Stefan Hertmans: Oorlog en terpentijn, een stekelige bespreking

Hits: 5732

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Stefan Hertmans: Oorlog en terpentijn 

Wat stekelige gedachten bij een boek dat alles tegelijk wil zijn …  en daardoor vlees noch vis is

door Lammert Metselaar

Indrukwekkend. Een bibliografie die een volle pagina in kleine letter beslaat: meer dan dertig jaar schrijven en meer dan dertig literaire werken. Voornamelijk juichende recensies van het boek dat net naast de Libris Literatuurprijs 2014 greep. Nauwelijks twee maanden na verschijnen is Stefan Hertmans’ roman Oorlog en terpentijn al aan de zesde druk toe. Kan ik over dat boek nog kritisch zijn? Ik vrees van wel. Het moet. Naast alle positieve punten, die al genoegzaam aangestipt zijn in de kritiek, valt er toch ook wel wat af te dingen op het laatste boek van Stefan Hertmans. 

   

 

Ten eerste het gegeven dat de schrijver meer dan dertig jaar beschikt over zijn voornaamste bron én aanleiding voor dit boek, de biografische schriften van zijn grootvader, maar er niets mee doet. Zou het? 

In praktisch alle recensies passeert dit gegeven zonder een kritische vraag. Terwijl Hertmans er zelf toch wel een en ander over zegt. Bladzijden lang zelfs gaat het hierover. Alleen Arnon Grunberg in een special van NRC over de Eerste Wereldoorlog is hier kritisch over (zie verderop). 

Stel je bent schrijver. Een Vlaamse schrijver. Je kinderjaren “zijn overwoekerd geweest door zijn verhalen over de Eerste Wereldoorlog” (pag. 15). En toch beweer je dan dat je “zelfs de eerste bladzijde (van de memoires van zijn grootvader, LM) niet durfde op te slaan, wetend dat dit mijn afrekening zou worden met een stuk van mijn eigen kinderjaren (…)”. Dat wil er bij mij niet in. Het klinkt me te pathetisch. En ik kan me niet voorstellen dat je als schrijver dertig jaar lang (!) niet een blik werpt in deze schriften en eens overweegt dat het misschien toch wel een Fundgrube is. Ik verdenk Hertmans ervan dat hij bewust dit verhaal pas op de markt bracht tegen de herdenking van het begin de ‘Groote Oorlog’ in 2014. Hij heeft het er zelf over: de “stortvloed van boeken” over de oorlog die dan zou verschijnen. Toch wacht hij lang genoeg om mee te gaan in die “stortvloed van boeken”. Ik ben cynisch genoeg om dan te denken: het kwam markttechnisch wel heel goed uit om te wachten met publicatie tot net voor 2014. Niets mis mee, een schrijver moet ook eten, maar fabuleer er dan niet zo opzichtig omheen. Ik vind het koketteren. 

En dat hij bang zou zijn voor een “afrekening met zijn kinderjaren”? In het boek dat voor me ligt zwelgt de schrijver in de herinneringen daaraan. Geen detail van het leven van zijn grootvader wordt me als lezer bespaard, ik moet zelfs weten dat hij bijna nooit met zijn vrouw naar bed ging. Bang voor een confrontatie met vroeger? Bijna tot vervelens toe gaat de auteur (voor de lezer!) door het stof wegens het laten vallen van het horloge van opa. Bang? Nee, echt niet. Hij geniet van het ophalen van de herinneringen. Ook niets mis mee, maar... enz. 

Briljante vervalsing? 

Nadat ik dit standpunt had bepaald, las ik een interessant artikel van Arnon Grunberg, die – via een andere redenering  weliswaar- tot dezelfde conclusie komt. Bron: “Alleen de kopie toont het obscene”, NRC 28 maart 2014; http://www.nrc.nl/handelsblad/van/2014/maart/28/alleen-de-kopie-toont-het-obscene-1358218

“Als deze roman geen vervalsing is, dan heeft Hertmans wellicht zijn eruditie en academische uitstapjes als een vergissing beschouwd, een omweg, en is hij tot de conclusie gekomen dat hij zich thuis voelt bij wat ik gemakshalve maar even ‘volkse kunst’ zal noemen. Er is net zomin iets mis met morele consumeerbaarheid als met een kerkdienst, en ook literatuur met dat uitgangspunt, hoewel het niet het mijne is, heeft bestaansrecht.

Er is ook een andere verklaring mogelijk: dat de ontwikkeling van een schrijver, of hij nu wil of niet, uiteindelijk wordt gedicteerd door de markt.”

 

Alles tegelijk

Een boek dat alles tegelijk wil zijn, stelde ik. Een roman als eerste, want dat staat op de titelpagina. Toch legt de schrijver het hele boek door veel nadruk op de authenticiteit van alles wat hij ons vertelt. Kleine zwart-wit fotootjes moeten die ‘echtheid’ ondersteunen. Uitvoerig wordt ons verteld over de voornaamste bron, de aantekeningen van grootvader. Zelfs de kleur van de kaftjes van de schriften komen wij te weten. Commercieel niet onhandig allemaal, want we weten dat een boek tegenwoordig bijna alleen nog goed verkoopt als de lezer het idee heeft ‘dat het allemaal echt gebeurd is’. 

Arnon Grunberg  heeft in zijn artikel ook opgemerkt, dat Hertmans’ boek een roman pretendeert te zijn, maar tegelijk alles op alles zet om dat te ontkennen. Grunberg kan het boek niet plaatsen binnen Hertmans' oeuvre en veronderstelt daarom dat het om een “briljante vervalsing” zou kunnen gaan. Een echte Grunberg-these maar deze keer wel interessant.

Grunberg:  “Voorop het boek staat weliswaar het woord ‘roman’, maar er wordt alles op alles gezet om de lezer te doen vergeten dat we met een roman te maken hebben. In deel 1 komt een op Stefan Hertmans lijkende figuur voor die pogingen doet zijn grootvader te beschrijven, door middel van herinneringen, bronnenonderzoek, en iets wat ik maar even meditatie zal noemen.

Deel 2, het zwaartepunt van de roman, bevat de door Hertmans overgetypte memoires van Hertmans’ grootvader, die aan de zijde van België heeft gevochten in de Eerste Wereldoorlog. De lezer moet geloven dat dat een authentiek document is waarin hooguit wat spelfouten zijn verbeterd. Dat Hertmans in interviews de authenticiteit van de cahiers van zijn grootvader heeft bevestigd en deze op televisie zelfs heeft getoond draagt bij aan de illusie van echtheid.

Ik wil niets afdoen aan de betrouwbaarheid van Hertmans’ uitspraken buiten de context van dit boek, maar ik kan niet vergeten dat het woord ‘roman’ op de kaft staat en ik neem Hertmans als literator te serieus om Oorlog en terpentijn uitsluitend als een document humain te beschouwen.

Literair wordt Oorlog en terpentijn pas werkelijk interessant als we de theorie hanteren dat we met een vervalsing te maken hebben, waarbij Hertmans zelfs de schilderijen die van zijn grootvader zouden zijn en die in het boek zijn afgedrukt eigenhandig heeft geschilderd.”

 

Betrouwbaar historisch relaas

Het boek wil ook een betrouwbaar historisch relaas zijn. Hertmans omschrijft zijn bron als “een uitzonderlijk goed gedocumenteerd verslag” dat thuishoort “in het archief van de Eerste Wereldoorlog”. Deel twee van het boek is volledig gewijd aan de jaren 1914-1918. Wat is hier ‘roman’ aan? Goed, de schrijver heeft de memoires van zijn opa naverteld, hertaald en o.a. qua spelling gemoderniseerd. Ik vermoed dat de sfeertekeningen, die in dit deel net als in de beide andere belangrijk zijn, romantiseringen van de auteur, de kleinzoon, zijn. Een zin als deze kan alleen van Hertmans zijn, dunkt me: “In de koelte van de zomerochtend zijn hier en daar de boeren hun korenvelden aan het maaien, de trage slag van hun zeisen komt soms dichterbij en verwijdert zich dan weer –het eenzame ritselende geluid van de talloze vallende halmen langs de ijlfijne snede van de zeis, alleen onderbroken door het hoesten van een koe op een weitje, het blaffen van een hond in de verte.” (pag. 167) Een zin als deze doet me, niet qua stijl maar qua effect, denken aan boeken van Felix Timmermans.  Zo’n neologisme als ijlfijne, mooi gevonden en dramatisch sterk om de tegenstelling met wat erna komt. De geschetste gruwelen in deel 2 doen me nogal denken aan Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque, aan wie Hertmans zijn motto op p. 7 ontleent. 

Wikipedia-lemma’s

De auteur is in zijn streven naar volledigheid doorgeschoten. Niet alleen legt hij aan het eind de titel van zijn boek nog eens uit voor wie die betekenis zou zijn ontgaan na 332 pagina’s, in tal van zinnen waant de lezer zich in een soort wikipedia-lemma. Zo wil hij (op pag. 19) de tijd tussen de geboorte (1891) en de dood (1981) van zijn grootvader omschrijven. Dat gaat dan zo: “Tussen die twee jaartallen lagen twee oorlogen, rampzalige massaslachtingen, de meest hardvochtige eeuw uit de hele mensengeschiedenis, het ontstaan en de neergang van de moderne kunst, de wereldwijde expansie van de motoren industrie, de Koude Oorlog, de opkomst en de neergang van de grote ideologieën, de uitvinding van bakeliet, (…)” en zo voort, en zo voort. Want ik heb hier nog maar 48 woorden geciteerd van de 120 woorden die deze opsomming telt. Twee zinnen verder gaat het nog even door met opsommen. Het is te veel. Verderop beschrijft hij het huis waar zijn grootvader een paar maand leerjongen was bij een kleermaker. “(…) een rococogebouw dat, fraai gerestaureerd in een tint die het Habsburgse ‘Theresiageel’ benadert, nog steeds pronkt op het grote stadplein; aan weerszijden van de façade kun je Apollo en Diana zien staan, een vertrouwd stel: rechts staat Apollo, hij vertegenwoordigt de kunsten, (…)” en zo voort. Saai! Een paar regels verder bekent de auteur zelfs zonder blikken of blozen dat hij de gedebiteerde wijsheid deels haalt van ‘een website’. Hoezo ‘roman’? We leren ook nog dat hier een Franstalige Letterkundige Kring huist “waaraan onder meer de schrijfster Suzanne Lilar haar herinneringen heeft opgetekend”. Met zulke informatie doet de auteur wel een ernstig beroep op het doorzettingsvermogen van de lezer. Het boek wil dus, zo lijkt het, naast historisch document en roman ook encyclopedie zijn…

Familieroman

Natuurlijk is het ook een familieroman. Een groot deel van het boek gaat over het leven van grootvader Urbain, diens vader en moeder, zijn vrouw en de over relatie van de auteur met zijn familie. Intieme details worden ons niet bespaard. Vooral deel 3 dreigt hier en daar larmoyant te worden. Natuurlijk is het triest, het vroegtijdige verlies van zijn grote liefde in de Spaanse griepepidemie van 1918-1919 en tragisch dat hij daarna plichtsgetrouw huwt met de gevoelsarme zus, een stap die hem zijn verdere leven waarschijnlijk berouwd zal hebben. Hier moest ik even aan Stoner van John Williams denken, ook daar die verkeerde keuze voor een vrouw met als gevolg een leven lang lijden. Maar bij Hertmans ontbreekt het schurende, het hartverscheurende dat je bij Stoner bij de keel grijpt. Ik mis dat bij Hertmans. De manier van beschrijven van Hertmans  is mij te barok, te wijdlopig en tegelijk te oppervlakkig.

Magisch-realistische roman…

Soms waan ik me in een boek van een magisch-realistische Vlaamse voorganger van Hertmans, Hubert Lampo. Bij voorbeeld als Hertmans beschrijft hoe de grootvader in de oorlog in Liverpool een kerk bezoekt; in het gezicht van St. Franciscus op het fresco herkent hij zijn eigen vader en hij meent zichzelf te herkennen in een kind. Zweverigheid à la Paulo Coelho. Magisch-realistisch wordt het als de kerk ondanks veel zoeken daarna niet meer terug gevonden kan worden, alsof hij nooit heeft bestaan. Puur Vlaams magisch-realisme uit de jaren zestig van de vorige eeuw. Ik denk overigens dat vooral de vrouwelijke lezers (de meerderheid!) door juist dit aspect -en sowieso van de familieroman- zijn gecharmeerd. 

Sociale roman

Ik was meer getroffen door de sociale roman die dit boek bij vlagen óók is. De episoden waarin Hertmans ons verhaalt over de harde jeugd van zijn opa zijn de sterkste van het boek wat mij betreft. Bij voorbeeld als het gaat over de tijd dat opa als leerjongen bij een kleermaker werkte.  En sterker nog de episode over het kind van dertien jaar dat in de keiharde wereld van de ijzergieterij zijn weg moet zien te vinden. “De vurige stroom gulpt algauw over de kroes, die hij uit alle macht recht probeert te houden; er wordt gebruld dat de kroes niet mag omslaan, hij voelt hoe de hitte hem opslokt, hij wordt verblind, levend verbrand (…)”. Hij is getuige van een ernstig ongeluk bij het ijzergieten. “Wat ze te zien krijgen is een vernield gezicht, een zwartgeblakerde prop met vage menselijke trekken waaruit slijmerig vocht, vermengd met bloederig speeksel, opborrelt.” Ja, Hertmans kan wel degelijk beeldend schrijven. 

Myriaden witte maden en een soort bewegende muur van metaal, rook en geweervuur

Een ander voorbeeld van grandioos evocerende stijl vind ik in de episode dat hij (Urbain) samen met een vriend diens oudste neef gaat bezoeken in een oude gelatinefabriek. (p.95 e.v.). Ik vind dit een van de sterkste passages in het boek. “Ge moet dat eens komen zien, had de neef gezegd, ge gaat dat nooit meer vergeten.” Als je weet wat er komt, is dit pure zwarte humor. Hertmans wekt bepaalde verwachtingen, maar zet de lezer eerst op het verkeerde been door te schrijven over “(…) de kastanjebomen langs de oude dreef stonden zo bladstil in de lauwe lucht dat het leek alsof de wereld zelf de adem inhield om de vluchtige schoonheid van de dag in elk detail te laten doordringen tot de levenden, die ogen hadden en een neus, en zintuigen om erbij te zijn.”  Schoonheid, levenden, in combinatie met adem, neus, ogen, zintuigen,  al deze woorden zullen in de volgende scène in hun volstrekte tegendeel verkeren. “Pas toen ze zich omdraaiden, zagen ze de grote stapel op de binnenkoer en ze verstijfden. (…) Koppen van paarden, koeien, schapen en varkens blonken er in een slijmerig uitdeinende (sic,LM) massa, net uit de kar geschoven. (…) bloedende ogen, ingevallen ogen, dode blikken, blinde pupillen waarin maden kronkelden. (…) Meteen sneed een walmende stank hun de adem af. (…) Het was alsof de zuurstof, deze heldere substantie waarvan ze zich tevoren niet eens bewust waren geweest, nu uit hun bloedbanen, hun longen, hun ogen en hun hart werd gedreven en vervangen door een dicht, verstikkend fluïdum dat hun voor altijd aan zou blijven kleven. (…) Pas nu werden de jongens gewaar dat er iets rond hun voeten bewoog, schoof, heen en weer dreef. Myriaden witte maden die uit de koppen gevallen waren, kropen in een dikke laag over de vloer. (…) Een zwarte stierenkop rolde tot tegen een tafelpoot. Meteen kropen de witte maden ertegenaan als een onstuitbaar leger dat uit een andere wereld naar hier was gestuurd om alles te bedekken en zich loos te vreten tot er niets meer overbleef. Dit was een verduistering bij klaarlichte dag.” De neef slaat Urbain op de schouder en brult: “’t Is hier ’t zien waard, hè!” Hij vertelt hun vervolgens dat de producten die uit deze helse smurrie gemaakt worden, zitten in het flesje arabische gom (lijm) “en het zit in de snoepjes die ge zo profijtelijk opzuigt als was het hemels manna, het zit in de confituur die uw moeder voor u maakt, ge smeert het op uwen boterham en ge weet van niets.” (…) “want rottenis kunt ge ontgeuren en filteren en ontsmetten tot ge niet meer weet dat het de dood is die ge opzuigt met uw smakkende mondjes, het is deze smeerboel die de madammekes aan hun tere boezems wrijven (…) maar de mensen weten dat niet en ’t is maar goed ook anders zou de wereld tot stilstand komen.” En de neef lacht een debiele lach “en in zijn blik blonk iets duivels”. “Het was deze zinloze, debiele lach die hij later, in nu nog ondenkbare omstandigheden, zou terugzien als hij, zwevend tussen slaap en waken in de ijskoude modder, de dingen zou overdenken die hij die dag had gezien – de smurrie van de wereld, dat wat hij opzoog tegen wil en dank.”

Uit het laatste citaat blijkt dat deze passage een essentiële is in het hele boek en zeker voor deel 2: een prelude op de helse machinerie die de nietsvermoedende Belgische soldaten over zich heen zien rollen als het Duitse leger nadert: “Het oprukken van de Duitse troepen had iets van een bliksemaanval. In minder dan een uur zagen we een soort bewegende muur van metaal, rook en geweervuur voor ons opdoemen; hun numerieke meerderheid was verpletterend en naderde met een dof gerommel dat het laatste oordeel leek aan te kondigen.”(p. 174). De symmetrie tussen het oprukkende leger van witte maden dat tegen de tafelpoot opkruipt en de naderende helse oorlogsmachine dringt zich sterk op. En dat is dan wel een teken dat Hertmans het schrijversambacht goed beheerst.

Socialisten

In de beschrijvingen van de sociale ellende in deel 1 moest ik nu en dan denken aan een andere grote Vlaamse schrijver, die zich het lot van de vertrapten aantrok: Louis Paul Boon. Merkwaardig om te lezen dat de familie Martien niets van het socialisme moet hebben. Nu ken ik dat van bij ons thuis vroeger: ook een arbeidersmilieu maar van de ‘roden’ moest men niets hebben. Precies zo bij de familie Martien: “Socialisme was iets wat voor mensen als mijn grootouders alleen maar dreiging, geweld, deining en angst betekende. “ (p. 81) (…) straks zijn al die schone meneren en mevrouwen boos en hebben zijn vader en moeder geen werk meer. Daarmee is in hun gezin alvast de toon van het katholieke dogma in die dagen gezet: de roden zijn afgunstige, vulgaire lui die hun plaats in de wereld niet meer kennen (…) “. Hertmans is duidelijk een andere mening toegedaan en verschilt daarin uitdrukkelijk met zijn grootvader die hem verwijt “dat ik alles vergooide wat mijn ouders voor mij hadden gedaan.” 

Barokke stijl

Naast het probleem dat het boek teveel tegelijk wil, is er voor mij nog een ander probleem. Hertmans’ stijl. Ik ben meer van de school van Willem Elsschot als het om literatuur gaat: met weinig woorden veel zeggen. Hertmans schijnt als stijlrichtlijn te hanteren: hoe kan ik mijn zinnen nog bloemrijker, nog omvangrijker, nog barokker maken en toch hetzelfde effect bereiken. Dat zorgt voor zinnen als deze. 

Blz. 28: “Geleidelijk ontvouwde de tijd voor mij het geheim van mijn  grootvader – dat  lange leven waarvan het grootste deel een naspel was geweest,  een epiloog bij nog haast middeleeuwse kinderjaren, een van gruwelen vervuld jong mannenleven, een na de oorlog gevonden en verloren grote passie, het verhaal van zijn taaie berusting, zijn pijnlijke onthouding, zijn kinderlijke moed, de innerlijke gevechten tussen  vroomheid en verlangen, eindeloos geprevelde gebeden, geknield, de hoed naast  hem op  een kerkstoel, het wit omkranste hoofd gebogen voor de talloze heiligenbeelden en flakkerende kaarsen in schemerige godshuizen – het  gepassioneerde levensgevoel van een wereld waarvan aan de buitenkant niets opwindends was te zien. (105 woorden).  Ik vraag mij af: waartoe dient zo’n samenvatting van het boek in één zin? 

Dit soort zinnen vergt veel van de eenvoudige lezer. Wordt een boek er beter van? Neen. Is de stijl er indrukwekkender door? Kwestie van smaak, maar voor mij zeker niet. Zeker, de stijl is op sommige plaatsen sterk beeldend: de tekst roept de scène als het ware levend voor je ogen op, maar dat kan ook in zinnen die korter zijn. Opmerkelijk in dat verband is, dat de zinnen in deel 2 gemiddeld genomen korter zijn dan die in deel 1 en 3. Je zou dus voorzichtig kunnen concluderen dat Hertmans, waar hij minder beschrijvend en meer bespiegelend schrijft, de neiging heeft tot woordstapeling. 

Jaren geleden had ik hetzelfde bezwaar bij een boek dat ook over de Groote Oorlog ging, van eveneens een Vlaamse schrijver: Erwin Mortier’s Godenslaap. Ook daar ellenlang meanderende zinnen volgestopt met beeldspraak. Voor mij mag het een onsje minder. Hebben Vlamingen dat grossieren met woorden misschien gemeen? Een Tom Lanoye is er ook niet vies van…

Oordeel

Vind je het dan geen goed boek, als je er zo veel op aan te merken hebt? hoor ik u vragen. Welnu, dat ik zo veel tijd en ruimte besteed aan dit boek betekent al dat ik het een bijzonder boek vind. Ik vind het zeker geen slecht boek, integendeel. Ik heb het grotendeels geboeid gelezen, twee keer zelfs; hier en daar is het spannend maar je moet nogal eens door een saai stuk heen bijten. Over de stijl heb ik al een en ander opgemerkt; de compositie in drie delen is te verdedigen. Er blijkt wel uit dat het middendeel over de frontervaringen van zijn grootvader wat de schrijver betreft toch apart staat. Zelfs qua stijl is het anders. Zelf vond ik het eerste deel het interessantst. Over de Groote Oorlog heb ik al meer gelezen en hoe gruwelijk ook, het gebodene komt toch op hetzelfde neer. Ik ben het eens met Arnon Grunberg; die oordeelt hierover: “Oorlog en terpentijn heeft een citaat van Erich Maria Remarque als motto, en het tweede deel leest, puur literair gezien, als een wat halfslachtige kopie van Im Westen nichts Neues.”(bron: Alleen de kopie toont het obscene, Nrc/Handelsblad van 28 maart 2014). Na het tweede deel ervaar ik het derde als een langzaam uitdovende kaars. Het goochelen met schilderijen en het met de tomtom narijden van sporen van de oorlog in het landschap, het kan mij niet rechtop laten zitten. Eigenlijk zijn het plattitudes, het constateren dat er van alles groeit in de berm maar geen ‘poppies’, dat de wielrenners die er nu rondrijden waarschijnlijk achterkleinzonen van de soldaten van destijds zijn: “zelfde leeftijd, andere planeet.” Tja, zulke zinnen komen als flauwe mosterd na een hier en daar best pittige maaltijd. 

De evocatie van het leven van de arme kunstschilder, van klein jochie tot volwassen man, in deel 1 vond ik interessanter. Merkwaardig is dat ik de eerste keer dat ik het boek las, vond dat ik opgehouden werd door dit soort proza, ik wilde door naar deel 2, naar het oorlogsrelaas. De tweede keer lezen oordeelde ik anders. Afgezien dan van de taaie encyclopedische stukken in deel 1 vond ik toen dat deel eigenlijk het meest lezenswaard.

Voor sommige lezers is wellicht nog een handicap dat de vertelling wat extra ingewikkeld is door het springen door de tijd. Het verhaal is in grote lijnen wel chronologisch maar binnen de grote verhaallijn wordt nogal heen en weer gesprongen in de tijd. 

En ja, mijn constatering dat Hertmans te veel in één boek heeft willen stoppen, blijft mijn grootste bezwaar. Het boek had veel aan kwaliteit gewonnen als de vele overbodige uitweidingen, waarvan ik hierboven voorbeelden heb gegeven, geschrapt waren. 

Niettemin is het een van de interessantere boeken die ik recent gelezen heb. 

Waardering in sterren: *** van vijf



 

STELLINGEN

Redenerend vanuit de tekst hierboven kom ik tot de volgende stellingen. 

1. Dit boek is geen roman. 

 

2. Hertmans wil te veel tegelijk qua compositie: het boek is daardoor vlees noch vis, een beetje van dit en een beetje van dat. 

 

3. Hertmans wil ook te veel in zijn stijl: het weglaten van alle barokke krullen en bogen zou de stijl ten goede komen. 

 

4. Talrijke uitweidingen over encyclopedische weetjes houden het verhaal alleen maar op. 

 

5. De episoden waarin het sociale leven van Urbain en zijn schilderende vader geschetst wordt, behoren tot de beste van dit boek. 

 

6. Stukken in dit boek als de episode van het bezoek aan de gelatinefabriek bewijzen dat Hertmans wel degelijk goed kan schrijven. 

 

7. Het deel over de Eerste Wereldoorlog bevat weinig nieuws. 

 

8. Een zin hoeft niet meer dan honderd woorden te tellen om indruk te maken. 

 

9. Het boek is qua timing slim in de markt gezet. 

 

10. De literaire kritiek is over het algemeen genomen te weinig kritisch over dit boek. 




 

Wellicht ook interessant:

http://recensieweb.nl/recensie/liefde-en-loopgraven-2/

http://boeken.vpro.nl/Libris-Literatuur-Prijs-2014/Stefan-Hertmans-Oorlog-en-terpentijn.html

http://www.scholieren.com/boek/12662/oorlog-en-terpentijn/zekerwetengoed

http://www.hanta.nl/hanta/2014/05/13/recensie-oorlog-en-terpentijn-stefan-hertmans

http://www.8weekly.nl/artikel/11150/stefan-hertmans-oorlog-en-terpentijn-kapotgeschoten-leven.html

https://erikgveld.wordpress.com/2014/05/13/stefan-hertmans-oorlog-en-terpentijn-2013/




 

 

Het artikel van Arnon Grunberg in NRC blijkt moeilijk te vinden; daarom staat het hieronder ook.  

 

http://www.nrc.nl/handelsblad/van/2014/maart/28

 

Alleen de kopie toont het obscene

 

Stefan Hertmans

Zijn succesroman Oorlog en terpentijn schreef Stefan Hertmans op basis van zijn grootvaders oorlogscahiers. Zegt hij. Zouden we te maken kunnen hebben met een briljante vervalsing?

Door ARNON GRUNBERG 28 MAART 2014

 

 

‘Het obscene leeft van een nooit eindigende paradox: het moet over iets verborgens gaan, maar dat verborgene moet publiek worden gemaakt.’ Dat is een van de definities die Stefan Hertmans (1951) van het obscene geeft in zijn prikkelende essay ‘De paradox van het obscene’, opgenomen in de bundel Het bedenkelijke.

 

De roman heeft altijd een hang gehad naar het verborgene en het verbodene, wat vaak op hetzelfde neerkomt. Je zou dus misschien kunnen zeggen dat de roman als zodanig een obsceniteit is, en dat hij zich onderscheidt van pornografie, die het verborgene uiteraard ook wil tonen, omdat pornografie veinst dat het zichtbaar maken van het verborgene geen enkel probleem is. De pornografie stelt feitelijk dat er helemaal geen verborgen, dus ook geen obscene plekken zijn.

 

Of het nu om seksualiteit of geweld gaat, het obscene is altijd lichamelijk van aard. Niet voor niets lopen pogingen om de obsceniteit te ontkennen of te ontvluchten altijd weer uit op een ontkenning van het lichaam.

 

Zoals Hertmans in zijn essay aangeeft, wordt het sublieme gevoed door het obscene. Het is de eerste blik op het obscene, zegt Hertmans, de blik die nog niet gekleurd is door moraal en geschiedenis, die ons een glimp toont van het sublieme. De Sade zou met zijn voorstellingen van het kwaad daarop uit zijn geweest: om ons te verleiden het kwaad naïef te aanschouwen, met een eerste blik, om zo de ongelooflijke schoonheid ervan te kunnen zien.

 

In dat korte, bijna ongrijpbare moment van lust en angst schuilt het sublieme, suggereert Hertmans.

 

Lichaamsdelen

Volgens Hertmans zit het obscene ook in het isoleren van lichaamsdelen, het inzoomen op een wond. Als voorbeeld geeft hij ‘de autonoom geworden christuswonde’ en de close-ups van de ‘eindeloos pulserende pik-en-kut’ in de pornofilm.

 

De obsceniteit, ook die van de roman, reduceert de mens tot een of meer lichaamsdelen, wat ook goed is af te lezen aan de volgende definitie van het obscene volgens Hertmans: ‘Het obscene speelt zich af in de paar seconden waarin het afgehakte hoofd onder de guillotine in de mand valt en het bloed nog niet stroomt, de snede is nog vers en anatomisch.’

 

Hier vallen het sublieme en het obscene samen. Tijd voor ontzetting is er nog niet, de mens is gereduceerd tot zijn afgehakte hoofd.

 

Het kan overigens niet genoeg worden benadrukt dat wij het obscene als toeschouwer benaderen; voor de onthoofde ziet deze scène er anders uit en zal er van het sublieme vermoedelijk geen sprake zijn.

 

Stel nu dat Hertmans de schilderijen van zijn grootvader zelf heeft geschilderd

Precies daarin schuilt ook het probleem van de romanschrijver. Als hij zich door zijn schrijven per definitie tot het obscene verhoudt, moet hij zich ook op de een of andere manier verantwoorden voor de positie van voyeur, waartoe hij niet alleen de lezers verleidt maar waarin hij zichzelf ook bevindt.

 

 

Hoe intenser de obsceniteit, dat wil zeggen hoe ingrijpender het (seksuele) geweld, hoe problematischer de positie van de voyeur wordt.

 

Oftewel, hoe beeld je het obscene af zonder zelf obsceen, dat wil zeggen pornografisch te worden?

 

‘Waar het geweld en schoonheid versmelten, ontstaat de vreemde indruk van het heilige,’ schrijft Hertmans. Wie het geweld esthetiseert loopt dus het risico dat geweld te verheerlijken, of hij nadert het domein, zoals Hertmans suggereert, van de religieuze kunst, dan wel van de vaderlandslievende kunst, waarbij God slechts is ingewisseld voor het vaderland.

 

In het bewierookte Oorlog en terpentijn komt Stefan Hertmans met een ingenieuze constructie om dit probleem, dat de beschrijving van geweld met zich meebrengt, te omzeilen.

 

Meditatie

Voorop het boek staat weliswaar het woord ‘roman’, maar er wordt alles op alles gezet om de lezer te doen vergeten dat we met een roman te maken hebben. In deel 1 komt een op Stefan Hertmans lijkende figuur voor die pogingen doet zijn grootvader te beschrijven, door middel van herinneringen, bronnenonderzoek, en iets wat ik maar even meditatie zal noemen.

 

Deel 2, het zwaartepunt van de roman, bevat de door Hertmans overgetypte memoires van Hertmans’ grootvader, die aan de zijde van België heeft gevochten in de Eerste Wereldoorlog. De lezer moet geloven dat dat een authentiek document is waarin hooguit wat spelfouten zijn verbeterd. Dat Hertmans in interviews de authenticiteit van de cahiers van zijn grootvader heeft bevestigd en deze op televisie zelfs heeft getoond draagt bij aan de illusie van echtheid.

 

Ik wil niets afdoen aan de betrouwbaarheid van Hertmans’ uitspraken buiten de context van dit boek, maar ik kan niet vergeten dat het woord ‘roman’ op de kaft staat en ik neem Hertmans als literator te serieus om Oorlog en terpentijn uitsluitend als een document humain te beschouwen.

 

Literair wordt Oorlog en terpentijn pas werkelijk interessant als we de theorie hanteren dat we met een vervalsing te maken hebben, waarbij Hertmans zelfs de schilderijen die van zijn grootvader zouden zijn en die in het boek zijn afgedrukt eigenhandig heeft geschilderd.

 

Er staan namelijk zinnen in Oorlog en terpentijn waarvoor de essayist Hertmans, die ik hogelijk waardeer, zich een beetje zou hebben geschaamd: ‘Mensen uit de tijd van de grote catastrofes in Europa, wat begrijpen wij nog van hen?’

 

Volgens mij heeft Hertmans dat expres gedaan om de sfeer van anti-intellectualisme op te roepen, dat het effect van authenticiteit doorgaans vergroot.

 

Meesterwerken

In het boek zijn meer aanwijzingen te vinden dat we met een sublieme vervalsing te maken hebben. Zo is het verdacht dat de grootvader een schilder is die uitblinkt in het kopiëren van meesterwerken. Slechts één keer, als hij zijn vrouw schildert, van wie hij nooit echt heeft gehouden – omdat hij van haar zus hield – stijgt hij boven zichzelf uit en maakt hij iets waarlijk origineels.

 

 

In deel 1 en 3, waarin Hertmans of de op Hertmans lijkende figuur over zijn grootvader spreekt, wordt de nadruk gelegd op deze impotentie van de grootvader om een origineel schilderij te vervaardigen, en deze impotentie lijkt ook betrekking te hebben op het ooggetuigenverslag, dat namelijk niet alleen letterlijk een kopie is omdat Hertmans beweert het te hebben overgetypt, maar het is net als de namaaksels van de grootvader een bewijs van onmacht, een kopie van een origineel. Een vervalsing.

 

Oorlog en terpentijn heeft een citaat van Erich Maria Remarque als motto, en het tweede deel leest, puur literair gezien, als een wat halfslachtige kopie van Im Westen nichts Neues.

 

Als document humain zijn de cahiers van Hertmans’ grootvader natuurlijk waardevol, als literatuur vallen ze tegen. ‘Soldaten zijn vernielers en bittere kerels wanneer ze van verlof naar het front terugkeren,’ staat er. Dat is waar, maar dat is literair al eens beter verwoord.

 

Pas als vervalsing komt Oorlog en terpentijn echt tot leven, omdat het dan een roman wordt over de vraag hoe de verboden plek af te beelden die je nooit hebt betreden en die je ook niet wilt betreden.

 

In dat bijna ongrijpbare moment van lust en angst schuilt het sublieme, suggereert Hertmans

 

Als wij de loopgraaf beschouwen als een verboden plek waar de obsceniteit ongekende vormen aannam, dan zegt Hertmans door middel van zijn vervalsing feitelijk dat die obscene plek alleen genaderd kan worden door te doen alsóf de schrijver een ooggetuige is, beter gezegd door te doen alsof hij het geschrift van een ooggetuige kopieert. Alleen op dergelijke wijze kan hij het obscene tonen zonder zelf obsceen te worden.

 

In de kopieerdrift van de grootvader, die zijn oorlogstrauma bestreed door beroemde schilderijen te kopiëren, zie ik nog iets anders. Na de verboden plek van de loopgraaf te hebben overleefd is elke volgende ervaring eigenlijk alleen nog maar een kopie van die oerervaring. Het origineel is elders en onbereikbaar, het ware obscene is ontoegankelijk geworden en zij die er zijn geweest en zijn teruggekeerd moeten proberen iets mee te delen wat zich feitelijk niet laat mededelen.

 

Hertmans’ roman interpreteer ik zo: wij die niet op de verboden plekken zijn geweest, zijn eigenlijk allemaal vervalsers. Vanuit dat perspectief is Hertmans roman groots en wanhopig en daarvoor verdient hij de Libris Literatuurprijs. Maar stel dat ik ongelijk heb, dat er geen sprake is van een meesterlijke vervalsing, dan zit ik met een vraag.

 

In 2001 schreef Hertmans de roman Als op de eerste dag, een hermetische, moeilijke en prachtige roman over een man met een onbeheersbaar pornografisch verlangen. Zelf zegt Hertmans dat deze roman gaat over het verlies van onschuld, dat te maken heeft met de herhaling, maar ik zie ook daar al een man aan het werk die lijdt aan kopieerdrift, want pornografie is altijd een kopie van het obscene.

 

Vanaf 2001 schreef Hertmans talloze, interessante essays, die hij naar eigen zeggen niet meer wil schrijven. Dan volgt Oorlog en terpentijn en ik begrijp de ontwikkeling van zijn schrijverschap niet meer.

 

Zoals de Eerste Wereldoorlog in alle opzichten een breuk was, zo is deze roman een breuk in Hertmans’ oeuvre.

 

Kunst

In de essaybundel De mobilisatie van arcadia schreef Hertmans dat de opdracht van kunst is om gevaarlijk over te steken, dat de kunstenaar zich moet verzetten ‘tegen het geweld van algemene insluiting’, dat de ‘morele consumeerbaarheid’ een doodlopende weg is, waarmee hij bedoelt dat kunst die ertoe dient om een moraal makkelijk te kunnen consumeren als kunst niets om het lijf heeft, onze aandacht niet behoeft. Ik betwijfel of Oorlog en terpentijn volledig aan de eisen voldoet die Hertmans zichzelf ooit heeft gesteld.

 

Als deze roman geen vervalsing is, dan heeft Hertmans wellicht zijn eruditie en academische uitstapjes als een vergissing beschouwd, een omweg, en is hij tot de conclusie gekomen dat hij zich thuis voelt bij wat ik gemakshalve maar even ‘volkse kunst’ zal noemen. Er is net zomin iets mis met morele consumeerbaarheid als met een kerkdienst, en ook literatuur met dat uitgangspunt, hoewel het niet het mijne is, heeft bestaansrecht.

 

Er is ook een andere verklaring mogelijk: dat de ontwikkeling van een schrijver, of hij nu wil of niet, uiteindelijk wordt gedicteerd door de markt.

 

naar boven