Lammert Metselaar - Fotohobby

by Lammert
Hits: 13622

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

 

 Fotohobby

 

Fotograferen als hobby

toen en nu

Een groot deel van mijn historische foto-uitrusting: v.r.n.l.: de Agfa Isola, de Praktica Pl Nova 1, de Canon AV en de Canon A-1. En nog een paar objectieven. Mijn beide toestellen van Asahi Pentax ontbreken. Die heb ik destijds ingeruild op de Canons. 

 mijn huidige Pentax K-5

Toen

Ik ben begonnen met fotograferen toen ik een jaar of zeventien was. Ik begon met een simpel Agfa Isola I tubuscameraatje. Ik kreeg het op mijn verjaardag. Er paste een rolfilm in voor negatieven van 6x6 cm. Zo’n film bestond uit een lichtdicht schutblad en de gevoelige laag celluloid met emulsie, gerold op een spoel die links in de camera paste. Er waren dus twee ‘lagen’ die je rechts in de lege spoel moest steken. Als je dat niet goed recht deed, dan transporteerde de camera niet goed. Open maken had natuurlijk tot gevolg dat er meteen licht bij de film kwam en dan kon je alles weggooien. Met de knop rechts op het toestel transporteerde je de film; door een rood venstertje achterop de camera zag je het volgende nummer verschijnen, dat achterop het schutblad stond vermeld. Dat ‘doordraaien’ ging vrij zwaar. Er pasten 12 foto’s op een film. Het toestelletje had twee diafragma’s: een voor zonnig en een voor bewolkt weer. Bijzonder was dat het een ingebouwd geelfilter had, waarmee je de wolken helderder kon laten afsteken tegen de blauwe lucht. Iedereen fotografeerde toen nog met zwart-witfilm. Een luxe extra was nog dat de camera de ontspanner blokkeerde als er een foto was gemaakt. 

   

 

Mijn eerste camera   met (onder) het transportwiel en de afdrukknop; in de flitsschoen geen contact; dat ging altijd met een kabeltje.

 

 


                      de diafragma-instelling    (en links het flitscontact)

 

Voorbeelden van opnamen met de Agfa Isola I   (met de klok mee: Crerarwandeltocht in de Kerkstraat in Hoogeveen, moeder bij de volière, de St. Servaeskerk in Maastricht en Monschau (BRD). 

     

Er kon ook een flitser op, maar die bezit ik helaas niet meer. Daarin drukte je een lampje met een kluwen magnesiumdraad erin dat heel fel in één flits ontvlamde. Dat ontvlammen moest je letterlijk nemen. Voor de veiligheid was het glas van het lampje omhuld met plastic dat voorkwam dat het glas uit elkaar spatte. Na gebruik was dat plastic gesmolten. Je kon een lampje dus maar één keer gebruiken. Na gebruik moest je even wachten tot je het lampje kon aanpakken om het te verwijderen, zo heet werd het. Een luxere flitser had een knop om de lamp uit te werpen. Over flitssynchronisatie hoefde je niet druk te maken. De flits duurde zo lang en de sluitertijd van de camera was zo lang dat dat altijd goed kwam. Maar de belichting had je totaal niet in de hand, het was schatten, maar proberen en afwachten. 

De afstand van camera tot onderwerp moest ik schatten en die kon ik met het enkelvoudige lensje instellen tussen anderhalve meter en oneindig. Fotograferen was een dure gok: twaalf foto’s op een film en dan soms erbij nog een lampje per flits. En je wist pas na het ontwikkelen en afdrukken of de foto’s geslaagd waren. Toch heb ik wel redelijke foto’s gemaakt met dit toestelletje. Ik kreeg er in ieder geval de smaak mee te pakken. 

Gaatjescamera

Met een dergelijke 6x6 rolfilm heb ik ook geëxperimenteerd. Ik heb een keer een gaatjescamera gebouwd. Een kartonnen margarinedoos maakte ik lichtdicht, en afsluitbaar met een nauwsluitend lichtdicht deksel. Aan één kant maakte ik een vierkant gaatje in de doos van 1x1 cm waarvoor ik een stukje lichtdicht schutpapier van een rolfilm plakte. Daarin moest je met een speld een gaatje prikken dat een doorsnee had van minder dan een millimeter, afhankelijk van de afstand van het gaatje tot de achterkant van de doos. Met een millimeterlineaal schatte ik de doorsnee. Over het papier met het gaatje plakte ik nog weer een stukje lichtdicht papier dat je zo weg kon buigen. Dat was de ‘sluiter’. 

  een opname met een gaatjescamera van karton

Op de achterkant van binnen in de doos plakte ik dan een stuk lichtgevoelige rolfilm. Dat moest allemaal in het absolute donker in een verduisterde kamer op de tast. Als de film was geplaatst en de doos dichtzat, kon je een voorwerp voor het gaatje zetten en het schutpapiertje voor het gaatje verwijderen en dan moest je ongeveer een uur of nog langer belichten. Voor de tijden, afstanden en maten had ik een bouwtekening en gegevens uit een semiwetenschappelijk jongerentijdschrift ‘Archimedes’. Een natuurkundeleraar op de Kweekschool had mij daarvoor weten te interesseren.  Inderdaad is het me gelukt om op deze manier een bloemengieter min of meer herkenbaar af te beelden. Zonder lens dus. Dit trucje berust op het verschijnsel: hoe kleiner het diafragma, hoe scherper de afbeelding c.q. hoe groter de scherptediepte. Omdat het ‘diaframa’ slechts minder dan een millimeter in doorsnee was, had je geen lens nodig. Zie in Wikipedia onder ‘gaatjescamera’. Daar staat een foto van een gewone spiegelreflex camera; die kun je natuurlijk ook gebruiken als gaatjescamera. Dan heg je alleen nog een stukje lichtdicht papier nodig waarin je een speldenprik geeft. Dat ga ik nog eens proberen!

Later ging ik ook wel kleurenfoto’s maken met deze Agfa Isola I. Die lukten eigenlijk wonderwel; zie de voorbeelden. 


 

Eerste spiegelreflex: DDR spionagetoestel 

 

 

mijn eerste echte foto-uitrusting: 

De Praktica spiegelreflex, een Ilford Pan F zwart-wit-filmpje, de tussenringen, een teleconverter 3 x, de gebruiksaanwijzing van de losse lichtmeter (de lichtmeter zelf is er niet meer), de flitser met doosje en vier flitslampjes met het doosje. De flitslampjes werkten op ik meen magnesiumdraad in een glazen bolletje, omgeven door een plasticlaag. De magnesium ontbrandt in een flits, het glas breekt door de hitte maar wordt bijeengehouden door het plastic laagje. Uiteraard zijn de lampjes maar eenmalig bruikbaar. Voor ik er een gebruikte moest ik dus goed nadenken, want het budget was beperkt. 

 flitser met eenmalig flitslampje 


Tussenringen zet je tussen het objectief en het toestel, waardoor je met een standaard lens van 50 mm macro-opnamen kunt maken. Je kunt tot heel dichtbij (enkele cm) maar er is wel lichtverlies, dus een statief was onmisbaar.

Een teleconverter zet je ook tussen het objectief en het toestel, waardoor de brandpuntsafstand in dit geval wordt verdriedubbeld. Je kreeg dus een (matige) telelens van 150 mm. Ook weer met lichtverlies dus vooral voor zonnige dagen. Je had een filmpje en dat had een bepaalde gevoeligheid, bijv. 100 ASA. Je kon niet zomaar de gevoeligheid bijstellen. Bijna onvoorstelbaar intussen. 

  

                                                                                         mijn Praktica PL Nova 1

Zodra ik echter wat geld verdiende,  kwam mijn eerste spiegelreflexcamera, de simpele Oost-Duitse  Praktica PL Nova I. Dat was de camera die in de DDR werd gebruikt om de eigen burgers mee te bespieden. In het Stasi-museum in Leipzig zag ik hem staan bij de destijds daar gebruikte apparatuur.  Erop zat een Domiplan 2.8/ 50 mm lens. Erbij kocht ik later toen ik weer wat zakgeld gespaard had, een groothoekobjectief Orestegon 2.8/ 29 mm. En een setje tussenringen om macro-opnamen te kunnen maken en een statief en draadontspanner. Later schafte ik nog een 200 mm telelens aan en een 3x teleconverter. Zo kon ik al heel wat experimenteren met allerlei brandpuntsafstanden en de effecten die je daarmee kon bereiken. De Praktica had geen lichtmetingssysteem, dus ik kocht er een losse belichtingsmeter bij. Die moest je instellen op de filmgevoeligheid en aflezen en dan de gevonden waarden instellen op het fototoestel. Nu klinkt dat bijna als voorwereldlijk. Het was ook heel omslachtig, maar, leerzaam was het allemaal wel. Ik las daarnaast boeken over fotograferen en over werken in de doka. 

Doka

Het afdrukken en vergroten van zwart-wit deed ik zelf in een geïmproviseerde donkere kamer. In militaire dienst in Breda had ik kennis gemaakt met het werken in een doka en dat fascineerde me boven mate. De eerste keer dat ik een beeld zag opkomen in het ontwikkelbad op het eerst maagdelijk witte papier, was dat iets bijna magisch voor me. Thuis kocht ik lappen landbouwplastic en verbouwde daarmee voor een avond mijn kamertje op zolder tot een doka. Ik schafte schalen en maatbekers en chemicaliën aan. Heel in het begin maakte ik contactafdrukjes van de 6x6 negatieven. Je legde simpel het fotopapier op het negatief (vandaar de naam ‘contact’) en met een kastje kon je dan licht door het negatief op het fotopapier laten vallen. Hoe lang dat moest, dat was een kwestie van uitproberen en onthouden. Maar ja, elk negatief is weer anders wat dekking betreft, dus het was telkens weer afwachten hoe het afdrukje werd. 

Contactafdrukken dus zonder tussenkomst van een camera of lens

 Van een medescholier op de Kweekschool kocht ik een zelfgebouwde vergroter. Die werkte met een objectief dat uit een oude camera was gesloopt. Ook dat waren weer magische momenten, bij voorbeeld  toen ik voor het eerst een 30 x 40 cm vergroting produceerde.  Ik zette de vergroter op het bureau en het fotopapier lag dan op de vloer. Anders kon je niet zo’n grote vergroting maken. Later toen ik meer geld tot mijn beschikking had, kocht ik een luxe Opemus vergroter, met een Philips lichtmeter erbij. Daarmee heb ik zelfs nog vergroten in kleur gedaan maar daar stapte ik snel weer van af omdat de temperatuur daar een te grote rol speelde. Een halve graad verhoging bracht meteen sterke kleurverandering, dus dat was niet leuk. Dan had je na diverse pogingen met allerlei rare kleurzwemen eindelijk een proefstrook gemaakt die redelijk gelukt was en dan bleek bij het maken van de foto dat het ontwikkelbad net wat te warm geworden was, waardoor de foto grandioos mislukte.

Bij zwart-wit vergroten had je dat probleem veel minder. Wel wàt overigens, want na een avondje werken in mijn lichtdicht afgesloten zolderkamertje liep de temperatuur zo op, dat ik ook met zwart-wit kon merken dat ik korter kon belichten dan aan het begin van de avond. Na het vergoten en afwerken in het ontwikkel-, stop- en fixeerbad kwam dan nog het spoelen in een emmer stromend water (in de douche beneden) en dan het afzemen en drogen. Zelf glanzen heb ik wel eens gedaan maar dat was geen succes dus kocht ik voortaan halfmat en nog vaker zijdeglans papier. Dat papier moest je dan ook nog in diverse gradaties in voorraad hebben. Je had hard, zacht, normaal en allerlei tussenvormen; het is te vergelijken met de modus ‘contrast’ in een digitaal fotobewerkingsprogramma.  En dan had ik nog verschillende formaten, van 10x15, 18x24, 24x30 en 30x40 cm. Een hele bureaulade vol. 

Ik heb heel veel geleerd van die avonden in de doka. Qua techniek, en niet alleen over de chemische kant maar ook over zaken als scherptediepte, belichtingstijden en diafragma’s. En wat de meer kunstzinnige kant betreft leerde ik veel over compositie: welke uitsnede geeft bij vergroten het mooiste effect. Elke serieuze amateurfotograaf zou eigenlijk zelf zwart-wit foto's moeten afdrukken: daarvan leer je heel veel over het spelen met licht. Verleden jaar heb ik alle donkere-kamer-spullen van de hand gedaan. Ze stonden al jaren ongebruikt op zolder... Digitaal is het allemaal zoveel gemakkelijker en de mogelijkheden zijn, lijkt het wel, onbegrensd. 

Asahi Pentax

Na de Praktica kocht ik twee Asahi Pentax Spotmatic toestellen. Een voor zwart-wit fotografie (voor het zelf afwerken) en een voor dia’s en kleurenfoto’s. Vooral dia’s heb ik vele honderden gemaakt. Dozen vol had ik. ’s Winters projecteerde ik die in de huiskamer. De laatste jaren heb ik ze allemaal gedigitaliseerd. Het scannen van de oude dia's doe ik met een Zolid stand-alone met 5 MP (van Aldi). Dat bevalt tot nu toe goed. 

 

De Asahi’s bevielen uitstekend, vooral de optiek was uit de kunst, maar toen kwam de Canon A-1 uit. Een voor die tijd vergaand geautomatiseerde camera, met niet alleen TTL (door de lens) geïntegreerde lichtmeting maar ook diafragma- of tijdvoorkeuze en een programmastand, waarin het heerlijk werken was, vooral als je onderweg op reis was en wat minder tijd had om elke foto op je gemak te nemen. Hij werkte niet meer alleen mechanisch maar ook elektronisch op een heel duur zilveroxide batterijtje. De sluiter en zelfontspanner waren dus alleen te bedienen als de batterij voldoende vol was, en dat was even wennen. Erbij kocht ik de meer simpele Canon AV-1 voor de zwart-wit foto’s. Met die camera’s heb ik vele jaren naar genoegen gefotografeerd. Wel maakte ik steeds minder zwart-wit foto’s en steeds meer dia’s. Mijn vrouw kreeg op den duur de AV-1, waarop ze haar eigen kleurenfoto’s maakte. 

de hele uitrusting van de Canon A-1 bezit ik nog

 

 

En toen kwam langzamerhand het digitale tijdperk. Ik was geen ‘early adopter’. Ik zag dat de ontwikkeling zo razend snel ging dat ik beter nog even kon wachten tot de camera’s op het niveau waren van wat ik gewend was. 

Digitaal

Mijn eerste digitale camera was een Minolta Dimage. Een soort compactcamera. Maar ik ging toch weer terug naar de spiegelreflex. En terug naar Pentax! Na uitvoerige oriëntatie besloot ik tot dit merk omdat de reviews erg goed waren. En omdat ik dus prima ervaringen had met het merk. Ik heb daarvan nooit spijt gehad; zeker de K-5 die ik nu heb, werkt fantastisch. Het enige minpuntje is misschien dat er door merken als Sigma wat minder lenzen gemaakt worden voor Pentax dan voor bv. Canon of Nikon.  Ik fotografeerde van 2007 tot mei 2012 met een al weer wat oudere digitale spiegelreflexcamera, een Pentax K 10 D. Op zich een fijn toestel, maar de techniek staat niet stil. 

HUIDIGE UITRUSTING

Naast de hieronder genoemde apparatuur heb ik me in 2017 een travelcamera van Nikon aangeschaft: de Coolpix B 700, met een optisch zoombereik van 60 x. Erg handig onderweg, maakt goede foto's en de 60 x superzoom is idd super! 

 

In 2012 heb ik daarom de K-10-body ingeruild voor een nieuwe Pentax K 5 , een heel mooie 16,3 megapixel digitale spiegelreflex, met in-camera 'shake-reduction', een bruikbare gevoeligheid tot 6400 Iso zonder storende korrel,  maar maximaal zelfs 12800 Iso. De camera is ergonomisch  gezien fantastisch goed gebouwd, hij ligt zo lekker in de hand dat je met een niet te zwaar objectief hem met één hand zou kunnen hanteren. Ook de menustructuur en de knoppen maken dat het met deze camera heel plezierig fotograferen is. De camera kreeg van DPreview.com een goede beoordeling en een score van 8,3. 

 

 

 

 

Mijn objectieven

 

v.l.n.r. de macrolens, de supergroothoekzoom (10-20 mm), de portretlens, de universele 18- 250 mm en de telezoom tot 300 mm. 

 

Ik gebruik vijf objectieven. Een Sigma 17-70 mm (voor o.a. portretten) , een Sigma 70-300 mm telelens en een Sigma 18-250 mm. Met dat laatste objectief hoef ik niet meer te wisselen. Dat is vooral op reis erg handig en daar maak ik nu eenmaal mijn meeste foto’s. Deze lens is mijn ‘werkpaard’. Dan nog een 10-20 mm supergroothoek en een 100 mm macrolens. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar boven