Voorkeur en tegenzin, 23 jaar boeken bespreken in 50 bijeenkomsten

Hits: 2838

Voorkeur en tegenzin, 23 jaar boeken bespreken in 50 bijeenkomsten

Welke titels kozen de leden van de "Studiesociëteit Hoogeveen e.o." uit hun lijst van in 23 jaar besproken boeken als de boeken die op hen de meeste indruk maakten? En welke vinden ze eigenlijk niet de moeite van het lezen waard? 

Lees de gemotiveerde keuzes van resp. Jan, Theunis en Lammert 

     v.l.n.r. Jan, Theunis en Lammert

 foto: de "studieclub" op excursie in Noord-Frankrijk; Een driedaagse excursie naar de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog rond Verdun

 

VOORKEUR EN TEGENZIN

23 JAAR BOEKEN BESPREKEN IN 50 BIJEENKOMSTEN

Welke titels kiezen de leden van de "Studiesociëteit Hoogeveen e.o." uit hun lijst van in 23 jaar besproken boeken als de boeken die op hen de meeste indruk maakten? En welke vinden ze eigenlijk niet de moeite van het lezen waard? Helaas zijn deze boekbesprekingen alle gemaakt in het pre-internet tijdperk, de eerste zelfs nog op de Adler of Olivetti schrijfmachine. Misschien ga ik ooit nog wel eens de belangrijkste besprekingen digitaliseren, maar nu even niet. U met het doen met deze lijsten. 

Lees de gemotiveerde keuzes van resp. Jan, Theunis en Lammert hieronder:




 

Déjà vu, 50 boeken "Studieclub Hoogeveen" 

Da's een mooie opdracht, dacht ik, toen Lammert er mee kwam. Alle titels die we behandelden in de "Studieclub Hoogeveen" nog eens  bekijken en er dan de beste én de slechtste uitkiezen.

Makkelijker gezegd dan gedaan, zo blijkt het, nu ik er mee bezig ben.

Lammert heeft alles keurig op een rijtje gezet, die lijst nalopend lees ik titels van boeken waar ik me weinig of niets meer bij kan voorstellen. Dát we een bepaald boek gelezen hebben, kan ik mij vaak nog wel herinneren, maar meer ook niet. Was het dan een slecht boek, nou dat hoeft zeker niet, maar het heeft mij kennelijk niet op de een of andere manier geraakt.

Heeft het in de vergetelheid raken te maken met de tijd? Nou nee, dat hoeft niet. Ook vrij recente boeken horen bij het stapeltje met het etiket: Waar ging dat in vredesnaam ook al weer over?".

Voorbeelden van deze boeken zijn:

 

   -    "De bekoring"  van Hans Münsterman

 

   -    "Omwille van de troon"  van Tomas Ross    en

 

   -    "De tweede man"  van Doeschka Meijsing.

 

Zijn de boeken die mij niet zijn bijgebleven destijds niet door mij gekozen en voorbereid?

Nee, dat speelt volgens mij amper of niet mee.

De door mij opgegeven boeken als:

 

   -    "Vreemde streken"  van Renate Dorrestein

 

   -    "Heldenjaren" van P.F. Thomése   en

 

   -    "De hel" van Boudewijn Büch

 

zeggen mij ook weinig of niets meer.

 

Wat zijn volgens mij dan de criteria van "het bij blijven van een boek"?

 

Wat mij betreft kun je lectuur/boeken verdelen in:

 

    -    amusement

 

    -    informatie

 

    -    literatuur.

 

Ik weet dat ik veel te kort door bocht ga als ik literatuur definieer als: vorm en inhoud zijn in evenwicht, je voelt je "rijker" na het lezen van het boek, die auteur "kan wat", je denkt over de inhoud na, de inhoud doet je wat, de auteur past voor je zelf in een ondefinieerbaar rijtje van literatoren waar je respect en bewondering voor hebt.

Als ik deze rammelende literatuurdefinitie op het rijtje boeken loslaat, kom ik tot een merkwaardig rijtje.

Bovenaan staat "Het verslag van Brodeck"van Philippe Claudel. Een prachtig boek. Zo compleet en evenwichtig geschreven, dat kom je zelden tegen. Veel lagen, veel metaforen en soms echte eye-openers. Klasse!

Diepe indruk, met negatieve kanten, heeft ook Jan Siebelink op mij gemaakt met zijn "Knielen op een bed violen". Weer een mooi evenwicht tussen vorm en inhoud en vaak heel dichtbij komend omdat bepaalde zaken zo herkenbaar zijn. Ik vond Siebelink eerlijk gezegd altijd wat een auteur van de tweede garnituur, maar met dit boek zit hij voor mij in de eredivisie. Hopelijk is dit boek voor hem geen absolute uitschieter, maar handhaaft hij zich op dit niveau. Zijn laatstverschenen boek overtuigt op dat gebied nog niet.

De derde. Heel gek, voor mij is dat "Het boek van violet en dood" van Gerard Reve. Ik kan mij nog goed het gesprek over dit boek , over Reves stijl en over zijn hele levenshouding herinneren. Het was toen voor mij een begin om weer meer over hem te lezen. Was hij voor mij eerst een charlatan, daarna groeide bij mij steeds meer begrip, respect voor die hopeloze Reviaanse levenshouding én voor zijn literatuur.

Op de aanvankelijke longlist stonden bij mij verder nog:

 

   -   "Publiek geheim"                                                   van J. Bernlef

 

   -   "Dwaalsporen"                                                       van  Henning Mankell

 

   -   "Het wonderbaarlijke voorval..............."         van Mark Haddon

 

   -   "Popmuziek uit Vittula"                                       van Mikael Niemi

 

   -    "Dode zielen"                                                         van Nikolaj Gogol.

 

Met een brede zwaai gaat naar de prullenbak als eerste het boek van Herman Brusselmans "Guggenheimer wast witter". Die auteur heeft niets te melden en de vorm is belabberd.

Gerrit Jan Zwier met zijn "De inquisiteur" is in dit rijtje een goede tweede en "Hoogste tijd" van Harry Mulisch volgt meteen als derde. Van "Hoogste tijd"kan ik mij weinig meer herinneren, maar de aversie is meer tegen de auteur in het algemeen: over het paard getild, matige klasse, veel te hoog gewaardeerd door het lezerspubliek.

Tot slot. Bij mij komt de kernvraag op: Hebben wij met z'n drieën gaandeweg een aardige dwarsdoorsnee gemaakt van twintig jaar Nederlandse literatuur, of zitten wij er behoorlijk naast?

In ieder geval gaf een en ander veel genoegen, graag continueer ik "Studieclub Hoogeveen" tot in lengte van dagen.

Jan Loovers

26 januari 2009


 


 


 


 

Voorkeur en/of tegenzin?

Een terugblik op 64 titels, 50 nummers en vele avonden in even zovele kroegen met het verzoek dit alles even opnieuw voor de geest te halen en dan gemotiveerd aan te geven wat maar beter niet geboren had kunnen worden of juist wel. Ik heb even zitten zuchten van "Hoe moet ik hier mee aan".

Een dwaas kan meer vragen dan een wijze kan beantwoorden. Nee zo kan ik dat niet opschrijven, want dat zou dan kunnen slaan op de redacteur van genoemde opdracht en ik meen me te herinneren dat dit hersenspinsel in gezamenlijk overleg tot stand is gekomen.

Om maar te beginnen, heb ik alle auteursnamen en bijbehorende titels van begin tot eind de revue laten passeren en daarna in omgekeerde volgorde nog eens en vervolgens afgewacht wat er kwam bovendrijven. Het merkwaardige is dan dat je gedachten dan ook gaan afdrijven en er zich wellicht voorbarige conclusies en vragen naar voren gaan dringen: Wat hebben we dit al lang gedaan, wat is dit uniek, hoe lang kunnen we dit nog blijven doen.

Met genoegen heb ik daarna nummer 25 nog eens gelezen: "Het verschuivende landschap" en herken daarin veel zaken  die nu nog gelden: Jan schrijft daar: Ik herinner mij weinig van de literaire kwaliteiten van deze boeken, noch van de scherpte van de stellingen.... Lammert is daar al wat anders in: Hij schrijft: Zonder twijfel een boek dat mij zal bijblijven (Pieterburen)

Het volgende boek dat daarna door Lammert werd beschreven was: Publiek geheim van J.Bernlef. Merkwaardig, want het is juist dit boek, dat ik nu als nummer 1 naar voren wilde schuiven. Maar toen ik verslag nr. 7 er nog eens op na las, wist ik me er niets meer van ter herinneren, behalve dan dat het zich achter het ijzeren gordijn afspeelde; sterker nog ik bedoelde een ander boek, dat ik naar voren wilde schuiven, ook van Bernlef, en wel het boek Hersenschimmen. Wat een teleurstelling, dit boek staat helemaal niet op de lijst, dat hebben we dus niet 'samen' gelezen. Ik wel, want ik herinner het me nog heel goed en nog niet zo heel lang geleden heb ik het nog eens besproken met onze schoonzoon Paul die psycholoog is aan de Twenteborg in Almelo.

Om het nu maar wat korter te houden, besluit ik tot het benoemen van mijn drie beste boeken:

 

                - nr. 31 Arthur Japin:  De zwarte met het witte hart;  als volgende:

 

                - nr. 34 Karel Glastra van Loon:  De passievrucht,  en als laatste:

 

                - nr. 44 Annejet van der Zijl:  Sonny Boy

 

Merkwaardig is voor mij is, dat ik na de vaststelling of het besluit deze titels te kiezen, ik na de herlezing van de rapportages merk, dat de nrs 31 en44 grote overeenkomst vertonen in authenticiteit en historiciteit van de verhaallijnen. In beide gevallen wordt verwezen naar de slavenhandel in de vroegere koloniën.

Wat mijn motivatie voor de keuze betreft, speelt de spanning die door het historische karakter in beide verhalen, maar vooral in Sonny Boy  wordt opgeroepen, een sterke rol.

In De passievrucht is het vooral de "handigheid" in de compositie van de beginstelling: vader - zoon - overleden moeder  - die borg staat voor de grote spanning in de vertelling.

In de drie titels: 27 Herman Brusselmans, Guggenhimer wast witter, 42 Arnon Grunberg, De joodse messias  en ,47 Joseph Heller, Catch 22,  is het droevig gesteld met mijn mogelijkheden tot het verwoorden van mijn motivatie of demotivatie om kleur of fleur te geven aan de verhalen die achter deze titels schuil gaan.

Ze hadden wat mij betreft niet geschreven behoeven te worden.

Ook na het lezen van de rapportages  van Jan en Lammert kan ik niet beamen, dat het me nu duidelijk is waar de ongeziene kwaliteiten van deze auteurs liggen.

Helaas sluit deze beschrijving hiermee niet erg positief af. De vraagstelling is hier echter mee schuldig aan: "welke boeken misschien maar beter niet verschenen zouden moeten zijn....

Daar staat tegenover dat vrijwel alle andere - niet genoemde - boeken geen belemmering vormden voor het lezen en bespreken tijdens onze sessies.

 

februari 2009

Theunis Elzinga 





 

Mijn persoonlijke top drie uit 23 jaar, 64 titels en 

50 boekbesprekingen (met 'longlist')

 

In 1996 voor deel 25 van onze boekbesprekingen hebben we een heel nummer gewijd aan een keuze van acht boeken die indruk op ons hadden gemaakt. Nu zullen we voor deel 50 weer onze drie beste en een paar echt slechte boeken noemen. Ik heb nog eens gebladerd in deel 25. Maar pas nadat ik in de lijst van 64 titels al had aangestreept wat ik nu zou willen noemen. Het valt me dan op dat er voor mijn lijstje van nu maar één boek is overgebleven uit de acht titels van voor 1996. Betekent dit, dat de literatuur die daarna is gekomen zoveel meer 'meesterwerken' heeft opgeleverd? Of is het zo dat wat je meer recentelijk gelezen hebt, toch meer indruk op je maakt dan wat verder terug in de tijd ligt? Of dat je nu tenminste denkt dat dat zo is? Of hebben we een betere hand van kiezen? Ik weet het niet maar denk toch dat voor mij geldt dat de tijd een afstand schept. Die afstand leidt ertoe dat ik me bij sommige titels helemaal niets meer van de inhoud kan herinneren. Dat heb ik bij titels van na 1996 minder. Wel weet ik bij voorbeeld dat ik een bewonderaar van het proza van Koos van Zomeren was, en de inhoud van Het Verhaal herinner ik me nog vrij goed. Verhalen die de relatie tussen fictie en werkelijkheid als thema hebben, boeien me ook nu nog. Maar ik mag maar drie titels noemen dus moet ik schrappen. Ik werk om tot een keuze te komen wel met wat tegenwoordig heel lelijk een longlist heet. Ik loop ze eerst in volgorde van bespreking door ons langs. Daarbij gelden als belangrijkste criteria voor mij: is het boek in een goede stijl geschreven; zit er een zekere spanning in met een geloofwaardige plot en intrige; is de inhoud van dien aard dat ik er -op een of andere manier- door geraakt word, dat het me iets zegt, dat ik er 'wijzer' van word; is de psychologie interessant; kortom: spreekt het boek me aan, liefst zodanig dat ik het nog wel eens weer zou willen lezen. 

 

Van Zomeren is niet de eerste auteur die ik handhaaf van de eerste 25. Dat is namelijk Tessa de Loo met Meander.(nr. 6, mei 1987, J.) Deze schrijfster krijgt geen lovende kritieken als ze nog eens wat publiceert (meer een publiekschrijfster dan een literaire meester, daar kwam het op neer), maar dit boek heeft op zich destijds al indruk gemaakt op me, en toen ik met een van de hoofdrolspelers kennismaakte in Pieterburen en ik wat meer over de commune te weten kwam, werd de indruk alleen maar versterkt. In deel 25 schreef ik: ...'zonder twijfel een boek dat mij zal bijblijven...' Dat klopt dus.

 

De tweede auteur op mijn lange lijstje is Geert Mak met Hoe God verdween uit Jorwerd.(nr. 28, okt. 1997, T). Op een heldere en boeiende manier schetst hij de onvermijdelijke gang van een dorp van de oude naar de nieuwe tijd. Dat niet alles Vooruitgang is, wisten we. Dit boek maakt hier en daar pijnlijk duidelijk dat het opgestoten worden in de vaart der volkeren van au gaat. Veel herkenbaars, wat melancholie, heldere analyses en een vlotte stijl. Een boek om nog eens weer te lezen.

 

Een jaar later (nr. 30, okt. 1998, J) lazen we het eerste deel van de J.J.Voskuil-serie Het Bureau, getiteld Meneer Beerta. Dat is voor mij het begin geweest van een jarenlange fascinatie. Elke keer was ik in de week dat er weer een nieuw deel verscheen een van de eerste klanten die het boek kochten. Ook hier weer veel herkenbaars; ook al is een bureau dan geen school, je herkende situaties en gedragingen in je eigen omgeving en vaak ging daar een zekere troost vanuit. De schijnbaar terloopse stijl die niettemin zeer doeltreffend is, de psychologie, de humor en ironie, de zelfspot, de melancholie, alles werkt mee om van al die duizenden bladzijden te genieten. Er gebeurt eigenlijk nauwelijks iets en toch blijf je geboeid lezen. Uiterst knap vind ik dat, als je als auteur dat weet te bereiken.

 

Henning Mankell,  Dwaalsporen, (nr. 38, maart 2003, L) mag niet in dit rijtje ontbreken. Niet alleen alle thrillers van hem die in het Nederlands vertaald zijn, heb ik gelezen, maar ook de 'andere' romans. Ik was onder de indruk van bij voorbeeld Diepte, Het oog van de luipaard en Italiaanse schoenen.  Spanning, mensenkennis, plot, intrige en stijl; het klopt allemaal.

 

Op dezelfde datum besprak ik van Mike Dash: De ondergang van de Batavia.(nr. 38, maart 2003, L). Ook dat vond en vind ik nog steeds een heel goed boek. Het geeft je inzicht in de manier waarop de VOC en de retourschepen destijds opereerden. Ook hier spanning, vlotte stijl, intrige en veel geloofwaardige psychologie.

 

Mark Haddon: Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht  (nr. 42, maart 2005, J) is een merkwaardig boekje dat vooral indruk maakt door de directheid waarmee de beleving van de wereld door een autistisch jongetje aan de lezer wordt duidelijk gemaakt. Op een avond in de bibliotheek vernam ik als enige man tussen veertig vrouwen (nou vooruit, er was nóg een man) dat het boekje in deskundige kringen zeer serieus genomen werd. (Zoiets als Hersenschimmendestijds bij dementie-deskundigen).

 

Theun gaf ons het boek op waarover veel mensen spraken en nog spreken: Jan Siebelink: Knielen op een bed violen. (nr. 43, oktober 2005, T). Je zit als lezer als het ware met open mond te kijken hoe de levens van Hans en Margje zich ontwikkelen. Vooral Margje wekt erbarmen bij de lezer. Voor Hans ontwikkelde zich bij mij een gefascineerd onbegrip: je wilt weten hoe het verder gaat maar tegelijk weet je eigenlijk al wel dat dit alleen kan leiden tot een catastrofe. Maar Margje blijft trouw, ook als de zwarte jassen haar de toegang tot haar stervende man ontzeggen. Onbegrijpelijk, fascinerend; een boek dat noch mij noch kennelijk weinig andere lezers onberoerd laat, gezien de vele reacties.

 

Recentelijk lazen wij van Philippe Claudel: Het verslag van Brodeck. (nr. 49, oktober 2008, T). Zelden een boek gelezen dat het wij-zij-denken zo indringend en beeldend onder woorden bracht. De verschillende lagen en de symboliek, de abstractie met tegelijk de gedetailleerdheid maken het lezen van dit boek tot een rijke ervaring die je nog lang bij blijft. Het spelen met fictie en realiteit is ook in dit boek een belangrijk thema. De auteur geeft zorgvuldig gedoseerd de ontwikkelingen vorm. De lezer wordt steeds meer gewaar maar er blijft veel te raden, te gissen. De lezer moet zelf met het boek aan de slag. Ook dit boek vind ik een prestatie van niveau. 

 

Twee boeken die ik niet op de lijst zet, maar die ik wel met veel plezier heb gelezen, zijn Publieke werken van Thomas Rozenboom en De Engelenmaker van Stefan Brijs. Dan is de top tien compleet.

 

Boeken waarvan ik vind dat ze in de la van de auteur hadden mogen blijven, zijn voor mij bij voorbeeld: Gerrit Jan Zwier: De inquisiteur; Boudewijn Büch: De hel; Peter Middendorp: Noordeloos; Arnon Grunberg: De Joodse Messias; Herman Brusselmans: Guggenheim wast witter (echt zonde van de bomen die het loodje hebben gelegd voor het papier waarop dit gedrukt is) en zo zijn er nog wel een paar.

 

Als ik nu moet komen tot een top drie, sta ik voor een moeilijke zo niet onmogelijke keus. Ik had de leeservaring van geen van de boeken willen missen. Maar vooruit, als het moet (het is overigens mijn eigen opgave aan ons drieën); ik zet dan nog een keer apart:

J.J. Voskuil: Meneer Beerta (en daarmee de hele cyclus Het Bureau);

•Jan Siebelink: Knielen op een bed violen;

•Philippe Claudel: Het verslag van Brodeck.

 

Tot slot: ik ben nog steeds heel blij met ons initiatief van 1986 om een serie boekbesprekingen op te zetten. Je leest boeken die je anders misschien niet had gelezen, je leest de boeken anders dan wanneer je ze 'gewoon voor jezelf' leest, en de gedachtewisselingen die we erover hebben, voegen aspecten toe, die anders on- of onderbelicht waren gebleven. Ik hoop dan ook dat we nog tot in lengte van jaren in gezondheid en vriendschap aan deze serie mogen verder werken.

 

Lammert Metselaar, februari 2009

 

naar boven