabel) in deze kerk van de tienduizend martelaren en een detail ervan

 


Morgat, een mondaine badplaats, waar de D887 langs het strand loopt, lokt ons niet aan tot een nader bezoek. De bekende dure restaurantjes, winkeltjes en zo voort die je in al dit soort plaatsen ziet. Soms wel even leuk om langs te slenteren maar nu niet. Wij rijden door, het schiereiland van Crozon op. De weg gaat nu door een woest en verlaten landschap, met lage begroeiing, die een beetje doet denken aan de maquis in het zuiden, alleen hier is het niet zo droog. Op een bepaald punt gaat de weg vrij dicht maar hoog langs de zee. Dat geeft een mooi panorama. Het is hier erg winderig en fris met net een wolk voor de zon. We komen langs het gehucht Rostudel, een bijzonder dorp, ‘village classé’, met lage huisjes met grijze leien daken en een helblauwe deur en luiken voor de ramen. Achteraf hadden we even nader moeten kijken.

Op een hoog punt van de weg over het schiereiland van Crozon op weg naar de Kaap van de Geit heb je een mooi uitzicht over de oceaan. 


Nu rijden we door tot de grote parkeerplaats aan het einde van de weg. Van hier af kun je beide kanten op wandelen. We zijn hier op de Pointe de la Chèvre. Wij gaan naar het westen, richting een militaire post en een gedenkteken voor Franse soldaten, uit de Tweede Wereldoorlog. We wandelen een heel stuk langs de schilderachtige kust. Er is een goed wandelpad, deel van de inmiddels vaak genoemde GR34. Naast slome wandelaars zoals wij komen we ook de ‘echte’ tegen met stokken, een rugzak en een hoog tempo.

Er staan hier alleen maar lage struiken. Veel liguster bij voorbeeld, die hier niet hoger wordt dan 30, 40 cm maar die geweldig bloeit en heerlijk ruikt. Hier en daar steekt een bremstruik er bovenuit. Het wandelpad leidt langs fraaie stukken kust. Soms hoog, soms wat lager. Steile kliffen met een doorbraak en zowaar een strandje diep beneden. De Atlantische Oceaan (dus niet meer Het Kanaal aan deze zuidkust) rolt met wit schuimende brekers tegen de rotsen.


Dan naar de Pointe de Dinan. Daar is het eb en kunnen we op een zandstrand in de buurt een heel eind wandelen. Vanaf de parkeerplaats lopen we door de ‘duinen’ (het zijn geen echte zandduinen maar doen eraan denken) via paadjes naar de kust en terug. Onderweg weer de bedwelmende geuren van o.a. liguster. Er staan zelfs fraaie paarse orchideeën te bloeien. Het is vandaag mooi weer: zonnig, niet te warm, wat verkoelende wind, heerlijk.

    

Hier maken we een lange strandwandeling

 

 



Maandag 12 juni, naar de ruïne van de oude abdij van Landévennec, Pointe de Roscovel en Pointe de Espagnols

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Na de pannenkoeken als lunch bij de caravan vertrekken we naar Landévennec, een dorpje aan een inham van de Aulne aan de noordkant van ons schiereiland van Crozon. Het is niet lang rijden. We vinden een grote parkeerplaats en letten niet goed op de borden. We lopen naar de gebouwen. Dit is geen ruïne denken we nog, maar er is een deur waar je kunt bellen voor een bezoek. Ik bel en al snel komt er een oude monnik aansloffen die ons hoffelijk en vriendelijk ontvangt. Het blijkt dat dit het klooster is dat nog in gebruik is bij de Benedictijner monniken. Er is wel een klein museumpje waar we welkom zijn om te kijken. Het vertelt met foto’s de geschiedenis en de bouw van het nieuwe onderkomen voor de nu ongeveer 50 monniken. De grote kerk die erbij hoort, doet vermoeden dat hier heel wat pelgrims komen op bepaalde tijden. De kerk is sober ingericht, bijna protestants. Wel mooie, moderne ramen. ‘In 1958 zorgden de benedictijnen ervoor dat de vreedzame sfeer van het voormalige klooster herleefde in het nieuwe klooster, dat 500 meter boven het oude klooster van natuursteen uit Logona gebouwd is. In alle rust voeren zij hier hun activiteiten uit, van het onderhoud van de boomgaard tot aan de ontvangst van bezoekers.’ Bron: www.bretagne-vakantie.bzh/ontdek-de-bestemmingen/

 

"Vrede

De monniken wensen u welkom in hun abdij, gesticht door St. Gwénolé in de vijfde eeuw. Ze werd vernield als gevolg van de Franse Revolutie en gerestaureerd vanaf 1950 dank zij de gulle steun van getrouwen. Zij nodigen u uit om deel te hebben in hun gebeden; de kerk is de hele dag open."

 


De vriendelijke monnik legt ons ook uit dat de oude abdij dichtbij ligt, alleen we ontdekken dat we daarvoor met de auto toch een eindje moeten omrijden. Bij binnenkomst van het dorpje waren we er al voorbij gereden. Bij de oude abdij is een heel wat kleinere parkeerplaats. We kopen een kaartje bij een vriendelijke jongeman die ons een kaart meegeeft met het verhaal van de abdij in het Nederlands.

op een oude boomstam groeit dit tuintje


‘De heilige Guénolé koos dit paradijselijke oord uit om er omstreeks 485 het oudste Bretonse heiligdom te stichten. Van de gebouwen zijn nog prachtige overblijfselen te zien uit de 11e en 12e eeuw. Hoge muren, voeten van pilaren en sporen van het schip hebben de tijd en de Revolutie overleefd. Het Museum van de vroegere abdij, gelegen aan de rand van Landévennec, doet de geschiedenis van deze gedenkplaats herleven en besteedt in haar exposities en animaties ook aandacht aan de ontwikkeling van het huidige Bretagne.’
Het museum is wel aardig maar we besteden er niet veel tijd want het is er onder al dat glas bloedheet en benauwd. Bovendien zijn alle bijschriften in het Frans en dat is vermoeiend om te lezen. Buiten is het veel beter toeven. Mooi weer maar niet te warm.


Op ons gemak wandelen we tussen de muren door van de eeuwenoude abdij. Een van de oudste kloosters van Frankrijk. Het voorportaal is zelfs uit de tijd van Karel de Grote, de rest vroeg Romaans. De kerk of wat ervan over is dateert uit de 17e eeuw. Tijdens de Franse Revolutie werd die gesloopt en de stenen werden voor andere dingen gebruikt. Daardoor rest er slechts een ruïne. Het grondplan is natuurlijk nog goed te zien want er staan nog muren van een paar meter hoog. Ik kan me dus wel een voorstelling maken van hoe het geweest zal zijn.

  

In de kruidentuin staan o.a. artisjokken, die ze hier in Bretagne massaal verbouwen. Rechts een beeld van de heilige Gwénolé, stichter van de abdij.


Als we ook de kruidentuin bekeken hebben, wat overigens niet veel tijd kost want dat stelt echt niet veel voor, pakken we de auto. Het is vier uur. We kunnen nog wel even wat erbij doen. We gaan binnendoor naar de Pointe des Espagnols. Dat is nog wel een hele rit, helemaal naar de noordpunt van het schiereiland. In Roscanvel bekijken we nog even een kerkje en lopen even naar het strandje. Van daar loopt de D355 rond langs de punt van dit uit-stekende stuk land. Het is een landschappelijk fraaie weg. Op een gegeven moment ben je vlak bij de punt en daar is een grote parkeerplaats.

Hier lopen paden naar de kust. Op diverse plekken langs deze paden liggen bunkers die de Spanjaarden hier in 1594 bouwden om de haven van Brest aan de overkant in bedwang te houden. Ze werden echter in hetzelfde jaar verdreven, maar de bouwwerken staan er nog en ze staan er goed onderhouden bij. Op een kun je klimmen voor een beter uitzicht. Een andere is omringd door een soort slotgracht. Er staan er nog een heleboel. Borden erbij geven uitleg.

 bij Roscanvel in de buurt

zicht op de grote havenstad Brest vanaf het Pointe des Espagnols

 baai bij Brest

een van de Spaanse bunkers  uit d 16e eeuw

 

uitzicht vanaf de rondweg over het schiereiland

 douaneboot

 langs de D355


Wij genieten ook van het uitzicht over het water op de grote havenstad Brest. Met mijn superzoomcamera zie ik een heleboel details die me anders zouden ontgaan. We maken veel foto’s. Dan rijden we door en stoppen nog een paar keer voor panorama’s over zee. De heide bloeit hier met heel fel purperen bloemetjes. Een wit huis met lichtgrijs dak staat prachtig in het glooiende groen. Bretagne is mooi!


Dan aanvaarden we de terugweg. We zijn uiteraard laat terug op de camping maar we willen eten in het restaurant dat bij de camping hoort, dan hebben we daar geen gedoe meer mee. Uitgerekend vandaag is het dicht, ondanks het bord bij de ingang dat van alles aanprijst. Een Engels stel is ook verrast. ‘Die rare Fransen ook’, moppert de jongen. In het dorp Telgruc is ook niets te eten, dus dan maar naar Crozon. Net voor het stadje zie ik links een crêperie.

 de crêperie 

Van buiten lijkt het net een boerderij of een huis maar het bord staat echt op de gevel. Ik kijk even of deze zaak niet ook gesloten is op maandag, maar warempel, de kok en zijn moeder (?) zijn open en ontvangen ons vriendelijk. Er zit slechts één andere vrouw te eten, een kennis van de oude eigenaresse. Maar de galettes die ze maken zijn goed. Ik kies er een met ansjovis “anchois á l’ancienne” en R kiest sardines. We smullen beiden. We nemen er een fles cider bij. Ook heerlijk. We nemen ijs toe. R. kiest tot twee keer toe een smaak die er nou net niet meer is, maar uiteindelijk komt er toch een ijsje op tafel. Kan gebeuren. We zijn samen € 51 kwijt aan dit etentje, alles inclusief. Niet gek toch? Het interieur is grappig. Het is een soort overdekte binnenplaats, een beetje kneuterig ingericht, maar wel gezellig. Bij het afrekenen zie ik een merkwaardige oude kast staan. De kok vertelt dat de kast in tweeën is gezaagd, de achterkant is eraf. Vroeger sliepen mensen hierin, vertelt hij met een glimlach. Hoe bestaat het, in zo’n kleine kast. Nou ja, hij is vergelijkbaar met onze bedsteden van vroeger: die waren niet langer. Mensen waren kleiner en sliepen min of meer zittend.

13 juni   De volgende dag nemen we vrij. Lekker luieren en lezen bij de caravan.

 

onze gast de roodborst op de scheerlijn

 

's avonds een goed boek, een goed glas wijn en een heerlijke temperatuur. Vivre comme Dieu en France. 

 



Woensdag 14 juni Naar Sainte Marie Menez Hom, Pointe du Raz en Pointe du Van

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Vandaag weer een flinke trip. Pointe du Raz moet een landschappelijk aantrekkelijk punt zijn, volgens alle gidsen, een must see zoals dat heet in goed Frans. Het ligt een eind naar het zuid-westen, zo’n 70 km vanaf onze camping. We rijden via Douarnenez, waar we even stoppen voor een blik over de baai op het stadje. Daar moeten we nog eens apart naartoe, besluiten we. Nu rijden we door. Waar we wel stoppen is bij Ste. Marie Menez Hom bij Plomediem. Een gehucht van een paar huizen maar met een heel bijzondere kerk.


Niet alleen is de kerk op zich fraai maar ze is ook omringd door een Enclos Paroissial, een parochiale omheining (1544) zoals je die hier meer ziet, o.a. in ons ‘eigen’ dorp Telgruc. In de muur een poort, een triomfboog, uit 1739 en voor de kerk staat een oude stenen paal met daarop zes heiligenbeelden en een kruis. Het Golgotha, heet het geheel, en het beeld dateert al uit 1544. De kerk zelf is uit 1766. Binnen staat wat ons nog het meeste trof: een drietal retabels, dat zijn altaarstukken, naast elkaar, die de hele muur aan een kant vullen. Enorm barok, dus een hoog suikerspingehalte zeg maar, of nog oneerbiediger: draaiorgel-ornamentiek. Veel bladgoud, krullerige blad- en schelpvormen. Het is misschien vooral de tegenstelling van de grijze eenvoud van de oude stenen vormen buiten en de barokke uitbundigheid hier binnen die mij als het ware doet duizelen. Buiten Slovenië en Duitsland/Oostenrijk hebben we dit nog niet gezien. Ja, in Zuid-Amerika heb je het ook. In ieder geval, wij vergapen ons aan de 18e -eeuwse smaak. In het verleden kwamen hier veel pelgrims die allen hun donatie gaven; daarvan werd deze weelde betaald. Buiten verwonder ik me over de plaats van de kerk: op slechts een halve meter afstand van de drukke D887!

 

de kerk van Ste. Marie Menez Hom bij Plomediem

       

 

deel van het enorme altaarstuk in deze kerk

de kerk van de achterkant

 

...op 50 cm afstand van de doorgaande weg...

 


Even verder is het tijd voor koffie. In Ploéven is op het pleintje een bar die goede koffie maakt. Confort-Meilars is een klein dorp met aan de doorgaande weg weer zo’n bijzondere kerk. Hiervoor staat een driehoekig monument met er bovenop een flink aantal heiligenbeelden, gegroepeerd rond een kruis, ik denk: de twaalf apostelen. Merkwaardig vind ik dat je er met de auto omheen kunt rijden.

 

zicht op Douarnenez en zijn baai

kerk van Confort-Meillars met het enorme blok beeldhouwwerken van de twaalf apostelen

 de bovenkant ervan

    

het klokkenwiel in de kerk

De twaalf bellen maken best een flink lawaai voor Maria.

  

de voorgevel van de kerk en het blok met beelden

een mooie picknickplek net buiten Confort-Meillars

 


Binnenin de kerk wacht ons ook nog een verrassing. Er hangt een ja, hoe noem je zoiets, een klokkenwiel of bellenwiel. Het is een houten wiel, met rondom daaraan bevestigd een aantal kleine klokken of bellen met verschillende tonen. Het wiel hangt verticaal, hoog in de kerk aan de muur. Eraan bevestigd is een touw, dat naar beneden hangt. Als je op een op de vloer gemarkeerde plek gaat staan en dan op een goede manier aan het touw trekt, is het mogelijk het wiel te laten ronddraaien, zodat de bellen luid gaan klinken. Dat geeft een behoorlijk ‘lawaai’ als ik zo oneerbiedig mag zijn; we hoorden het al buiten de kerk. De bedoeling is dat Maria met het luiden extra wordt vereerd. Ik wil het uiteraard ook wel eens proberen –al is het me niet om Maria te doen- en het lukt. Als je net op tijd weer een rukje aan het touw geeft, blijft het wiel draaien. Ik maak er een filmpje van dat R aan het touw trekt. Het woord bellenwiel zal wel niet juist zijn want Google kent dat woord alleen als een soort bellenblaasapparaat. Dat was dit dus niet. Maar wel een wiel met bellen.

   

Beschermd natuurgebied, belangrijk nationaal erfgoed: de Pointe du Raz. Rechts gezicht vanaf de uitkijktoren.

langs het wandelpad 

   

weer zo'n woeste kale kust.                                                                                                          Rechts Notre Dame des Naufrages (O.L.V. van de schipbreukelingen) 

 


De weg naar de meest westelijke punt van Bretagne eindigt, zoals altijd hier, in een parkeerterrein. In dit geval niet zo’n glad geschoven stuk land als bij de Kaap van de Geit maar een professioneel ingericht terrein met een slagboom en bewaking. Met automaten waarmee je de parkeerkaart kunt betalen. Er staan heel veel auto’s, maar toch vinden we nog wel lege plekken. In hoogzomer zal dat vast anders zijn hier. Je kunt aan alles merken dat Pointe du Raz een zgn. “Grand site de France” is, een plek van grote nationale waarde. Bij de parking staan een aantal aardig nieuw ogende gebouwen met winkeltjes, restaurantjes, ijssalonnetje, kioskje, openbare toiletten, etc. En een bezoekerscentrum waar wij ons geen tijd voor gunnen. We willen met dit mooie weer niet binnen zitten. We gaan de zilte zeelucht opsnuiven.

langs het pad soms fraaie bloemen, als stekelbrem en dophei

in de verte Pointe du Van

    

  


We nemen onze lunch mee in de rugzak en gaan op pad. Van de parking naar zee is het een eindje lopen. Het gaat door een mooi landschap met laag struikgewas, dophei, lage struikhei die veel donkerder paars is dan bij ons, nog bloeiende brem, kamperfoelie, liguster en veel varens. Het ruikt er intens naar allerlei kruiden. En dan opeens doemt daar de wijde zee op, de Atlantische Oceaan. Er staat een soort lage uitkijk’toren’, eerder een soort borstwering, waarop je nog iets meer uitzicht hebt. We lopen rechtsaf, naar het noorden. Daar zien we in de verte een vuurtoren en eilandjes. Het pad loopt soms hoog boven zee, de kliffen zijn denk ik hier wel twintig, dertig meter hoog soms. Het is een heerlijke wandeling, al doen we hem niet alleen. Maar last van de andere toeristen hebben we ook niet. In hoogzomer is het hier nog een stuk drukker, denk ik. Daarmee troosten wij ons altijd maar nu we zo gelukkig zijn van het voor- en naseizoen te kunnen profiteren. Na 38 jaar vakantie in de drukste en duurste tijd…


Een eind verder staat een groot beeld van Maria, Notre Dame des Naufrages (O.L.V. van de schipbreukelingen). Daarvoor lijkt het hier wel een goed gekozen plek, met die wilde rotskusten en ondiepten. Hier zijn vast wel schepen vergaan. Voor het beeld loopt een landtong wat verder de zee in en op de uiterste punt staat een vuurtoren. We lopen de landtong op en zitten een tijd in de zon te kijken naar de meeuwen, het water, dat rustig om de rotsen kabbelt, de mensen die over de rotsen klauterend naar de vuurtoren proberen te komen. Het oceaanwater is rustig, het is namelijk vandaag bijna windstil. Daardoor is het heerlijk weer, maar meer wind had voor wat meer spektakel gezorgd. Maar niettemin: we genieten nu ook. We eten en drinken wat en dan gaan we langzamerhand weer terug. Ik neem met enige tegenzin afscheid van de mooie plek.


Op de terugweg hoor ik in de verte muziek maar ik kan het niet thuisbrengen. Terug bij het bezoekerscentrum en de winkeltjes blijken het twee in klederdracht gestoken heren te zijn die de doedelzak en een blaasinstrument bespelen. Het klinkt wel wat Schots of Welsh. Ik maak er een filmpje van. We kijken wat bij de winkeltjes en eten een ijsje bij een zaak met een heleboel stoelen buiten. Als we daar gaan zitten komt een jongeman ons vertellen dat we niet mogen zitten om het ijsje te eten. Dus… zes euro besteden aan een ijsje en dan niet mogen zitten. Klantvriendelijk is anders, onbeschoft komt eerder. Merkwaardig, want voor de rest hebben we de Bretons als aardig en vriendelijk ervaren.


We rijden verder naar de andere Pointe hier in de buurt: de Pointe du Van. We stoppen langs de weg bij een herberg en een fraai zandstrand. Hier maken we een wandeling. Het zout komt in je haar en op je bril te zitten, en dan is het nu nog heel kalm weer. Hoe zal het zijn bij een beetje wind. Dan is de branding vast ook nog veel imposanter dan nu al. Op de reeksen golven wordt gesurft. Mooi gezicht.

   

bij Pointe du Van

  

We maken hier weer een strandwandeling. In de verte de vuurtorens en bakens van het Pointe du Raz, waar we net waren.

Hier staat een lange branding wat veel surfers en plankzeilers aantrekt. Wij genieten van het kijken ernaar.

 

    


We rijden ongeveer dezelfde weg terug. Ik neem de Chemin des Dunes bij St. Nic. Toeristisch maar wel leuk om even te zien. Een heel lang zandstrand hier.

Terug op de camping is er een onaangename verrassing. Van onze sympathieke buren is de vrouw over de kop gegaan met de fiets. Bij de Cap de la Chèvre. Het is erg genoeg: gebroken schouder, hersenschudding en meer, maar het had ook nog veel erger kunnen aflopen, concluderen we. We bieden ondersteuning aan, maar er zijn al vrienden uit Nederland overgekomen dus wij kunnen niet veel doen.

 



Donderdag 15 juni wandelen op het strand La Plage du Bellec bij de camping; strandzeilen kijken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Eigenlijk is het daarmee gezegd wat we deze dag doen. Op het strand hebben schoolklassen, zo lijkt het, les in omgaan met de zeilwagen. Een mooi gezicht, al die over het harde vlakke zand schuivende zeilen tegen de achtergrond van de zee of van een groen achterland, al naargelang je standpunt. Het strand is misschien wel 150 meter breed bij eb en we genieten van de wandeling. R maakt foto’s van kleine waterschepsels die in de poeltjes tussen de rotsen aan het eind van het strand zijn achtergebleven. Ik geniet van het licht, de wind, de zon, de pure lucht.
Vanmorgen was het eerst wat mistig, maar dat trok later op. Niet te warm, zon en stapelwolken.

Tijdens zo'n strandwandeling valt er altijd te genieten, al is het van foto's maken van de vele kleine waterschepselen die in de poeltjes achterbleven na de vloed. R maakt graag zulke foto's. Ik ben wat meer van de grotere objecten...

 

 



Vrijdag 16 juni Locronan en Douarnenez

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


We komen weer langs de kerk van St. Nic. Deze keer stoppen we om hem te bekijken. Het is hier zó stil op het goed onderhouden kerkhof om de kerk. 

 

kerk van St. Nic

volkskunst

 

 

Locronan is een toeristische trekpleister. Het is een tamelijk authentiek dorp/ stadje met o.a. een enorme kerk, sfeervolle straatjes en intieme hoekjes. Het is voornamelijk autovrij. Parkeren (betaald) moet je op een groot terrein buiten de plaats. Locronan is genoemd naar de Ierse monnik Ronan die in de 6e eeuw in Bretagne zou zijn geland vanuit Ierland. In de kapel la Chapelle du Pénity staat een 15e -eeuwse tombe met zijn afbeelding erop gebeeldhouwd. Relieken van de hier beroemde monnik worden er bewaard en vrij veel mensen komen er nu ook nog op af. Op de preekstoel zijn op een aantal medaillons scenes uit het leven van Ronan in beeld gebracht. Een van de laatste afbeeldingen laat zien dat het lichaam van de in St. Brieux gestorven monnik op een ossenkar is gelegd. De ossen mogen zelf de plaats kiezen waar de beroemde monnik begraven zal worden en zij lopen rechtstreeks naar de plek waar ooit de hermitage van Ronan stond. In Locronan dus. Op die plek staan wij nu naar de alle Ronan-verwijzingen te kijken. Er zijn bijvoorbeeld ook schitterende gebrandschilderde ramen met voorstellingen uit het leven van Ronan.

 Locronan

 dorpsplein

in de schaduw van de kerk

 

de buitenproportioneel grote kerk van Locronan, gewijd aan St. Ronan

    

Overal in de kerk zie je verwijzingen naar de heilige Ronan; hier het transport van zijn lijk op een ossenwagen van St. Brieux naar Locronan

 de tombe

   

detail van het deksel met de afbeelding van St. Ronan

 

preekstoel met afbeeldingen van het leven van Ronan, althans volgens de legenden

Detail: de dood van St. Ronan en het transport op de ossenwagen

 

pleintje waaraan we koffie dronken

Dan wandelen we rond het stadje. Wat je hier meer ziet: rieten daken (niks bijzonders voor ons) maar wat wel apart is dat is de nok. geen halfronde pannen zoals bij ons maar een constructie met gras en vooral lissen die erin groeien. Wij hebben ons hierover ook al in Normandië verwonderd, bij Honfleur in de buurt. Lissen hebben namelijk veel vocht nodig en een rieten dak juist niet....

   

Onderweg komen we een aardig kapelletje tegen met een aardig interieur.

   

Verdwalen doe je niet snel: houd de enorme kerk maar in het oog. 

 


Achter de kerk drinken we koffie op een terras en komen aan de praat met een Nederlands stel dat nota bene op dezelfde camping heeft gestaan als wij nu nog staan. We hebben ze daar nooit gezien. De camping is dan ook vrij groot, maar slechts voor een klein deel bezet, dus het blijft vreemd. Maar goed, toch een leuke ontmoeting. Zij gaan nu verder naar het oosten richting Lorient. Wij maken een wandeling in de toenemende warmte helemaal om het dorp heen, waar we onder andere nog een leuke kapel ontdekken. Ten slotte belanden we weer in de kern van het dorp. Hoewel het al laat is, besluiten we hier niet te eten maar door te rijden naar Douarnenez.


Daar is het eerst zoeken naar een geschikte parkeerplaats waar we wat langer kunnen staan. Dan op zoek naar een eetgelegenheid en per ongeluk belanden we bij een beroemd adres: L’ Athanor, met Spaanse en Franse gerechten. Alleen… het loopt al tegen twee uur en dan sluiten in Frankrijk de restaurants. We mogen nog een tafeltje bezetten en kunnen nog één gerecht bestellen. Het eten is niet goedkoop maar wel goed en smakelijk. We zitten in een vrij kleine ruimte die volgepakt is met prullaria, zo klaar voor de rommelmarkt. Achter de spullen gaat –zonde!- een fraai betegelde muur schuil met oude blauwe tegeltjes. Mooi, en waardevol denk ik.

Lunchen bij L'Athanor in Douarnenez

 


Bij de VVV halen we een plattegrond en aan de hand daarvan zoeken we ons een weg. De wandeling die we willen maken, zou aangegeven zijn met visjes in het wegdek. Nou, soms is het visje er wel en soms ook niet of op plaatsen dat het lopen op een puzzeltocht gaat lijken. Wie ziet het visje??? We volgen daarom al snel onze eigen route. Het stadje valt ons eigenlijk wat tegen. Zeker na Locronan, waar alles keurig gerestaureerd is. Hier is het soms ronduit vervallen. Het stuk bij de oude haven met museumschip is wel aardig. Daar bezoeken we nog een bijzondere kapel van St. Michel. Bijzonder is het plafond. Het houten dak is van binnen beschilderd met talloze Bijbelse voorstellingen. Ook de ribben van het gewelf zijn beschilderd. Een heel apart gezicht.

 kapel St. Michel

    

Bijzonder: een helemaal met Bijbelse voorstellingen beschilderd plafond


De waterkant met een plezier- en vissershaventje vinden we niet bijzonder. We hebben al veel mooiere gezien. Kortom, we zijn alweer verwend, blasé… Het wordt steeds warmer en we besluiten de route in te korten en terug te gaan naar de auto. Vanaf de andere kant van de baai waar je op het stadje kijkt, ziet het er heel aardig uit, maar wij vonden het stadje zoals gezegd wat tegenvallen. Toch is het al tegen half vijf als we onze weg het stadje uit zoeken. Langs de zo langzamerhand bekende wegen rijden we terug.

haventje van Douarnenez


Zaterdag 17 juni is een rustdag. We doen wat boodschappen in het dorp maar verder lezen en luieren we. Het is vandaag ronduit warm, te warm om in de zon te zitten. Gelukkig hebben we een plek waar we zowel in de zon als in de schaduw kunnen zitten.

 



Zondag 18 juni Het Pardon dat er niet was en het museum van oude ambachten in Argol dat wel open was en in bedrijf!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


We zijn al op tijd op pad op deze zondagmorgen, omdat we in een brochure hebben gelezen over een Pardon dat vandaag in Plomodiern zou plaats hebben. Een Pardon is een katholieke optocht met vaandels en beelden en zo. Een soort processie dus of een bedevaart waarbij vergiffenis wordt afgesmeekt, typisch voor Bretagne. Dat wilden we wel eens meemaken.
In de enige –grote!- kerk die het dorp rijk is, is het zeer stil. Er zit één persoon te bidden. Een Fransman die ook binnenkomt, vraagt ons over de of het Pardon of in ieder geval de mis. Maar er is dus helemaal niets. Zelfs geen ordinaire mis wordt er opgedragen. Het gaat hard achteruit met de katholieke kerk, en dat is geen wonder zo! 

We drinken dan maar een lekker kopje koffie op een terrasje, kijken wat in een antiekzaakje dat wel open is. Bij een bakker kopen we lekker gebak dat we straks ‘thuis’ bij de koffie opeten. En rijden dan maar terug naar onze plek in de schaduw op de camping. Het is alweer te heet om in de zon te zijn.


Toch gaan we ’s middags nog weer op pad. Niet ver: naar Argol, dat is maar een paar kilometer. Eerst bekijken we in de hitte het uitgestorven Paroissial, de ommuurde ruimte waarin de kerk staat. De triomfboog is bijzonder uitvoerig en gedetailleerd. De kerk van St. Pieter en St. Paulus is open. Naast de kerk en het grote kerkhof is het Musée Vieux Métiers, het Museum voor Oude Ambachten. Volgens de folder wordt er elke dag wel iets gedemonstreerd. En dat klopt. Er zijn heel wat mensen die hier vrijwillig hun kunstje doen. Er is een houtbewerker, die oude technieken laat zien, als hij tenminste niet in slaap is gesukkeld... Verrassend simpel en doeltreffend soms. Er zijn dames die het borduren en andere handwerken laten zien, en die de warme belangstelling van R krijgen. Eén mevrouw spreekt zoveel Engels als ik Frans spreek en samen komen we een heel eind. Ten slotte is er de ruimte waar je zelfgebakken galettes kunt eten. Het zelf bakken laten we aan ons voorbijgaan maar R eet wel een galette. Gemaakt van volkorenmeel en gebakken op een plaat die met brandend hout en dennennaalden verwarmd wordt. We drinken een zelfgemaakt appelsap op de eenvoudige houten banken. Leuk!

de beroemde toegangspoort, arc de triomphe, van Argol

   


Het vertoonde en tentoongestelde is allemaal erg aardig en aardig zijn ook vooral de mensen. Ze zijn enthousiast en willen graag met je spreken over hun ambacht. En over vroeger. Een oude man vertrouwt me toe dat hij geen Fransman is maar een Breton. Als ik vraag hoe dat gevoel nog leeft, krijg ik ten antwoord dat dit allemaal minder wordt. Ook het Bretons wordt niet veel meer gesproken. Toch zijn alle plaatsnaamborden hier wel tweetalig. Het zal op dezelfde manier gaan als bij ons met het Fries. Langzaam komen er toch minder mensen die het voluit spreken.

   

    

in het Museum voor Oude Ambachten in Argol. Zeer de moeite waard voor een regenachtige middag of zoals in ons geval voor een snikhete middag. Een houtbewerker demonstreert en het bakken op traditionele wijze van galettes, de beroemde dunne pannenkoekjes van Bretagne (en Normandië). 


We krijgen informatie over weven, borduren, mutsen maken: elke plaats in de omgeving had een eigen ontwerp muts!, houtbewerken, klompen maken, verven met natuurlijke materialen, en nog meer. Het is dus een interessant museum. En we zijn een middag onderdak voor de warmte. De mensen hier spreken er allemaal over, dat het zo abnormaal is dat het hier in Bretagne al een paar dagen 33 graden is.


Terug bij de caravan is het ook daar heet. Te warm om iets te doen. Als de zon weg is, wordt het iets beter. We zitten buiten onder de luifel tot we naar bed gaan. Dat is dan wel weer een voordeel van de warmte. Zo’n avond buiten met een glaasje wijn vind ik heel sfeervol.


Maandag 19 juni is het ook heel heet. Weer 33 graden in de schaduw. We wachten met de luifel af te breken tot het ’s avonds wat minder warm wordt. Ik bevestig alvast de spiegels aan de auto en we treffen verdere voorbereidingen om morgen op tijd weg te kunnen. Ik betaal de camping. We hebben er met plezier gestaan. Dat kwam in de eerste plaats door de grote plek met fenomenaal uitzicht, en daardoor namen we de matige reinheid van het sanitair voor lief. Het is dat er niet veel gasten waren; als het hier druk wordt met volle bezetting en het schoonmaken wordt met dezelfde frequentie en intensiteit gedaan dan wordt het een vies zootje, vrezen wij. Het campingrestaurant hebben we ook een avond uitgetest. Dat beviel goed moet ik zeggen. Goed eten en redelijke bediening maar je zit in een vrij sfeerloos lokaal met wel weer mooi uitzicht. Je zou er al meer van kunnen maken als je de opslag van dozen en vaten niet in het restaurant zelf (naast de tafels!) zou onderbrengen… En dat de ober vraagt naar de ‘cuisson’ van een confit de canard, ja dat blijft wat vreemd. ( cuisson = de mate van gaarheid van vlees, dus bij biefstuk bijv. á point dat is medium gaar. Maar een confit de canard heeft ‘tig’ uur staan stoven dus is per definitie zeer gaar: bien cuit. We denken overigens dat de gekonfijte eendenpootjes hier uit een pot of blik komen, maar dat is niet erg. Ze zijn heel lekker!

 

Met sfeervolle beelden nemen we afscheid van het strand bij de camping bij Telgruc:

 

    

 

 

 


 

Dinsdag 20 juni Terugweg, etappe 1: naar camping Yelloh! Village La Vallée in de kustplaats Houlgate (Normandië)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

pont de Normandie

landschap onderweg


De etappe verloopt goed tot we van de snelweg af zijn en de navigatie ons naar de camping moet brengen. We komen in de wijde omgeving van Houlgate aan het zwerven; smalle wegen, soms klimmend; een keer verwijst TomTom ons een duidelijk doodlopende weg in. Campingborden staan hier nergens. We zijn duidelijk niet goed, maar de enige mogelijkheid is: blijven rijden en zoeken. We komen door buitenwijken met veel verkeersdrempels, en waar ze nooit een caravan zien, maar uiteindelijk staan we dan toch voor de poorten van de vijfsterrencamping La Vallée. De receptie is druk, ook met mensen die in huisjes (willen) verblijven. Uiteindelijk zijn we aan de beurt en worden we door de medewerkster naar de plek gebracht. Niks kiezen hier. Deze camping heeft het kamperen er duidelijk bij: de hoofdmoot is huisjes en stacaravans. Het is zo’n camping met een toegangscode voor de poort (dat is nog tot daar aan toe) en roze armbandjes voor alle gasten (stupiditeit ten top). Als we verdwaald raken in de omgeving kunnen ze ons tenminste terugbrengen.


’s Avonds willen we eten in het restaurant van deze vijfsterrencamping. Dat moet wel want er is ook en afhaalsnackbar waar ik een gegrilde kip wil bestellen voor bij voorbeeld over een uurtje maar dat bestellen kan pas voor de VOLGENDE dag! Handig! Dus ja, dan maar het restaurant. Ik bestel een entrecote en R een ‘Normandische pizza’. Mijn entrecote blijkt een taaie runderlap en de pizza van R is van onderen zwart geblakerd en van boven niet gaar. De mevrouw die ons bedient vindt dit ook niet kunnen gelukkig. Ik wijs haar erop dat deze pizza kankerverwekkend is met al zijn polycyclische aromatische koolwaterstoffen. Er komt een nieuwe pizza. Deze is zo mogelijk nog erger zwartgeblakerd en minder gaar. De mevrouw die bedient vindt ook dat dit niet goed is. De oven is te heet, zegt ze. Tja, doe er dan wat aan! Vijfsterren ammehoela! R mag iets anders bestellen maar het eten is haar vergaan. Ik eet met lange tanden mijn entrecote/ taaie runderlap. Het toetje dat we onszelf hadden beloofd, laten we maar zitten. Wegwezen hier. De pizza zet ik niet op de rekening zei de mevrouw. Moest er nog bijkomen ook.
Op deze camping komen wij dus niet weer. De enige camping die een onvoldoende van ons krijgt!

 



Woensdag 21 juni Terugweg etappe twee: naar de Kompas Camping in Nieuwpoort (B)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Ook deze etappe verloopt voorspoedig. De weg langs de kust naar het noorden is rustig, verlaten soms bijna. Naar deze ACSI-camping rijden we vlot toe. Ook dit is een grote camping, ook vijf sterren. We worden ontvangen in gemoedelijk Vlaams. Fijn is dat. We krijgen een plaats in de volle zon. Anders niet erg maar het is vandaag nog warmer dan de laatste dagen, zo lijkt het. Ik zet dan ook snel onze parasol op. Het is wat werk maar nu kunnen we in ieder geval buiten zitten. We zijn vroeg dus er is nog een flink stuk van de middag over. Het is echter héét! De thermometer van de auto wees onder het rijden 35 graden. Voor de caravan is het nog wel heter schat ik. De camping wordt voornamelijk bezet door Belgen, en in onze ‘straat’ staan er veel, met grote tenten en caravans met luxe voortenten. De bewoners zitten veelal te puffen met de voeten in een teiltje water of net als wij onder een parasol.


Het sanitair van deze camping is zo luxe als wij nog zelden gezien hebben. Veel natuursteen, zeer breed en ruim opgezet, elektrische schuifdeuren die openen als je nadert. En alles is zeer schoon. We zien zelfs een ruimte met een bad. Zeer fraai en gebruiksvriendelijk en efficiënt allemaal! Dit is vijfsterren klasse!


Er is een restaurant bij de receptie, maar als we er aankomen om een uur of zeven is het gesloten. Hoppa. Dat hebben wij weer. We pakken met enige tegenzin de hete auto en rijden naar het stadje Nieuwpoort, je weet wel van De Slag Bij… Het is een aardig stadje met een bekoorlijk, bijna over- gerestaureerd marktplein voor het Belfort en de kerk. Daar parkeren we. Hier aan het plein zijn een paar restaurants. We kiezen voor een brasserie. Buiten is helaas geen plek meer. Binnen wel, maar daar is het nog erg warm. Na een poos wachten worden we bediend. Vanaf dat moment gaat het goed met de bediening. En het eten is er super goed. Smakelijk, verzorgd en met attente bediening (na de eerste wachttijd althans, waarvoor men zich verontschuldigt).

We kijken daarna in de heerlijk warme avond nog wat rond op het plein. Op het Belfort staat een plaquette met verontschuldigingen aan de vrouwen die hier in de late middeleeuwen/ renaissance als heks door het stedelijke gerecht ter dood zijn gebracht. Sympathiek, al is het wat laat.

de brasserie waar we heerlijk dineerden

    

het Belfort en de kerk van Nieuwpoort aan het plein


De weg terug naar de camping vinden is niet zo simpel, want men heeft de toegangsweg waarlangs wij kwamen onlangs veranderd in éénrichtingsverkeer en een andere uitvalsweg is er wel, maar die leidt in ons geval tot een omweg van meer dan tien kilometer. Zonder navigatie was dit een serieus probleem voor ons geweest. Da’s nou weer typisch Belgisch, helaas.



Terugweg, etappe drie: naar huis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Deze etappe verloopt iets minder vlot. Bij Antwerpen staan we op de Ring nu toch echt een tijdje in de file. Daarna is het leed geleden.
Eenmaal thuis hebben we in deze drie reisdagen er plm. 1220 km op zitten. In totaal heb ik deze vakantie ruim 3400 km gereden. Dat is in Bretagne dus ongeveer duizend kilometer voor de tripjes en de verplaatsing van noord naar zuid. We hebben wel eens veel meer gereden.
We zijn blij dat we dit bijzondere schiereiland nu ook eens gezien en ervaren hebben. De streek heeft een geheel eigen karakter, vinden wij. Een heel ander Frankrijk dan wij tot nu toe kenden (hoewel Normandië qua sfeer en landschap in de buurt komt). We hebben genoten van de natuur, van de ruige rotskusten, van de vergezichten, van de oude stadjes en kerken, en van de –meestal- heel aardige mensen.


Hoogtepunten waren voor mij in het noorden:

het eiland Ile de Bréhat,

de twee prachtige tuinen,

de kusten en

vooral die bij de Côte de Granite Rose bij Ploumanac’h;

en in het zuiden ook

de kusten,

vooral de Cap de Chèvre

en de Pointe du Raz

en alle ander ‘Pointe’s’

en het stadje Locranan.

Telgruc was voor mij een leuk stadje om als basis te hebben. 


Van de keuze, die ik thuis al had gemaakt, van de beide verblijfscampings hebben we geen spijt gehad. De campings op de terugweg heb ik pas op de laatste dagen uitgezocht m.b.v. de ACSI-gids. De enige camping waaraan ik minder goede herinneringen heb, is die in Houlgate.

En Frankrijk blijf ik een van de aantrekkelijkste landen vinden om te kamperen. 

Toch, als ik moet kiezen: volgend jaar naar de oostkant (Provence, Drôme, Ardèche en zo) of naar de westkant, dan zou ik toch kiezen voor de oostkant. Er zijn weinig streken waar ik zo graag naartoe ga als naar de Provence, de Drôme en de Vaucluse. 

 

© Lammert Metselaar/ www.reizenenschrijven.com,

september 2017

naar boven